Den Haag/Amsterdam, 12 januari 2009
door Kirsten Vos en Ed Caffin
Zondag 11 januari beleefden vier Pathé-theaters in Nederland een ware Indische invasie. Ruim 1.500 Indische Nederlanders bezochten in Rotterdam, Den Haag, Groningen en Amsterdam de filmvertoningen van Het jaar 2602 en Contractpensions – Djangan Loepah. Amsterdam en Den Haag waren zelfs helemaal uitverkocht. Diezelfde dag maakten niet alleen de films, maar ook de bezoekers pijnlijk duidelijk dat de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan.
Na wat vertraging, waarin de spekkoek en koffie niet aan te slepen waren, ging het programma van start. Dankzij de gezamenlijke actie van Darah Ketiga, Nederlands-Indië hyves en Indisch 3.0 was de derde generatie Indische Nederlanders in Amsterdam met bijna 100 jongeren goed vertegenwoordigd. Ruim op tijd zaten we klaar voor de première van Het jaar 2602, na een inleiding van onder meer Jan van der Dussen (stichting Verfilming Japanse Burgerkampen) en Peter Neep (stichting het Gebaar).
De film Het jaar 2602 bestond uit een serie interviews, afgewisseld met ‘home-videos’ uit de tempo doeloe tijd. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertelden op indringende wijze op het grote doek over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd. Bijzonder was dat ieder van hen het leven in het kamp door kinderogen gezien had, en zich vaak pas later realiseerde hoe erg, pijnlijk of vervreemdend hun ervaringen waren geweest. De gebeurtenissen in het kamp waren niet realistisch, dachten zij als kinderen: het was niet écht, buiten het kamp zou alles weer normaal worden. Zo was een van de geinterviewden door de Japanners als kind van zijn vader gescheiden. Hij besefte pas ruim veertig jaar later, staande bij het graf van zijn vader, dat hij hem echt nooit meer terug zou zien. Al die jaren had hij gehoopt dat zijn vader op een dag terug zou komen.
Ondanks dat de film een belangrijk, en tot nu toe onderbelicht deel van het Nederlandse oorlogsverleden vastgelegd heeft, waren de reacties na afloop wisselend. Dit had te maken met de afkomst van de geinterviewden en het verhaal dat zij vertelden. De hoofdrolspelers in 2602 waren namelijk overwegend totoks (volbloed Nederlanders). Er waren twee Indo-Europeanen (gemengde afkomst) bij, maar die waren voor Nederlanders nauwelijks als zodanig te herkennen. Daarnaast vertelden deze twee niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesië, of de rol die Indo-Europeanen speelden in de kampen. De regisseurs zijn nog niet beschikbaar geweest voor commentaar op deze keuze.
Een film over ervaringen van Indische Nederlanders in het Jappenkamp lijkt pijnlijk incompleet wanneer slechts een deel van die ervaringen wordt belicht. Hoewel beide groepen voor een deel dezelfde ervaringen hebben gehad, waren er ook belangrijke verschillen. De Indische groep uit 2602 heeft terecht eindelijk erkenning gekregen voor hun oorlogservaringen, het wachten is op de – blijkbaar echt – andere groep van Indo-Europeanen. Hopelijk helpt deze scheidslijn in elk geval om de Nederlands-Indische oorlogservaringen te kunnen vertellen aan het Nederlandse publiek.
In de tweede documentaire Contractpensions – Djangan Loepah!, die in 2008 in première ging, vertelt regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal van de overwegend Indo-Europese repatrianten die hun eerste tijd in Nederland in contractpensions doorbrachten. De verhalen over de soms pijnlijke en vaak bizarre ervaringen van de Indische Nederlanders die na aankomst in Nederland in tijdelijke contractpensions terechtkwamen, rolden zich uit over de aanwezigen. Ook hier zorgden de uitspraken van het bonte gezelschap dat in de film aan het woord kwam weer voor grote hilariteit, op andere momenten voor grote verontwaardiging en ontroering. De film van Hetty Naaijkens, die inhoudelijk overigens perfect aansloot op Het jaar 2602, was daarom een prachtige afsluiting van een opvallend Indische middag in een koud Amsterdam.
Ondanks dat het begrijpelijk is dat vele bioscoopbezoekers in Amsterdam wellicht overmand waren door emoties na het zien van 2602, was het bevreemded om te zien dat een groot deel van de 800 aanwezigen in Amsterdam na de pauze niet meer terugkwam om naar Contractpensions te kijken. Door dit vertrek werd, waarschijnlijk niet eens opzettelijk, duidelijk dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De totoks, de ‘witte’ repatrianten, hadden namelijk nauwelijks in contractpensions hoeven wonen: het was niet hun verhaal dat na de pauze verteld werd, maar dat van de ‘bruine’ repatrianten. Het is het bijna onwerkelijk om te zien dat, 60 jaar na de soevereiniteitsoverdracht, deze Indische spagaat onbewust nog steeds aanwezig is.
Met veel plezier lees ik Harry’s bijdragen hierboven en denk aan de ‘good old times’ van Indoweb waar Japan, kampen en oorlog altijd goed waren voor een stevige, maar boeiende discussie. Harry weet waarover hij het heeft en is nooit te beroerd om het fileermes te hanteren.
Veel heb ik niet toe te voegen aan de discussie over de Japan en de interneringskampen. Wél vind ik het curieus hoe het boek van Van Velden ter sprake komt.
Haar proefschrift is hét standaardwerk op het gebied van de Japanse interneringskampen in Indië. Het is geschreven met de nauwgezetheid en overtuigingskracht die je verwacht van een geschiedkundig proefschrift. Niet voor niets grijpen latere historici keer op keer terug op dit werk.
Geen enkel historisch werk is natuurlijk sacrosanct, ook Van Velden’s boek niet. Maar een welkome kritische beschouwing van het werk behoeft een grondigheid die ontbreekt in de discussie hier. Uit losse pols wat opmerkingen maken zonder het boek zelfs gelezen te hebben, overtuigt niet.
Een andere discussie vind in het licht van het onderwerp van de blog veel interessanter. Is in de beschrijving en analyse van de historische werkelijkheid van Indië en de oorlog het verschil tussen totok en Indo-europeaan het meest vruchtbare uitgangspunt?
In mijn visie is het antwoord negatief.
Classificaties op basis van ethniciteit zijn per defintie een menselijke constructie en het verschil tussen totok en indo is niet vanzelfsprekend. Het verschil versluiert meer dan het verheldert.
De koloniale samenleving was niet statisch. Vanaf de opening van het Suez kanaal was de kolonie in een proces van doorlopende verandering, en daarmee waren kwalificaties om de samenleving in te delen voortdurend aan verandering onderhevig.
Het verschil tussen Indo en totok was zonder twijfel een koloniale realiteit, een realiteit die aan het zicht is onttrokken in doordat beide in het bestuurs- en rechtssysteem werden beschouwd als Europeanen. Maar er waren andere manieren waarop men elkaar in die koloniale samenleving de maat nam. Afkomst, maatschappelijke positie, geld, vrienden/kennissenkring en opleiding speelden allen mee in die statusgevoelige kolonie.
Zag de blauwogige planterszoon uit een Indisch geslacht zich verbonden met die net aangekomen ingenieur waterwerken, en zo ja op welke manier dan?
Uit mijn eigen familiegeschiedenis weet ik dat de éne indo de ander niet was. BB keek neer op Knil. Wie aan de grote weg woonde voelde zich meer dan die diep in de kampung huisde. Wie gebrekkig Nederlands sprak, lag helemaal verkeerd bij de generatie van mijn grootouders.
Moeten we elke keer, bij elke documentaire, herinnering, bijeenkomst, boek en film rekening houden met deze koloniale gevoeligheden? En zo nee, waarom dan wel met het koloniale verschil tussen totok en indo?
Trouw, 8 februari 2003. Joop van den Berg.
“Het boek ‘De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’ van Dora van Velden was tot nu (hier zou volgen mij moeten staan: tot dan: 1963 dus) toe het enige goede wetenschappelijke overzichtswerk op dit terrein, maar tevens het laatste. Het verscheen in 1963 en sindsdien zijn er enige honderden nieuwe publicaties bijgekomen met nieuwe bronnen en nieuwe inzichten.”
Vanaf 1963 zijn er inderdaad enige honderden, zo niet duizenden nieuwe publicaties en archiefstukken bijgekomen met nieuwe bronnen en nieuwe inzichten.
Archief van de Indische Afdeling van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
Openbaarheid Deze stukken zijn beperkt openbaar. Zij zijn slechts raadpleegbaar na verkregen toestemming van de directeur van het NIOD. Voor bezoekers die deze toestemming willen hebben, ligt een formulier bij de balie van de studiezaal van het NIOD.
Egodocumenten: drie soorten: dagboeken, memoires en interviews.
Dagboeken, memoires vallen onder wat dr. Jaques Presser oorspronkelijk egodocumenten heeft genoemd.
Egodocumenten verschillen van andere geschiedenisbronnen door hun uitgesproken persoonlijk karakter. Egodocumenten zijn subjectief, juist daarin schuilt hun grote zwakte Zij brengen zogenaamde persoonlijke gevoelens en emoties over.
Esther Captain zegt over dagboeken en memoires (zie pagina 18) dat zij geen feiten maar ervaringen presenteren. Zij acht het onmogelijk om aan de hand van egodocumenten een reconstructie te maken van de historische werkelijkheid.
‘Stemming, karakter en milieu van de schrijver zijn te bepalend in wat hij opschrijft en hoe hij het opschrijft.’[ E. Captain, Achter het kawat was Nederland,,pagina 18]
Tussen het persoonlijke waarnemen/ individueel ervaren en zelf optekenen vinden we de volgende. Het (geschreven of mondelinge) verhaal kan de individuele ervaring representeren, maar is nooit gelijk aan de ervaring
Maar Harry waar blijf dat commentaar over Van Velden, je hebt het wel steeds over onze interpretaties op basis van boeken die wij gelezen hebben en niet alleen Wikipedia lezend (naar Wikipedia zoeken ligt bij mij niet voor de hand), die je nog moet verifieren en je vergelijkt een (1)krantenartikel met een boek dat Martin gelezen heeft, op basis daarvan trek je even snel de conclusie dat al onze argumenten interpretaties zijn, vind ik wel heel knap hoor, weliswaar niet wetenschappelijk als…dan…. (causaliteit)
Je moet niet vergeten dat je op basis van 1 boek Lou de Jong schaakmat zet. Dan moet je niet vergeten dat zelf Ralph Boekholt in zijn gele boek, “De Staat, Dr L. de Jong en Indie” dit cijfer op basis van dat rapportje weet je wel, niet ter discussie stelt en hij heeft veel ter discussie gestelt.
Ga nou eens in op de argumenten en niet luk raak bronnen aanhalen. Tot nu hebben Martin wel historische bronnen aangehaald en we (sorry Martin)vragen aan jou dat ook te doen. Lijkt me logisch hè.
je haalt dus een bron aan, een krant en Joop van den Berg, ik wist niet dat hij historicus was.
“Ester Captain laat echter duidelijk zien dat ook met zulke ‘beperkte’ bronnen een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld kan worden opgeroepen, zij gebruikt daarbij zeker een kwalitatieve methode van wetenschappelijk onderzoeken daarvan zijn vooral in de sociologische literatuur een hele hoop van,ik wil daarover geen en wil een“oorspronkelijke onbetwiste registratie”, een kwantitatieve registratie. en daarmee komt hij met aanhaling van dat artikel helemaal niet aan toe. Ik zou maar een andere bron aanhalen Harry.
Ik kijk net in het boek “Java 1942-1945 Kampschetsen” van JAG Warmer, daar wordt Van Velden wel geraadpleegd, dus geen Wikipedia.
Bron: NIOD
Toegangsnummer: 400
Archieftitel: Indische Collectie en Archief van de Indische afdeling van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie
539 Gecertificeerd rapport NEFIS betreffende arrestaties en mishandelingen van katholieke geestelijken door de Kempeitai te Djokja, 1946534 Gecertificeerd rapport (NEFIS) van het verhoor van majoor Katsumura Yoshio, Hoofd van het uitvoerende orgaan van de Kempeitai Java, over de organisatie, de samenstelling en de werkwijze van de Kempeitai Java, 1946.
624 Verklaringen van kapitein Kida, kolonel Nakata en kapitein Kobayashi over de veroordelingen van kapitein Douglas en Coats en behandeling van geinterneerden in de kampen door de Kempeitai , 1946.894 Stukken betreffende terreur van de Kempeitai in het regentschap Panaroekan (Java) en de moord op 20 Indonesische bestuursambtenaren, afschriften, 1948.
5368 Organisatieschema van het hoofdkwartier van de Kempeitai op Java, de Kempeitai te Batavia en nadere bijzonderheden over deze diensten, 19465048 Verslag van mw. F. Kramer-Huese: ‘Weigeraars – Voorgeschiedenis – De ondergrondse wordt ontdekt’, over de arrestatie van diverse verzetsmensen door de Kempeitai in december 1942, z.d 5087 Rapport van Gossiaux betreffende de ‘Zaak Jaspers’, spelend te Batavia: Jaspers was op 6 september 1944 door de Japaaners uit Kesilir vrijgelaten om spionagewerk voor de Kempeitai te gaan verrichten; Gossiaux en mw. Batten behoorden tot de slachtoffers van Jaspers, z.d.
5355 Typoscript van de pater-jezuiet J. Noyons: “Verslag van de gevangenneming van onze paters op Java in 1942 door de Japanners”. Deze paters-jezuieten uit Djokja werden gearresteerd door de Kempeitai op grond van loze verdenkingen, veroordeeld te Batavia en opgesloten in gevangenissen Tjipanang (Batavia) en Soekamiskin (Bandoeng), z.d.
2794 Rookmaker, O.J. Japan: Kobe: kempeitai : spionage; Osaka: gevangenis
7519 Birnie, A., 1985 Oost-Java: Indo-europeanen, oorlogsdagen, kempeitai , executies, illegaliteit, dagelijks leven: Soerabaja
1. Martin E. C. Roos Says:
10 februari 2009 at 11:39 pm
“D. van de Velden heeft subjectieve weergaven van de werkelijkheid van Japanse burgerkampen verwerkt in haar proefschrift. Op basis van egodocumenten.
D. van Velden besteed in haar proefschrift, dat enkel over de Japanse burgerkampen verhaalt! (1963) , weinig tot geen aandacht aan de raciale structuur in de Indische samenleving. Haar basisgegevens betrekt ze uit zogenaamde egodocumenten.
Zou enkel op basis van egodocumenten uit sommige Japanse burgerkampen, historische werkelijkheid met betrekking tot alle Japanse kampen op Java en de Buitengewesten kunnen worden gereconstrueerd? Het is een vraag waar veel historici en wij inmiddels antwoord op hebben gevonden en gekregen.
De eerder door mij genoemde Esther Captain ziet het als een onmogelijkheid om aan de hand van egodocumenten een reconstructie te maken van de historische werkelijkheid. Dagboeken en memoires presenteren in haar optiek: persoonlijke ervaringen geen feiten.”
Trouw, 8 februari 2003. Joop van den Berg
“Het boek ‘De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’ van Dora van Velden was tot nu toe het enige goede wetenschappelijke overzichtswerk op dit terrein, maar tevens het laatste. Het verscheen in 1963 en sindsdien zijn er enige honderden nieuwe publicaties bijgekomen met nieuwe bronnen en nieuwe inzichten. Esther Captain (1969) heeft nu met grote ijver en voortvarendheid gepoogd een halve eeuw van Indische dagboeken en memoires in een historische context te plaatsen. Andere bronnen zoals romans, verhalen, en egodocumenten worden uiteraard ook gebruikt, maar de nadruk ligt nauwgezet op dagboeken en memoires, zo’n dertig in totaal.
Dora van Velden was destijds nogal terughoudend over het raadplegen van zulke sterk persoonsgerichte bronnen. Captain laat echter duidelijk zien dat ook met zulke ‘beperkte’ bronnen een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld kan worden opgeroepen. Los van het feit dat, zoals een andere historica schreef, ‘de verwerking van dit oorlogsverleden traag verloopt en mythen blijven bloeien’.”
Ik kom nog op de reactie van Van de Broek terug. Maar ik vond dit wel heel opmerkelijk. Vergelijk het commentaar van Martin E. Roos met een citaat uit een boek recensie in Trouw van 8 februari 2003. Ze staan haaks op elkaar. Dat versterkt mijn vermoeden dat de door Martin genoemde bronnen goed zijn maar dat het aan de interpretatie ernstig schort. Gezien de reacties op mijn postings zou het me eigenlijk niet moeten verbazen. Ik ga die boeken natuurlijk zelf lezen.
Het is nog steeds jouw bron Van Velden,(egodocumenten, niks quantitatieve registratie) dat discutabel is (zie mijn commentaar van 11.02). Je geeft tevens aan dat ik dan het boek moet lezen, ho maar, ik vraag jou naar de methoden van haar onderzoek en als je dat niet geef, noem ik dat heel curieus. Curieus is dat Martin C. Roos wel de verklaring geeft. En je antwoord is meestal een jij-bak. En hoe vaak kom je met Wikipedia aandragen(ik wel even gaan tellen) of met wat romans (sic) komt leuren terwijl de anderen in de discussie vaak de historische boeken wel gelezen hebben, vind ik dat een merkwaardige manier van redeneren, ik zal de volgende keer de Winkler Prins als tegenhanger erbij halen als, met zoiets ga je toch ook niet dicussieren .
En dan die zinspreuk “oorspronkelijke onbetwiste registratie”. ik zit nog steeds op een verklaring te wachten want dat soort registratie is voor jou het eikpunt van de discussie,maar wat je er onder verstaat laat mij tot nu toe in het volledig duister. Vragen naar definitie is een onderdeel van wetenschap.
Als jij je uitgangspunten (wat zijn je bronnen anders dan Wikipedia) niet definieer dan lijkt mij de discussie volledig zinloos, zie de discussie over de Kemnpetai, a little bit out of topic.
Om terug te komen op je uitspraak: “Met de eis om de Indische Nederlander vertegenwoordigd te laten zijn in de film geeft men aan dat zij een aparte groep vormen die apart behandeld moet worden. Dat lijkt me hoe dan ook niet wenselijk”. dan heb je niet goed gelezen wat ik heb gesschreven. Ik wil dat de Indo-Europese Nederlander een gerechtvaardigde plaats in de geschiedenis krijgt. In de film wordt een geidealiseerd beeld van de Indische gemeenschap gegevn die lijnrecht staat tegenover de vooroorlogse werkelijkheid. Dus Harry Sirah wel beter lezen.
De laatste opmerking; Harry zegt “Als historisch document is de serie m.i. niet te negeren. En eerst zei je dat het een mening van de filmmakers was. Harry dat is niet zo conistent. De film is zoals het boek van Velden egodocumenten, die een onvolledig beeld geven.
Het is nog steeds jouw bron Van Velden,(egodocumenten, niks quantitatieve registratie) dat discutabel is (zie mijn commentaar van 11.02). Je geeft tevens aan dat ik dan het boek moet lezen, ho maar, ik vraag jou naar de methoden van haar onderzoek en als je dat niet geef, noem ik dat heel curieus. Curieus is dat Martin C. Roos wel de verklaring geeft. En je antwoord is meestal een jij-bak. En hoe vaak kom je met Wikipedia aandragen(ik wel even gaan tellen) of met wat romans (sic) komt leuren terwijl de anderen in de discussie vaak de historische boeken wel gelezen hebben, vind ik dat een merkwaardige manier van redeneren, ik zal de volgende keer de Winkler Prins als tegenhanger erbij halen als, met zoiets ga je toch ook niet dicussieren .
En dan die zinspreuk “oorspronkelijke onbetwiste registratie”. ik zit nog steeds op een verklaring te wachten want dat soort registratie is voor jou het eikpunt van de discussie,maar wat je er onder verstaat laat mij tot nu toe in het volledig duister. Vragen naar definitie is een onderdeel van wetenschap.
Als jij je uitgangspunten (wat zijn je bronnen anders dan Wikipedia) niet definieer dan lijkt mij de discussie volledig zinloos, zie de discussie over de Kemnpetai, a little bit out of topic.
Om terug te komen op je uitspraak: “Met de eis om de Indische Nederlander vertegenwoordigd te laten zijn in de film geeft men aan dat zij een aparte groep vormen die apart behandeld moet worden. Dat lijkt me hoe dan ook niet wenselijk”. dan heb je niet goed gelzen wat ik heb gespreken. Ik wil dat de Indo-Europese Nederlander een gerechtvaardigde plaats in de geschiedenis krijgt. In de film wordt een geidealiseerd beeld van de Indische gemeenschap gegevn die lijnrecht staat tegenover de vooroorlogse werkelijkheid. Dus Harry Sirah wel beter lezen.
De laatste opmerking; Harry zegt “Als historisch document is de serie m.i. niet te negeren. En eerst zei je dat het een mening van de filmmakers was. Harry dat is niet zo conistent. De film is zoals het boek van Velden egodocumenten, die een onvolledig beeld geven.
Ik heb zelf ook Wikipedia gebruikt voor de “Gestapo”, zoal gezegt,omdat ik het boek over de SS in NL heb laten liggen. Wikipedia heeft geen wetenschappelijke noch verklarende waarde. Het is wel gemakkelijk bij het opzoeken maar ook gemak is geen wetenschappelijk uitgangspunt
je zal het linkje in z’n geheel zelf in de adresbalk moeten plakken; hij wijst anders naar de verkeerde plek. Veel leesplezier.
Vergat ik toch zeer onwetenschappelijk het linkje erbij te doen:
http://ja.wikipedia.org/wiki/%E6%86%B2%E5%85%B5_(%E6%97%A5%E6%9C%AC%E8%BB%8D)
“Ik vind de redenering van Harry Sihan curieus en weinig wetenschappelijk.’ Als slotconclusie neem ik wederom de woorden van Peter die mij eveneens aanspreken: ‘Het is voor mij iets te vaag. En stel in het vervolg aan je eigen bronnen dezelfde criteria als aan de anderen. Het is mij wat te slordig”
Zonder aan te geven hoe en waar mijn redenering “curieus” is en niet in te gaan om mijn argumenten (de pretentie van wetenschappelijkheid is in het kader van dit medium enigszins “curieus” – om maar een label te lenen) is dit natuurlijk lekker makkelijk. Men heeft geen tegenargumenten of een antwoord en trekt een “wetenschappelijke” mist op.
O, en is hier een andere bron van mij. Weinig wetenschappelijk misschien maar het is wel van wikipedia. De Japanse versie wel te verstaan zodat hierover ook geen misverstanden kunnen ontstaan.
憲兵(けんぺい)とは、旧日本陸軍において陸軍大臣の管轄に属し主として軍事警察を掌り兼て行政警察、司法警察を掌る兵科区分の一種であった。
Met name bovenstaande is belangrijk: het beschrijft de jurisdictie van de kempeitai – HS
一般憲兵の任務
日本の憲兵制度は、フランスの国家憲兵隊制度を参考にしたため、陸軍大臣の管轄に属するとされながらも、海軍の軍事警察や行政警察、司法警察も職務として、それらについては陸軍大臣以外の主務大臣の指揮を承るものとされた。
具体的には、憲兵は、陸軍大臣の管轄に属し主として軍事警察(軍事警察に係るものは陸軍大臣及び海軍大臣の指揮を承ける。但し外地においては特則あり。)を掌り兼て行政警察(行政警察に係るものは内務大臣の指揮を承ける。但し外地においては特則あり。)、司法警察(司法警察に係るものは司法大臣の指揮を承ける。但し外地においては特則あり。)を掌るものとされた。海軍には独自の憲兵は置かれず、海軍大臣は軍事警察に係るものについては憲兵を直接指揮できるものとされた。そのため、海軍の要人警護等には陸軍の憲兵が当たった。
En onderstaand de bevoegdheden – HS
憲兵は武装していたが、警察比例の原則から、暴行を受けたとき・その占守する土地若しくは委託された場所又は人を防衛するに兵力を用いるほかに、他に手段がないとき又は兵力を以ってしなくては抗抵に勝つことができないときにのみ、武器を使用することができるものとされていた。
“Ik vind de redenering van Harry Sihan curieus en weinig wetenschappelijk.’ Als slotconclusie neem ik wederom de woorden van Peter die mij eveneens aanspreken: ‘Het is voor mij iets te vaag. En stel in het vervolg aan je eigen bronnen dezelfde criteria als aan de anderen. Het is mij wat te slordig”
Zonder aan te geven hoe en waar mijn redenering “curieus” is en niet in te gaan om mijn argumenten (de pretentie van wetenschappelijkheid is in het kader van dit medium enigszins “curieus” – om maar een label t
Met Peter van de Broeks conclusie ga ik volledig mee: ‘ Ik vind de redenering van Harry Sihan curieus en weinig wetenschappelijk.’ Als slotconclusie neem ik wederom de woorden van Peter die mij eveneens aanspreken: ‘Het is voor mij iets te vaag. En stel in het vervolg aan je eigen bronnen dezelfde criteria als aan de anderen. Het is mij wat te slordig.’
Martin E. C. Roos Says:
11 februari 2009 at 1:09 pm
Conclusie.
Waarvan? De enige vastigheid zijn de cijfers van Japanse werkkampen bestemd voor de konketsu oftewel de “gemengdbloedigen”. Maar dat is slechts beperkt tot deze relatieve kleine groep. Afgezien van het feit hoe de Japanners “konketsu” indelen. Van de rest zie ik geen bron. Meijer c.s. zijn dat in ieder geval niet. Een bron in deze is een liefst contemporain document waarin aangegeven staat wie men (de Nederlands Indische autoriteiten bij voorkeur) onder het hoofdje Indo Europeanen of Indische Nederlander plaatst en hoe,wat en wanneer ze zijn geteld.
“De Nihon Kenpei Seishi. Harry je vertaalt en taalt wel heel vrij in je eigen Jip- en Janneke taal.”
Heb je de oorspronkelijke tekst gelezen? En zo ja, kan je dan aangeven waar ik (te) vrij bent in mijn vertaling, al dan niet in Jip en Janneke taal? Ik heb aangegeven dat het een ego-document was waarvan de betrouwbaarheid twijfelachtig is, al is het alleen vanwege de motivatie. Dat gezegd hebbende, houdt dat nog niet in dat alles in een ego document, en ook in dit document, niet feitelijk is. De kempei beschreef hier hun eerste taken, zoals ze schreven dat het warm en vochtig was op Java. Is het laatste dan geen feitelijke weergave alleen omdat het in een “ego document “staat? Een beetje kortzichtig, lijkt me.
“From Wikipedia, the free encyclopedia
Laurence Rees (born 1957) is Creative Director of History Programs for the BBC, a documentary filmmaker, and the author of five books on war and historical atrocities.”
Een geweldige CV maar ik het zegt me niets over zijn deskundigheid op het gebied van de kempeitai. Ik herinner me J. G. Ballard, schrijver van de “Empire of the Sun” die het Japans burger interneringskamp Lunghua in China als een soort Auschwitz beschreef als zijnde “historisch feitelijk”. Wat vervolgens leidde tot een storm van protest door ex-geïnterneerden(sic) van dat kamp tegen de grove overdrijving in zijn boek. Hij beriep zich op de poetic licence die hij als romanschrijver zou hebben. Net als Jeroen Brouwers dat deed t.a.v. zijn sado-masochistische roman “Bezonken Rood” die in eerste instantie wel deed voorkomen alsof zijn natte sm droom een beschrijving van feitelijke gebeurtenissen was. En dan was er Edward Behr die over Hirohito allerlei sprookjes schreef en vakkundig werd gefileerd door vooraanstaande historice en japonologen over de onzin die hij heeft opgeschreven. Daar doet mij deze Rees aan denken. Met name de titel “Creative Director of History Programs” vind ik veelzeggend, met name het “Creative” gedeelte. Je zou er ook een soort poetic licence van af kunnen leiden. Ik vroeg me af, is Linda Goetz Holmes toevallig zijn researcher? Dat is die dame van het sprookje over het Japanse uitroeiingsplan.
“Ik heb nog steeds niet begrepen van Harry Sihan welke wetenschappelijke methodes ( definitie van Indo-Europees, hoe heeft zij geteld en wanneer e.d.) mevr van Velden gebruikt om die alsnog als uitgangspunten te gebruiken. Zolang deze methodologie niet naar duidelijk is is alles wat hij te berde brengt op dat drijfzand gebouwd en zijn de vervolguitspraken niet gloofwaardig. Een “oorspronkelijke onbetwiste registratie” , nou Harry als jij nou eens zegt wat jij met die zin bedoelt wat is oorspronkelijk, wat is onbetwist en wat is registratie, dan kan ik verder discussieren. Het is voor mij iets te vaag. En stel in het vervolg aan je eigen bronnen dezelfde criteria als aann de anderen. Het is mij wat te slordig.”
Ik zou zeggen lees de verantwoording van haar werk als je het echt wilt weten. Zij geeft aan dat haar telling van de kampbevolking niet volledig is en zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verslagen van het Rode Kruis. Onnodig te zeggen dat ze niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo Europeanen. Een definitie van het laatste is in het kader van haar proefschrift irrelevant. Het is een gegeven dat er ‘mestiezen’ groep bestond, als is het maar vanwege het feit dat de Japanners ze geduid hebben. Een oorspronkelijk onbetwiste registratie is – ik herhaal – een register waarvan de authenticiteit vast dat, dan wel niet in twijfel kan worden getrokken waarin staat dat wbepaalde personen van Indo Europese afkomst zijn, wat men verstaat onder “Indo-Europees”, genoemde personen geteld kunnen worden en die betrekking heeft op alle Indo Europese personen in Nederlands Indië. M.a.w. harde cijfers.
En dat een proefschrift herdrukken beleeft zegt niks over het wetenschappelijk karakter.
Misschien niet, maar of de interesse en wellicht het belang. Ik mag aannemen dat haar promovendus of universiteit ook enig gewicht heeft in de beoordeling. Ik begreep dat ze in Leiden is gepromoveerd. Als dat zo is – en ik ben misschien chauvinistisch, aangezien dat mijn alma mater is – dan heeft dat extra gewicht. Misschien niet wetenschappelijk, maar Leiden stond er om bekend dat het vreselijk moeilijk was om er te promoveren in een alfa tak. Uit ervaring weet ik dat ze, althans in mijn tijd, heel erg precies waren. Maar dat is ook niet wetenschappelijk.
“Ik vind de redenering van .Harry Sihan curieus en weinig wetenschappelijk”
Ik was me er niet van bewust dat ik hier een proefschrift aan het verdedigen was, maar goed…
“Jij dient in een wetenschappelijke discussie met redenen omkleed aangeven waarom het een feitelijke weergave is. Aangezien je die niet geef neem ik aan dat die reden er niet toe doet (2 dubbele ontkenningen geven geen positieve), dus de bewering is onwaar (volgens het falsificatie beginsel van Popper.”
Nogmaals, ik zit niet in een wetenschappelijke discussie. Ik stel dat het aannemelijk is omdat er geen motivatie tot liegen is. Simpeler gesteld, waarom zouden ze hierover niet de waarheid vertellen?
“En daarna jouw verhaal over de Gestapo slaat wel alles. Over slordige vergelijkingen gesproken. Ik weet niet waar jij je gegevens hebt over de Gestapo maar hier volgt een stukje uit wikipedia,de duitse versie wel te verstaan, zodat er geen vertalingsproblemen ontstaat.
(…) Teil eines Machtkonglomerats geworden, in dem die Unterscheidung zwischen eigentlicher Polizeibehörde und den zur SS, also einer politischen Organisation, gehörenden Organisationseinheiten kaum mehr möglich war.”
Ik lees dat ze onderdeel zijn geworden van een machtsconglomeraat en het onderscheid met het feitelijke politie apparaat nauwelijks te maken is. Ja? Maar ik bedoel met “reguliere politietaken” de orde handhaven, verkeer regelen, (militaire) voorraden bewaken, logistieke lijnen bewaken. Kan je me aangeven waar in het stukje staat dat de Gestapo dat ook deed? Er is ook niet gezegd dat de dingen die de Gestapo deed de kenpeitai niet deed: contra spionage, rechercheren etc. Maar ze hadden ook hun “rechtszaken”. Het maakt hun nog niet tot een rechtbank, noch worden ze aldus danig beschreven.
Conclusie.
Het aantal geïnterneerde Indo-Europeanen inclusief Indo-Europese kinderen nam in de loop van de Japanse bezettingsjaren alleen maar toe. (235)
Bijna driehonderd Indo-Europese jongens uit Malang verbleven in de het Japanse werkkamp Sember Gesing, (Oost Java). Onder erbarmelijke omstandigheden brachten, in de kampen Ngawi (Oost-Java) en Glodok (Jakarta), geïnterneerden een deel van de bezettingsjaren door. Het regime in de kampen was verhard en had het karakter van een strafinrichting verkregen. (H. Meijer, 2004, pagina 234)
B. van Poelgeest, E. Captain en Michielsen constateerden dat het merendeel van de gedwongen zogenaamde seksslavinnen Indo-Europese (gemengdbloedige) vrouwen waren. (421)
Het aantal kinderen, dat geboren is tijdens de bezettingsjaren uit onvrijwillige en zogenaamde Indo-Japanse relaties werd in 1997 geschat op 800 kinderen. Hicks. Comfort Women. (421)
Touwen-Bouwsma en Captain geven cijfers over de Buitengewesten, alwaar ruim 17.000 (Indo-) Europeanen waren geïnterneerd. Op Celebes en Ambon 4.400, op Sumatra 12.000 en op Borneo 500. (419)
“D. van Velden besteed in haar proefschrift, dat enkel over de Japanse burgerkampen verhaalt! (1963) , weinig tot geen aandacht aan de raciale structuur in de Indische samenleving. Haar basisgegevens betrekt ze uit zogenaamde egodocumenten.”
Het lijkt me logisch dat als de titel “De Japanse inerneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog (Franeker: Wever, 1977)” luidt dat het boek in hoofdzaak over de burgerkampen zal gaan. Ik weet niet precies wat er met basisgegevens wordt bedoeld, maar dat ze zgn ego-documenten heeft gebruikt is geen geheim. Zij schrijft hier zelf over:
Blz 6.
Bij het gebruik van in druk verschenen dagboeken, herinneringen, enz., de zg. letterkundige werken, was grote voorzichtigheid geboden, want de feitelijke waarde van deze werken is zeer verschillend. Geen der auteurs heeft de bedoeling gehad alle gebeurtenissen en toestanden uit zijn kamp volledig te behandelen. Ieder heeft gekozen wat hem of haar het belangrijkst voorkwam en geeft er zijn of haar persoonlijke visie op. De verschillende boeken vullen elkaar aan en geven zo een vrij volledig beeld van de oorlog en het kampleven, zoals die door een gewoon burger werden ervaren.
Met name de laatste zin is belangrijk. Ze realiseerde zich heel goed wat de beperkingen zijn maar ook wat welke waarde ze hebben.
Dé historische werkelijkheid bestaat niet. Er is geen absolute in brons gegoten historische werkelijkheid. Er is slechts de interpretatie van de overlevering. En die interpretatie wordt, of we het nu willen of niet, bepaald door onze culturele vooroordelen. We zijn afhankelijk van verslagen, vertalingen en het al dan niet ontbreken van de juiste context. Zelfs foto’s en film zijn bedrieglijk. We kunnen wel rationeel en met flinke dosis scepsis de verhalen beoordelen en zo proberen een glimps van een waarheid zien te ontdekken. Een voorbeeld: een Koreaanse kampbewaker laat geïnterneerden met blote voeten menselijke uitwerpselen fijnstampen. Het doel is om daarmee het land te bemesten. De geïnterneerden zien dat als een vernedering, voor de Koreaanse boerenjongen, die hij eigenlijk is, is het de gewoonste zaak van de wereld. Dat deden ze in dat bergdorp van hem ook. De geïnterneeerden roepen misdaad tegen de menselijkheid, de Koreaan begrijpt absoluut niet waar ze het over hebben. Als die verhalen zijn opgeschreven en de context van het boerendorp valt weg, hoe wordt dan de historische werkelijkheid?
“Dagboeken en memoires presenteren in haar optiek: persoonlijke ervaringen en niet zo zeer en feiten. Feiten vinden we bij H. Meijer (2004) e.a. ‘Stemming, karakter en milieu van de schrijver zijn te bepalend in wat hij opschrijft en hoe hij het opschrijft’, zijn E. Captains bevindingen die gedeeld worden door vele historici.”
Dit is een open deur. Dat geldt in meer of mindere mate voor alles wat in schrift is na gelaten. Als bijvoorbeeld in de annalen van de Sung staat dat de Mongolen barbaren zijn dan zien de meeste historici dat als de gangbare opvatting in het rijk van de Sung dynastie en niet als historisch feit. De kempeitai heeft in haar annalen geschreven dat de ‘konketsu’=halfbloeden, m.a.w. de Indo’s, onbetrouwbaar zijn. Historisch feit? Nu niet, maar wat als de beladen kontext van de naam kempeitai wegvalt?
Van Velden beschreef hoe en waarom de kampen ontstonden. Ze beschrijft in algemene lijnen hoe ze evolueerden tot aan hun status ten tijde van de Japanse capitulatie. Ze beschrijft de structuur en opzet van kampleiding, de houding van de Japanners en probeert hun motieven helder te krijgen. Vervolgens beschrijft ze de gevolgen van die internering op de mensen. Dat doet ze mede aan de hand van relevante literatuur van ter zake deskundigen. Ze beschreef niet alleen de kampen in voormalig Nederlands Indië maar van van alle Japanse burgerkampen. Tot en met die in Japan toe. Ze heeft naast de dagboeken e.d. ook uitputtend gebruik gemaakt van bronnen als International Military Tribunal for the Far East, Record of Proceedings, Exihibits en Archief van het Comité International de la Croix-Rouge te Genève. Verslagen van gedelegeerden in het Verre Oosten. Haar bibliografie toont een grote verscheidenheid aan auteurs op velerlei gebied. Haar bijlagen vormen een schat aan verwijzingen naar, en bevatten vertalingen van relevante Japanse documenten. We vinden daar gedeeltes van getuigenissen van van oorlogsmisdaden verdachte Japanners. M.a.w. te stellen of zelfs maar te suggereren dat Van Velden de beschrijving van het interneringsproces voor een groot deel op dagboeken berust geeft aan dat men het boek niet gelezen of niet begrepen heeft.
De term “raciale structuur” m.b.t. een samenleving is vaag. Want wat geeft het aan? De etniciteit van de mensen? Dus of men het produkt is van een bepaalde genen combinatie? Het belang daarvan is – behalve misschien uit medisch oogpunt of voor historisch onderzoek aan de hand van genen analyse – gering of niet bestaand. In het kader van het verloop van de Japanse bezetting en de geschiedschrijving van de internering het irrelevant. Bedoelt men met de term de culturele verscheidenheid van de Nederlands Indische samenleving dan kan het er wellicht toe doen. Maar dat blijkt niet uit de term. M.i. heeft Van Velden, daar waar relevant, voldoende aandacht geschonken aan de culturele verscheidenheid van de Nederlands Indische samenleving.
Het Japanse beleid was gericht op het verwijderen van westerse invloeden uit wat gezien werd als de eigen invloedssfeer. Het is daarom begrijpelijk dat het beleid zich in eerste instantie en in hoofdzaak richt op het Europese deel van de koloniale samenleving. Het is ook dit deel dat het eerst en voornamelijk werd geïnterneerd. In een beschrijving van die geschiedenis zal dit deel dan ook prominent aanwezig zijn.
De mensen van gemengd Europees inheemse afkomst vormden een diffuse groep die over de culturele scheidslijnen heen gaat. Het gedeelte van die groep dat tot de Nederlands Europese cultuur gerekend kan worden op basis van kenmerken als b.v. de mate van beheersing van het Nederlands, normen en waarden die men aan houdt, en het hebben van de Nederlandse nationaliteit vertoont op zich al een grote verscheidenheid. Het lijkt me daarom niet te bepalen waarop men een “Indo centrisch” perspectief kan baseren. Immers, gaan we uit van de groep die door de vereenzelviging met de Nederlandse cultuur en de daarmee samenhangende normen en waarden, zij het met variaties, dan zijn het Nederlanders, zoals Friezen of Limburgers dat ook zijn. Een geschiedschrijving van Nederland vanuit een Fries perspectief lijkt me al moeilijk zo niet onmogelijk, terwijl daar een cultureel duidelijk herkenbare groep hebben. Dit i.t.t. de Nederlands Indische groep. Want hoe ga je bepalen wat er Fries is aan een perspectief? Hoe definieer je “Fries”? Hoe definieer je ‘Indisch”?
Net zoals met de cijfers is hier een aanname waarvan de onderbouwing ontbreekt. Zolang dat er geen eenduidig en algemeen geaccepteerde definitie c..q. onderbouwing is blijft het los zand. En daar is er in de woestijn ontzaglijk veel van.
Zou het dan toch weer om geld gaan?
Totok kinderen, uit de Japanse interneringskampen zouden, als volwassenen, al tot begin 1994 succesvol een beroep gedaan hebben op de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 lees ik in NRC van 4 februari 1994. Frits Groeneveld schreef 15 november 1994 in NRC dat in 1944 en 1945 grote groepen jonge, Indo-Europese mannen werden opgepakt en in gevangenissen opgesloten. Veel van deze jongeren zijn tijdens de opsluiting, mede door de Japanse behandeling, omgekomen.
Toenmalig minister H. d’Ancona vond in het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw dat psychisch letsel dat jonge kinderen door traumatische ervaringen van geweld tegen derden hadden opgelopen ook een vorm van invaliditeit is. Met eventuele mogelijkheden in relatie met WUV 1940-1945.
Peter van den Broek Says: 7 februari 2009 at 12:37 am: ‘Ik eis des te meer als kind van een kampkind rechtzetting.’ Een onbescheiden vraag. En niets persoonlijk. Ben je bekend met de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940-1945? En is het je bekend dat naast totok-kampkinderen, Indo-kampkinderen (concreet een van je ouders, dus) eveneens een beroep hebben gedaan op de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Of op korte termijn nog zouden kunnen doen?
Harry denkt (over een uitstekend voorbeeld van een egodocument): ‘Er is namelijk geen aannemelijke reden om hier niet een feitelijk weergave (altijd binnen de grenzen van de menselijke perceptie) in te zien.
De Nihon Kenpei Seishi. Harry je vertaalt en taalt wel heel vrij in je eigen Jip- en Janneke taal. Het zijn en blijven: persoonlijke ervaringen. Geen feiten! Geen historische werkelijkheid dus! Stemming, karakter en milieu van de schrijver in je voorbeeld zijn te bepalend in wat hij opschrijft en hoe hij het opschrijft.“The Kempeitai had 315 officers and 6000 enlisted men by 1937. These were the members of the known, public forces. Allies estimated that by the end of World War II, there were at least 75.000 members of the Kempeitai, figuring in undercover personnel and so on.” (Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/kempeitai)
Laurence Rees
From Wikipedia, the free encyclopedia
Laurence Rees (born 1957) is Creative Director of History Programs for the BBC, a documentary filmmaker, and the author of five books on war and historical atrocities.
Rees was educated at Solihull School and Oxford University, and began his career as an editor on the BBC series Timewatch.
He wrote, directed and produced the 1997 series The Nazis: A Warning from History, the 2001 series Horror in the East, and the 2005 Auschwitz: The Nazis and the ‘Final Solution’. He has won many awards for his television films, including a BAFTA, a Grierson Award, an International Documentary Award, a British Press Guild Award and a BANFF festival award.
He also wrote the companion books to his series The Nazis: A Warning from History, Horror in the East: Japan and the Atrocities of World War II, (noot) The War of the Century: When Hitler Fought Stalin and Auschwitz: A New History. In 2006 he won History Book of the Year at the British Book Awards for his book on Auschwitz making him the first person to win both a BAFTA for a television series he has written, produced and directed, as well as a British Book Award for a book he has written.
His latest book, titled Their Darkest Hour: People Tested to the Extreme in WWII, was released in September 2007 by Ebury Press.
In 2005 he was awarded an Honorary Doctorate by Sheffield University for services to history and television.
Noot. Horror in the East: Japan and the Atrocities of World War II. Harry Sihan Says: Meneer Reese is nogal slordig met zijn vergelijkingen. En de nogal hijgerige titel van het boek geeft ook te denken.
Uitg. bij de televisieserie ‘Horror in the East’, voor het eerst uitgezonden op BBC 2 in 2000.
Verschrikkingen in het Verre Oosten: Japanse wreedheden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Door Laurence Rees, Jeske Nelissen
Gepubliceerd door Uitgeverij Boom, 2002
‘[…] de Kempetai, de Japanse geheime militaire politie. In de jaren dertig (van de twintigste eeuw MECR) ging de Kempetai […] zich ook bezighouden met geheime politietaken en kreeg hij dezelfde rol als de Duitse Gestapo.’ (pagina 94)
Ik heb nog steeds niet begrepen van Harry Sihan welke wetenschappelijke methodes ( definitie van Indo-Europees, hoe heeft zij geteld en wanneer e.d.) mevr van Velden gebruikt om die alsnog als uitgangspunten te gebruiken. Zolang deze methodologie niet naar duidelijk is is alles wat hij te berde brengt op dat drijfzand gebouwd en zijn de vervolguitspraken niet gloofwaardig. Een “oorspronkelijke onbetwiste registratie” , nou Harry als jij nou eens zegt wat jij met die zin bedoelt wat is oorspronkelijk, wat is onbetwist en wat is registratie, dan kan ik verder discussieren. Het is voor mij iets te vaag. En stel in het vervolg aan je eigen bronnen dezelfde criteria als aann de anderen. Het is mij wat te slordig.
En dat een proefschrift herdrukken beleeft zegt niks over het wetenschappelijk karakter.
Ik vind de redenering van .Harry Sihan curieus en weinig wetenschappelijk
“Er is namelijk geen aannemelijke reden om hier niet een feitelijk weergave (altijd binnen de grenzen van de menselijke perceptie) in te zien. Dit geeft aan dat de kenpei “reguliere” politietaken heeft”
Jij dient in een wetenschappelijke discussie met redenen omkleed aangeven waarom het een feitelijke weergave is. Aangezien je die niet geef neem ik aan dat die reden er niet toe doet (2 dubbele ontkenningen geven geen positieve), dus de bewering is onwaar (volgens het falsificatie beginsel van Popper.
En daarna jouw verhaal over de Gestapo slaat wel alles. Over slordige vergelijkingen gesproken. Ik weet niet waar jij je gegevens hebt over de Gestapo maar hier volgt een stukje uit wikipedia,de duitse versie wel te verstaan, zodat er geen vertalingsproblemen ontstaat.
Die Geheime Staatspolizei, auch kurz Gestapo genannt, war ein “kriminalpolizeilicher” Behördenapparat und die “politische” Polizei in der Zeit des Nationalsozialismus (1933–1945). Sie entstand 1933 nach Umformung der politischen Polizeiorgane der Weimarer Republik. 1939 wurde die Gestapo in das Reichssicherheitshauptamt (Amt IV) eingegliedert. Als Instrument des NS-Staates besaß sie weitreichende Machtbefugnisse bei der Bekämpfung politischer Gegner, Teil eines Machtkonglomerats geworden, in dem die Unterscheidung zwischen eigentlicher Polizeibehörde und den zur SS, also einer politischen Organisation, gehörenden Organisationseinheiten kaum mehr möglich war. Let vooral op de laatste zinsnede. Dus over “lezen” gesproken.
Ik ben nog wat aan het rondneuzen en lees het verslag in het reformatorisch dagblad over de film. Ik overweeg ernstig een aanklacht tegen de voorzitter van de Stichting in te dienen bij het meldpunt rassendiscriminatie
1. Verschrikkingen in het Verre Oosten: Japanse wreedheden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Door Laurence Rees, Jeske Nelissen
Gepubliceerd door Uitgeverij Boom, 2002
‘[…] de Kempetai, de Japanse geheime militaire politie. In de jaren dertig (van de negentiende eeuw MECR) ging de Kempetai […] zich ook bezighouden met geheime politietaken en kreeg hij dezelfde rol als de Duitse Gestapo.’ (pagina 94)
Ik ben niet overtuigd en wel hierom : de Nihon Kenpei Seishi (vrij vertaald : de ware geschiedenis van de Japanse Marechaussee (Kenpeitai) verhaalt van de inname van o.a. Java en de acties die de kempeitai heeft ondernomen. Een citaat:
Wij kenpei begonnen onmiddellijk met het leiden van de lokale politie, het bijeen brengen van overgebleven vijandelijke soldaten en het regelen van de militaire voorraden. We borgden belangrijke voorraden stopten het plunderen van de lokale bevolking en handhaafden de orde, en interneerden belangrijke personen.
Nu kan je de Nihon Kenpei Seishi (de geschiedenis gezien door de ogen van kempei veteranen) een ego document noemen en het staat inderdaad bol van zelfrechtvaardiging en mooipraterij, maar dit stukje informatie is redelijk betrouwbaar. Er is namelijk geen aannemelijke reden om hier niet een feitelijk weergave (altijd binnen de grenzen van de menselijke perceptie) in te zien. Dit geeft aan dat de kenpei “reguliere” politietaken heeft. En zoals het ook in de wikipedia staat :
The Kempeitai maintained public order within Japan under the direction of the Interior Minister, and in the occupied territories under the direction of the Minister of War. Japan also had a civilian secret police force, Tokko, which was the Japanese acronym of Tokubetsu Koto Keisatsu (“Special Higher Police”) part of the Interior Ministry. However, the Kempeitai had a Tokko branch of its own, and through it discharged the functions of a secret police.
Dus nogmaals herhaald, ja ze deden taken die onder de noemer “geheime politie” vallen, maar i.t.t. de Gestapo die zich voornamelijk met undercover en contra spionage zaken bezig hielden en geen normale politietaken als het handhaven van de orde onder burgers en militairen bezig hield, waren ze in de eerste plaats marechaussee. Ze berechtten ook mensen. Je kan ze daarom nog geen rechtbank noemen. Niet eens een politierechter.
Meneer Reese is nogal slordig met zijn vergelijkingen. En de nogal hijgerige titel van het boek geeft ook te denken.
D. van de Velden heeft subjectieve weergaven van de werkelijkheid van Japanse burgerkampen verwerkt in haar proefschrift. Op basis van egodocumenten.
D. van Velden besteed in haar proefschrift, dat enkel over de Japanse burgerkampen verhaalt! (1963) , weinig tot geen aandacht aan de raciale structuur in de Indische samenleving. Haar basisgegevens betrekt ze uit zogenaamde egodocumenten.
Zou enkel op basis van egodocumenten uit sommige Japanse burgerkampen, historische werkelijkheid met betrekking tot alle Japanse kampen op Java en de Buitengewesten kunnen worden gereconstrueerd? Het is een vraag waar veel historici en wij inmiddels antwoord op hebben gevonden en gekregen.
De eerder door mij genoemde Esther Captain ziet het als een onmogelijkheid om aan de hand van egodocumenten een reconstructie te maken van de historische werkelijkheid. Dagboeken en memoires presenteren in haar optiek: persoonlijke ervaringen geen feiten. Feiten vinden we bij H. Meijer (2004) e.a. ‘Stemming, karakter en milieu van de schrijver zijn te bepalend in wat hij opschrijft en hoe hij het opschrijft’, zijn E. Captains bevindingen die gedeeld worden door vele historici.
Een gering aantal historici heeft echter verwachtingen gewekt. Dat het aan de hand van meerdere dagboeken het mogelijk is iets over de historische werkelijkheid te zeggen.
We hebben nu een antwoord waarom we D. van Velden en haar zelden tot niet geciteerde proefschrift over de Japanse burgerkampen (1963) in de recente wetenschappelijke literatuur niet meer aantreffen. Ze vertrouwde te veel op haar zeer persoonlijke egodocumenten. Daarnaast schonk ze geen aandacht aan de raciale structuur in de Indische samenleving. Ze was het voorbeeld van een zogenaamde onderzoeker die als uitgangspunt nam: het geijkte, zuiver Euro-c.q. Neerlandocentrisch perspectief. Door enkel en alleen, heel selectief dus, het doen en laten van haar totok in haar Japanse burgerkampen, te reconstrueren. Persoonlijke ervaringen. Geen feiten! Geen historische werkelijkheid dus!
Martin E. C. Roos Says: correctie:
In de jaren dertig van de twintigste eeuw!
10 februari 2009 at 8:28 pm
Uitg. bij de televisieserie ‘Horror in the East’, voor het eerst uitgezonden op BBC 2 in 2000.
Verschrikkingen in het Verre Oosten: Japanse wreedheden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Door Laurence Rees, Jeske Nelissen
Gepubliceerd door Uitgeverij Boom, 2002
‘[…] de Kempetai, de Japanse geheime militaire politie. In de jaren dertig (van de twintigste eeuw MECR) ging de Kempetai […] zich ook bezighouden met geheime politietaken en kreeg hij dezelfde rol als de Duitse Gestapo.’ (pagina 94)
Een wetenschappelijke overzichtsstudie over ons verleden.
In zijn In Indië geworteld. De geschiedenis van Indische Nederlanders, De twintigste eeuw, Bakker, 2004 meldt Hans Meijer ons het volgende. In Indië geworteld heeft als uitgangspunt het Indocentrische. Het Indische element staat bij H. Meijer, als onderzoeker aan de Universiteit Utrecht werkzaam, centraal. Het neemt dus niet het geijkte, zuiver Euro-c.q. Neerlandocentrische perspectief als uitgangspunt. Wij zijn de deelnemers (de generatiegenoten van Peter en mij) en de wetenschappelijk verantwoorde studie gaat over onze lotgevallen: de Indo-Europeanen of Indo’s in Indië/Indonesië. Met name de periode 1920-1960. Het recent gevonden en recent gebruikte cijfermateriaal van Hans Meijer (door Peter en mij aangewend) is niet alleen nieuw, aannemelijk en duidelijk, echter ook wetenschappelijk en betrouwbaar.
Het door mij en Peter van de Broek genoemde relevante cijfermateriaal van H. Meijer in mijn berichtgevingen en die van Peter is afkomstig uit de noten en gebruikte archieven van: In Indië geworteld. Dit is het laatste deel in de reeks ‘de Geschiedenis van Indische Nederlanders’, een onderzoeksprogramma van de Nederlandse Organisatie voor wetenschappelijk Onderzoek (NWO).
Uitg. bij de televisieserie ‘Horror in the East’, voor het eerst uitgezonden op BBC 2 in 2000.
Verschrikkingen in het Verre Oosten: Japanse wreedheden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog
Door Laurence Rees, Jeske Nelissen
Gepubliceerd door Uitgeverij Boom, 2002
‘[…] de Kempetai, de Japanse geheime militaire politie. In de jaren dertig (van de negentiende eeuw MECR) ging de Kempetai […] zich ook bezighouden met geheime politietaken en kreeg hij dezelfde rol als de Duitse Gestapo.’ (pagina 94)
Nog even terugkomend op de oorspronkelijk discussie, samengevat:
Er wordt gesteld dat op basis van een verondersteld groot aantal Indische Nederlanders/Indo-Europeanen de makers van de documentaire “Het jaar 2602” ruimte had moeten bieden aan vertegenwoordigers van genoemde groep. D.i. Indische Nederlanders die geïnterneerd hebben gezeten.
Er zijn een paar fundamentele problemen met deze stelling.
A. Het grote aantal Indische Nederlanders in de kampen
Het is een gegeven dat er geen cijfers zijn van het aantal Indische Nederlanders in Nederlands-Indië simpelweg omdat zij niet als dusdanig (=van gemengde afkomst) werden geregistreerd. Schattingen op basis van Japanse cijfers w.s. uit een aantal registratie rondes tijdens de bezetting waarbij men als “gemengd” geregistreerd kon worden zijn om de volgende redenen niet betrouwbaar:
• Het Japanse registratie systeem had als doel om geld te genereren. Er werden ook forse tarieven geëist. (bv. 100,- voor een blanke man). Het is dan aannemelijk dat veel mensen zich niet lieten registreren omdat men of geen geld heeft, of niet zo’n hoog bedrag wilde betalen. De waarschijnlijkheid van de aanname wordt onderstreept door observaties uit het ego-document van Jan Bouwer en uit de dissertatie van D. van Velden.
• Het vrij eenvoudig was om verkeerde gegevens te laten registreren. (Jan Bouwer)
• Bij internering geen enkele registratie naar afkomst leek te zijn gedaan, dan wel niet consistent (Van Velden).
• De definitie van Indische Nederlander en Indo-Europeaan is vaag en verwarrend. Getuige de vele voortdurende discussies hierover. Dan rijst de vraag wie wordt er wel en wie wordt er niet toe gerekend.
Andere schattingen die her en der genoemd zijn hebben geen van allen een vaste basis; d.i. een oorspronkelijk onbetwiste registratie van Indische Nedrlanders.
Op basis van bovenstaande moge duidelijk zijn dat er een dusdanig gerede twijfel is aan de cijfers dat er geen sprake kan zijn van betrouwbaarheid. Hiermee valt een belangrijke steun voor de stelling weg.
B. Specifiek de Indisch Nederlander vertegenwoordigd te laten zijn
Gaan we voorbij aan de discussie over de cijfers en nemen we voorlopig aan dat men zonder ambiguïteit kan vaststellen wie een Indo-Europeaan dan wel Indische Nederlander is en ze met enige mate van betrouwbaarheid geteld, c.q. geschat kunnen worden, blijft de vraag waarom de Indische Nederlander specifiek vertegenwoordigd zou moeten zijn. Immers de Indische Nederlander is tenslotte een Nederlander. D.w.z. hij of zij heeft de Nederlandse nationaliteit en is officieel niet anders dan de rest van de groep die de Nederlandse nationaliteit heeft. Anders gesteld: wat maakt de Indische Nederlander zo veel anders dan een Fries die in de kampen heeft gezeten waardoor er speciaal ruimte voor hem of haar moet worden ingeruimd?
Met de eis om de Indische Nederlander vertegenwoordigd te laten zijn in de film geeft men aan dat zij een aparte groep vormen die apart behandeld moet worden. Dat lijkt me hoe dan ook niet wenselijk.
De Indische Nederlandse groep, en in extensio allen van Europees-Indonesische afkomst in Nederlands-Indië hebben weliswaar een eigen specifieke rol in de geschiedenis van de kolonie maar het is de vraag of die rol in het kader van de documentaire past. En gezien de toelichting op die film op de site http://japanseburgerkampen.org/
“De film Het Jaar 2602 is op de ondertiteling van het affiche aangekondigd als ‘kinderverhalen uit het jappenkamp’. Dus geen pretentie om een beeld te geven van het leven van àl de Nederlanders onder Japanse bezetting”
is het m.i. niet te verwachten dat er iemand als vertegenwoordiger van een specifieke groep in beeld zal komen of dat men een representatieve doorsnee (zo al dat mogelijk zou zijn – zie de discussie over de cijfers) te zien krijgt.
Ziedaar mijn positie in deze.
Een documentaire serie die weliswaar niet specifiek over de Indische Nederlanders gaat maar wel aandacht besteed aan mensen uit die groep (zij het niet op basis van cijfers) is die van Jan Bosdriesz, “Ons Indie”. De serie is nog te zien op de VPRO site (http://geschiedenis.vpro.nl/artikelen/39588911/ . Het is jammer dat er geen ondertiteling is bij de meeste delen. Vooral ook omdat de Japanse interviews met betrekking tot die tijd heel belangwekkend zijn, maar gezien het niet courante karakter van het Japans door velen niet gevolgd zullen kunnen worden. Misschien dat de serie met ondertiteling nog eens op dvd kan worden uitgebracht. Als historisch document is de serie m.i. niet te negeren.
Ik (ik, dus) schreef:
Naast China, is Japan denk ik een van de minst religeuze landen die ik ken. In de westerse zin van het woord.
Dat betekent : ik (die dit heeft opgeschreven)denk,geloof, ben van mening dat genoemde landen niet een geloof aanhangen,geloven, religie beleven zoals men dat in het westen doet. M.a.w. “het woord” heeft betrekking op religie. Ik (ik, dus) wil hier met alle liefde over discusieren, maar ben (ik, dus) bang dat als een elementaire samenhang tussen zinnen niet of slecht begrepen wordt, zoiets een uitermate vermoeiende exercitie gaat worden.
“In 1930 was zeker de helft van de circa 130.000 personen tellende Indo-Europese groep via het gezinshoofd verbonden met het IEV”
In de woestijn vraag ik me al roepend af waar het getal van de “de circa 130.000 personen” op gebaseerd is.
Het lijkt me overigens logisch, dat als ik (!) mijn mening weergeef ik(!) het woordje “ik” zal moeten gebruiken. Het is namelijk niet netjes om je mening als ware het door gezaghebbende bronnen weergegeven voor te stellen of als algemeen geldende waarde weer te geven.
Harry Sihan Says: 8 februari 2009 at 5:30 pm ‘In de westerse zin van het woord.’
In de Indo-Europese zin van het woord gebruik je wel erg veel ‘ik’ in je betoog van 8 februari 2009 at 5:30 pm: 15 maal om aldus in je eigen wijsheid en je eigen ‘Jip-en-Janneke taal, zeg maar’ te blijven steken. Harry Sihan Says: ‘Dus blijf ik, al dan niet in de woestijn, roepen…………..’
In 1930 was zeker de helft van de circa 130.000 personen tellende Indo-Europese groep via het gezinshoofd verbonden met het IEV, volgens de bronnen die H. Meijer, onder auspiciën van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), raadpleegde. Alleen al de Indische Katholieke patij telde begin jaren dertig van de vorige eeuw een achterban van meer dan 60.000 Indo-Europeanen. (J. Bank. Katholieken en de Indische revolutie. 1985) (Hans Meijer 2004 pagina 141).
Of? Harry Sihan Says: 8 februari 2009 at 5:30 pm : ‘denk ik’ weer iets anders?
Sja,
Ik schreef :
7 februari 2009 at 11:03 pm
“Ik heb ook niet gezegd dat ze dat niet deden. De FBI doet ook contraspionage maar dat maakt ze nog niet tot een geheime politie. En zoals ik als schreef ze hadden een inlichtinge tak. Ik stel alleen dat ze geen geheime politie zijn, zoals b.v. Gestapo.”
Dat betekent in wat duidelijker taal (Jip-en-Janneke taal, zeg maar) dat de kempeitai ook op zoek ging naar spionnen en saboteurs. Daartoe gebruikten ze lokale “talenten” die ze dan bij de kempeitai werden ingelijfd. Het was een middel voor hen en daartoe hadden ze een deel van hun organisatie op ingericht.
Dat strookt met het citaat lijkt me: er is de publieke tak en het deel dat voor het opsporen van saboteurs e.d. werd gebruikt. En mijn stelling blijft overeind: de kempeitai is geen geheime politie maar maakt als het uitkomt van de zelfde methodes. De kempeitai is opgericht om zowel het leger als de bevolking in het gareel te houden en daartoe hebben ze grote bevoegdheden. Ze konden bijvoorbeeld mensen ter dood veroordelen en executeren, maar je kan ze geen rechtbank noemen.
Sja , lezen blijft moeilijk hè?
Met mijn gebrekkige leesvaardigheid licht ik de volgende citaat:
Deze groep, in 1930 zijn er schattingen van 134.000, werd aldus een onmisbaar deel van het westers koloniaal bestuursapparaat, het leger, de agrarische sector en het bedrijfsleven.
Als ik het goed lees staat er “schattingen” , toch? En ik zie toch nergens waar die schattingen op gebaseerd zijn. Dus blijf ik, al dan niet in de woestijn, roepen dat het leuk gefröbel is, maar dat dat getal los zand is.
Ik ben benieuwd naar de letterlijke woorden van Smart (ik ga er van uit dat hier Roderick Ninian Smart) bedoeld wordt. Maar afgaande op de post zeg ik dat men noch van het boedhisme noch van Japan iets begrepen heeft. Het feit dat men hier wreedheid en racisme probeert te koppelen aan cultuur en religie getuigt m.i. van behoorlijk verkokerde visie. Ik zou bijna zeggen zoals de waard is. Wreedheid is van alle tijden en alle mensen. Een blik op het Rhemrev rapport over het wee (er was geen wel) van de Javaanse koelies op de Sumatraanse tabaksplantages, of de rapporten over de behandeling van dwangarbeiders in de gordel van Smaragd, en onze eigen dirty war in Aceh onderstreept dat. En dat is nog maar het topje van een ijsberg. Er is inderdaad sprake van racisme, maar dat ligt verborgen in het stukje.
Racisme is een rare term als die wordt toegepast op het Japan van voor en tijdens WWII. Je kan zeggen dat bepaalde bevolkingsgroepen zwaar gediscrimineerd werden en dat ze een vooroordeel hadden tegen Chinezen en Koreanen, maar een dergelijke houding tegenover groepen die minder werden geacht was in die tijd universeel en niet tot Japan alleen beperkt. Ik vind de uitleg van Van Velden – ja, daar heb je haar weer – meer hout snijden en in lijn met mijn ervaring en kennis van Japan en Japanners. Te weten: onverschilligheid van de hogere ofiicieren, de harde tucht van het Japanse leger zelf en een verschil in opvatting tussen de culturen over wat discipline
en wat mishandeling is.
Overigens vind ik het bijvoegelijk shinto/boedistisch voor Japan eigenaardig. Alsof Japan een theocratie zou zijn. Hoewel het leger nogal fanatiek deed over de keizer verering is het een vergissing om de Japanse opvatting van religie met die van het westen te vereenzelvigen. Naast China, is Japan denk ik een van de minst religeuze landen die ik ken. In de westerse zin van het woord.
Conclusie.
Na lezing van recente publicaties over Nederlands Indië en ‘koloniale literatuur’ kunnen we concluderen dat tot einde van de negentiende eeuw de meeste Indo-Europeanen of Euro-Aziaten of Indo’s met een eigen cultuur, in Nederlands Indië niet in de meest aantrekkelijke omstandigheden leefden. We zien dat door de snelle koloniale economische en agrarische (plantages) ontwikkelingen tussen 1900 en 1930 een mogelijkheid ontstond tot verdere ontplooiing. De specifieke herkenbare groep in de koloniale samenleving, die als een onderscheidende groep met name in de officiële documenten is te traceren, vond een nieuwe weg. In een koloniale samenleving met een groeiende behoefte aan Nederlands sprekend en schrijvend personeel werden mogelijkheden onderzocht en kansen benut. Juist uit voornoemde, Europees opgeleidde groep, werden werkkrachten voor de hogere posities uitgezocht en aangesteld. Deze groep, in 1930 zijn er schattingen van 134.000, werd aldus een onmisbaar deel van het westers koloniaal bestuursapparaat, het leger, de agrarische sector en het bedrijfsleven. Deze opkomende groep werd snel onmisbaar en werd een nieuwe bestuurselite met een eigen zich ontwikkelende cultuur. Het groeiende Indonesische nationalisme en de komst van de Japanners waren oorzaken dat de Indo-Europeanen, als cultureel-maatschappelijke groep, in de oncomfortabele positie kwamen van een zeer herkenbare cultureel-maatschappelijke buffergroep. We zouden kunnen opmaken uit de recente publicaties van Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) dat de (christelijke) Nederlandse regering, die om te beginnen shinto/boeddhistisch Japan de oorlog verklaarde in 1942, de veroorzaker was van al de kommer en kwel van de christelijke Indo-Europese groep (1) in onze voormalige kolonie. H. Meijer (2004) onderzoeker aan de Universiteit Utrecht, met specialisatie de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, benoemt dit leed en geeft wetenschappelijk verantwoorde cijfers.(noot) Een voorbeeld: aan het begin van de Pacific- oorlog zou de Indo-groep circa 175.000 groot zijn. 48.000 Indo’s hebben tijdens de oorlog in een Japans Kamp doorgebracht en wel 28.000 als militair en 20.000 als burger. Een aantal van om en nabij de 125.000 ‘buitenkampers’ noemt hij vrij aannemelijk. De aanwezigheid van de Indo-Europeaan in de kampen op Java en in de Buitengewesten heeft H. Meijer in de officiële documenten weten te traceren. De vele getuigenissen, ook uit bovenstaande berichten, bevestigen niet alleen H. Meijer cijfers, echter zouden ook kunnen duiden dat de cijfers hoger zouden kunnen uitvallen.
Conclusie: Indo’s ook wel Indo-Europeanen genoemd vormden een vrij groot deel van de kampbevolking in de periode 1942-1945.
De katalysator voor het geweld na 1945, waaraan de Indo-Europeanen (“ bestempeld als vijanden van Indonesië”) als herkenbare groep ten prooi vielen, was volgen Cribb “het acute gevoel van kwetsbaarheid dat de Indonesische nationalisten hadden namens hun pas uitgeroepen Indonesische Republiek.” Het geweld bleek niet plaats te vinden zonder aanzien des persoons. We zien dat de belangrijkste doelwitten, net als in de Japanse bezettingsjaren, herkenbare mensen waren met de status van Europeaan, vooral Indo-Europeanen (Indo’s) totoks en de door mij elders eerder genoemde groep: leden van de inheemse religieuze aristocratische terreur elites. Deze drie herkenbare groepen in onze geschiedenis vormden de belangrijke pijlers van het bestuurlijke koloniale systeem in de eerste helft van de twintigste eeuw.
1 Tot op zekere hoogte waren de shinto/boeddhistische Japanners, volgens Ninian Smart (2002), in de lange oorlogsperiode racistisch, hetgeen dan ook kon leiden tot hardvochtig optreden tegen degenen die aan hen waren onderworpen: in onze context in de kampen en met name tegen de herkenbare Indo-Europeanen binnen en buiten de kampen. Een kwestie, binnen het moderne zenboeddhisme van Japan, die de aandacht vraagt is dat vele grote zenmeesters gedurende de tweede wereldoorlog achter de keizer stonden, terreur daadwerkelijk ondersteunden en zelf eraan deelnamen. Zelfs de piloten die kamikaze zouden gaan plegen werden door hen gezegend.
noot Hans Meijer met zijn eye-opener en recent verschenen publicatie In Indië geworteld (2004), publiceerde onder auspiciën van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). En roept niet als een alleenstaande in de woestijn zoals Harry Sihan Says: 7 februari 2009 at 11:16 pm ‘Wellicht ben ik niet erg duidelijk geweest of laat ook mijn taalvaardigheid te wensen over.’
[…..there were at least 75,000 members of the Kempeitai, figuring in undercover personnel and so on.” (Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/kempeitai)
Harry Sihan Says: 7 februari 2009 at 11:03 pm ‘Maar het door jouw geciteerde stukje is meer iets uit de scenario van een slechte Amerikaanse B film van Steve Seagal.’
Harry Sihan Says: 7 februari 2009 at 8:26 am ‘leuk stukje anachronistische oorlogspropaganda. Onderstaande komt meer overeen met bonafide historisch materiaal.’
“The Kempeitai had 315 officers and 6000 enlisted men by 1937. These were the members of the known, public forces. Allies estimated that by the end of World War II, there were at least 75,000 members of the Kempeitai, figuring in undercover personnel and so on.” (Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/kempeitai)
Harry Sihan Says: 7 februari 2009 at 11:03 pm ‘Bij vrijwel al hun activiteiten waren ze in uniform met een herkenbare witte armband.’
Harry we putten uit dezelfde bron.
Harry Sihan Says: 7 februari 2009 at 11:16 pm
‘Wellicht ben ik niet erg duidelijk geweest of laat ook mijn taalvaardigheid te wensen over.’
Inderdaad! En niet enkel met dit voorbeeld.
Toch noch iets over het kleur onderscheid in de koloniale samenleving van Nederlands Indie: dat was er, zoals ik opmerkte, maar het was geen absolute barriere. Het was mogelijk voor een Indo-Europeaan om hogerop te komen. Een voorbeeld dat ik aanhaalde was: luitenant-generaal Van Daalen. Dat was hem in Zuid Afrika tijdens de apartheid nooit gelukt, denk ik.
@ Van den Broek
Van Velden, D., De Japanse inerneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog (Franeker: Wever, 1977) Dit is de tweede druk of derde druk wat opmerkelijk mag heten voor een dissertatie. Er zijn in 1977 twee herdrukken geweest: in maart en in oktober. Ik vond verwijzingen naar dit werk in een Indonesia project van Cornell University in New York uit 1986.
Omdat er aan mijn leesvaardigheid wordt getwijfeld ben ik nog eens mijn posts nagegaan. Wellicht ben ik niet erg duidelijk geweest of laat ook mijn taalvaardigheid te wensen over. Maar ik zie alleen dat ik geen cijfers of schattingen anders dan een referentie naar de nummers van de registratiekaarten van Jan Bouwer en zijn vrouw respectievelijk heb gegeven. Dit ter illustratie van het twijfelachtige karakter van het Japanse registratie systeem en dus van de Japanse cijfers zelf. Dit komt uit het in 1988 als ego document uitgegeven dagboek van Jan Bouwer. Ik bestrijd juist de stelling dat het mogelijk is om tot betrouwbare cijfers, schattingen of niet, te komen. Ik wil helemaal niet met Lou over die cijfers discussiëren. Lijkt me trouwens nogal moeizaam. Dan moet ik Char erbij halen en zij is alleen maar goed in letters. Ik heb genoegzaam aangetoond dat er gerede twijfel bestaat over het tot stand komen van die Japanse cijfers. En het feit dat Lou ze gebruikt heeft maakt ze nog niet betrouwbaar. Ik vraag me alleen af of Lou een blackout heeft gehad in deze. Ik mag aannemen dat hij het boek van Bouwer ook gelezen heeft. Hij heeft tenslotte het voorwoord geschreven.
Als de door Van den Broek geraadpleegde boeken “die Van Velden” als bron niet noemt dan zullen ze niet de Japanse burgerkampen als onderwerp hebben of enig onderwerp dat daar betrekking op heeft serieus of diepgaand behandelen. Het is dat, of die boeken zijn niet serieus te nemen. Overigens is het merkwaardig dat Van den Broek een houdbaarheidsdatum hanteert voor historische naslagwerken. Indien dat gangbaar zou zijn of worden betekent dat men b.v. Jozephus uit de eerste eeuw na Christus ook niet meer moet raadplegen met betrekking tot de Joodse geschiedenis of Caesar’s Bellum Gallicum over zijn veldtochten. Want die zijn zeker gedateerd, zou je zeggen.
Ik heb niet gesteld dat er geen onderscheid in kleur bestond. Ik heb zelfs nadrukkelijk aangegeven dat het onderscheid een normaal gegeven was in die tijd. Ik zou zeggen lees mijn opmerkingen over de white man’s burden e.d. maar na. Ik stelde juist dat in een tijd dat onderscheid maken naar huidskleur een normaal en geaccepteerd verschijnsel was, men juist naliet dat onderscheid in de registratie van Nederlanders te maken. En met Nederlander bedoel ik hier hen die de Nederlandse nationaliteit bezitten.
Om mijn vraag nog eens duidelijker te stellen: als men de Indo-Europeanen, daar bedoel ik hier mee mensen van gemengde afkomst die de Nederlandse nationaliteit hebben, erkent als een groep apart van de grote massa andere mensen met de Nederlandse nationaliteit, zijn ze dan als Nederlanders aan te merken? Zo niet dan hoeven ze niet in de film. Zo ja, dan moet je consequent zijn en ook een plaats in ruimen voor Limburgers etc.
Er bestaat inderdaad twijfel over leesvaardigheid, maar ik denk niet dat het de mijne is.
Tenslotte kan ik nu toch wel concluderen dat er geen concrete cijfers over het aantal Indische Nederlanders in Indie bestaan. Met schattingen, mits onderbouwd, kan men op voorwaarde en met veel scepsis en voorbehoud wel eens experimenteren. Conclusies op basis van dergelijke schattingen zullen, wat mij betreft altijd een soort astrologie zijn. Leuk als je niks te doen hebt, maar vooral niet serieus nemen.
“Ze lijkt me, om registreren in de koloniale geschiedenis en de ?registratie van de Japanners tussen 1942 en 1945? te volgen en aldus te controleren: een meetpunt en een getuigenis en een basis waaruit kan worden opgemaakt dat er in 1930 en 1942 en 1942 ? 1945 (Meijer 2004) de genoemde schattingen van gemengbloedigen, correct zouden kunnen zijn.”
Dat zal je toch nader moeten toelichten: ik zie het verband niet tussen het feit dat Esther Captain het product van 3 eeuwen (?) Nederlands-Indische vermenging is en dat dit een meetpunt zou zijn en de mogelijkheid dat de schattingen correct zouden kunnen zijn.
“Toch wist volgens Hans Meijer een ieder in de koloniale tijd wat met het begrip Indo-Europeaan bedoeld werd.”
Dat lijkt me een open deur. Maar het is net zoals met het begrip ‘liefde’. Iedereen begrijpt het als men het hoort, maar niemand kan het goed uitleggen. Hetzelfde geldt voor het begrip Indo-Europeaan, iedereen weet wat er bedoeld wordt, maar gaat het nu maar eens definieëren en wel zo dat je het kan tellen, quantificeren. En daar zit ‘em de kneep.
Het vraagteken zag ik wel, maar ik vond dat er toch verduidelijking nodig was. Het bleef nu zo’n beetje in de lucht hangen.
Kempeitai
Ik heb ook niet gezegd dat ze dat niet deden. De FBI doet ook contraspionage maar dat maakt ze nog niet tot een geheime politie. En zoals ik als schreef ze hadden een inlichtinge tak. Ik stel alleen dat ze geen geheime politie zijn, zoals b.v. Gestapo. Bij vrijwel al hun activiteiten waren ze in uniform met een herkenbare witte armband. En als je de moeite nam om de stub in wikipedia te lezen zal je zien dat er – zoals ik al stelde – een overlap was met inlichtingenwerk. Maar het door jouw geciteerde stukje is meer iets uit de scenario van een slechte Amerikaanse B film van Steve Seagal.
‘Diezelfde kempeitai’.
Harry Sihan Says: 17 januari 2009 at 2:06 pm :‘[…] contra spionage activiteiten door diezelfde kempeitai.’
Inderdaad Harry je meldt zelf, dezelfde ‘contra spionage‘ met andere woorden geheime activiteiten als ik in je eigen berichtgeving.
Dit is een reactie op wel heel merkwaardige vragen/opmerkingen.
Harry zegt
“En nu anno 2009 eist een nazaat van Indo-Europeanen dat er op basis daarvan alsnog een onderscheid wordt gemaakt. Een zekere ironie kan niet ontkend worden, lijkt me”
Dan heb je het volledig verkeerd. Het onderscheid bestond en de hele maatschappij was ervan verweven maar de Nedrlanders laten die zwarte of beter gezegt bruine werkelijken officieel natuurlijk liever niet zien , dat zie je wel uit de film. Lees maar eerst de boeken “het einde van Indie”, “In Indie geworteld. De uittocht uit Indie, dan blijkt hoe de Ned-indische maatschappij eruit zag. In Zuid-Afrika hebben de Nederlandrs (Boeren) het volledig anders en drastisch aangepakt, dat is weer het ander uiterste. Apartheid is een van de weinige woorden die het globaal gehaald hebben. Per saldo is het effekt gelijk. Of je nu officieel of verborgen op huidskleur definieert. De uitkomst is hetzelfde, de rekening wordt altijd aan de zwakste gepresenteerd.
De vraag van Harry
Ik zie nog een probleem in de eis om de groep Indische Nederlanders expliciet vertegenwoordig te laten zijn in de film. Als men erkent dat de groep Indo-Europeanen zo duidelijk anders is dan de reguliere Nederlanders, zijn het dan Nederlanders? Zo nee, dan hoeven ze niet vertegenwoordigd te worden als de film over de Nederlandse geïnterneerden gaat.?
Ik weet niet wat je met deze vraag bedoelt want je omschrijft het begrip Nederlander niet. Daarnaast heb ik het over Indo-Europese Nederlanders en niet Indo-Europeanen, in die schattingen werden zelfs bij de begripsomschrijvenen fouten gemaakt. Kijk even na hoe de stichting heet en dan snap je gelijk waarom het allen over Nederlanders gaat
Lou de Jong verwerpt in zijn Koninkrijk XI ander cijfers omdat die louter “schattingen” zijn, we zijn dus in 1985 en Harry haalt nog steeds zijn schattingen van 1965 van Van Velden aan en waar die op basis waarvan en met welke methodiek en welke definitie zijn cijfers mag halen mag Joost weten aan.
In de door mij geraadpleegde boeken komt die “Van Velden” als bron literatuur helemaal niet voor want de bron is wel erg gedateerd en achterhaald.
De Jong weet dat er alleen Japanse cijfers bestaan want er was tot driemaal toe een registratie, met classificatiebeginsel geweest. Als Harry goed lees en dan over die cijfers wil discussieren dan moet hij bij L. de Jong zijn. De cijfers kunnen wel niet geheel betrouwbaar zijn maar dat is het enige dat we hebben en daarom gebruikt L. de Jong deze. Dat Harry daar een andere mening over heeft is een andere zaak. Ik geef toe dat de cijferopsomming van De Jong wat onvolledig is maar hij maakt hier en daar correcties en geeft er geen uitleg bij.
Ik ga voor Lou de Jong
Indo-Europeaan.
H. Meijer (2004) pagina 10. “De term ‘Indo-Europeaan’ was al met al in juridische zin non-existent en werd derhalve ook in juridisch opzicht niet door het koloniaal bestuur gebezigd.”
De Indo-European blijkt dus nagenoeg onzichtbaar in de koloniale archieven. Deze uiterst heterogene, rijkgeschakeerde en diffuse groep is methodologisch eigenlijk niet af te bakenen ik volg H. Meijer. Er is een gebrek aan bronnenmateriaal. Toch wist volgens Hans Meijer eenieder in de koloniale tijd wat met het begrip Indo-Europeaan bedoeld werd. In zijn publicatie In Indië geworteld gaat het over de lotgevallen van deze in Indië gewortelde Nederlanders in Indië in de twintigste eeuw.
Harry. Ik zet niet voor niets bij dit feitelijke gegeven (?) van der Veur een vraagteken!
Esther Captains overgrootvader liet zich in 1885 als ‘Europeaan’ met de Nederlandse nationaliteit -hier zie ik dat er geen kleur werd geregistreerd- op Java in voormalig Nederlands Indië registreren. Voor en na 1885 reistreerden vel gemengbloedigen zich. Captain profileert zich als de derde generatie Indische Nederlanders (om in koloniale termen te spreken uit de vele publicaties: Indo-Europeanen, Indo, Indische Nederlander en geen totok). Aldus is ze het product van drie eeuwen Nederlands-Indische/Indonesische huwelijken. In 1969 werd ze in Uden uit een Indische vader en een Nederlandse moeder geboren.
Ze lijkt me, om registreren in de koloniale geschiedenis en de ‘registratie van de Japanners tussen 1942 en 1945’ te volgen en aldus te controleren: een meetpunt en een getuigenis en een basis waaruit kan worden opgemaakt dat er in 1930 en 1942 en 1942 – 1945 (Meijer 2004) de genoemde schattingen van gemengbloedigen, correct zouden kunnen zijn.
“In 1930 zijn er 240.000 Europeanen geteld. Met de Nederlandse nationaliteit 209.000, Indische Nederlanders dus. 134.000 zouden gemengbloedigen of anders genoemd Indo’s of Indo-Europeanen zijn.”
Als er 240.000 Europeanen geteld zijn waarvan 209.000 met de Nederlands nationaliteit dan concludeer ik dat er dus 209000 Nederlanders zijn en 31000 niet-Nederlanders. Dus waar komen de 134.000 gemengdbloedigen”vandaan?
“Met dit feitelijk gegeven (?) van van de Veur, en anderen wordt het aantal Indische Nederlanders in 1942 op ongeveer op 300.000 geschat! In 1942 zouden er zo’n 170.000 Indo’s zijn. ”
Welk feitelijk gegeven? En waar zijn de schattingen op gebaseerd als er geen registratie is van wie van gemengde afkomst was. En weer komen er 170.000 Indo’s uit de lucht vallen.
Ik wil geloven dat de bronnen van Meijer aannemelijk zijn maar ik zou toch willen weten welke zijn dat.
Mijn voorlopige conclusie is dat de basisvraag hoe het onderscheid en dus de mogelijkheid om de Indische Nederlanders (d.w.z. van gemengde afkomst) te tellen is gemaakt nog, nergens beantwoord is. Wat mij betreft berust het de stelling nog steeds op los zand.
Goed, de cijfers zijn dus op Japanse “rapportjes” gebaseerd. De term “rapportje” is juist gekozen. Het brengt een zekere twijfel over de kwaliteit ervan tot uitdrukking. En, als we afgaan op wat Van Velden over het registreren heeft gezegd in combinatie met de observaties uit eerste hand van Jan Bouwer, dan is die twijfel zeker gerechtvaardigd.
Jan Bouwer heeft de bezettingstijd ondergedoken gezeten in zijn eigen huis en heeft gedurende die periode een dagboek bijgehouden. Hij was journalist, correspondent voor de oorlog, wat zijn observaties een toegevoegde waarde geven. Bouwer stelde vast dat er in Bandung, waar hij ondergedoken zat, zo’n 11.000 registraties waren. Dat is inclusief andere “vreemdelingen”. Dus ook Chinezen, blanke Nederlanders, verdwaalde Amerikanen etc. Hij kwam tot dat getal aan de hand van het nummer van de kaart. Hij zelf had zich namelijk vroeg, toen men nog niet tot internering was overgegaan, laten registreren. Zijn nummer was ergens in de 100. Zijn vrouw heeft zich op het laatste moment laten registreren en had een nummer ergens in de 11000. Dat laatste moment was toen men tot internering overging. Zijn vrouw heeft zich dusdanig gesjoemeld met haar voorouders dat zij niet als Nederlandse werd aangemerkt. Terwijl ze in de minder dan 50% categorie viel en feitelijk geïnterneerd had moeten worden. Een zekere corruptie van de Indonesische registratie ambtenaar wilde ook helpen. Dit alles spreekt al tegen de betrouwbaarheid van het Japanse registratie systeem. Of ze het nu drie keer of honderd keer doen. In de verhalen over het kampleven komt regelmatig de opmerking over het feit dat de Japanners niet of slecht konden tellen terug. Dat geeft toch te denken lijkt me.
Van Velden stelde al vast dat er met de registratiekaart bij internering niets gedaan werd (zie mijn post van 5 februari). Men mag concluderen dat de Japanse cijfers verkregen uit de registratie op zijn minst zeer twijfelachtig zijn. In het rekenwerk van Van den Broek kan ik bovendien de 170.000 Indo-Europeanen niet plaatsen. Hij neemt dat als uitgangspunt aan maar de bron is onduidelijk. M.a.w. de onderbouwing van de stelling dat een groot deel van de burgerkampbevolking Indo-Europeaan was is m.i. nog steeds niet aanwezig.
Verder bespeur ik een zekere historische ironie in de eis van Van den Broek. Het feit dat men niet een onderscheidend kenmerk registreert voor de Indo-Europeaan mag – wellicht in hindsight – voor die tijd vooruitstrevend worden genoemd. Immers, het was de tijd van de ‘white man’s burden’ en zijn god geven missie om de bruine en anderszins gekleurde broeders te verheffen. De ondergeschiktheid aan de blanke man was een universeel gegeven, de echo’s waarvan we op de dag van vandaag nog steeds last hebben. (Zou dat misschien de niet aflatende wrok tegen de Japanners verklaren? Leuke hypothese). Het is daarom opmerkelijk dat men zoiets als een gemengde afkomst niet registreert. Sterker nog, in de aanloop naar de Japanse invasie en de daarop volgende bezetting hebben de Nederlands Indische autoriteiten er naar gestreefd om de Nederlanders (dus inclusief de Indo-Europeanen) als een groep zonder onderscheid te behandelen. Die was er in de praktijk natuurlijk wel.
De Indo’s vormden een zeer verscheiden groep: van hen die met 1 been in de kampong stonden tot en met hen die militaire campagnes tegen de roerige “inlander” leidden. Met name zij die het dichtst bij de Europese cultuur stonden indentificeerden zich in hoge mate mee. In mijn eigen familie kijkend: er waren er die nog roomser dan de paus waren. Mijn grootvader verafschuwde krontjong bijvoorbeeld en moest beslist niets van dat inlandse gedoe hebben. Een bekende vermaning was: als je je best niet doet kom je in de kampong terecht. Ik denk als je mijn opa had gezegd dat hij tot de Indische cultuur behoorde je hem tot op het bot beledigd zou hebben. Zoals hij waren er velen. Ik begreep dat Du Perron zijn “inlandse kant” ook nooit openlijk heeft willen erkennen.
Het wijzen op of erkennen dat er zoiets als een ‘ inlandse’ kant bestond was aanleiding tot veel wrijving en conflict. Het werd als iets beschamends gezien. En nu anno 2009 eist een nazaat van Indo-Europeanen dat er op basis daarvan alsnog een onderscheid wordt gemaakt. Een zekere ironie kan niet ontkend worden, lijkt me.
Ik zie nog een probleem in de eis om de groep Indische Nederlanders expliciet vertegenwoordig te laten zijn in de film. Als men erkent dat de groep Indo-Europeanen zo duidelijk anders is dan de reguliere Nederlanders, zijn het dan Nederlanders? Zo nee, dan hoeven ze niet vertegenwoordigd te worden als de film over de Nederlandse geïnterneerden gaat. Immers er worden ook geen Amerikanen of Britten geïnterviewd die toen ook in de kampen zaten. Assistent kamphoofd in Tjideng was een Singaporese Eurasian, bijvoorbeeld. Zo ja, dan kan je stellen dat men dus onderscheid moet maken in soorten Nederlanders. Dus je zult ook vertegenwoordigers van Friezen, Drenten, Limburgers expliciet in beeld moeten brengen. Voilá het probleem van de Indo in een notedop. Of is het notendop?
I. Voorlopige samenvatting.
I.I. Bevolking.
Nederlands Indië telde in 1942 ongeveer zeventig miljoen inwoners. 70 miljoen inheemsen, inlanders, inclusief Europeanen (waarvan 90% Indische Nederlanders), Chinezen en Arabieren etc.(mijn eerste invulling was dus niet correct)
I.II. Volkstelling van 1930.
0’4 % geregistreerde Europeanen: ongeveer 300.000. Indische Nederlanders ongeveer 270.000. Vanaf 1930 zouden er fouten zijn gemaakt en aldus zou dit een bron van verwarring veroorzaken. Het ijkpunt zou de volkstelling van 1930 kunnen zijn. In 1930 zijn er 240.000 Europeanen geteld. Met de Nederlandse nationaliteit 209.000, Indische Nederlanders dus. 134.000 zouden gemengbloedigen of anders genoemd Indo’s of Indo-Europeanen zijn. Met dit feitelijk gegeven (?) van van de Veur, en anderen wordt het aantal Indische Nederlanders in 1942 op ongeveer op 300.000 geschat! In 1942 zouden er zo’n 170.000 Indo’s zijn.
I.III. De bezettingsjaren 1942-1945.
Hans Meijer ( pagina 226) gebruikt de begrippen Indo-Europeaan en Indo door elkaar, zie een van mijn vorige berichten. De Japanners hebben tijdens de bezettingsjaren 1942-1945 ongeveer 100.000 Nederlandse burgers geïnterneerd. L. de Jong blijkt het cijfer van D. van Delden te hanteren. De Japanners hebben eveneens 42.000 Indisch Nederlandse militairen als krijgsgevangenen geïnterneerd. H. Meijer (2004) geeft een actuele concrete indeling. De bron van L. de Jong blijkt L. Zwitzer te zijn. Opvallend is dat P.J. Drooglever e.a. deze krijgsgevangenen Europeanen noemen en het aantal afrond op rond 38.000.(1) Het aantal burgers zou bestaan uit
: totoks die geen bewijs van voorouders geboren in de Indische archipel konden overleggen.
Hier zou de keuze van de makers van Het jaar 2602 op gebaseerd zijn, de beperking tot met name deze Nederlanders en van hen zouden er 35.00 jonger zijn dan zeventien jaar. De bron is D. van Delden.
We noteren, via schattingen, ongeveer 170.000 Indo-Europeanen die op Java en in de buitengewesten hebben geleefd. En waarvan een groot deel in de Japanse kampen volgens recent onderzoek hebben vertoefd.
In totaal ongeveer 300.000 Indische Nederlanders.
I.IV. Indische repatrianten.
Volgens Remco Raben e.a. (Beelden van de Japanse bezetting van Indonesië. NIO, Amsterdam) zijn een meerderheid van de Indische repatrianten niet geïnterneerd geweest. (pagina12)
I.V. Indo en Indo-Europeaan en Europees.
In de koloniale literatuur treffen we de begrippen Indische Nederlander, Indo en Indo-Europeaan en gemengbloedigen aan. Alle vier vallen, na registratie en erkenning, onder de categorie Europeaan. Met de Nederlandse nationaliteit. Voor een aannemelijke onderscheid en duiding verwijs ik naar P.J. Drooglever e.a. Indisch Intermezzo. Amsterdam 1991. De wetgeving zou geen verschil meer maken tussen blanke en gekleurde Europeanen. Op basis van de cijfers van de volkstelling van 1930 hield ‘Europeaan’, voor bijna negentig procent in: de Nederlandse nationaliteit.
I.VI. Voorlopige conclusie.
Een voorlopige conclusie zou kunnen zijn.
Het juridisch indelen en interpreteren van een diversiteit aan materiaal, suggereerde en schiep minder duidelijkheid over de verschillende categorieën en aantallen en zou niet correct zijn weergegeven of zelfs zijn weggecijferd. Zie ook mijn vorige berichten. ‘Van Velden ziet over het hoofd of maakt zoals de Stichting de fout, geen rekening te houden met de Indo-Europese Nederlanders in het KNIL en hun familieleden en tevens volwassen Indo Europese Nederlanders, die het kamp ingingen (op Java en in de buitengewesten. MECR).’Ik citeer Peter. Er zou dus nieuw bronnenonderzoek moeten worden verricht. We zouden de term gemengbloedige Nederlander, of Indo of Indo-Europeaan of Indische Nederlander kunnen hanteren. Of gewoon Nederlander! Actueel treffen we nieuw bronnenonderzoek en nieuwe bronnen en nieuwe cijfers aan in recent verschenen publicaties. Bijvoorbeeld bij Hans Meijer (2) e.a. Die voor mij redelijk duidelijk en aannemelijk zijn. Op basis van deze cijfers kan gesteld worden dat een groot deel van de kampbevolking uit Indo-Europeanen, dus mensen van gemengde afkomst, bestond.
1. Volgens P.J. Drooglever e.a. zijn de uitspraken, opvattingen, veronderstellingen en conclusies van L. de Jong niet altijd betrouwbaar en soms in strijd met de feiten.
2 Van het vrouwenkamp Padang-Bangkinang op Sumatra is een gedetailleerde overzichtsstaat van de kampbevolking bekend. Eind 1944 bevonden zich daar op een totaal van 2219 gevangenen 847 blanke vrouwen en kinderen en 1203 Indische.
4000 Indo-Europese geïnterneerden in kamp Tjimahi IV, pagina 216. Op dezelfde pagina nog eens 300 Indo’s.
Kempeitai.
leuk stukje anachronistisiche oorlogspropaganda. Onderstaande komt meer overeen met bonafide historisch materiaal.
http://en.wikipedia.org/wiki/Kempeitai
The Kempeitai (Japanese:”ken (憲, ‘law’) and hei (兵, ‘soldier’)” [1] was the military police arm of the Imperial Japanese Army from 1881 to 1945. It was not an English-style military police, but was a French-style gendarmerie. Therefore, while it was institutionally a part of the Imperial Japanese Army, it also discharged the functions of the military police for the Imperial Japanese Navy under the direction of the Admiralty Minister (although the IJN had its own Tokeitai), those of the executive police under the direction of the Interior Minister, and those of the judicial police under the direction of the Justice Minister. A member of the corps was called a kempei.[2]
In World War II Allied propaganda, the Kempeitai was often called the “Japanese Gestapo”.
Als onderdeel van hun opdracht is er veel overlap met intelligence work. Wat vrijwel altijd genegeerd wordt is overigens het feit dat de Japanse machtstructuur versnipperd is en was. Dat heeft als gevolg dat het optreden van zowel organisaties als de kempeitai als leger en marine, afhankelijk van lokatie en/of commandant hun eigen koers voeren. Zo kan het zijn dat ze in China en Korea vrouwen ronselden voor de bordelen en in Java ingrepen als officieren hetzelfde wilden doen. Het laatste ook weer afhankelijk van de lokatie.
Harry. Correctie?
The Kempeitai: a historical secret police organization.
Kempeitai training emphasized espionage and counterespionage techniques. The Kempeitai were indoctrinated with a twisted version of Bushido, the ancient Japanese military code.
The organization and methods of the Kempeitai resembled those of other historical secret police organizations. The Kempeitai had responsibility for counterintelligence throughout the Japanese Empire. (1) They also took a leading role in the Army’s own espionage efforts, modelling their system after the Prussian secret service. Permanent resident agents were established in China and other areas, often based on brothels. Kempei fifth columnists were believed to be active throughout southeast Asia in the opening offensive of the Pacific War, though their effectiveness was likely exaggerated by the Allies.
Most Kempei were able to go underground to avoid the attention of the occupation authorities. Following the end of the occupation, it is claimed that many of these former Kempei became successful economic espionage agents.
Bron: The Pacific War Online Encyclopedia (c) 2006-2008 by Kent G. Budge
1 The Kempeitai also played a leading role in recruiting “comfort women” for official Army brothels set up throughout the Greater East Asia Co-Prosperity Sphere. Many, perhaps most, of these women were recruited against their will, sometimes by being duped and sometimes by being arrested, particularly in Korea. Dutch and Australian women internees were often pressured into prostitution
De discussie begint langzamerhand echt interessant te worden en dat niet alleen.De stichting die de film gerealiseerd heeft met aan haar hoofd die zeer hooggeleerde historicus van der Dussen , zou eigenlijk de rechtzetting of een gefundeerde uiteenzetting , moeten geven maar bij de aanhoudende afwezigheid hunner argumenten gaan wij het doen. Daar mag de vasthoudende en voor mij positieve rol van Harry Sirah , als een soort advokaat van de duivel , niet over het hoofd wordengezien. Het is een uitdaging om een grondslag van de cijfers te vinden.
Het verhaal van de cijfers wordt enigszins curieus
Ik nam uit nieuwsgierigheid het boek in de hand“Het Einde van Indie” onder redactie vanJaap De Moor en Wim Willems (ik kwam hem voor het eerst in de begin jaren 90 in Leiden tegen alwaar hij een reeks lezingen over de Indo-Europese Nederlanders organiseerde, aan hem is te danken dat deze groep onder wetenschappelijke belangstelling staat) . Van der Veur schrijft (10): De Europeanen die buiten de kampen op Java bleven waren meest Indisch. Hoeveel waren dat er?. De informatie is schaars en verwarrend. De Jong (Koninkrijk 11b)verwerpt de meeste SCHATTINGEN en baseert zich vrijwel uitsluitend op een Japans “rapport” (aanhalingstekens zijn niet van mij) uit 1944, waarin een getal van 200.000 Indische Nederlanders wordt genoemd, die buiten het kamp zouden zijn gebleven. Het brengt hem tot de conclusie dat ongeveer 220.000 personen, “bijna alle Indische Nederlanders” aan internering zijn ontsnapt. Uitgaande van een aantal van 170.000 Indo-Europeanen op 260.000 Nederlanders in 1942, schat ik dat het aantal “buiten” op zijn hoogst 140.000 heeft bedragen.
Van der Veur meldt hat hijzelf een Japans rapportje , waarin 150.000 (archief RIOD) staat.. De Jong en Van der Veur beroepn zich op die Japanse rapportjes want de Japanners zijn de enigen die bij de registratie de tweedeling Indo-Europeanen en Hollanders volgens classificatierichtlijnen (zie ook het artikel van Martin E.C. Roos)hebben gemaakt. Dat de toepassing der richtlijnen(Meijer 201) veel te wensen liet doet niets af aan het feit dat de Japanners zelfs driemaal de registratie hebben uitgevoerd en daarvan kond hebben gedaan. Dus die rapporten worden door niet de eerste de beste(De Jong en Van der Veur) gebruikt om de cijfers aannemelijk te maken, aangezien andere registraties TOTAAL ontbreken. Van schattingen, hoe goed bedoeld, kan geen wetenschappelijk (verificatie) waarde worden gehecht. Ik zal de volgende keer als ik in Nederland ben langs het RIOD en de KB gaan om mij volledig te overtuigen.
Dus dit brengt wat licht op de cijfers, er moeten tussen de 30.000 (170.000-130.000) en 48.000 (zie mijn vorige verhaal) Indo-Europese Nederlanders in de kampen hebben gezeten op maximaal (260.000-170.000) = 90.000 Nederlanders. Dat is dus maximaal 1 op 2.
Als ik dus weer de Stichting in gedachten neemtdan willen ze 1/3 der kampbewoners niet te woord laten omdat volgens hun “educated guess “ in goed Nederlands koffiedik kijken, de Indo-Europese Nederlander “grotendeels” (sic) buiten het kamp bleef. Wij gezamelijk hebben dus even “raw and dirty” cijfers achterhaald waar ook De Jong mee werkte en daar kan de stichting in al haar belangrijkheid helemaal niet aan tippen. Waar het mij in wezen om gaat is dat die Stichting de Indo-Europese bevolkingsgroep uitsluit omdat het maar 48.000 personen zijn, dus voor hun niet de moeite waard, terwijl ze toch in al hun arrogantie en pretenties alle Europese Nederlanders in de kampen veronderstellen te vertegenwoordigen.
Ik kan mij gezien de reacties niet in de film herkennen noch erkennen .
Ik eis des te meer als kind van een kampkind rechtzetting.