Saudara4Life

Het groepje echte vrienden dat ik heb, kent elkaar al jaren. Bijna allemaal zijn we Indisch. Toegegeven, het lijkt haast alsof we elkaar hierop hebben geselecteerd. In werkelijkheid is het echter anders gelopen. De Indische vriendengroep was er ineens, en heeft ons de jaren erna gevormd. Vanaf het eerste moment zijn we als broers voor elkaar geweest; “saudara” voor het leven.

Op sociaal vlak was ik vroeger een laatbloeier. Pas na mijn 18e leerde ik vrienden kennen met wie ik een diepere band ontwikkelde. In de nadagen van mijn middelbare schooltijd vormden wij een klein Indische subgroepje binnen al de subgroepen die je had in de jaren ’90.De gemeenschappelijke interesse in onze culturele achtergrond werd de basis van onze vriendschap. Samen ontdekten we de pasar malams, Indo parties en de vele Indische afslagen op de snel opkomende digitale snelweg.

Gaandeweg leerde ik steeds meer Indische jongens kennen met dezelfde hunkering naar culturele ontplooiing als die ik voelde. Buiten het praten over en samen beleven van de Indische cultuur voelden we een hechte band die al snel zorgde voor een diepe verbroedering. We hoefden elkaar niet echt te leren kennen; het was of wij al vanaf geboorte uit hetzelfde hout gesneden waren.

Bij de eerste ontmoeting merkten we al dat we elkaar feilloos aanvoelden. Er was geen miscommunicatie, er waren geen misverstanden over geld, tijd of meisjes. We vulden elkaar aan, hielpen elkaar wanneer het moest. We zwegen als het moment daarom vroeg en spraken als er iets gezegd moest worden. Wij waren meer dan vrienden van elkaar. We waren broeders. Wij zagen onszelf als de hoop voor en beschermers van de Indische cultuur in de 21e eeuw en noemden elkaar respectvol “saudara”, vrij vertaald “broeder”. Later kortten we dit af naar “sau”.

Ik vroeg me vaak af of wat wij hadden echt nieuw was of alleen nieuw leven ingeblazen had gekregen. Waren de Indische vrienden van mijn opa ook als broeders voor hem? Hadden mijn oudere neven alleen Indische vrienden omdat zij toen de eerste gekleurde jongeren in Nederland waren? Had mijn broer op mijn leeftijd met zijn Indische vrienden ook zo’n diepe band? Iedere tijd heeft waarschijnlijk wel zo z’n eigen magie, maar voor ons luidde de tijd zo vanaf het begin van de jaren negentig een periode van Indische verbroedering in die nooit meer weg zou gaan.

Nu ik begin dertig ben, zie ik mijn Indische broeders steeds minder. Logisch, iedereen heeft zo langzamerhand zijn eigen leven en eigen gezin. Maar zoals al zo vaak is gebleken, maakt het niet uit hoelang we elkaar niet zien. Iedere keer is het weer als die eerste keer. Onze broederschap bevat een onvoorwaardelijke gehechtheid die voor mij zo kenmerkend is voor de Indische cultuur.

Of, zoals mijn sau Claude al sinds die tijd citeert uit de film Bad Boys; “Ride together, die together!’

Petjoh is zeg maar echt mijn ding!

 Ik ben altijd fel tegenstander geweest van de mening dat de Indische cultuur niet meer zou kunnen gedijen buiten de tijd, plaats en omstandigheden van Nederlands-Indië. Het oude Indie is niet perse nodig, het zijn immers de mensen die een cultuur doorgeven. Echter, helaas is dat niet voor alle aspecten van het ‘Indische’ zo. Een taal als het ‘petjoh’ staat bijvoorbeeld hoog op de lijst met bedreigde Indische cultuurelementen. Toch is er hoop voor Petjoh-liefhebbers…

Petjoh is als mengtaal inherent aan de gemengde cultuur waaruit het ontstaan is. De taal, waarin zowel Nederlandse als Maleise en Javaanse woorden voorkomen, werd door een deel van de Indische Nederlanders gesproken. Nu deze taal al vele decennia uit zijn Nederlands-Indische context is verwijderd, zijn er in Nederland slechts een paar ouderen over tijdens een spaarzaam onderling treffen nog een woordje Petjoh uitwisselen.

In mijn familie is, met de vele andere aspecten van de Indische cultuur, ook het Petjoh door de generaties heen gesijpeld. Vroeger, wanneer al mijn neven en nichten bij elkaar waren, stond humor altijd voorop. Om imitaties van onze oudere, Indische familieleden en kennissen authentiek uit te voeren leerden we wat Petjoh. Bij het vertellen van een anekdote, repten we al gauw wat woordjes ‘tjedar tjedoer’.

Schuddebuikend luisterden we met z’n allen naar de heruitgebrachte Gado Gado albums. Mijn oom voegde hier, geheel in het Petjoh, nog vele humoristische verhalen en acts aan toe. Als benjamin van de groep waren hij en de Gado Gado platen voor mij grote inspiratiebronnen om zelf meer van het Petjoh te leren.

Mijn generatiegenoten en ik begonnen de woorden en het accent zelfs te integreren in de sociale omgang met elkaar. Zo bedachten we zelf woorden als ‘malasheid’, ‘sudahboys’ en ‘jelek attack’. Indische jongens noemden wij ‘saudara’ en Indische meisjes ‘melati’. Sommigen gingen zelfs nog verder. Wat dacht je bijvoorbeeld van de t-shirt verkoper die je op veel pasars ziet met shirts bedrukt met allerlei typisch Indische spreuken?

Houdt de jongere generatie het authentieke Petjoh hiermee in leven? Nee, dat denk ik niet. Ondanks mijn vele pogingen heb ik het Petjoh helaas nooit echt goed leren spreken. Ik imiteer het eigenlijk meestal. Met een flinke dosis humor en een vette knipoog maak ik zo nu en dan eerbetoon aan mijn Petjoh-meesters van de Gado Gado platen. En mijn oom niet te vergeten. Vermengd met wat ik om mij heen hoor en het jargon van mijn generatie, geef ik mijn eigen interpretatie aan die geweldige mengtaal die voor mijn gevoel zo ontzettend bij het Indische hoort.

Mengen. Ja, zo werkt het natuurlijk altijd met taal. Want taal, dat is geen statisch ding, maar iets wat voortdurend evolueert. Zoals vele Indische cultuurelementen, heeft het Petjoh mij en andere jonge Indo’s ooit bereikt en wij geven het weer door, voorzien van een nieuwe jas. Aangevuld en verrijkt hopen we het te behouden voor de toekomst. Sudah, Petjoh 3.0 is here to stay, Ja toh?

Ode aan de Indische moeder

Foto: Kirsten Vos

Ode aan de Indische moeder

Westerse wortelen genesteld in Oosters aarde, de receptuur voor onze bloem
De vruchten fluisteren haar komst, Indische generaties vloeien door de tijd
Het vergaan van een era vergezelt de geboorte van onze moeders
Indië voorbij, de laatsten der melati’s dragen het lot van ons volk

Haar ogen zijn haar taal, alleen wij kinderen voelen haar woord
Haar opvoeding is teder, zelfs haar boosheid bestaat uit liefde
Haar boodschap is los van tijd en plaats, haar zorg voor ons is eeuwig
Haar erfenis leeft van binnen, er ontwaakt een geheim in ons bloed

Mama’s leven is bewogen, maar Mama draagt het met kracht en trots
Mama houdt van hem, maar Mama’s kinderen staan vooraan
Mama weet het altijd als beste, maar Mama’s liefde is onvoorwaardelijk
Mama is de bakermat van ons bestaan, want zonder haar waren wij eindig

Mama is lief .

Indisch3 favo recepten 1 en 2: ikan b.b. en s.g. boontjes

In het kader van het tweejarig bestaan staat komende week in het thema van: eten! Elke dag vind je op de blog een nieuw recept van de gerechten die we als redacteuren gemaakt hebben voor onze kumpulan op 23 april. Alle gerechten die we daar gemaakt hebben, zijn onze favoriete Indische gerechten. Hierbij recepten 1 en 2: Ikan Bumbu Bali en Sambal Goreng Boontjes.

Ikan Bumbu Bali

Alles moet op gevoel, dus ik heb er geen hoeveelheden bij gezet.

Ikan bumbu bali (foto: www.papaya.nl)

Ingrediënten
– Ikan (lekkerbekjes of kibbeling)
– Bawang
– Bawang Putih
– Lombok Merah
– Laos
– Serah
– Daun Jeruk Purut
– Daun Salam
– Ketjap

Bereidingswijze
– Snij de bumbu (bawang, bawang putih en lombok merah) fijn;
– Doe de bumbu met de daun jeruk purut, daun salam, laos en serah in een wajan met voorverwarmde olie;
– Roer het mengsel tot de bawang een bruin randje heeft;
– Giet een klein glaasje water erbij en dan wat ketjap;
– Doe de ikan erbij;
– Laat alles een tijdje sudderen.

Sambal Goreng Boontjes

Sambal goreng boontjes (foto: http://lotfr.com)

Ingrediënten
– Sperzieboontjes
– Udang
– Bawang
– Bawang Putih
– Lombok Merah
– Laos
– Tahu
– Tempeh
– Peteh bonen
– Trassi
– Zout
– Santen

Bereidingswijze
– Dop de boontjes, was deze in een vergiet en laat dit vervolgens uitlekken;
– Maak de bumbu door de lombok merah, bawang, bawang putih fijn te snijden;
– Verwarm olie in een koekenpan;
– Voeg de bumbu toe;
– Snij de laos fijn en voeg deze samen met de peteh bonen toe;
– Voeg de boontjes toe;
– Voeg een glas water toe en wat zout;
– Laat het geheel nu sudderen en snij de tahu en tempeh in blokjes;
– Voeg de tahu en tempeh toe en zorg dat het water kookt;
– Verlaag het vuur als het water kookt en voeg de udang toe;
– Doe de santen erbij;
– Voeg als laatste de santen toe;
– Laat het geheel ongeveer 10 minuten nasudderen.

En al…

Memoires van een derde generatie veteraan

Dit is mijn verhaal. Eind jaren ’90 ging er voor mij een Indische wereld open. Via de toen opkomende communicatiemiddelen als mobiele telefonie en het internet, konden ik en andere Indische leeftijdsgenoten contact leggen op een manier die voorheen ondenkbaar was. Hierdoor begon volgens mij de opkomst van de derde generatie. Sindsdien heeft deze culturele renaissance vele facetten gekend. Tijd voor een terugblik dus.
Asian Party in 2007. Bron: www.depers.nl
In 1998 werd de eerste editie van Jumpa1000 gehouden in de Escape in Amsterdam. Ondanks dat dit feest geënt was op Indonesische jongeren in Europa, kwamen er veel Indische jongeren op af. Dit feest werd vanaf toen dé ontmoetingsplek voor Indische jongeren. Via het Indo chatkanaal op de site van TMF en pionierende applicaties als ICQ en mIRC onderhield iedereen contact met elkaar tussen de Jumpa feesten door. Na Jumpa werd de Indo party trend verlengd door Asian parties als I Love Indo en Santai en werden er hechte Indo online groepen gecreëerd door het gebruik verscheidene messengers en community sites als CU2 en PartyPeeps. Vanuit mijn luie stoel kon ik overal online andere Indo’s leren kennen en mijn gedachten en gevoelens over de Indische cultuur uiten en voornamelijk delen.

Naast alles dat online mogelijk was, vormden zich op lokale basis vele Indo groepen, ‘crews’. Mijn vrienden en ik vormden de South Side Indo Crew, vanwege onze Brabantse bakermat. Elders in het land gebeurde precies hetzelfde, zoals de Kilat Crew en Indo Melati Crew. Indische jongeren groepeerden zich voor het eerst in tijden weer en hadden hun eigen kenmerkende subcultuur. Wij droegen ons haar in Dragonball Z stekels, droegen spijkerjasjes met de kraag omhoog of Alpha bomberjacks met de Indo vlag erop genaaid, compleet gemaakt hoogwater jeans en Puma’s. Wij luisterden naar 2step en Garage en hadden een eigen taal, doordrenkt met Maleise woorden. Wij twijfelden niet aan onze afkomst of identiteit: wij waren Indisch en lieten dit ook duidelijk merken.

Naast het gesocialiseer online en via crews, ontstonden begin jaren ’00 Indische groepen met een serieuze, maatschappelijke insteek om de Indische cultuur uit te leven en te bewaken. Ook ik wilde meer dan alleen feesten en chatten en vond dat vanaf 2002 als bestuurslid bij Darah Ketiga. Wij lieten ons duidelijk horen aan de Indische gemeenschap via verschillende presentaties en namen onze leden mee naar bijvoorbeeld Bronbeek en de Pasar Malam Besar. Ondertussen hadden de gevestigde organisaties als Het Indisch Huis en Stichting Tong Tong de derde generatie hype door en speelden hierop in via respectievelijk het Blauwdruk project (2005) en de theater voorstelling Chit Chat Blues (2004). Als hoogtepunt besteedde TELEAC cursus “Met vlag en rimpel” in 2004 zelfs een gehele aflevering aan de derde generatie opkomst, genaamd “I Love Indo”.

Voor mij hield het hier niet op. Mijn beste maat en ik hadden ons eigen huis, waar door de jaren heen tientallen Indische jongens en meisjes een tweede thuis hadden gevonden. Dit was voor mij de ultieme climax. Als een onbreekbare clan hadden wij succesvol de Indische cultuur voortgezet en gedeeld met onze Indische leeftijdsgenoten.

Ondanks dat de derde generatie zich definitief op de kaart had gezet, geloof ik dat de formule waarmee dat gebeurd is, is uitgespeeld. De crews zijn weg, organisaties verdwijnen, feesten zijn spaarzaam en mijn eigen “Indisch huis” is niet meer. Het verloop is ook groot; van mijn lichtingsgenoten zie en hoor ik er nog maar bar weinig… Nu is de tijd aangebroken van een andere lichting die via afstudeerscripties, artistieke en literaire uitingen de fakkel heeft overgenomen. Een compleet andere boeg, maar met hetzelfde doel. Is Indisch 3.0 de poortwachter geworden?

Tijd voor een Indisch politiek geluid?

Een gevallen kabinet, gemeenteraadsverkiezingen en Tweede Kamerverkiezingen in juni: de eerste helft van dit jaar staat bol van de politiek. Onderwerpen als economie, veiligheid, maar vooral integratie zullen het maatschappelijke debat domineren. Nog niet eens zo heel lang geleden was er een “Indisch geluid” in de politiek te horen. Zou zo’n partij weer bestaansrecht hebben?

De VIP (2002). Bron: www.verkiezingsaffiches.nl
Verkiezingsaffiche van de VIP uit 2002. Bron: www.verkiezingsaffiches.nl

De enige Indische politieke partij die ooit de geschiedenisboeken heeft gehaald was de Vrije Indische Partij. De VIP wilde spreekbuis worden in Den Haag voor de Indische gemeenschap, die al jaren vergeefs streed voor onder andere rechtsherstel en reparatie van de AOW-uitkeringen en pensioenen. Vanaf de oprichting in 1994 probeerde de VIP parlementaire invloed te krijgen. Nadat het hen in drie opeenvolgende verkiezingen niet lukte in de Tweede Kamer te komen, besloot de partij zichzelf in 2006 op te heffen.

Sowieso zijn er maar weinig Indische partijen die politiek een vuist hebben gemaakt. In Nederlands-Indië ontstonden rond de eeuwwisseling enkele Indo-Europese belangenorganisaties. In beperkte mate waren die politiek  van aard. De enige echt politiek te noemen organisatie was het in 1919 opgerichte Indo-Europees Verbond. Het IEV streefde naar eenheid onder en emancipatie van Indo-Europeanen in Indië. Prominente leiders waren o.a. Karel Zaalberg (1873-1928) en Frederik Hermanus De Hoog (1881-1939).

Het IEV vertegenwoordigde de Indo-Europese bevolkingsgroep in de Volksraad in Indië. Dit was een volksvertegenwoordiging in de kolonie die in 1916 was opgericht, in reactie op aanzwellende kritiek dat het beleid vervaardigd werd in Den Haag. De raad, die  in eerste instantie alleen adviesrecht had, werd deels gekozen door vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen en deels benoemd door de Gouverneur Generaal.

De Volksraad was, in tegenstelling tot diverse opkomende belangenorganisaties, het eerste orgaan dat politieke invloed kon uitoefenen op het centrale gezag in Nederlands-Indië. Gaandeweg kreeg de raad, waarbinnen de IEV een invloedrijke partij was, meer invloed en rechten en het ontwikkelde zich in de twintiger jaren als een essentieel onderdeel in de zogeheten ontvoogding van Nederland. In het eerste jaar van de Japanse Bezetting werd de Volksraad ontbonden. Het IEV ging verder als een Indo-Europese belangenbehartiger in Indonesië, en is uiteindelijk wegens gebrek aan achterban opgeheven.

Na de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende repatriëring ontstonden verschillende Indische belangenbehartigers in Nederland. De nadruk kwam nu te liggen op gebeurtenissen tijdens en de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Het moest tot halverwege de jaren negentig duren voordat er in Nederland een serieuze poging kwam om deze belangen op de hoogste politieke agenda te krijgen, met een Indische vertegenwoordiging in de Tweede Kamer. Ondanks dat de Indische gemeenschap ongeveer 5% van het electoraat hier vertegenwoordigde, lukte het tot drie keer toe niet om een kamerzetel te bemachtigen.

Het verdwijnen van de VIP in 2006 markeert naar mijn mening het definitieve einde van een volksvertegenwoordiging voor Indische belangen. Omdat de politieke speerpunten van het Indische geluid in parlementair Den Haag direct gekoppeld waren aan de eerste generatie, heeft het nobele streven naar uitkeren van de tegoeden en naar eerherstel, hoe spijtig ook, weinig relevantie meer voor volgende generaties. In de regel gaan politieke partijen uit van een aantal ideologische beginselen waar een groep mensen zich door vertegenwoordigd ziet en niet van het belang van een bepaalde etnische of culturele bevolkingsgroep.

Ik heb niet de indruk dat de derde en vierde generatie Indische Nederlanders haar gemengde culturele identiteit politiek vertegenwoordigd wil zien. Bij de jongere Indische generaties is ook geen behoefte (meer?) aan maatschappelijke emancipatie, zoals dat bij eerdere generaties wel het geval was. De Indische cultuur en identiteit lijkt mij dus onvoldoende fundament voor een nieuw Indisch politiek initiatief. Kortom, Indische politiek behoort voorgoed tot de geschiedenis.

American-Dutch-Indonesian?

Vanaf circa 1960 emigreerden vele duizenden Indische mensen naar de Verenigde Staten. Zij konden niet aarden in het Nederlandse maatschappij en kozen ervoor, soms pas jaren na hun vertrek uit Nederlands-Indië, hun geluk te beproeven in ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’. Het overgrote deel vestigde zich in het zonnige Zuid-Californië. Maar wat is er bij de jongste generatie een halve eeuw later nog over van de Indische identiteit en cultuur?

Net als bij veel andere Indische mensen het geval is, bevindt ook een deel van mijn familie zich overzee. Mijn opa kwam uit een gezin met 20 kinderen, waarvan de helft uiteindelijk in de VS terechtkwam. Ook mijn ouders, broer en zussen verhuisden, zij het 30 tot 40 jaar later, naar Californië. Ik kom er vaak. De grote Indische ‘community’ die daar woont wordt ook wel Amerindo’s genoemd, maar noemt zichzelf “Dutch-Indonesian”.

Ze beschouwt zichzelf als een subcultuur, maar tussen de vele andere Euraziaten in Amerika is het soms moeilijk een Indo te herkennen. Net als andere geëmigreerde Nederlanders herkennen Indisch-Nederlandse Amerikanen jou natuurlijk wel. Wanneer je bijvoorbeeld nietsvermoedend door de mall loopt en Nederlands aan het kletsen bent, doemt er regelmatig iemand uit het niets op met een zwaar accent; “Kom uit Holland?” Vervolgens worden typische Hollandse woorden, gebruiken en etenswaren uitgewisseld.

Zoals ik ook in Nederland gemerkt heb, zijn het vooral deze culturele aspecten die door de generaties heen sijpelen. Maar zijn onze Indische generatie-genoten in de Verenigde Staten ook bezig met het hervinden van hun eigen identiteit en cultuur? Of zijn het standaard-Amerikanen geworden in wiens verre geheugen de herinnering aan Oma’s lemper rondzweeft? Net als veel derde generatie Indo’s zocht ik het antwoord als eerste op internet. Ik begon op MySpace, het Amerikaanse equivalent van Hyves, waar ik een groep startte onder de naam “Dutch-Indonesian Connection”.

Het aantal leden stroomde rap binnen en er ontstonden er contacten die voorheen niet mogelijk leken. De vele gesprekken en onderwerpen op het forum verschilden niet veel van wat op de Indische fora in Nederland las. Ervaringen over het eten bij “opa and oma” wisselden zich af met ‘zwaardere’ onderwerpen. Toch voelde ik een wezenlijk verschil met Nederlandse Indische jongeren, maar ik kon er niet echt mijn vinger op leggen. Toen een aantal leden elkaar in mei 2006 besloten te ontmoeten op het jaarlijkse Annual Holland Festival in Long Beach, California werd alles mij een stuk duidelijker.

Er kwamen zo’n 20 leden van de groep bijeen, van wie sommigen duizenden kilometers hadden gereisd. Het was een bijzondere en ook aparte ervaring om hen mee te maken. Enerzijds voelden de Amerikaanse Indo-vrienden echt aan als eigen (Indisch), maar anderzijds ook als anders (Amerikaans). Na een informeel kennismakingsrondje, besloten we over het terrein te lopen. Ondanks dat de naam van festival Nederlands aan doet, was mijn eerste indruk dat het meer een verkapte pasar malam was.

Het gehannes met klapstoelen en vouwtafels op het grote grasveld deed in ieder geval meteen erg Indisch aan. Langs de zijkanten vele warungs met Indisch eten en standjes met, zoals mijn familie dat noemt, tetek bengek (allerlei koopwaar). Tussen alle Indische stands, stonden echter ook tentjes waar je oliebollen, kroketten en een puntzak friet kon krijgen. De sambal vloeide even rijkelijk als de dotten mayonaise, de cendol-schenker stond arm-in-arm met de Heineken barman en de t-shirt drukker verkocht zowel shirts met de Nederlandse leeuw als die met de bekende Indo leuzen.

Daar op dat veld, merkte ik dat hoewel de derde generatie Amerindo’s opgroeit in een Amerikaanse smeltkroes waarin de talloze etnische groepen hun plek vinden, ook zij zich afvragen wat hun Indische afkomst voor hen betekent. Ze hebben dezelfde vragen als waar veel jonge Indo’s in Nederland mee zitten. Na alles te hebben laten bezinken, snapte ik ook wat de ervaring van mijn Amerikaanse generatiegenoten toch anders maakte als die van mijn Nederlandse. Het Indische gevoel van de Amerikaans-Indische derde generatie is namelijk tweeledig. Zowel Indië/Indonesië als Nederland, de twee landen waar zij culture affiniteit mee voelt, liggen op een haast mystieke afstand van de eigen geboortegrond. Dat maakt de zoektocht naar antwoorden alleen maar lastiger. Wat dat betreft valt het voor de jonge Indo’s in Nederland nog wel mee.

Oud verdriet, ons verdriet?

Het is altijd heerlijk als een zomerse dag en een weekenddag samenvallen. Om dit te vieren gaan Jeffrey en ik een terrasje pikken bij een café op kruipafstand van zowel zijn als mijn huis. Na de eerste slok van ons koude biertje staat zonder aankondiging een oudere, Indische man naast Jeffrey. Een paar biertjes later nemen we met een brok in onze keel afscheid van hem.

De oudere man herkent Jeffrey als Indische jongen aan zijn donkere kleur en Indonesische gelaatstrekken. Mijn uiterlijk –dat het best als Ierse camouflage kan worden omschreven- doet niets Indisch vermoeden. De man stelt zich voor als Johan en is direct zeer enthousiast om “eens een ander Indisch persoon te ontmoeten”. Ondanks dat dat ons verbaast, in Noord-Brabant wonen immers vrij veel Indische mensen, bieden we hem volledig in overeenstemming met onze Indische beleefdheid direct een stoel aan onze tafel aan.

Als zijn verbazing dat ik ook Indisch ben is gezakt, begint Johan ons de oren van het hoofd te vragen: waar komen jullie dan vandaan, waar zijn jullie geboren, en jullie ouders? Als een langspeelplaat die blijft hangen, blijft hij herhalen dat hij het zo enorm leuk en fijn vindt met echte Indische jongens een borrel te kunnen drinken. Ik apprecieer dat, maar kan zijn inmenging nog steeds niet echt goed verklaren.

Vanwaar de hunkering om contact te hebben met andere Indische mensen? Johan voelt zich, zoals waarschijnlijk vele andere ouderen, ongetwijfeld alleen. Gaandeweg wordt duidelijk dat hij zijn ‘ thuis’ mist. Thuis als de plaats waar je je ‘senang’ voelt. En dat was Nederlands-Indië, dat was alles dat Indisch was, dat was zijn Indische familie. Gewoonweg alles dat ooit was, maar verdwenen is. Nederlands-Indië bestaat immers niet meer, het Indische is zoek en zijn familie is overleden of wil geen contact meer. Familie, is dat niet het fundament van alles dat Indisch is? Wij voelen met Johan mee, maar kunnen niet meer dan aanhoren en begrijpen, herkennen en meepraten.

Drank vloeit en verhalen komen los, en wij hangen aan zijn lippen. Onverwacht plotseling snijdt Johan het onderwerp van de Japanse bezetting aan. Hij vertelt dat hij als klein kind met zijn moeder in het kamp zat; zijn vader was als krijgsgevangene weggevoerd. De allereerste keer dat hij zijn dood gewaande vader ontmoette, was na de capitulatie. De man stond ineens in levende lijve voor zijn neus. “Ben jij mijn zoon Johan? Ik ben je vader.” Johan stopt met vertellen. Zijn hoofd zakt naar beneden en zijn handen vouwen zich als een gebaar van schaamte in een scherm voor zijn voorhoofd. Zijn kin bibbert, zijn woorden zijn piepende geluiden. Johan lijkt het moment van bijna 65 jaar geleden levendig voor zijn ogen te zien en hij huilt.

Ik probeer te beseffen wat er hier op een mooie zaterdag in de zon op dit terras gebeurt. Een bejaarde Indischman zit huilend tegenover me, getergd door een ontsloten oorlogstrauma. Wat moet ik doen? Troosten en zeggen ‘Ah, het komt wel goed’, of zo? Deze man herleeft voor mijn ogen een situatie waar ik geen benul van heb. Ik ken alleen welvaart, vrede, voorspoed, geld, vreten, gezuip en gezeik over triviale onderwerpen. Ik ben strontverwend. Ondertussen merk ik dat ik met hem mee begin te voelen. Ik ken namelijk wel de geschiedenis van het Indische volk en het verhaal van mijn bloedeigen familie. Het verhaal dat zich in dezelfde tijd, omstandigheden en plaats afspeelde. Hebben mijn familieleden ook niet de gruweldaden en excessen van de Japanse bezetting, de bersiap en onafhankelijkheidsstrijd beleefd en overleefd? Voel ik nu medelijden of is dit verdriet?

Mijn familieleden, die hetzelfde hebben meegemaakt als Johan, zijn geen verre voorouders uit een vergeten tijdperk. Het betreft familieleden die ik ken of heb gekend. Mensen van wie het bloed onverdund door mijn aderen stroomt, bij wie ik op schoot heb gezeten. Van wie ik opvoeding, liefde en zorg heb gekregen en met wie ik vereeuwigd ben op familiefoto’s. Dit is dus ook mijn geschiedenis. Maar is dit daarmee dan ook mijn verdriet?

Johan excuseert zich ondertussen al voor de zoveelste maal voor zijn emotionele uitbarsting. Zijn tranen blijven echter stromen. Ik weet nog steeds niet wat ik moet zeggen. Door mijn besef dat dit ook mijn achtergrond betreft, zijn zijn emoties aanstekelijk geworden. Mijn hart klopt wild, mijn ogen knipperen en mijn lippen klemmen op elkander. Jeffrey en ik kijken elkaar ongemakkelijk aan. Ik weet dat ook hij de verhalen van zijn grootouders hoort.

Uiteindelijk durf ik Johan te vertellen dat wij zijn verhaal herkennen en begrip hebben voor zijn gevoel. Het zijn dooddoeners. Johan komt pas weer bij zijn positieven wanneer hij zelf zijn emoties meester heeft kunnen worden. Wij spreken vervolgens afwisselend in het Nederlands en Maleis over allerlei lichtere onderwerpen. Op z’n Indisch doen we alsof er niets is gebeurd. We worden zelfs jolig en spreken alsof we elkaar al jaren kennen. En wanneer de tijd is gekomen om te gaan, moeten wij Johan verzekeren een keer bij hem te komen ‘mampir’. Dan omhelst hij ons en vertelt dat hij altijd al zonen had willen hebben.

Op weg naar huis blijft in mijn hoofd de vraag rondspoken of Johan’s verdriet en het verdriet van zijn lotgenoten zoals mijn familie, op een of andere manier ook aan mij als latere generatie toebehoort. Ik geloof van wel.