Indische pijn schittert in ‘Sloom bloed’

Den Haag, 20 mei 2008
door Kirsten Vos

In ‘Het Paradijs’ van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag voerden Ghislaine Pierie en Carlo Scheldwacht afgelopen zaterdag een reprise op van het zelfgeschreven toneelstuk ‘Sloom Bloed’ uit 2000. In één grote verkleedpartij confronteerden tweelingbroer en –zus Rein en Anne ons, vanonder de keukentafel, met wat zij waarnamen terwijl zij opgroeiden in een Indische familie. De observaties waren herkenbaar. Minstens zo herkenbaar en confronterend was het einde, een open einde wat mij betreft: de rol van de derde generatie in een uiteenvallende Indische familie.

Karaktervol
De twee Indische acteurs startten onmiddellijk overtuigend met een bliksemsnelle en treffende presentatie van de Indische karakters in Sloom Bloed: de poeder-afgevende Indische tante Zus, de pochende Indo-rocker oom Ferdy, de ‘niet-Indische’ tante Joy, de altijd zwangere tante Myrna, de grootvader met het kampverleden. Vervolgens zetten beide acteurs het karakter van elk personage uiteen, met humor als dankbaar instrument om de Indische pijn een plek te geven, zoals de uitbarsting van tante Myrna op haar tweede huwelijksfeest, maar ook om de bespottelijkheid te laten zien van de Nederlandse burgerlijkheid in de jaren vijftig.

Indische pijn
Niet alleen vanwege de woorden pappie, mammie en omi, het ‘tjeplok tjeplok’, de gruwelijkheden, de alles overheersende discipline en de neurotische drang om altijd maar de beste zijn is Sloom Bloed Indisch. “Ik heb nog nooit zoveel mensen bij elkaar zo alleen zien zijn”, zegt tweelingbroer Rein. Daarom is ‘Sloom Bloed’ Indisch. Door alle humor heen schittert de Indische pijn je toe: de onderdrukking, de ontkenning en de ontworteling. Zien Nederlanders de pijn die ik zie? En wat gaat er met derde generatie gebeuren? Met deze overpeinzingen in mijn notitieboekje spreek ik even later in de lobby met de twee acteurs over het alweer acht jaar oude stuk. Na afloop van het gesprek betreur ik het dat ik het nieuwe toneelstuk ‘Circus Bronbeek’ voorlopig even aan me voorbij moet laten gaan.

In gesprek over Sloom Bloed met Ghislaine Pierie en Carlo Scheldwacht

Ghislaine, Carlo, helemaal aan het begin van het stuk leggen jullie uit wat Indisch is. Daarmee ga je ervan uit dat er mensen in de zaal zitten die dat niet weten. Begrijpen zij de rest van het stuk wel?
CS-“Nou, je hoeft niet Indisch te zijn om je tante niet te willen zoenen!” GP-”Ik heb het meegemaakt dat een Amsterdamse uit de Jordaan naar me toekwam en tegen me zei, ‘Meid, dit is mijn familie!’. Wat wij neerzetten is heel herkenbaar voor anderen. Die herkenning zit in het niet-Nederlandse, in het belang van familie, in het respect voor ouderen.”

Jullie laten dit stuk eindigen met het uiteenvallen van de familie. De tweeling, de derde generatie, stelt vragen maar krijgt geen antwoorden. Is de derde generatie tot observeren gedoemd?
GP-“Nee hoor, niet alleen maar observeren! Tot respecteren en ook accepteren.” CS-“De derde generatie gaat haar eigen weg. De aanleiding voor dit stuk is eigenlijk dat ik er niets mee deed. Mijn broer Ricci bijvoorbeeld kon zich altijd erg druk maken over dat mensen het verschil tussen Indisch en Indonesisch niet kenden. Hoe vaak zeggen Indische mensen wel niet dat ze er niets mee hebben? Kijk naar Theodor Holman. Die schrijft alleen maar stukjes over dat ‘ie niets heeft met het Indische.” GP – “Die opmerking in het stuk ‘Ik heb er niet zoveel mee, behalve het eten’? Dat ben ik. Ik neem niet het laatste koekje dat in de schaal ligt, maar verder, ja, heb ik er niet zo veel mee.” CS – “De derde generatie gaat haar eigen weg. In ons nieuwste stuk, Circus Bronbeek, laten we heel duidelijk die generatie een rol spelen.”

Wat is de rol van de derde generatie?
CS/GP -“ Hoop. Een eigen vorm geven aan het Indische. Maar ook: geen antwoorden krijgen. En daar vrede mee hebben. Niet meer gebukt gaan onder de lasten van de 1e en 2e generatie. Ontworsteld zijn. De derde generatie durft vragen te stellen. Vasthouden aan oude gevoeligheden, daarmee blijf je alleen maar conflicten houden.”

Hoe krijgt dat een plek in Circus Bronbeek?
CS – “De derde generatie, gespeeld door Patrick Neumann, heeft in Circus Bronbeek een grotere rol dan in Sloom Bloed. Circus Bronbeek is bovendien harder dan Sloom Bloed. Sloom Bloed registreert, Circus Bronbeek is actiever, het is in de vorm van cabaret. Wij zochten naar een manier om als het ware de ervaringen van de ontbrekende man, de eerste generatie, een plek te geven zonder in piëteit te vervallen. We ontdekten dat in sommige kampen geïnterneerden cabaretuitvoeringen hadden. Dat was grimmige humor en daar hebben we gebruik van gemaakt.”

Tot slot – waarom die naam, Sloom Bloed? Ik herken de uitdrukking ‘zo sloom ja’ van mijn oma wel, maar waarom hebben jullie ervoor gekozen?
GP-“Dat is een mooi verhaal. Had namelijk helemaal niets te maken met Indisch!” CS-“Ik zat op een dag op een terrasje samen met mensen van Wederzijds, van het jeugdtheater. Het was lekker weer, zonnetje, biertje, en een van ons zegt: ‘Zo, ik heb sloom bloed!’. Dat drukte precies uit wat ik met dit stuk bedoelde. Het had te maken met het vooroordeel uit de jaren ’50. Nederlanders geloofden toen dat Indo’s écht langzamer waren. We hebben daar trouwens wel kritiek op gekregen! Een oom van mij zei: ‘Hoezo sloom? Actief, ik heb actief bloed!’ ”

Circus Bronbeek
28 – 30 mei 2008, 20.15 uur, € 13
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

De Indische Trilogie
marathonvoorstelling (Sloom Bloed, Familiefeest, Circus Bronbeek)
31 mei (uitverkocht) & 1 juni, 16.00 uur, € 40 (incl. eten)
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Voor meer informatie: www.scheldwacht.nl.

Fotografie: Carlo Scheldwacht, Clemens Neumann

Dit is Indisch 3.0

Indisch 3.0 (www.indisch3.nl) is een weblog waarop de derde generatie Indische Nederlanders zich uitspreekt. Met maatschappelijke betrokkenheid, eigen creativiteit en oprechte verwondering willen de redacteuren Indo’s in binnen- en buitenland aanzetten tot het ontwikkelen van een onafhankelijke visie op hun Indische wortels.

De naam, Indisch 3.0, verwijst naar de derde generatie Indische Nederlanders die elkaar via internet hebben weten te vinden. De onbescheiden ambitie is daarmee een continu verrassende impuls te geven aan een zichzelf vernieuwende, maar onmiskenbaar Indische, cultuur. Indisch 3.0 is in 2008 opgericht door Kirsten Vos en Ed Caffin en is al ruim 60.000 keer bezocht, uit Nederland en ver daarbuiten.

Er zijn talloze fora en websites over de Indische cultuur. Veel daarvan richten zich op het niet altijd correct vertellen hoe de Indische cultuur in elkaar zit, of hameren er vooral op dat je eerst aan bepaalde criteria moet voldoen, voordat je mag zeggen dat je een Indo bent. Sommige jongeren voelen zich op hun gemak bij zulke duidelijke grenzen en eenduidige definities van het Indische.

Indisch 3.0 richt zich ten eerste op jongeren die het Indische in zichzelf zélf willen ontdekken, door het stellen van die ene vraag: ‘Wat is Indisch?’, onmiddellijk gevolgd door: ‘Ben ik Indisch?’. Daarnaast wenden we ons tot die Indo’s die allang antwoorden hebben en willen ondernemen. Aan die verscheidenheid wil Indisch 3.0 alle ruimte geven.

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.

Bestaat er Indische vrijheid van meningsuiting?

Vrijheid van meningsuiting is een van de grootste verworvenheden van een democratische samenleving. Maar is het zo dat je als kunstenaar écht alles kan zeggen, of zijn er taboes waar je je zelfs als kunstenaar niet aan wil branden? Zijn er taboes die zo pijnlijk zijn dat je eigen gemeenschap je erop aan zal kijken als je een bepaalde controversiële mening daarover in je kunst tot uiting brengt?

Over deze vragen is een discussie-evenement in ontwikkeling voor kunstenaars, dat in verschillende Nederlandse steden deze vraag aan de kaak wil stellen. Vraag aan jullie is: bestaat er in Nederland nog zulke Indische controversiële kunst? Zijn er Indische kunstenaars die niet voor hun mening uit kunnen komen, vanwege de gevoeligheden die ze aan zullen snijden?

Als blijkt dat er ook in de Indische cultuur controversiële kunstenaars zijn, kunnen die thema’s mogelijk toegevoegd worden aan het eerder genoemde discussie-evenement. Het zou bijvoorbeeld zomaar zo kunnen zijn dat de Indische cultuur een cultuur is waarin vrijheid van meningsuiting ondergeschikt gemaakt wordt aan het gevoel de underdog te zijn, of waarin mensen van elkaar verwachten één front te vormen. Uitgesproken meningen zijn daarvoor niet toepasbaar. Zijn er eigenlijk wel controversiële Indische kunstenaars/ artiesten/ schrijvers?

Of de discussies die momenteel over dit onderwerp gaande zijn nu leiden tot een thema voor het eerder genoemde festival of niet, ik zal sowieso verslag doen van de reacties die ik ontvangen, gehoord en gezien heb.

Helaas Pindakaas – waar waren de jongeren?

Afgelopen weekend was het tijd voor het ‘bi-culturele’ festival Pindakaas, voor ‘Nederlandse jongeren met een Indonesische achtergrond’. Het festival was een goed initiatief, maar nog niet geslaagd. Helaas Pindakaas dus: hopelijk krijgen jongeren volgend jaar wel een festival.

De organisatie verdient een pluim. De styling was top, de locatie(s) uitermate inspirerend, het programma-aanbod nieuwsgierigmakend en er deden aansprekende namen mee, zoals striptekenaar Peter van Dongen, producent Peter Bouman, schrijfster Marion Bloem, columnist Theodor Holman (verving Alfred Birney) en choreograaf Gerard Mosterd. Daarnaast heb ik weer nieuwe mensen leren kennen, wat altijd leuk is, dus ik verliet de Verkadefabriek in Den Bosch met een opgewekt gevoel. Het evenement zou herhaald moeten worden, maar wel met een aantal verbeteringen, om te beginnen die verschrikkelijke naam.

Zo is het natuurlijk een afgang dat er op een Indisch festival geen behoorlijke Indische maaltijd geserveerd kon worden. De organisatie kon er niets aan doen, maar dat maakt de blamage niet minder groot. Gelukkig had de toko in de serre heerlijke sateh en risolles. Daarnaast het filmprogramma. Dat waren overwegend Indonesische films. In die mate is dat op een festival als dit niet op zijn plek. Iets anders – er was te weinig aansluiting tussen de twee locaties; laat volgend jaar twee videoschermen ophangen en toon in de ene hal wat er op dat moment in de andere gebeurt. Tot slot waren er programmaonderdelen waar ik simpelweg meer van had verwacht, waarover zo meer.

Mijn grootste kritiek op de organisatie is echter de doelstelling van het festival. Het programma van het festival werd gedomineerd door de tweede generatie. Marion Bloem sprak uit wat ik dacht – was zij wel de generatie van de jongeren? Alle respect voor de tweede generatie, absoluut, maar sinds wanneer zijn veertigers en vijftigers jongeren? Neem bijvoorbeeld het debat van de columnisten. Allemaal grijzende mannen van toch zeker 45 jaar. Leuk voor hun ego, maar volgens mij echt geen ‘Nederlandse jongeren met Indonesische wortels’. En – waar waren de vrouwen?

Die Battle of the Columnists was ook nog eens een tegenvaller. Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piette en Kees Schepel, bepaald geen kleine namen, gingen met elkaar in debat over ‘De Indo bestaat niet’. Alfred Birney zou deze discussie gaan leiden, maar had zich, door griep geveld, door Theodor Holman laten vervangen, die zich vermoedelijk nauwelijks had kunnen voorbereiden. Het debat was tam en kenmerkte zich door de running gag ‘ja, de lekkere hapjes, ha ha ha (+ schuddebuiken)’. Gelukkig deden de columnisten om die repeterende plaat heen een paar rake uitspraken in de babbel over ‘De Indo bestaat niet’.

“De Indo bestaat wel en Andy Tielman is hun koning. Helaas maken Indo’s er vaak een zooitje van en gaat de Indische gemeenschap ten onder aan haar eigen onkunde.”

“De Indo is helaas soms kruiperig. Indo’s zijn bijna niet meer te herkennen, veel mensen denken tegenwoordig dat we Marokkanen zijn.”

“Ik ben jaloers op Indo’s. Ik wou dat ik er een was.”

“Het zijn geen hoogvliegers, Indische mensen, ze zijn volhardend.”

“Ach! Bestáát niet! Ik voel me Nederlander, maar wel als een Englishman in New York.”

Mijn conclusie is dus, goed initiatief, absoluut herhalen, maar met een andere naam én een programma voor en door Indische jongeren van de derde generatie, tussen de ca. 20 en 35 jaar.

————————————————————————————–

Deze blog is eerder gepubliceerd op www.kirstenvos.nl, indisch4ever.weblog.nl en http://kivos.hyves.nl


Vogelaar: Indische Nederlanders en Molukkers anno 2007 voorbeeld van integratie

Stichting Pelita is een organisatie die al zestig jaar zich inzet voor de maatschappelijke zorg voor Indische Nederlanders en Molukkers. Tijdens mijn onderzoek naar de repatriëring kwam ik een breiactie tegen die deze stichting in januari 1951 georganiseerd had. “Het sociale probleem der gerepatrieerden stelt de overheid voor ontelbare moeilijkheden.” Daarom riep Pelita Nederlandse huisvrouwen op om warme kleding voor de honderdduizenden ontheemden te breien: “Zij beschikken bij aankomst in ons land in de meeste gevallen niet over kleding, welke op het Hollandse klimaat is berekend”.

Een opvallende verschijning: acceptatie of pragmatisme?
Op 24 november was ik samen met zo’n 5.000 anderen op Pelita’s 60e verjaardag in de Jaarbeurshallen te Utrecht. Een van de sprekers tijdens het middagsymposium was Ella Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie. Vogelaar had een fleurig mantelpakje aan en zat op een gegeven moment zo op haar stoel dat, als mijn oma erbij was geweest, ze die pose had beschreven als Villa Inkijk. Deze extraverte minister was de boeiendste spreker, de anderen hadden helaas vooral politiekcorrecte presentaties die allemaal op elkaar leken.

Niet alleen om haar verschijning vond ik Vogelaars aanwezigheid opvallend. De minister van Wonen, Wijken en Integratie was op een bijeenkomst van Indische Nederlanders en Molukkers. Sinds wanneer beschouwt onze eerste generatie zichzelf als migranten? Dat de Nederlanders hen altijd zo hebben gezien is één ding, maar om dit toe te geven door Vogelaar uit te nodigen is een ander. Betekent dit dat er een verschuiving in opvattingen is ontstaan in de Indische gemeenschap, of begrijpen we tegenwoordig dat onze ouderen alleen hulp krijgen als we zeggen dat we geen échte Nederlanders zijn? Was Vogelaars aanwezigheid acceptatie of pragmatisme?

Geen Molukse probleemwijken, dat is een compliment.
De minister van WW&I had een hartelijke boodschap voor de aanwezige Indische Nederlanders en Molukkers. Ze waren goed geïntegreerd en inmiddels een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten: migranten moesten de ruimte krijgen om zichzelf te zijn én zich verbinden met de Nederlandse samenleving. Indische Nederlanders en Molukkers was dat gelukt en ondanks alle ellendige ervaringen kregen zij eindelijk erkenning: Indische Nederlanders hebben recht op een eigen identiteit, die bestaat uit beide culturen.

Een eerste bewijs voor de succesvolle integratie van onze ouders en grootouders waren de ‘juweeltjes in de literatuur’, ons eten en onze voetballers, een tweede het feit dat op de lijst van de 40 Krachtwijken (of pracht?) geen enkele voormalige Molukse wijk stond. ‘En dat is een compliment!’ Op dat moment hoorde ik twee typisch Indische dames achter mij commentaar geven: ‘Alleen Moluks, niet Indisch?’. Bovendien ging het de derde generatie beter af om in Nederland te wonen dan hun voorouders. Weer reageerden de twee dames: ‘Nee! Juist niet!’.

Vogelaar vond dat er weer ruimte moest komen voor de etnische achtergrond in ‘woonvoorkeuren’. Ze haalde het Indische Dorp in Almere (Rumah Senang) aan als voorbeeld: zij wilde voor dit soort initiatieven meer wijken en locaties beschikbaar stellen. Groepen moesten zelf huizen gaan bouwen en hiervoor financiële stimulans krijgen. De slotboodschap van Vogelaar kon rekenen op een instemmend ‘Ja, precies’ van de Indische dames: nieuwkomers moesten echt deel gaan uitmaken van de samenleving en niet alleen maar het gevoel krijgen getolereerd te worden.

Indische Nederlanders en Molukkers, voorbeeldmigranten?
Ondanks de hartelijkheid van haar boodschap hield ik dubbele gevoelens over aan het optreden van Vogelaar. Waaruit was gebleken dat Nederland de Indische gemeenschap erkend had? Door Het Gebaar? Waarschijnlijk dacht zij van wel, want ze kreeg die middag een exemplaar van het boek van die stichting uitgereikt dat de passende titel ‘Eindelijk erkenning?’ droeg. Alleen, als Vogelaar meer had afgeweten van de Indische en Molukse gemeenschap, had ze geweten dat Het Gebaar door weinigen gezien wordt als erkenning. Ik herinner me nog dat mijn oma niet blikte of bloosde toen ik het met haar had over de 3.000 gulden die zij zou krijgen. Als Indische leer je al vroeg dat een blik meer zegt dan 1000 woorden en mijn oma was te netjes om over de Nederlandse overheid te klagen, maar als ze er echt blij mee was geweest, zou ze toen niet zo verontwaardigd gekeken hebben. De erkenning waar Vogelaar het over heeft, zal de Indische gemeenschap volgens mij nooit van de overheid kunnen krijgen. Zij krijgen pas erkenning wanneer ze van zichzelf accepteren dat ze anders zijn, maar ook accepteren dat ze van elkaar verschillen en elkaar, ondanks die verschillen, nodig hebben voor erkenning.

Ten tweede. De Indische en Molukse gemeenschap zijn een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten voor hoe succesvol te integreren in Nederland. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer haar uitspraak om de intentie waarmee Vogelaar die deed. Ik heb alleen wat moeite met de inhoud ervan. Ruimte voor eigen identiteit? Welnee, assimileren moesten ze, anders was je een probleemgeval. Verbinden met de Nederlandse samenleving? Ja, door in contractpensions te zitten en te leren hoe je je huis schoon moest maken, terwijl je je vies voelde omdat je maar een keer per week mocht douchen. Kansen? Tja, je diploma’s uit Indië en Indonesië werden niet erkend, dus duizenden moesten zichzelf opnieuw bewijzen. Een compliment? Misschen voor hoe velen hun hoofd boven water wisten te houden zonder te bezwijken in het kleinburgerlijke Nederland ‘met kleine wetjes van fatsoen’, in de woorden van Tjalie Robinson.

Maar waar ik de meest gemengde gevoelens over heb is de kern: zijn Indische Nederlanders en Molukkers te vergelijken met huidige migranten, zoals Soedanezen, Irakezen en Marokkanen? Nee, nauwelijks, want de huidige ‘nieuwkomers’ hebben helemaal niets met de Nederlandse cultuur. Soedanezen zijn niet opgegroeid in een voormalige Nederlandse kolonie, Irakezen hebben geen Nederlands onderwijs gehad en Marokkanen werden niet in kampen gezet omdat ze Nederlands bloed hadden. Al die groepen kennen niet het gevoel van loyaliteit aan het Nederlands Koninghuis, zoals veel Indischen en Molukkers wel hebben.

Kan ik me de parallel dan helemaal niet voorstellen? Natuurlijk wel, en met mij vele andere Indische Nederlanders. Sterker nog, al tijdens de repatriëring maanden hoger geplaatste Indische Nederlanders Indo-Europeanen al om zich goed voor te bereiden op hun vertrek naar Nederland, een land dat zij niet kenden. Dus, ja, Indische Nederlanders waren migranten, maar van een geheel andere orde dan de huidige. Ik hoop dat Vogelaar zich dat realiseert, anders wordt het goede voorbeeld dat onze voorouders gesteld hebben onmogelijk goed te volgen.

Herdenken ja – maar wanneer?

Dit jaar ben ik voor het eerst bij de herdenking van de capitulatie van Japan geweest, op 15 augustus 1945. Die datum was de Tweede Wereldoorlog in Indonesië officieel afgelopen. De setting, de Waterpartij in Den Haag, was prachtig en het was indrukwekkend om het mee te maken. Ik vroeg me alleen af waarom ik er niet eerder was geweest, terwijl ik al mijn hele leven in Den Haag woon.

De spreker die mij het meest aansprak was Willem Nijholt. Temidden van veteranen, oorlogsslachtoffers en nabestaanden sprak hij over de verschrikkingen die hij en zijn familie hadden meegemaakt. Hij sprak uit dat hij de Jap nooit zou kunnen vergeven, al was het maar omdat het Japanse volk nog steeds niet om vergeving had gevraagd.

Op de fiets naar huis verbaasde ik me erover dat ik er nooit eerder bij was geweest. Ik woon in Den Haag, al bijna mijn hele leven. Ik ben Indisch, al mijn hele leven. Mijn grootouders, die de oorlog zelf hebben meegemaakt, woonden ook in Den Haag. Maar nooit nooit nooit ben ik met hen daar geweest. En opeens herinnerde ik me waarom.

Ik herinnerde me dat, toen mijn opa nog in leven was, ik hem wel eens gevraagd had waarom hij niet naar de herdenking ging. Hij vertelde me dat hij tot december ’45 in het kamp had gezeten en dat 15 augustus voor hem helemaal niet het einde van de oorlog was geweest. Daarom ging hij niet.

Al fietsende zette dat me aan het denken. De ellende in Indonesië hield niet op na de Tweede Wereldoorlog. Daarna begon namelijk de bersiap, de vrijheidsstrijd, waardoor veel geïnterneerden in de kampen moesten blijven. Voor hen werd het alleen maar erger. Waarom? Omdat de Jap, die hen drie jaar lang het leven tot een hel had gemaakt, na de ‘bevrijding’ opeens hun beschermheer werd en hun vertrouwde Indië hen niet langer welkom heette.

Ter vergelijking – moet je je voorstellen dat je (groot-)ouders na de Duitse capitulatie in Auschwitz hadden moeten blijven en bescherming hadden moeten krijgen van de Duitsers. Dat is een verschrikking. De mensen die je vreesde, werden je beschermheren. Het moet de wereld op zijn kop zijn geweest. En het moet een intens gevoel van onveiligheid hebben gegeven. Want als je martelende, afslachtende, wrede, verkrachtende bezetter opeens je beschermer werd, wat moest er dan in vredesnaam wel niet gebeuren aan de andere kant van de kampmuren?

Thuis aangekomen vroeg ik me af wanneer al die ellende dan wel over was. Wat was de dag waarop mijn opa – en vele andere Indische Nederlanders – zijn bevrijding vierde? Welke dag moet ik nou eigenlijk herdenken?

Ik zette het journaal aan en tot mijn verrassing zag ik mezelf op het NOS Journaal bloemen in het monument neerleggen. Het waren witte bloemetjes. Rood leek me niet gepast, oranje ook niet (gezien de afwezigheid van het Koningshuis een juiste keuze), maar wit, de kleur van reinheid, wedergeboorte, een nieuw begin, dat was de enige kleur die bij vandaag paste.

Een nieuw begin. Is dan het moment waarop mijn familie een nieuw begin kon maken de dag van hun bevrijding? Was dat hun aankomst in Nederland, in 1958, toen zij door Indonesië het land uitgezet waren? Ik weet het niet. Maar ik hoop het wel.

————————————————————————————–

Deze blog verscheen eerder op www.kirstenvos.nl