24
Toko test #5: Kadijk de Winkel, Amsterdam
Voor de vijfde aflevering van de Tokotest bezoeken Patrick Neumann en Ed Caffin een “toko nieuwe stijl” in Amsterdam. Hier niet de sfeer en de verzameling gerechten die je in een traditionele toko aantreft. Het pas geopende Kadijk de Winkel is een eigentijdse Indische traiteur. Of is het eigenlijk een moderne toko? Toko betekent immers gewoon winkel…
Het is bar winterweer. Glijdend en glibberend door de sneeuw arriveren we in de Huidenstraat, een van de 9 straatjes in de Jordaan. Hier ergens opende Kadijk de Winkel een paar maanden geleden zijn deuren. Het is de tweede horeca-zaak van Fransien Schut en Jolanda Markus, eigenaars van het populaire Café Kadijk op het Kadijksplein in het centrum. De roem is Kadijk de Winkel vooruit gesneld: er is nog geen uithangbord, maar wel een snel groeiende klantenkring.
Vanachter de toonbank heet een jongedame ons welkom. Ze is Indisch, zo vertelt ze ons, net een aantal andere dames die in de winkel werken. We gaan zitten aan het enige tafeltje die de winkel telt en bestuderen de kaart. Na enige tijd komt Fransien uit de keuken tevoorschijn en gaat bij ons zitten. Ze vertelt dat ze het koken van haar moeder en tante leerde, Chinezen uit Oost-Java.
Zo’n vijfenenhalf jaar geleden begon ze samen met Jolanda Café Kadijk. Geen restaurant, maar een cafe met een kleine kaart met Indische hapjes. Het liep al snel uit de hand. Nadat Johannes van Dam een geweldige recensie schreef in het Parool liep heel Amsterdam de deur plat. Ze waren net een half jaar bezig.
Of we al weten wat we willen eten? Om te beginnen een zogenaamd Indisch bordje, een mini-rijsttafel bestaande uit verschillende vlees en groentegerechten. Ons bordje bevat Daging Smoor, Rendang, Ajam Boemboe Bali, Gado-Gado, witte rijst en atjar. De Daging Smoor is werkelijk goddelijk. Eerst subtiel qua smaak, dan een exploderende smaaksensatie: zoet, zout en een pittige nasmaak.
De Ajam Boemboe Bali die we vervolgens proeven is mals en mild gekruid. Een hap rijst, een slok en dan de Rendang. Ook dit vlees is zeer mals en goed gekruid. Wat ons betreft bevat dit bordje drie maal een voltreffer. Wat is het geheim? Nee, dat verklapt Fransien niet. Wat ze wel vertelt is dat er alleen scharrelvlees wordt gebruikt. Want, zo zegt ze, dat is het minste dat ze kunnen doen. Wij zijn er ook meer dan blij mee. Het is fijn om kauwbare Rendang te eten. Dat vind je niet in elke toko.
Ook de groente smaakt geweldig. De Gado-Gado is de lekkerste die we in lange tijd geproefd hebben. Het kan niet op, want hierna bestellen we wat Sate Lam en Sate Ajam. Ook komt een van de specialiteiten van Fransien op tafel, de Indische Makreel. De saté is lekker en afwisselend van smaak. De lamssaté is fijn mals en wordt geserveerd met een uitstekende ketjap-rode peper saus. Het is allemaal werkelijk om de vingers bij af te likken. De kipsaté is wat taaier, maar komt met een heerlijke pindasaus met ketjapsaus erbij. Patrick is lyrisch, maar voor mij moet het hoogtepunt nog komen: de Indische makreel. Een boterzachte makreelfilet met een pittige pepersaus van een geheime receptuur. Oh, wat lekker! Hier kun je me ’s nachts wakker voor maken.
Er staat nog van alles op de kaart wat we nog niet geproefd hebben, maar we kunnen niet meer, hoe graag we ook willen. De Indische kipkluifjes of een stamppotje met Javaanse gehaktballen bewaren we voor de volgende keer. Of de sambal goreng boontjes, telor of frikadel djagung en het broodje tahoe/tempeh.
Maar wat we vandaag geproefd hebben was werkelijk fantastisch. Kadijk de Winkel is dan misschien geen ouderwetse toko, maar serveert wel ouderwets lekkere Indische maaltijden, hapjes en snacks. En dat allemaal in een nieuw jasje en prima betaalbaar. Amsterdam is een culinair pareltje rijker. Onze beoordeling:
Kadijk de Winkel, Huidenstraat 26, Amsterdam, www.cafekadijk.nl
28
MIX – Jongeren in Nederland
Herkenning en ‘Aha!’
MIX gaat verder dan Indisch. Het boek kwam in juni van dit jaar al uit. Met spijt plaats ik nu pas een recensie over deze indrukwekkende publicatie. Sterker nog, ik had gewild dat ik dit boek drie jaar geleden had gevonden. Want ik herken zó veel: over mezelf, uit discussies over de multicultisamenleving én uit gesprekken met Indische jongeren.
MIX is de publicatie van het project Beyond the mix, van Forum (een instituut voor multiculti Nederland). In dit project staat de vraag centraal hoe mensen zelf, maar ook hun omgeving, omgaan met meerdere etnische identiteiten.
Wat is, na het lezen en bekijken van MIX voor mij de grootste les? Iedereen met een dubbele identiteit doet daar iets mee. Ga maar na: zelfs als je je tweede identiteit afwijst of ontkent (of dat nou de Indische is of de Nederlandse), je maakt een keuze om iets te doen.
Wat vond ik het meest verrassende inzicht? Dat is dat je uiterlijk die keuze beïnvloedt. Heb je een zichtbaar tweede identiteit, dan heb je het drukker dan iemand met één identiteit. Ben je een blonde Indo, of een kind van een Zweedse en een Nederlandse, dan zal je minder snel de vraag krijgen ‘Waar kom jij vandaan?’ dan een kind van een Afro-Amerikaanse en Nederlandse ouder.
Fascinerend is hoe Captain en Stam, maar ook Guno Jones later in het boek, de veranderingen in het concept gemengdheid bespreken. Tot de komst van de Indische repatrianten bijvoorbeeld, betekende gemengd zijn in Nederland een huwelijk tussen een protestant en een katholiek. Guno Jones gaat dieper in op zulke maatschappelijke ontwikkelingen en bespreekt ook “ongelijkwaardig seksueel burgerschap”, voor mij een eye-opener: alleen witte, heteroseksuele mannen hebben altijd de vrijheid van eigen partnerkeuze gehad.
Ik haal een voorbeeld van Jones aan. In Nederlands-Indië kon een Hollander met een inlandse trouwen, zijn kinderen konden het Nederlands staatsburgerschap krijgen (als hij ze erkende). Maar andersom? Een blanke Hollandse vrouw die met een kampung Indo trouwde? Die kreeg het zwaar voor haar kiezen.
En, vooruit, een tweede voorbeeld: tot in de jaren ’80 was het in Nederland zo geregeld dat een kind, in Nederland geboren, bij een Nederlandse moeder en een buitenlandse vader, niet de Nederlandse nationaliteit kon krijgen. Was de moeder echter buitenlands en de vader Nederlands, dan kon het wel.
Het boek heeft maar een paar artikelen die mij minder aanspreken, zoals dat van Novaire (mij te voorspelbaar) en het overwegend politiek-correcte geneuzel van Maayke Botman (‘..elk lichaamsdeel krijgt een raciale betekenis. Dat noem ik raciale fragmentatie.”).
Jongeren, Indisch of niet, kunnen uit MIX niet alleen beter begrijpen wat ze met al hun identiteiten kunnen doen, maar ook wat het betekent om een ‘multiraciale’ relatie te hebben. Daardoor is MIX relevant voor het begrijpen van jezelf in de context van vroeger en nu, je ouders en grootouders in de context van toen, en jezelf en je partner in de context van morgen.
Mijn favoriete opmerking uit het hele boek? Goed, daar sluit ik dan mee af. Ik ben benieuwd wat jullie daarvan vinden. “In mijn klas zijn ze wel eens jaloers op me, omdat mijn ouders uit twee verschillende landen komen” – Jonas Mouzouni ( 7 jaar).
15
Achter de kawat – Charles Burki
Over de Japanse bezetting
Veel Indische jongeren die ik spreek, hebben vragen over de Japanse bezetting die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Vaak krijgen zij er niet meer over te horen dan “Het was heel erg.” Gelukkig zijn op enkele plekken in Nederland antwoorden te vinden. Museum Bronbeek biedt de tentoonstelling Het verhaal van Indië, het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft een speciale afdeling Nederlands-Indië. Voor jongeren die liever eerst thuis een en ander doorbladeren, is er het bijzondere en toegankelijke boek Achter de kawat van Charles Burki.
Charles Burki (1909 – 1994), van als ik goed lees puur Hollandse komaf, werd in 1942 als krijgsgevangene van de Japanners in Bandung geïnterneerd. Burki was opgeleid als tekenaar en heeft het dagelijkse leven in het kamp in beeld te brengen. “De tekeningen die hij in het kamp in Bandung maakte, lagen vier jaar lang midden in de doorgang van een poortje begraven. Ze waren verpakt in hospitaal doek, vervolgens in een zinken bus, en dat weer in een teakhouten kist. Iedereen liep er overheen. In 1946 kreeg hij dankzij een oud-medegevangene zijn tekeningen weer in bezit,” aldus het Museon.
Het Haagse Museon, dat een collectie heeft over Nederlanders in Japanse kampen, heeft de tekeningen opnieuw uitgegeven in een heruitgave van Achter de kawat, aangevuld met een verslag dat Burki na zijn tijd als krijgsgevangene schreef. Op 24 oktober 2010 sloot het Museon de tijdelijke expositie van de originele tekeningen. Het boek is een aanrader voor jongeren en andere (Indische) Nederlanders die een beeld willen krijgen van dat wat hun grootouders ze niet konden vertellen.
Het zal misschien het oog van de tekenaar zijn, waaraan wij als lezer de vele waardevolle details in zowel de tekeningen als het laagdrempelige, persoonlijke verslag te danken hebben. De heldere tekeningen zijn soms confronterend, dan weer gelardeerd met typisch Indische humor. De scherpte en de details ervan maken van een lezer een ooggetuige van het leven van dag tot dag in een van vele Japanse kampen in Indonesië. Ondanks dat een van mijn grootvaders mij wél een en ander verteld heeft, heeft het werk van Burki die verhalen verrijkt.
Hoe leefden mensen in Japanse kampen, bijvoorbeeld. Opgegroeid met verhalen over de Tweede Wereldoorlog in West-Europa, was mijn beeld van kampen bepaald door Auschwitz en andere concentratiekampen. Dankzij Burki’s schetsen heb ik nu een indruk van hoe het in ‘de Oost’ was. Verder ben ik blij dat ik van Burki af en toe ook mocht lachen om wat er in het kamp gebeurde. Bijvoorbeeld in de spotprent van de jonkheer die ook in het kamp nog zijn eigen wagen had. De strip over het verspreiden van roddels in het kamp. Of het weekmenu (“Maandag: rijst met soep. Dinsdag: soep met rijst. Woensdag: rijstsoep…”).
De humor staat in ontwapenend contrast met de eerlijkheid en directheid waarmee de tekenaar laat zien hoe geëxecuteerde gevangenen aan de kawat hangen, of een overlevende van Nagasaki in beeld brengt die zijn brandwonden schoongevroten ziet worden door maden. Humor is een manier om te overleven, begrijp ik. Om de boel niet al te serieus te nemen, zelfs wanneer dagelijks mensen voor je ogen overlijden.
Achter de kawat is niet alleen wonderbaarlijk vanwege de goed bewaarde en heldere tekeningen. Charles Burki is na het kamp (nog) twee keer aan de dood ontsnapt: na een torpedering van het schip dat hem op transport naar Japan had gezet, heeft hij tien dagen in open zee rondgedobberd. En in Japan heeft hij het bombardement van Nagasaki zien gebeuren en overleefd. Bovendien is de ex-krijgsgevangene ook nog eens 85 jaar oud geworden.
Hoewel er in Azië verschillende Jappenkampen waren, waarvan het regime onder meer afhing van het kamphoofd, en er verschillende soorten gevangenen bestonden, geeft Achter de kawat Indische jongeren een kijkje ‘in de keuken’ waar geen geschiedenisboek tegenop kan.
p.s. Het is wat uit de buurt, maar mocht je ooit in Singapore zijn, ga dan eens naar het – kleine maar aangrijpende – Changi War Museum, over de Tweede Wereldoorlog in Azië.
11
Toko test #4: Toko Toet, Den Haag
Toko Toet is de oudste toko van Den Haag. Aangezien Den Haag ook nog eens de Indische hoofdstad van Nederland is, zou je dus kunnen zeggen dat tokotest 4 bij de toko der toko’s heeft plaatsgevonden. Ed Caffin en Kirsten Vos hebben zich daarom, samen met gast-tester Armando Ello, tot het uiterste ingespannen om een representatieve indruk te krijgen van het hedendaagse aanbod van deze grande dame onder de toko’s en vrijwel alles geproefd – in kleine hoeveelheden – wat Toko Toet in de aanbieding had.
Medewerker Jeremy (29) heet ons hartelijk welkom. De keuken van Toet is te typeren als die van midden-Java, vertelt hij, wat neerkomt op wat zoetere smaken. Zelf is hij een niet-Indische Indo, als kind van een oost-Javaanse vader en een Nederlandse moeder, en getrouwd met een Indonesische (‘mijn vrouwtje kan het beste koken van allemaal’) . De eigenaar, Fred Jansen, zien we die dag niet.
Elke toko heeft betere en mindere gerechten. Dat geldt ook voor toko Toet. Een Indo die zijn toko’s kent, weet waar hij wat het beste kan halen. Op welk gerecht de toko zichzelf onderscheidt? ‘Dat is de sayur lodeh. De ajam pangang. En ik heb ook begrepen dat onze tjendol erg goed is,’ vertelt Jeremy. Gretig hebben wij die uitspraken aan onze smaakpapillen onderworpen.
Om hier alle 25 gerechten te bespreken die we geproefd hebben (ja, we hebben het serieus aangepakt), gaat te ver. We geven jullie daarom de vijf gerechten waar wij voor terug zouden komen en drie gerechten die we toch eerder ergens anders zouden kiezen.
1. Ajam pangang
Gebakken kippenpoten. Het zachte, sappige kippenvlees heeft een heerlijk rokerige smaak. De ketjapsaus maakt het af.
2. Sayur lodeh
Beetgare, knapperige groenten in een pittig-milde kokossaus. Elke smaak is te proeven zonder dat er een overheerst, de smaken samen maken het gerecht perfect in balans.
3. Ikan boemboe bali
Witvis in pittige saus. De vis is stevig en mals, bovendien zonder graten. De boemboe is pittig, zoet en zuur.
4. Tahu taotjo
Tahu met gefermenteerde sojabonen (taotjo). De verrassend donkere smaak van de taotjo-boon is een perfecte combinatie voor de zachte tahu.
5. Toemis kankung
Geroerbakte bladgroente, te vergelijken met spinazie. De eenvoudige, maar heerlijk karakteristieke smaakt maakt dit een ideaal bijgerecht.
Waar komen we niet voor terug? Allereerst de frikadel djagoeng: die is te grof en smaakt alleen maar naar mais. Daarnaast de sambal goreng telor; de trassie overheerst, het ei is smaakloos en heeft een te dikke ‘huid’ gekregen, de saus is ons te zoet. De frikadel lombok heeft zo’n vreemde smaak en papperige structuur, dat we na één hap genoeg hebben.
En de tjendol? De Javaanse suiker en kokos zijn in precies de juiste verhouding: niet te zoet, niet te zwaar, waardoor de smaken elkaar lijken te verlengen. De ‘groene fliebertjes’ (hoe noem je die dingen) van hung-kee meel zijn lekker zacht en sappig. Met die paar blokjes ijs is dit echt een verfrissend drankje.
Het eten van toko Toet heeft ons ontzettend goed gesmaakt en de prijzen zijn prettig. Maar toko der toko’s durven we niet te beweren, als die als zou bestaan. Elke toko heeft zijn eigen signature dishes. Onze beoordeling:
Toko Toet, Beeklaan 376a, Den Haag, www.tokotoet.nl
p.s. Meer filmpjes? Ga naar www.youtube.com/indisch3
18
Tuan Papa
Vorige maand was er naar aanleiding van de documentaire Tuan Papa voor het eerst een contactdag voor ‘oorlogsliefdekinderen’. Een beter bewijs voor de taboedoorbrekende kracht van de docu en de behoefte aan openheid bij de kinderen zelf, is er bijna niet: de dag was een groot succes.
Oorlogsliefdekinderen zijn kinderen van Nederlandse militairen, die tussen 1946 en 1949 werden verwekt in Indonesië. Hun bestaan is lang een taboe geweest.
In Tuan Papa komen deze kinderen en hun moeders aan het woord. De verhalen worden soms luchtig verteld, maar hun realiteit is pijnlijk. Zo vertelt de Balinese Jacky hoe het was om op te groeien zonder vader. Als “echteloos” kind in een omgeving waar familie de loop van je leven bepaalt, kon hij maar moeilijk een plek vinden in de gemeenschap. Hij en zijn moeder werden gezien als ‘kinderen van de vijand’ en nauwelijks geaccepteerd. De levens van oorlogsliefdekinderen en hun moeders werden vaak getekend door schaamte en angst.
“Beste Addy, ik heb gehoord dat je op zoek bent naar vader en zus ( mijn oom en nichtje). Ik heb ondertussen contact met de dochter van mijn nicht ( en heb alles verteld) en zij gaat dit hele verhaal aan haar moeder vertellen op het goede moment. Ik weet van mijn moeder dat het verhaal klopt. Ik hoop dat zij nog contact opnemen. Groetjes José” (website Oorlogsliefdekind)
De beelden uit Tuan Papa zijn prachtig en indringend. De zoektocht naar oorlogsliefdekinderen voert de kijker mee door kleurrijke straten op Bali en door achterbuurten in Jakarta. De verhalen van kinderen en moeders worden afgewisseld met zwart-wit archiefmateriaal. Soldatenjochies op patrouille door rijstvelden. Niet veel ouder dan twintig. Ver van huis werden velen verliefd op een Indonesisch meisje. Verschillende van hen, nu veteranen van boven de 80, vertellen in de documentaire hun verhaal, meestal voor het eerst.
De verre liefde en het kind dat daaruit voortkwam werd een geheim dat ze een leven lang meedroegen. Sommige relaties duurden kort, maar voor anderen, zoals voor Jack van den Brom, was het serieus. Jack ging samenwonen met ‘zijn Els’, kreeg een kind met haar en zou gaan trouwen. Maar ook voor hem eindigde het verhaal met het achterlaten van vrouw en kind in Indonesië. Eenmaal terug begonnen de soldatenvaders een nieuw leven, vonden een vrouw en stichtten een gezin.
“Deze documentaire, die we nog niet gezien hebben, zal bijdragen aan de erkenning van oorlogskinderen en een stukje verwerking van hun verdriet, maar weet dat zo’n verhaal altijd twee kanten heeft.” - Adri, Lenie en Rene van den Brom, 21 juni 2010 (website Andere Tijden)
Oorlogsliefdekinderen en hun moeders hebben nooit enige vorm van erkenning of financiële tegemoetkoming gekregen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat dat nog zal gebeuren. In ieder geval hebben de film en het project Oorlogsliefdekind ze in staat gesteld om op 19 september 2010 voor het eerst met lotgenoten te praten. We zijn benieuwd naar het verslag van die dag. U ook? Hou dan de website www.oorlogsliefdekind.nl in de gaten.
De film Tuan Papa is gratis via Andere Tijden te bekijken.
11
Rubber: koloniaal boek, actuele voorstelling
Madelon Székely-Lulofs schreef de roman Rubber op basis van haar eigen ervaringen als plantersvrouw op een rubberplantage in Deli, Sumatra in Nederlands-Indie. Het boek kwam uit in 1931 en werd een bestseller. Afgelopen week speelde het Nederlands Zang Theater een muziektheater-bewerking van het boek in Den Haag en Amsterdam. Het thema uit Rubber blijkt nog altijd actueel.
Het uitkomen van het boek, bijna 80 jaar geleden, deed het een hoop stof opwaaien. In Europa werd het goed verkocht en verschenen allerlei vertalingen. Een aantal jaar later werd het zelfs verfilmd. In Indie was de ontvangst matig. Het onthulde wat de werkelijke verhoudingen waren tussen blank en bruin. Dat was naar de koloniale smaak net iets teveel openheid. Madelon Székely-Lulofs publiceerde na Rubber nog enkele boeken over Indie. Ze stierf in 1958.
In de zangvoorstelling wordt het verhaal uit het boek in negen scenes vertelt. Net als in het boek staan de tegenstellingen tussen Oost en West in de voorstelling centraal. Europeanen en inlanders zijn, beide door economische motieven gedreven, tot elkaar veroordeeld. Tussen de Europese toean besar en de inlandse koelie, nauwelijks meer dan slaaf, bestaat echter een wereld van verschil. “Het geld viel van den heemel” voor de Europeaan. Voor de koelie bleef er weinig over.
De omstandigheden waaronder de inlandse koelies op de plantages moesten werken waren verschrikkelijk. Velen deserteerden. Degenen die bleven raakten vaak gok- en drankverslaafd. Hoe anders was het voor de Europese planters: in de tijd waarin het boek speelt profiteerden velen van de rubberindustrie. “Iedere boerenpummel uit Holland” zo vertelt de inleiding in het programmaboekje “kon in een paar jaar miljonair te worden”. In de voorstelling wordt het verschil nog eens benadrukt door de witte tropenpakken van de Europeanen en de donkere kleding van de koelies.
Pak Karmo!
Is de veerman er weer niet?
Altijd deze tergende traagheid!
Altijd deze tergende sloomheid!
Schiet op verdomme, de toean besar wacht op mij.
Saja toean, saja
Tabeh toean, tabeh
Rubber is een mooie en dynamische voorstelling. Het verhaal wordt verteld door een spreekster, die de schrijfster Székely-Lulofs speelt. De korte teksten uit het boek zijn prachtig, maar doordrenkt met het koloniaal gedachtegoed van toen. Op schermen komen ondertussen beelden uit de film en passages uit het boek voorbij. Maar het kloppend hart van de voorstelling is het koor dat de verschillende groepen uitbeeldt: koelies, planters, njais, Europese vrouwen en bedienden. Een liveband speelt de muziek, aangevuld door soundscapes met geluiden uit Indonesie.
Componiste Sinta Wullu, zelf uit Indonesie afkomstig, maakte de muziek voor de productie. Na de voorstelling vertelt ze dat ze zich naast door het boek, vooral liet inspireren door het Indonesiche landschap en de Indonesische muziek, zoals gamelan en krontjong. Mede door de bijzondere composities van Sinta Wullu is de voorstelling erg de moeite waard. Met een kleine budget en slechts een handvol voorstellingen in Den Haag en Amsterdam bereikte het echter maar een klein publiek. En dat is jammer. Hoewel als zangvoorstelling misschien minder toegankelijk, het had zeker een groter publiek verdiend. De al dan niet schijnbare tegenstellingen tussen Oost en West zijn immers nog altijd actueel.
Tip: geen tijd voor de voorstelling, maar wel benieuwd naar het verhaal? Bestel dan via Indisch 3.0 het boek
of de dvd!
4
Koloniale oorlog 1945-1949
Dit jaar is het 65 jaar geleden dat de Republik Indonesia werd uitgeroepen. Japan had zich net overgegeven en de Tweede Wereldoorlog was ten einde. Terwijl Indonesië volledige zelfbeschikking wilde, probeerde Nederland de macht in ‘ons Indië’ te herstellen. Vier jaar en twee grootschalige militaire acties later liet Nederland de oude kolonie dan eindelijk los. Het fotoboek “Koloniale Oorlog 1945-1949” laat de onverhulde waarheid zien van het bewogen “afscheid van Indië”.
Ergens in het begin van het boek is een twee pagina’s grote foto van een kampong afgedrukt. Uit de bovenkant van de huizen schieten vlammen en donkere rook. Op de voorgrond een handvol blanke soldaten die van het vuur wegrennen. Verderop de foto waarop een jonge strijder zichtbaar is, liggend in een veld, met om hem heen vier militairen. Hun geweren zijn op hem gericht. De beelden doen denken aan de Tour of Duty serie van eind jaren tachtig: jonge jongens in den vreemde in gevecht met een vaak onzichtbare, maar altijd wrede vijand.
Dit keer alleen geen Amerikaanse maar Nederlandse jochies, vermoeid en getekend door de strijd. Geen Vietcong maar Indonesiche pemuda’s, vechtend voor onafhankelijkheid. Het ‘militaire optreden’ in de archipel kostte bijna zesduizend nederlandse soldaten het leven. Naar schatting 100.000 Indonesische strijders kwamen om. Over het aantal burgerdoden lopen de schattingen uiteen van 25.000 tot 100.000. Het zijn de koele cijfers van een bittere oorlog.
De samenstellers uit het boek doken in archieven en selecteerden vele onbekende en nooit eerder gepubliceerde foto’s. De uiteindelijke verzameling beelden brengt vier gewelddadige jaren van ‘dekolonisatie’, revolutie’ of ‘onafhankelijkheidstrijd’ vaak rauw in beeld. Zo is op een van de foto’s in het derde hoofdstuk van het boek (‘In Actie’) het bovenlichaam van een gesneuvelde Indonesische strijder zichtbaar, liggend naast een grote mitrailleur. Het oorspronkelijke bijschrift repte over “ de verschrikkelijke uitwerking van een pantserkanon dat een granaat afvuurde”.
Ook bij veel andere foto’s in het boek is weinig verbeelding nodig. Dergelijke foto’s haalden echter nooit de krant. De beelden die Nederland bereikten werden zorgvuldig geselecteerd: geen slachtoffers, geen strijd. Dat het afscheid van Indie gepaard ging met veel geweld en terreur was dan ook zo goed als onbekend bij ‘het thuisfront’.
Dankzij een strenge censuur werd al die tijd de schijn opgehouden van ‘onze jongens’ die als ‘bevrijders’ werden onthaald en die in Indië slechts te maken hadden met ‘een stel extremisten’ die onschadelijk moesten worden gemaakt. Ook toen miste de Nederlandse propaganda zijn uitwerking niet. En ook meer dan 60 jaar na dato wordt de periode 1945-1949 nog altijd niet gezien als een bloedige koloniale oorlog. Dit boek laat echter onomwonden zien dat het toch echt niets anders was dan dat.
31
Toko Test #3: Warung Pojok in Garden Grove
Speciaal voor lekkerbekken, culi-freaks en Indo’s die op zoek zijn naar de authentieke Indische smaak onderzoekt Indisch 3.0 in deze nieuwe serie de ‘I-factor’ van toko’s in Nederland. Bij welke toko moet je volgens ons wél eten of afhalen, en bij welke juist níet? De beoordeling wordt weergegeven in een score van 1 tot maximaal 5 lombok merah’s. In deze derde aflevering: Warung Pojok in Garden Grove (Orange County, California) in de Verenigde Staten.
Testteam: Willem-Jan Brederode en familie
Omdat mijn vlucht vanuit Schiphol naar Los Angeles rond het middaguur arriveert, stelt mijn familie voor om eerst gezamenlijk te lunchen alvorens naar huis te rijden. Op de weg erheen komen we langs de stad Garden Grove in Orange County, gelegen tussen de agglomeraties van Los Angeles en San Diego. In Garden Grove bevindt zich Wajung Pojok, een Indonesisch eetgelegenheid gesitueerd in een van de vele stripmalls die Californie telt.
In Amerikaanse termen hanteert Warung Pojok de fastfood methode; alle gerechten zijn kant en klaar te bezichtigen via de vitrines en het enige aanwezige menu is in koeienletters te lezen hoog achter de balie. Echter on-Amerikaans en zelfs on-Indonesisch, is de afwezigheid van een airconditioning. In combinatie met de zomerhitte worden op deze manier de tropische sferen die bij zo’n maaltijd passen perfect nagebootst.
De eigenaren en tevens personeelsleden komen uit Jakarta en lijken me van Chinese komaf, zoals bij veel Indonesische Amerikanen het geval is. Ook de gerechtnamen eindigen vaak op “Betawi” dat op de Jakartaanse oorsprong van het menu duidt. De hoofdkeuze bestaat uit een menu met nasi uduk of mie goreng, aangevuld met één, twee of drie vlees- en/ of groentegerechten. Nadat mijn vrouwelijke familieleden al kwetterend de serveerster de meest uiteenlopende bestellingen hebben gegeven, is het mijn beurt. Na wat vluchtig gegluur over de gerechtbakken, kies ik voor een combinatie van nasi uduk, ayam pangang, rendang en een groentegerecht waarvan ik de naam direct vergeet. Het is een soort sajur van telor en tahu. Een aparte combinatie die desondanks best lekker is.
Ook de andere gerechten die ik heb besteld zijn goed. De nasi uduk is lekker zoet en de ayam pangang is goed knapperig, maar niet te droog. Ook de rendang is erg lekker. Bij het bereiden is het altijd de kunst om het rundvlees niet als rubber te laten smaken, hetgeen bij deze rendang best goed gelukt is. Hij is lekker mals maar ook weer niet te sappig. Ook de sate is vrij lekker, temeer omdat je proeft dat deze echt geroosterd is en niet uit een koekenpan komt.
Mindere punten van zijn de cendol (mierzoet) en de ketan hitam (vrij smakeloos). Het grootste minpunt betreft echter de beperkte voorraad van zo ongeveer alles wat lekker is. Toch jammer. Ondanks dat wij vrij vroeg in de middag arriveren, zijn veel gerechten (met name de sate) namelijk al bijna op. Er wordt maar één keer per dag gekookt en “op is op”. Bovendien worden er iedere dag andere gerechten klaargemaakt, dus je moet maar net geluk hebben dat jouw smaak aanwezig is.
Voor een fastfoodgelegenheid is de kwaliteit van het eten van Warung Projok echter verrassend goed. Ben je een keer op bezoek bij je familie in California en heb je zin in lekkere Indonesische fastfood, ga dan zeker langs. Ben je echter alleen te porren voor een uitgebreide rijsttafel met een invulling naar keuze, rijd Garden Grove dan maar voorbij.
Onze beoordeling:
Mocht je een keer in de buurt zijn, oordeel dan zelf: Warung Pojok – 13113 Harbor Blvd. – Garden Grove – California – www.warungpojokindo.com
15
Recensie – de Pasar Malam van Tong Tong
In het in 2009 uitgekomen boek ‘De Pasar Malam van Tong Tong, een Indische Onderneming‘ doet Florine Koning verslag van 50 jaar PMB in Den Haag. De historicus Koning, momenteel verantwoordelijk voor de PR van de Tong-Tong Fair, werkte er vier jaar aan. Het resultaat is een tijdsbeeld van de Indische gemeenschap die op zoek is naar erkenning. Maar bovenal leest het als het antwoord van de organisatie op de vele kritieken die het in de loop der jaren heeft gekregen.

Florine Koning (2009)
Bij het schrijven van deze recensie flitsen vele gedachten door mijn hoofd. “Benader ik het boek als objectief recensent, of neem ik alle kritiek mee die ik gehoord heb?” “Als Indisch3 treden wij op op de Tong-Tong Fair. Kan ik dan nog wel een recensie schrijven?” En: “De Pasar Malam Besar, euh, Tong-Tong Fair, is een instituut. Mogen wij daar wel kritisch op zijn?” Tijdens het lezen komen al deze gedachten regelmatig voorbij. Ik heb de verhalen gehoord over een zwarte lijst met mensen die kritiek hebben op de organisatie en realiseer me desalniettemin dat een onafhankelijke mening voor onze lezers zwaarder weegt dan elke andere overweging.
Bij het lezen van het boek denk ik bij vrijwel elke foto: dit kan een familielid zijn. De prachtige, grote foto’s maken het lijvige boek tot een persoonlijk naslagwerk. Ook het ontstaan van de Pasar, ooit begonnen als fancy fair voor een goed doel, ontroert. Maar wat me het meeste raakt, is de parallel tussen de erkenning die de Pasar Malam Besar zocht, en de niet ophoudende zoektocht naar erkenning van de Indische gemeenschap.
Koning geeft aan dat voor de Pasar in 2007 die zoektocht eindigde: het jaar waarin de Pasar de Grand Prix van de Nationale Evenementprijzen uitgereikt kreeg. Ik voel een parallel met het commentaar van mijn opa, toen hij een lintje kreeg voor 40 jaar trouwe dienst bij de KLM – die hij ook nog eens ontving van zijn grote idool Nelie Kroes: “Hoe vind je dat Kirst? Niet slecht hè, voor een Indo?”
Twee jaar later veranderde het bekroonde evenement zijn naam in de – veel bekritiseerde – Tong-Tong Fair. In het boek is die kritiek opgenomen. De historicus en pr-functionaris Koning neemt enkele passages op, waaruit alleen maar blijkt dat mensen aangeven dat de Pasar Malam tot hun identiteit behoort. Het veranderen van de naam voelt als het weg gummen van een stuk geschiedenis. De uitleg voor de naamswijziging? Te veel nostalgie, te veel een soortnaam (de Spa Blauw onder de festivals) en op internationaal vlak te weinig positionerend.
Op dat moment verliest Koning zichzelf in onderbouwingen en theoretische discussies. Zelfs de Van Dale haalt ze erbij om aan te tonen dat het begrip Pasar Malam synoniem staat aan exotisch en nostalgisch. Hierdoor gaat het boek voorbij aan de kern van die kritiek: het veranderen van de naam is te vergelijken met het doorhakken van een navelstreng: nooit meer zal de vanzelfsprekende verbinding tussen Indie en Nederland een plek hebben in Den Haag. De Pasar Malam Besar is (van) de Indische Gemeenschap – een feit dat een paar pagina’s later onderstreept wordt, door te beschrijven dat de TTF te vergelijken is met een tijdelijke Indische stad.
Het evenement, dat uitgroeide van een – in het boek treffend beschreven- familiebedrijf tot een serieuze speler, heeft het zeker niet makkelijk gehad. Door het tijdelijke karakter waren banken niet erg happig op het verlenen van financiering. In de loop van de tijd besteedde de organisatie steeds meer aandacht aan stylering en vormgeving, waardoor mensen dachten dat er geld in overvloed was. De auteur benadrukt bovendien dat de entreeprijzen aanzienlijk lagen zijn dan die van andere Nederlandse evenementen. Dit argument, hoe begrijpelijk ook vanuit zakelijk perspectief, verliest aan kracht doordat vele bezoekers de entree van de Pasar vooral vergeleken met die van andere pasars. Misschien dat hierbij die naamsverandering wel helpt.
Een evenement dat ooit idealistisch begonnen is, kreeg na een kleine 50 jaar eindelijk erkenning. De naamsverandering die erop volgde maakte een hoop los: dat liet zien hoezeer de Pasar Malam Besar eigendom geworden was van de Indische gemeenschap. Sinds die verandering boet het evenement alleen maar in aan naamsbekendheid, zeker met de komst van de Pasar Malam Indonesia van de Indonesische ambassade. En toch – het in 2009 uitgekomen boek geeft zeker veel meer kleur aan die grote Indische avondmarkt, die voor velen verworden is tot een jaarlijks Indisch familiefeest, of je nou tevreden bent met de manier waarop ze deze onderneming drijven, of niet.
30
Toko Test # 2: Babby Snack’s in Utrecht
Speciaal voor lekkerbekken, culi-freaks en Indo’s die op zoek zijn naar de authentieke Indische smaak onderzoekt Indisch 3.0 in deze nieuwe serie de ‘I-factor’ van toko’s in Nederland. Bij welke toko moet je volgens ons wél eten of afhalen, en bij welke juist níet? De beoordeling wordt weergegeven in een score van 1 tot maximaal 5 lombok merah’s. In de tweede aflevering: Babby Snacks in Utrecht. De reputatie van een van de bekendste afhaaltoko’s in het centrum van Utrecht, is niet onbesproken. Sommigen vinden het niks, anderen geweldig. Tijd voor een beoordeling van een Indisch 3.0 test-team.
Testteam: Dion Koeze en Charlie Heystek
Mijn eerste poging strandde al bij de voordeur toen ik, nota bene voor de kumpulan van Indisch3.0, wat lekkernij wilde halen. De tweede en de derde keer was de deur wel open, maar liep het eenmaal binnen toch nog mis. Er waren geen snacks, lempers, pasteitjes of soto, maar alleen een vaste maaltijd: nasi rames. Dat maakt geen goede eerste, tweede en derde indruk. Bij de vierde keer lukt het dan eindelijk. In plaats van de voordeur, de voorraad of de service, ga ik nu ook het eten testen.
Hoewel Babby Snacks volgens de menukaart een redelijk uitgebreid aanbod aan eten heeft, merk ik daar ook nu weinig van. Terwijl ik de vriend die ik heb meegenomen uitleg wat alles precies is, antwoordt de vrouw achter de toonbank steeds: ‘dat heb ik vandaag niet’. In de vitrine voor ons zijn inderdaad maar weinig gerechten uitgestald. De bakken bevatten slechts Rendang, Sambal Goreng Boontjes, Atjar Ketimoen, Tempeh, Nasi Goreng en een kipgerecht dat ik niet kan thuisbrengen. Eigenlijk weer alleen nasi rames dus. ‘Er is ook nog nasi putih’, klinkt het tenslotte vanachter de toonbank.
Als we vervolgens twee Nasi Rames met witte rijst bestellen blijkt de rijst toch nog niet gereed. Onze buikjes knorren inmiddels al aardig. Nasi Rames met Nasi Goreng en Atjar Ketimoen dan maar? Tijdens het wachten op onze bestelling knoopt een jongen die in de toko werkt nog een kort gesprek met ons aan over afkomst en eten. Even later vertrekken we met onze buit naar huis en kunnen we beginnen met de Tokotest.
Als de zorgvuldig op tafel uitgestalde bakjes open gaan komt een heerlijke geur ons tegemoet. Voorzichtig beginnen we met mijn favoriete gerecht: Rendang. Hij is redelijk mals en perfect gekruid maar helaas veel te pittig waardoor de smaak volledig wegvalt. De Atjar Ketimoen die we vervolgens proeven is weliswaar lekker fris, maar niet zo sterk van smaak. De nasi goreng is helaas erg droog. Tot zover ben ik dan ook nog niet erg enthousiast.
Zodra ik een hap van de Sambal Goreng Boontjes neem ben ik echter direct verkocht. De verhouding tussen pittigheid en specerijen is exact goed. Ook de Tempeh is om je vingers bij af te likken doordat ‘ie lekker heet is. De Ayam Opor is zelfs om een moord voor te doen. Het vlees is mals en volledig doortrokken van de marinade die geniaal is. Zoet en pittig en werkelijk heerlijk gekruid.
Uiteindelijk gaat alles helemaal op. Hoewel de eerste gerechten wat tegenvielen, geef ik Babby Snacks door de heerlijke kip, boontjes en tempeh het voordeel van de twijfel. Ondanks het geringe hoeveelheid beschikbare gerechten ben ik nieuwsgierig geworden naar meer en ga ik zeker nog eens terug . De service is zeer vriendelijk en open. Maar de snack’s? Hopelijk krijg ik nog eens de kans die te proeven.
Onze beoordeling:
En oordeel natuurlijk ook zelf! Ga naar: Babby Snacks – Voorstraat 76 – Utrecht – www.babbysnacks.nl
Populair: Jonge Indo’s..
Alle posts
Recente posts
Reacties
- Indisch4ever on Enqueteren op de 54e TTF
- Jan A Somers on Hacking History – Monument Indië Nederland
- Edcaffin on Hacking History – Monument Indië Nederland
Tweettweettweet
- No public Twitter messages.












