PhotoFriday #2: Pamela Pattynama over de baboe

‘De baboe maakte vaak deel uit van de familie.’

Voor de tweede aflevering van PhotoFriday, ga ik op bezoek bij Pamela Pattynama, hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur aan de Universiteit van Amsterdam, om één van de foto’s met een baboe-figuur uit de collectie van het Foto zoekt familie-project te bespreken. Met het project Foto zoekt familie wil het Tropenmuseum fotoalbums die na de oorlog zijn gevonden teruggeven aan hun rechtmatige eigenaren of hun nazaten.

De baboe met twee Indische vrouwen aan een gezamenljik karwei. Foto: Collectie Tropenmuseum

Saamhorigheid
Pamela bekijkt de foto en legt uit: ‘Het belangrijkste wat deze foto uitdraagt is de saamhorigheid. De fotograaf heeft ervoor gekozen zowel de twee meisjes als de baboe in beeld te nemen. De twee Indische meisjes hebben vrij moderne Westerse kleding aan. Ik vermoed dat de foto in de jaren ’40 moet zijn genomen. De baboe ziet er ook mooi uit, ze heeft een armband om en lijkt deel uit te maken van de familie, zoals vaker in Indische gezinnen. Het is niet duidelijk wat de drie precies aan het doen zijn. Het lijkt er niet op dat ze de was aan het doen zijn, maar misschien zijn ze bezig met klapper of rijst? Achter de drie dames zijn nog twee figuren te onderscheiden: links een man in een tropenpak en rechts een vrouw in een gewaad.’

Volgens de auteur D.C.M. Bauduin had de baboe maar een slechte invloed op de opvoeding van het Europese kind. (Illustratie uit: Indisch Prentenboek 1, 1909, De Bussy)

Kindermeisje
De baboe kwam vaak al als jong meisje vanuit het platteland via een soort uitzendbureau in dienst bij Indische en Hollandse gezinnen. Zij was soms kindermeisje en vaak hulp in de huishouding. Er ontstond door de tijd heen een verschil tussen Indische en Hollandse gezinnen en hun relatie met de baboe. De hoogleraar vertelt: ‘Hoe meer men naar de 20e eeuw toe ging, hoe meer er een scheiding ontstond tussen de Hollandse en Indische gezinnen en ook hoe er vervolgens met de baboe werd omgegaan. In het begin van de 19e eeuw waren vooral klasse en status belangrijk, terwijl in de 20e eeuw ras echt een belangrijk onderscheidingspunt werd. Dat had natuurlijk gevolgen voor de baboe.’

Afstand
Vanaf het begin van de 20e eeuw kwamen er meer blanke vrouwen naar Nederlands-Indië. Zij moesten ervoor zorgen dat Indië Europeser werd. ‘In die tijd kwamen er ook allerlei
handleidingen uit die de nieuwkomers uit Holland leerden hoe zij met de baboe om moesten gaan. De tendens in die tijd was: je moet afstand houden, want inlandse vrouwen hebben slechte invloed op de kinderen,’ aldus Pattynama. ‘Een groot contrast met hoe er in Indische gezinnen over het algemeen met de baboe werd omgegaan; binnen de Indische grootfamilie, dus een huishouden waarin naast ouders en kinderen ook ooms, tantes en grootouders hoorden, hoorde de baboe er ook vaak bij.’ 

Vertrouwelinge
Een Indonesische baboe was minder de ander binnen Indische gezinnen, benadrukt Pamela Pattynama: ‘De schrijver Rob Nieuwenhuys (Breton de Nijs) heeft veel over de baboe geschreven. Hij beschouwde haar meer als een deel en vertrouwelinge van een Indische familie en niet echt als een bediende. In Hollandse gezinnen hadden baboes en bediendes een volstrekt andere rol , vooral  in de 20e eeuw. Indonesische mensen maakten binnen Indische gezinnen altijd al deel uit van de familie. Er waren bijvoorbeeld vaak Indonesische oma’s.’ 

Pamela Pattynama bespreekt de rol van de baboe in Nederlands-Indië. Foto: Sarah Klerks / Indisch 3.0 2012

De ander
Pattynama: ‘De term baboe wordt in het huidige Indonesië gezien als een koloniale en neerbuigende term. Er zijn in Indonesië ook veel bedienden, maar zij worden nu met het Indonesische woord pembantu (hulp) aangeduid. Wat ik heel jammer vind is dat er geen visies op de koloniale gemeenschap zijn overgeleverd vanuit de baboe-figuur zelf. Je ziet haar alleen maar door de ogen van iemand anders. Dat zegt eigenlijk ook weer veel over haar positie in de koloniale geschiedenis.’

PhotoFriday#3 zal gaan over de viering van Sinterklaas in Indië. En wil jij meehelpen aan het project van het Tropenmuseum? Ga dan naar www.voordekunst.nl. Al voor 25 euro betaal jij mee aan de ontwikkeling van een app om foto’s uit albums te taggen.

 

Recensie: Met stille trom, een journaal

Winnetou’s beschavingswerk

‘Lelijk geblunderd, ambtelijke kop gekost, moddergat aan de zuidkust,’ met deze spannende woorden begint F. Springer zijn verhaal en wakkert direct mijn nieuwsgierigheid aan. Wat heeft zich afgespeeld tijdens de laatste maanden van de koloniale overheersing in Nederlands Nieuw-Guinea in 1962?

Verlaat eerbetoon
De oorspronkelijke versie van Met stille trom schreef Springer tijdens zijn eerste verlof na vier jaar onafgebroken werkzaam te zijn geweest als controleur in de Zakar, een geïsoleerd berggebied in het centraal gelegen binnenland van Nieuw-Guinea. Maanden later ontving hij de proefdruk en zag,tot zijn ongenoegen, in dat het geschreven werk niet meer was dan een indianenverhaal waarin hij de ingrijpende impact van het kolonialisme op de Papoea’s niet onder woorden kon brengen.

‘Zo gelaten en eigenlijk zonder slag of stoot vertrokken wij uit Nieuw-Guinea, staart tussen de benen, met zeer omfloerste trom. God zegene u, volk der Papoea’s, en zoek het verder zelf maar uit.’

Een mensenleven later herlas Springer de proefdruk en kwam tot de conclusie dat hij in 1963 de kans had laten lopen om men inzicht te kunnen verschaffen in het leven van koloniale bestuursambtenaren. In juli 2011, het jaar van zijn overlijden, publiceerde Springer alsnog Met stille trom, een journaal als eerbetoon aan zijn vrienden en oud-collega’s.

‘Ik had juist toen de kans moeten grijpen om het publiek te laten weten hoe wij op onze onooglijke bestuurspostjes verbeten onze plicht tegenover de aan ons toevertrouwde Papoea’s bleven doen, al hadden de grote buitenwereld en ook het moederland ons allang opgegeven.’

Koloniaal beschavingswerk
Het verhaal begint spannend te worden wanneer het bestuursleven van de pas aangestelde controleur Dekker, onze hoofdpersoon, verstoord wordt door de komst van een onaangekondigde gast, de Amerikaanse antropoloog Cabell. De professor speelt een belangrijke rol in het boek door zijn confrontaties met het bestuur waarin het koloniale gedachtegoed wordt onthult.

‘Mijn meest geliefkoosde stelling, zei hij, is dat wat jullie Hollanders, zogenaamde beschavers en ontwikkelaars, hier in het stenen tijdperk doen, de Zakari en de Dani en de Kapauko en hoe de mensen hier verder allemaal heten, alleen maar doodongelukkig maakt.’

Springer weet met droge humor de gebeurtenissen dusdanig te beschrijven dat ik me, evenals het bestuur, erger aan professor Cabell, die nota bene mijn eigen vakgebied representeert. De onderlinge conflicten over ditjes en datjes maar ook de afwisselende gevoelens van eenzaamheid, broederschap en zelfs een sprankje verliefdheid laten ons de menselijke kant van het leven in de Zakar zien. Het boek op zich, zonder enig besef van de historische context, is niet bijster diepgaand. We komen bijvoorbeeld niet veel te weten over de gevoelens of gedachten van de personages. Het is voornamelijk een verslag van het bestuursleven dat moet worden gelezen tegen de achtergrond van het einde van de koloniale overheersing.

Aanrader?
Springer’s laatste publicatie Met stille trom, een journaal, zou ik aanraden als je nieuwsgierig bent naar hoe het dagelijks leven ten tijde van het koloniale bestuur in Nederlands Nieuw-Guinea. Maar je hoeft het zeker niet te lezen als je meer diepgang zoekt in de personages, of meer wilt weten over de Papoea’s. Voor de antropologen onder ons, ik ben erg benieuwd naar wat professor Cabell bij jullie teweeg brengt? Springers overtuigende manier van schrijven wekte bij mij in ieder geval sympathie op voor het koloniale bestuur dat zich staande probeerde te houden in een ver en geïsoleerd gebied.

Met stille trom, een journaal. F. Springer. Querido’s Uitgeverij Bv, 2012.

PhotoFriday #1: Guus Cleintuar over boksen

Ik had geen bokshandschoenen, wel een handboek over boksen.

Het Tropenmuseum wil met het project Foto zoekt Familie 335 fotoalbums teruggeven aan hun Indische eigenaren. Met de serie PhotoFriday zal Indisch 3.0 de komende maanden aandacht schenken aan een foto uit deze collectie. In deze allereerste aflevering vertelt schrijver Guus Cleintuar over boksen in Nederlands-Indië. Onze freelancer Sarah gaat bij hem op bezoek.

PhotoFriday boksen. Nederlands-Indie, waarschijnlijk omstreeks 1922. Boksen in Nederlands-Indie (Foto: Tropenmuseum)
Boksen in Nederlands-Indië, waarschijnlijk omstreeks 1922. (Foto: Tropenmuseum)

Duizend keer
Tjalie Robinson schreef erover in zijn verhaal Little Nono‘Met elke honderdste seconde de inzet van de hele persoon, met de risico van verminking en dood, maar met moed, moed, moed. Ah, een normaal verstandig mensenleven leef je maar één keer, maar een bokser leeft duizend keer!’  Het is het onderwerp van de foto die we in deze eerste aflevering gaan bespreken: boksen. Boksen was niet alleen Tjalie’s passie, het was populair onder veel Indo’s. In de collectie Indische fotoalbums zat deze foto van twee boksende jongens in een album uit 1922. Om meer van de foto en over boksen in Nederlands-Indië te weten te komen ga ik op bezoek bij een oude vriend van Tjalie, schrijver Guus Cleintuar. Cleintuar bokste zelf en schreef erover in zijn roman Jerry.

Guus Cleintuar in zijn huiskamer in Lelystad, 28 augustus 2012. Foto: Sarah Klerks/ Indisch 3.0 2012
Guus Cleintuar in zijn huiskamer in Lelystad, 28 augustus 2012. Foto: Sarah Klerks/ Indisch 3.0 2012

Lagere regionen
Op 87-jarige leeftijd is Cleintuar nog zeer scherp, hoewel zijn lichaam hem de laatste tijd in de steek laat. Met zijn door ziekte aangetaste stem kiest hij zorgvuldig zijn woorden uit, als ik hem de foto laat zien. ‘Dat zijn twee Indo’s, ik denk dat ze ongeveer 14 of 15 jaar zijn. Indo’s zijn vaak slank, ook al zijn ze gespierd. Het lijkt alsof het in een tuin is, we hadden toen grote tuinen. Ik was ook al jong in boksen geïnteresseerd. Ik had geen bokshandschoenen, maar wel een handboek over boksen. Op bezoek bij mijn opa in Cheribon kwam ik een Indo-jongen tegen die twee paar bokshandschoenen had. Hij wilde graag leren boksen. Daar heb ik voor het eerst gebokst. Er waren veel Indo’s in de bokswereld, er waren ook wel blanke jongens, maar het waren voornamelijk Indo’s en Aziaten. Onder de well-to do Indo en zeker de blanke die niet tot de lagere regionen behoorde was boksen niet populair.’

In het Jappenkamp heb ik echt leren boksen.

In leven blijven
‘Naderhand heb ik weer gebokst in het Jappenkamp. Daar heb ik echt leren boksen. Ik was niet zo goed hoor, vond ik zelf. Ik was toen 17 jaar.In het kamp waar ik zat, zat ik met een aantal bekende boksers waaronderFightingMieck. Wij sliepen samen in dezelfde zaal, we zaten met zijn achttienen in een schoollokaal. Wat moest je ’s avonds doen? Je verveelde je vaak. Je kon niet altijd treuren om thuis en in die tijd hadden we nog het idee dat de oorlog in 3 maanden afgelopen zou zijn. In die sfeer gingen we boksen. En niet onbelangrijk, iedereen wilde in leven blijven natuurlijk. Het is een manier om fit te blijven. En ook voor jezelf: kan ik dit nog? Ben ik te zwak geworden? Tot in het derde jaar werd er gebokst. Daarna werd het te zwaar.’

Aankondiging bokswedstrijd (Uit: ‘Het Nieuws Van Den Dag voor Nederlands-Indie’, 10 maart 1939)
Aankondiging bokswedstrijd. Uit: ‘Het Nieuws Van Den Dag voor Nederlands-Indie’, 10 maart 1939

Bewijzen
Boksen in het Jappenkamp als ultieme manier om te bewijzen dat je het leven nog waard bent. En dan in het kamp zitten met de legendarische Fighting Mieck. De Indo Fighting Mieck hoort in het rijtje thuis van de beroemde boksers in Indië als BennyVodegel, de gebroeders Njoo en Luis Blanco. Gevechten vonden plaats in bijvoorbeeld het Deca-park of in Concordia in Bandung. Onder veel Indo’s was boksen dus populair, hoewel het kennelijk voor sommige Indo’s ‘not done’ was. Kan jij ons meer vertellen over boksen in Indië of over deze foto? Laat een reactie achter.

PhotoFriday#2 zal gaan over de baboe: de hulp of kinderverzorgster, in Nederlands-Indië.