Met Indisch 3.0 naar Indische filmmiddag

Den Haag, 16 december 2008
door Kirsten Vos

Op 11 januari 2009 kunnen we de twee Indische documentaires Contractpensions en Het jaar 2602 in vier filmtheaters in Nederland zien. Indisch 3.0 heeft samen met de Nederlands-Indiëhyves en Darah Ketiga een aantal plaatsen gereserveerd in het prachtige Tuschinski-theater in Amsterdam.

Kaarten kosten € 24 per stuk (incl. koffie/ spekkoek en pauzedrankje) en zijn alleen voor het gehele programma te krijgen, dat er als volgt uitziet:
12.30 Verzamelen
13.00 Introductie
13.30 – 15.15 Film ‘Het jaar 2606
15.15 – 16.00 Pauze met verkoop hapjes uit de Indische keuken
16.00 – 17.15 Film ‘Contractpensions
17.45 – circa 20.00 uur Eten in restaurant l’Opéra

Na afloop kunnen we gezamenlijk een hapje gaan eten. Als je mee wil eten, mail dan zo snel mogelijk naar melati74@gmail.com. Dan kunnen we een groepsreservering gaan maken. 

De documentaires zijn op 11 januari 2009 ook te zien in Pathé Buitenhof (Den Haag), Pathé Schouwburgplein (Rotterdam) en Pathé Groningen (Groningen). Wil je liever naar een van die voorstellingen? Meld je dan aan via events@pathe.nl of bel naar telefoonnummer 020-625 85 81. 

Het jaar 2602
Het jaar 2602

Het jaar 2602 – André van der Hout en Linda Lyklema.
Kinderverhalen uit het jappenkamp.
Begin 1942 bezet Japan Nederlands-Indië. De Nederlanders moeten gehoorzaamheid zweren aan de Japanse keizer. Volgens de Japanse kalender is het nu het jaar 2602. In de film vertellen de kinderen van weleer, toen tussen 4 en 18 jaar, wat ze hebben meegemaakt in de Japanse Interneringskampen tijdens WOII. Kinderogen kijken onbevangen het kamp in, weldra zijn honger, dood en gelaarsde soldaten net zo gewoon als handklapversjes en verstoppertje. Dit zijn persoonlijke getuigenissen van ontberingen en trauma’s, maar ook van overlevingskracht, inventiviteit en kinderlijke verbazing. Het jaar 2602 is geproduceerd door Holland Harbour.
Voor meer informatie: www.japanseburgerkampen.org

Contractpensions
Contractpensions

Contractpensions/ Djangan Loepah! – Hetty Naaijkens – Retel Helmrich
Na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië moesten (Indische) Nederlanders nood-gedwongen Indonesië verlaten. Velen werden tijdelijk opgevangen in zogenaamde contractpensions. Als handleiding voor hun nieuwe bestaan kregen de nieuwkomers een losbladig, paternalistisch opgesteld boekje, getiteld: ”Djangan Loepah” (‘Niet vergeten’). In deze film vertellen repatrianten, verspreid over de hele wereld, voor het eerst vrijuit over hun ervaringen met de opvang in het naoorlogse Nederland en de Nederlandse burgerlijkheid. Het boekje vormt hierbij de rode draad. De interviews die vaak met heel veel humor worden gebracht, worden afgewisseld door verhelderende filmjournaals en prachtige, pas ontdekte en nooit eerder vertoonde filmbeelden van het leven in Indië van vóór de oorlog. Contractpensions is het debuut van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich als regisseur. Ze produceerde eerder voor Scarabeefilms o.a. Stand van de maan en De Stand van de Zon.
Voor meer informatie: www.contractpensions.nl

Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek

Twee Indische films in Nederlandse filmhuizen

filmmiddagDen Haag/Amsterdam, 10 oktober 2008

Door Kirsten Vos en Ed Caffin

Binnenkort draaien er maar liefst twee Indische films in de Nederlandse filmhuizen: Contractpensions – Djangan Loepah! en Ver van Familie. In beide producties staan typisch Indische thema’s centraal, zoals assimileren, schaamte en erkenning. Veel Nederlanders kennen Indo’s vooral als gezellig, vriendelijk en gastvrij. Met het uitkomen van deze films kan het Nederlandse publiek nu ook kennis maken met de andere kant van de Indische groep.

Contractpensions – Djangan Loepah is een prachtige documentaire van Scarabee Producties. Een contractpension was een pension dat een contract had gesloten met de Nederlandse overheid om – tegen een aantrekkelijke financiële vergoeding – Indische repatrianten tijdelijk op te vangen. Dat kon een gewoon woonhuis zijn, maar ook een hotel. Hetty Naaijkens – Retel Helmrich, die met deze documentaire haar regiedebuut maakt, laat overwegend Indische Nederlanders uit binnen- en buitenland aan het woord. Daarnaast komen partijen aan bod, zoals de maatschappelijk werkster, de contactambtenaar en kinderen van pensionhouders, met wie de Indische groep te maken had toen zij aankwam in Nederland.

Met deze verscheidenheid in verhalen geeft de documentaire een eerlijk tijdsbeeld van de repatriëring van Indische Nederlanders uit Indonesië in de jaren vijftig. Aan de hand van de verhalen in Contractpensions reis je als kijker anderhalf uur lang mee van het ene naar het andere pension en leef je met de vertellers mee. Zij beleven het bijna weer opnieuw en vaak zijn hun belevenissen schrijnende voorbeelden van de assimilatie van Indische Nederlanders in de jaren ‘50 en ‘60.

Even zo vaak doen de verhalen je echter in de lach schieten, door het relativerende en soms hilarische commentaar. De scène waarin een Indische dame vertelt over haar Sinterklaas-surprise, de dame die op een pasar rondvraagt wie er terugbetaalt heeft, of de toon waarop Frans Leidelmeijer voorleest uit het voorlichtingsboekje Djangan Loepah! (Niet Vergeten!) zijn niet alleen exemplarisch voor de Indische humor. Ze laten vooral zien hoe bespottelijk Indische Nederlanders de Nederlandse houding vonden.

Bewonderenswaardig is tot slot de subtiliteit waarmee Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal zichzelf laat vertellen. Dat komt goed tot uiting in een scène waarin een naar Amerika geëmigreerd Indisch echtpaar verhaalt over hun aankomst in New York. Zij waren uit de grote groep immigranten gehaald en mochten per vliegtuig verder reizen, de rest moest met de trein. Terwijl de dame zich verbaast over deze voorkeursbehandeling (“Ik weet écht niet waarom ze ons eruit gehaald hebben, als ik had gedurfd had ik het gevraagd”), zoomt de camera in op haar blauwe ogen.

De film, het regiedebuut van Hetty Naaijkens, is een prachtig document geworden. Nooit eerder kwamen Indische Nederlanders op zo’n manier aan het woord over hun geschiedenis. Door alles heen zit een belangrijke rode draad verweven: hoe wisten de Indische ‘nieuwkomers’ na aankomst te overleven in het voor velen volstrekt onbekende ‘vaderland’? Naaijkens vond dit ‘een verhaal dat verteld moest worden.’ Lees daarover meer in het interview dat Ed een aantal weken geleden met haar had. Contractpensions – Djangan Loepah is op 8 november te zien in Leeuwarden en vanaf 11 januari 2009 in filmhuizen in Nederland. Kijk voor alle vertoningsdata op de website van Contractpensions.

Ver Van Familie is een film van Rocketta naar het gelijknamige boek van Marion Bloem en speelt een aantal decennia later, in de jaren ‘80. Ook deze productie is een ‘must see’. Ze geeft, zonder iets te verbloemen, een dieper inzicht in de pijn en schaamte die in veel Indische families aanwezig is. Het acteerwerk van Terrence Schreurs en Anneke Grönloh is bovendien zeer overtuigend.

De twee-en-een half uur durende film laat de moeizame verhoudingen zien binnen een Indische familie. Terwijl hoofdpersoon Barbie op zoek is naar haar oma, saboteren de familieleden dit weerzien: zij proberen krampachtig een groot familiegeheim te bewaren. Over Ver van familie schreef Kirsten al eerder een uitgebreide recensie op deze site. Ver Van Familie is vanaf 23 oktober te zien in verschillende filmhuizen in de grote steden. Kijk voor vertoningsdata op de website van Ver van familie.

Ver van familie: herkenbaar, Indisch, maar warrig

Terrence Scheurs. Bron: www.vervanfamilie.nl

Tijdens het filmfestival Film by the Sea in Vlissingen is de lang verwachte Indische speelfilm van Marion Bloem Ver van familie in première gegaan. Een maand eerder waren Ed Caffin en ik namens  Indisch 3.0 aanwezig bij de voorvertoning in Amsterdam. Veel mensen waren geraakt door de film. Ikzelf verliet de zaal met een dubbel gevoel: de scènes uit Ver van familie zijn ontzettend herkenbaar en daarom is de film een aanrader. Het verhaal als geheel had alleen beter verteld kunnen worden.

De Indische familie König krijgt in de jaren ’80 bericht dat hun uit het oog verloren nichtje Barbie (Terence Schreurs) uit Amerika naar Nederland zal komen. De Königs zijn hier niet bepaald blij mee. Hun oma Em (Anneke Grönloh) ligt op sterven en zij zijn ervan overtuigd dat Barbie haar onnodig van streek zal maken. De Königs zetten zich daarom actief in om te voorkomen dat Barbie en oma Em elkaar ontmoeten. Barbie is de dochter van oma Em’s zoon Buddy (Maurice Rugebregt) die zich, voordat hij stierf, van zijn familie gedistantieerd had. De zoektocht van Barbie naar haar oma en de vele pogingen van de Königs dit te voorkomen, vormen de rode draad van deze film.

Met deze verhaallijn onthult Marion Bloem een goed bewaard Indisch geheim: Indische families zijn niet altijd hecht, warm en gezellig. De wens pijnlijke ervaringen te vergeten en geaccepteerd te worden, is belangrijker dan de behoefte van een individueel familielid om zichzelf te kunnen zijn. Daardoor kunnen Indische families benauwen en verstillen, zonder dat de buitenwereld daar ook maar iets van merkt. De keuze van Bloem dit taboe bespreekbaar te maken vind ik een verademing. Haar keuze voor Anneke Grönloh en Terence Schreurs is net zo sterk. Dankzij hun overtuigende acteerwerk heeft het verlangen van oma Em en Barbie om elkaar weer te zien, me tot het eind geraakt. Tot slot verdienen Margot Annuschek en Nathalie Ypma een groot compliment voor de prachtige tentoonstelling in de film.

Wat ik alleen jammer vond, is dat er in de film teveel in verteld werd. Meerdere lagen in een film kunnen een verhaal meer diepgang geven, maar in Ver van familie zorgden ze voor verwarring. Het ene personage na het andere met een persoonlijk verhaal diende zich aan. Zij zorgden ervoor dat ik, terwijl ik probeerde te ontdekken waarom oom Buddy zich had verwijderd van zijn eigen familie, verstrikt raakte in de overweldigende stortvloed van intriges.

Daarnaast voelde ik plaatsvervangende schaamte over de ongeloofwaardige Indische tongval, verbaasde ik me over het slechte acteerwerk van sommigen en ergerde ik me aan de overdaad aan makkelijke symboliek. Bovendien lijkt Bloem het verhaal van de Indische wereld niet voor zich te willen laten spreken, maar het te willen uitleggen. In een aantal gebeurtenissen in de film herkende ik bijvoorbeeld de Indische gewoonte dat het not done is om bepaalde vragen te stellen. Vervolgens benadrukten de spelers dit ook nog eens, door het gewoon te zeggen. Wellicht was dit nodig om de boodschap over te brengen aan mensen die de Indische wereld niet zo goed kennen, maar ik vond het storend. Daardoor werd ik me er telkens van bewust dat iemand me wat wilde vertellen, in plaats van me iets te laten beleven en ontdekken.

Ondanks mijn kritiek ben ik blij dat ik Ver van familie gezien heb. Het is een herkenbare film die veel Indische Nederlanders zal raken. De setting in het Nederland van de jaren ’80 is vertrouwd, net als de Tupperwarebakjes, het bereiden van 200+ hapjes en de heerlijk chaotische kumpulans. Ik zou daarom iedereen aanraden de film te gaan zien en ik ben benieuwd wat anderen ervan vinden.

Voor speeldata en meer informatie: www.vervanfamilie.nl

Contractpensions – Djangan Loepah!

Amsterdam, 2 september 2008
door Ed Caffin

Op 24 augustus ging de nieuwe film van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich in voorpremière tijdens de Scarabee filmweek in Apeldoorn. Ze produceerde met Scarabee Filmproducties al vele films, zoals de veel bekroonde Stand van Maan en Stand van de Zon, beiden geregisseerd door haar broer Leonard. De filmdocumentaire “Contractpensions-Djangan Loepah!” is haar regiedebuut.

De documentaire gaat over de tijd waarin een groot deel van de Indische repatrianten vanwege de woningnood in het naoorlogse Nederland na aankomst eerst in tijdelijke behuizing moest worden ondergebracht. De groep ‘exotische Nederlanders’ kreeg onderdak in zogenaamde contractpensions verspreid over het land. Voor de film interviewde Hetty Naaijkens een groot aantal direct betrokkenen in Nederland en het buitenland. Wat zij te vertellen hebben is soms ontroerend, vaak hilarisch en dan weer verbijsterend.

Voorafgaand aan de voorpremière sprak ik met Hetty Naaijkens en Mary Weinsteiner, die in een contractpension terecht kwam en in de film wordt geïnterviewd.


U heeft een documentaire gemaakt over de tijd van de Contractpensions. Wat wilt u met deze film vertellen?

HN – Ik wilde graag iets doen met dit verhaal. Het is een verhaal dat nog nooit verteld is, maar waarvan ik vond dat het wel verteld moest worden. Het verbaast me namelijk dat er bij veel mensen maar weinig bekend is over de Indische geschiedenis. Veel is weggemoffeld, terwijl het verhaal van de Indische Nederlanders een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse geschiedenis. Ik hoop in de toekomst nog meer films te maken over Indische thema’s. Er zijn bijvoorbeeld mensen geweest die begin jaren zestig Indische Nederlanders hebben opgehaald uit Indonesië en naar Nederland hebben gebracht. En er zijn verhalen bekend van mensen die als verstekeling op de boot naar Nederland zijn gekomen. Maar er zijn daar ook Indische mensen gebleven. Wat is er met hen gebeurd? Dat soort verhalen wil ik ook vertellen.

En wat betreft deze film?

HN – Het verhaal waar deze film over gaat is natuurlijk maar een klein deel van die geschiedenis, maar wel een belangrijk deel. Wat vooral bijzonder is aan deze film is dat voor het eerst Indische mensen zelf uitgebreid aan het woord komen en vertellen wat zij hebben meegemaakt. Wellicht draagt de film bij tot een beetje meer historisch besef.

Is dat wat U met deze, en mogelijke toekomstige films, mensen wilt bijbrengen?

HN – Ja, op zich wel. In deze film gaat het over gevoelens van ontheemdheid en ontworteling. Mensen kwamen ineens in een vreemd, onbekend land terecht en ondanks dat Indische Nederlanders feitelijk Nederlandse staatburgers waren, werden ze hier behandeld als vreemdelingen.

MW – Je was eigenlijk “ontheemd in eigen land”. Dat was het gevoel wat wij en de meeste anderen wel hadden.

Gaat de film vooral daarover? Ontheemding?

HN – Het thema van de film is eigenlijk “overleven in moeilijke omstandigheden”, zoals in al mijn films het geval is. Maar daarnaast gaat het in deze film ook over onbegrip. Er was een nationaal trauma in Nederland toen de koloniale tijd eindigde en veel Indische Nederlanders repatrieerden. Men wist niet wat men daarmee aan moest. Er was veel onbegrip bij Nederlanders die nauwelijks iets wisten over de nieuwkomers. Maar er was ook onbegrip bij de Indische mensen die de cultuur en gewoonten van hier niet helemaal gewend waren. Men wist niet hoe het hier ging, dus men accepteerde het dat ze in kleine kamertjes in contractpensions terechtkwamen, en grote bedragen moesten betalen en zelfs jarenlang geld moesten terugbetalen voor de opvang die was geboden.

MW – Wij hebben nooit iets terugbetaald, mijn man weigerde dat.

HN – Dat is goed van hem geweest, maar het is wel een uitzondering. De meeste anderen waren minder assertief, terwijl velen eigenlijk werden uitgebuit door het moeten afstaan van grote percentages van hun salaris. De meeste mensen moesten lang veel geld moesten terugbetalen wat hen door de overheid was ‘geleend’ voor huisraad en kleding. Maar naar buiten toe klaagde men daar niet over. Dat is dan wel weer typisch. Men dacht vaak soedah, laat maar…

Waarom heeft u eigenlijk juist dit onderwerp gekozen?

HN – Men kwam na aankomst uit Indonesië meestal direct in een contractpension terecht. Dus voor Indische Nederlanders was dit de eerste ‘kennismaking’, de eerste ervaring met Nederland. Ik was benieuwd naar die ervaringen. Wat hebben ze meegemaakt? Wat voelden zij? Wat waren hun emoties?

En hoe was het om terecht te komen in een contractpension?

MW – Het was akelig. We hadden niets, geen rooie cent! Ik kwam aan in Nederland met één koffer. In het pension had ik een piepklein kamertje en kon ik me niet eens goed douchen. Dat was ik niet gewend. Ik vond het verschrikkelijk gewoon!

HN – Dat hoor ik van meer mensen. Er komen in de film verschillende mensen aan het woord, maar eigenlijk vertellen ze allemaal hetzelfde verhaal. De dingen die zijn gebeurd hebben tot bij sommigen uiteindelijk tot een soort wrok geleid. Mensen konden er tijdens het maken van deze documentaire vaak voor het eerst over praten.

Hoe was het om aan deze film mee te werken?

MW – Ik vond het best lastig om ook moeilijke herinneringen op te halen. Ik had daar nooit over gepraat. Nu ben ik blij dat het verteld is. Mijn kleinkinderen zijn me nu ook meer vragen gaan stellen. Dat vind ik wel bijzonder.

De film heeft in de titel “Djangan Loepah!” oftewel “Niet vergeten!” Wat moeten we vooral niet vergeten?

MW – Men moet lering trekken uit wat er gebeurd is met ons, vind ik. Er werd niets tegen ons gezegd toen we aankwamen, en er is ook nooit iets aan de Indische mensen zelf gevraagd. De jongere generatie moet hier kennis van nemen en van leren. Jongeren zijn tegenwoordig al veel mondiger en komen meer voor zichzelf op. Het was goed geweest als mensen dat toen meer hadden gedaan.

HN – Er werd inderdaad erg slecht gecommuniceerd vanuit de overheid. Dat is vrij kwalijk en een dergelijk gebrek aan communicatie leidt al snel tot veel onbegrip. Overigens is het stukje “Djangan Loepah!” in de titel de naam van een boekje die Indische Nederlanders kregen bij aankomst in Nederland. Er stonden allerlei lessen in over de Nederlandse cultuur en gebruiken. Ondanks de ongetwijfeld goede bedoelingen een voorbeeld van hoe het niet moet.

Wat voor reacties hoopt u te krijgen op de film?

HN – Ik ben vooral erg benieuwd naar de reacties van mensen uit de Indische gemeenschap. Daarvoor heb ik de film in eerste instantie gemaakt. Maar de film is ook heel relevant voor andere Nederlanders, omdat het zoals gezegd een belangrijk stuk van de Nederlandse geschiedenis is. Ik hoop daarom dat mensen massaal gaan kijken en dat het kijken van de film leidt tot meer kennis en begrip.

Tijdens het Nederlands filmfestival in Utrecht (van 24 september tot 3 oktober 2008) is “Contractpensions – Djangan Loepah!” te zien op zondag 28 september om 14.00 uur Rembrandt 3 (première) en op dinsdag 30 september om 20.00 uur in Hoogt 2. Vanaf 11 januari 2009 zal de film draaien in verschillende filmhuizen in Nederland. Klik hier door naar de website van de film.

Over de Indo Nu

Amsterdam, 3 juni 2008
door Ed Caffin

indonuOp 25 mei werd op de Pasar Malam in Den Haag de DVD “IndoNu” gepresenteerd. Een film van bijna een uur waarin Peter Bouman en Carol Burgemeestre, die de film geheel in eigen beheer maakten, de stand van zaken weergeven over de Indo anno 2008. De makers stellen verschillende vragen, zoals Wat is precies de Indische identiteit? Wat is typisch Indisch? en Hoe gaat de jonge generatie om met het Indo zijn? Ze leggen ze aan een stuk of vijfentwintig bekende en minder bekende Indo’s voor en krijgen net zo veel antwoorden. De rode lijn door de film is dan ook dat een eenduidig antwoord op al die vragen niet te vinden is.

IndoNu geeft desondanks een mooi beeld hoe de identiteit zich binnen de Indische gemeenschap in Nederland zich door de jaren heen heeft ontwikkeld. Opvallend is dat de film een groeiend bewustzijn bij de jongere generatie constateert. Indo zijn is iets geworden waar je trots op kunt zijn, terwijl de oudere generaties, voor wie Indo zelfs nog een scheldwoord was, zich, vaak vergeefs, zo onopvallend mogelijk probeerden te gedragen. Maar ook de ouderen beseffen inmiddels dat het doorgeven van hun verhaal, nu het nog kan, belangrijk is en laten zich de laatste jaren meer horen.

Wat is typisch Indisch? Dat onopvallende, zegt iemand. Of de flexibiliteit van de Indo, lui of niet lui, halus of kasar, die aan de basis ligt van de Indische mengcultuur, zegt een ander. Het altijd kunnen aanpassen, het kunnen verenigen van Europese en Aziatische elementen. En nog steeds is dat zo bij jongeren die uiting geven aan hun “Aziatische kant”. Ze doet dat op hun eigen manier; over het algemeen zichtbaarder (tatoeages en indovlaggen), uitbundiger (Aziatische feesten) nieuwsgieriger (wel vragen aan opa stellen), meer confronterend (waarom zei je daar nooit iets over dan?) en ongecompliceerder (merah putihs). Een aantal mensen die aan het woord komen in de film zijn daar blij mee, anderen vinden het maar typisch.

De film, die veel extra’s bevat –8 stukjes van elk 20 minuten over Indische thema’s- is een aanrader. Een mooie compilatie van allerlei meningen over verleden, heden en toekomst van de Indische cultuur. En ondanks de soms wat kritische geluiden van bijvoorbeeld Theodor Holman, spreekt de films mijns inziens het vertrouwen uit in de jongere generatie, zoals bijvoorbeeld Marscha Holman, die weer op zoek is gegaan naar het Indische…

Wil je de film ook zien? Hij kost 15 euro en je kunt hem bestellen bij Peter Bouman en Carol Burgemeestre. Via www.indomovie.nl of mail direct naar boutext@xs4all.nl

Indische pijn schittert in ‘Sloom bloed’

Den Haag, 20 mei 2008
door Kirsten Vos

In ‘Het Paradijs’ van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag voerden Ghislaine Pierie en Carlo Scheldwacht afgelopen zaterdag een reprise op van het zelfgeschreven toneelstuk ‘Sloom Bloed’ uit 2000. In één grote verkleedpartij confronteerden tweelingbroer en –zus Rein en Anne ons, vanonder de keukentafel, met wat zij waarnamen terwijl zij opgroeiden in een Indische familie. De observaties waren herkenbaar. Minstens zo herkenbaar en confronterend was het einde, een open einde wat mij betreft: de rol van de derde generatie in een uiteenvallende Indische familie.

Karaktervol
De twee Indische acteurs startten onmiddellijk overtuigend met een bliksemsnelle en treffende presentatie van de Indische karakters in Sloom Bloed: de poeder-afgevende Indische tante Zus, de pochende Indo-rocker oom Ferdy, de ‘niet-Indische’ tante Joy, de altijd zwangere tante Myrna, de grootvader met het kampverleden. Vervolgens zetten beide acteurs het karakter van elk personage uiteen, met humor als dankbaar instrument om de Indische pijn een plek te geven, zoals de uitbarsting van tante Myrna op haar tweede huwelijksfeest, maar ook om de bespottelijkheid te laten zien van de Nederlandse burgerlijkheid in de jaren vijftig.

Indische pijn
Niet alleen vanwege de woorden pappie, mammie en omi, het ‘tjeplok tjeplok’, de gruwelijkheden, de alles overheersende discipline en de neurotische drang om altijd maar de beste zijn is Sloom Bloed Indisch. “Ik heb nog nooit zoveel mensen bij elkaar zo alleen zien zijn”, zegt tweelingbroer Rein. Daarom is ‘Sloom Bloed’ Indisch. Door alle humor heen schittert de Indische pijn je toe: de onderdrukking, de ontkenning en de ontworteling. Zien Nederlanders de pijn die ik zie? En wat gaat er met derde generatie gebeuren? Met deze overpeinzingen in mijn notitieboekje spreek ik even later in de lobby met de twee acteurs over het alweer acht jaar oude stuk. Na afloop van het gesprek betreur ik het dat ik het nieuwe toneelstuk ‘Circus Bronbeek’ voorlopig even aan me voorbij moet laten gaan.

In gesprek over Sloom Bloed met Ghislaine Pierie en Carlo Scheldwacht

Ghislaine, Carlo, helemaal aan het begin van het stuk leggen jullie uit wat Indisch is. Daarmee ga je ervan uit dat er mensen in de zaal zitten die dat niet weten. Begrijpen zij de rest van het stuk wel?
CS-“Nou, je hoeft niet Indisch te zijn om je tante niet te willen zoenen!” GP-”Ik heb het meegemaakt dat een Amsterdamse uit de Jordaan naar me toekwam en tegen me zei, ‘Meid, dit is mijn familie!’. Wat wij neerzetten is heel herkenbaar voor anderen. Die herkenning zit in het niet-Nederlandse, in het belang van familie, in het respect voor ouderen.”

Jullie laten dit stuk eindigen met het uiteenvallen van de familie. De tweeling, de derde generatie, stelt vragen maar krijgt geen antwoorden. Is de derde generatie tot observeren gedoemd?
GP-“Nee hoor, niet alleen maar observeren! Tot respecteren en ook accepteren.” CS-“De derde generatie gaat haar eigen weg. De aanleiding voor dit stuk is eigenlijk dat ik er niets mee deed. Mijn broer Ricci bijvoorbeeld kon zich altijd erg druk maken over dat mensen het verschil tussen Indisch en Indonesisch niet kenden. Hoe vaak zeggen Indische mensen wel niet dat ze er niets mee hebben? Kijk naar Theodor Holman. Die schrijft alleen maar stukjes over dat ‘ie niets heeft met het Indische.” GP – “Die opmerking in het stuk ‘Ik heb er niet zoveel mee, behalve het eten’? Dat ben ik. Ik neem niet het laatste koekje dat in de schaal ligt, maar verder, ja, heb ik er niet zo veel mee.” CS – “De derde generatie gaat haar eigen weg. In ons nieuwste stuk, Circus Bronbeek, laten we heel duidelijk die generatie een rol spelen.”

Wat is de rol van de derde generatie?
CS/GP -“ Hoop. Een eigen vorm geven aan het Indische. Maar ook: geen antwoorden krijgen. En daar vrede mee hebben. Niet meer gebukt gaan onder de lasten van de 1e en 2e generatie. Ontworsteld zijn. De derde generatie durft vragen te stellen. Vasthouden aan oude gevoeligheden, daarmee blijf je alleen maar conflicten houden.”

Hoe krijgt dat een plek in Circus Bronbeek?
CS – “De derde generatie, gespeeld door Patrick Neumann, heeft in Circus Bronbeek een grotere rol dan in Sloom Bloed. Circus Bronbeek is bovendien harder dan Sloom Bloed. Sloom Bloed registreert, Circus Bronbeek is actiever, het is in de vorm van cabaret. Wij zochten naar een manier om als het ware de ervaringen van de ontbrekende man, de eerste generatie, een plek te geven zonder in piëteit te vervallen. We ontdekten dat in sommige kampen geïnterneerden cabaretuitvoeringen hadden. Dat was grimmige humor en daar hebben we gebruik van gemaakt.”

Tot slot – waarom die naam, Sloom Bloed? Ik herken de uitdrukking ‘zo sloom ja’ van mijn oma wel, maar waarom hebben jullie ervoor gekozen?
GP-“Dat is een mooi verhaal. Had namelijk helemaal niets te maken met Indisch!” CS-“Ik zat op een dag op een terrasje samen met mensen van Wederzijds, van het jeugdtheater. Het was lekker weer, zonnetje, biertje, en een van ons zegt: ‘Zo, ik heb sloom bloed!’. Dat drukte precies uit wat ik met dit stuk bedoelde. Het had te maken met het vooroordeel uit de jaren ’50. Nederlanders geloofden toen dat Indo’s écht langzamer waren. We hebben daar trouwens wel kritiek op gekregen! Een oom van mij zei: ‘Hoezo sloom? Actief, ik heb actief bloed!’ ”

Circus Bronbeek
28 – 30 mei 2008, 20.15 uur, € 13
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

De Indische Trilogie
marathonvoorstelling (Sloom Bloed, Familiefeest, Circus Bronbeek)
31 mei (uitverkocht) & 1 juni, 16.00 uur, € 40 (incl. eten)
Koninklijke Schouwburg, Den Haag

Voor meer informatie: www.scheldwacht.nl.

Fotografie: Carlo Scheldwacht, Clemens Neumann