Tropische storm Wilders

rijstevlaai

Geert Wilders is Indo en zijn achtergrond speelt mogelijk mee in zijn gedachtegoed. Dat is zo’n beetje  de strekking van het verhaal van Lizzy van Leeuwen in de Groene Amsterdammer van 3 september. Met dat artikel beoogt de Indische wetenschapper aan te geven hoe Nederland Wilders een plek kan geven. Een interessante vraag; voor velen zou het een grote opluchting zijn om eindelijk een passend antwoord te hebben op het ‘fenomeen-Wilders’. De psychologie van deze bestuurskundige antropologe schiet daarvoor echter tekort.

door Ed Caffin en Kirsten Vos

Dat het nu bewezen is dat Wilders Indo is, boeit niet zo. Er zijn wel meer Indo-Europeanen in de Nederlandse politiek. En voor de ‘verleidelijke conclusie’ dat Wilders met zijn extreme gedachtegoed zijn Indische voorouders wreekt, biedt Van Leeuwen een te simpel en weinig sluitend verhaal. Het ontstaan van deze radicale ideeën is daar toch echt te complex voor. Dat zijn Indische achtergrond mede heeft bepaald hoe hij tot dat gedachtegoed gekomen is echter wel interessant. Zijn gedachten passen bij oude koloniale superioriteitsgevoelens. En daarmee komen we bij een intrigerende uitspraak, die in De Groene helaas volledig ondergesneeuwd is.

De politicus uit Venlo heeft denkbeelden die zouden kunnen voortkomen uit de koloniale tijdsgeest van zijn grootouders. Doordat nauwelijks het debat gevoerd is over hoe Nederland als samenleving haar koloniale verleden kan verwerken, herkennen we geen ‘symbolen en retoriek die lange tijd gezichtsbepalend waren’ voor de VOC-mentaliteit. Als we deze uitspraak goed begrijpen, wil Van Leeuwen dus zeggen dat, als Nederland wel het postkoloniale debat had gevoerd, zoals België, Frankrijk en Engeland gedaan hebben, we allang een antwoord hadden gehad op Geert. Immers, in die landen zijn er wel rechtsdenkende politici zoals LePen en Dewinter, maar – vrij vertaald naar Van Leeuwen –  zijn dat mietjes als je ze vergelijkt met onze geblondeerde rijstevlaai.

Het vervelende is dat ook deze gevolgtrekking weinig soelaas biedt; zij is niet meer dan een hypothetische als-dan redenering. Hoogstens ondersteunt deze het pleidooi om alsnog een postkoloniaal debat te gaan voeren in Nederland, een conclusie die Van Leeuwen heeft getrokken in haar publicatie ‘Ons Indisch erfgoed’ (2008). In feite lijkt in De Groene Amsterdammer van 3 september dus te staan dat Geert Wilders bewijst dat Nederland nodig moet praten over zijn koloniale erfenis. Maar is de inhoud van het hele artikel echt relevant om tot die conclusie te komen?

Wilders als 18-jarige in een kibboets. Bron: www.geenstijl.nl
Wilders als 18-jarige in een kibboets. Bron: www.geenstijl.nl

Zeker. Het familieverhaal van Wilders is aangrijpend. De manier waarop zijn grootouders gestrand zijn in Nederland, zonder dienstverband, pensioen of andere zekerheden, doet denken aan het ‘wij konden niet anders’ van de repatrianten tien tot twintig jaar later. En natuurlijk is het niet onwaarschijnlijk dat zijn familiegeschiedenis een rol heeft gespeeld. Wilders kende zijn tevens deels mogelijk Joodse achtergrond ongetwijfeld, in elk geval in grote lijnen. Of is zijn ‘grote liefde’ voor Israel toeval? Het is trouwens niet ondenkbaar dat hij, als zoveel Indo’s, weinig tot niets gehoord heeft over zijn Indische wortels. Hoe dan ook. Zijn gemengde achtergrond had ook de ideale voedingsbodem kunnen zijn voor een juist grote tolerantie voor andere culturen. Wat is er misgegaan? Zou hij gepest zijn? Gefrustreerd? Anti-moslim geworden door zijn tijd in Israël? Of is hij vroeger om zijn oren geslagen met het gevoel voor humor van Nico Dijkshoorn en zijn vrienden?

En ja, het is schokkend dat sommige Indo-Europeanen dezelfde denkbeelden hebben als mensen die zich verzetten tegen élke etnische groepering. Maar is het onvoorstelbaar? Het simpele gegeven dat iemand een kleurtje heeft, of uit een ander land komt, wil nog niet zeggen dat hij een liberaal denker is. Veel oudere Indische Nederlanders zijn vrij conservatief. Een derde van de jonge Marokkanen vindt dat Marokkaanse Nederlanders het land uitgezet mogen worden als ze de wetten overtreden van het te softe Nederland. En voor degenen die ‘Alleen maar nette mensen’ (2009) van Robert Vuijsje hebben gelezen, is deze anti-vreemdelingenhouding alleen maar een begrijpelijk vervolg op de inleiding van dat boek.

Dan de uitspraak dat Wilders zijn haar blondeert, een ‘politiek symptoom dat ten onrechte niet serieus genomen wordt’, terwijl het tekenend is voor zijn ‘klassieke Indische identiteitsvervreemding’. Wil Van Leeuwen zeggen dat het blonderen hetzelfde is als al die Indo’s die hun achtergrond wilden verdoezelen? Dat zou kunnen. Maar is het niet een tikje overdreven om daar in dit artikel zoveel gewicht aan te verbinden?

Al met al lijkt het betoog te bestaan uit veel losse flodders om aandacht van lezers te trekken, en weinig uit wetenschappelijk onderbouwde uitspraken om een werkelijk nieuw inzicht te bieden in Geert Wilders. Op Indisch internet leidt het artikel nog steeds tot veel onrust, maar in de Nederlandse media is tropische storm Wilders alweer gaan liggen. En daarmee is dit artikel toch een beetje een klassiek geval van jammer. Want het zou best interessant zijn om te weten wat die Indisch-Limburgse Nederlander beweegt. Al is het voor Nederland vooral belangrijk om te weten wanneer het voor hem genoeg is en deze tropische storm helemaal uitgeraasd is.

De Indische buurt: het beste bewaarde geheim van Amsterdam

De Javastraat. De geur van Turkse pizza’s en Surinaamse roti, dan weer gegrilde kebab. Groepjes jongens rondhangend op de stoep voor belwinkels, waar vrouwen op hippe mamafietsen passeren, pratend tegen hun mobiel. Kraampjes met verse groenten waarvoor oudere gesluierde dames in vreemde talen discussiëren met bebaarde mannen in djellaba. Daartussen toeristen, kaartlezend of met koffers op weg naar het Stayokay hostel op het Timorplein. Wat voel ik me thuis, hier in de Indische buurt.

De Javastraat: het economische hart van de buurt. Aan de gevels wapperen Nederlandse, Surinaamse en Marokkaanse en allerlei andere vlaggen naast elkaar.
De Javastraat: het economische hart van de buurt. Aan de gevels wapperen Nederlandse, Surinaamse en Marokkaanse en allerlei andere vlaggen naast elkaar.

En wat een welkom: de zon heeft het grootste deel van de afgelopen week geschenen en vanaf mijn nieuwe huis in de Balistraat, is alles te voet goed te bereiken. Op slippers en in oude kleding met verfspetters, loop ik dagelijks door de straten van de buurt. Zorgvuldig probeer ik alle indrukken in me op te nemen. Tussen het klussen door leer ik mijn nieuwe buurt –die nog altijd kampt met een slechte naam- elke dag een stukje beter kennen. Vandaag zet ik mezelf op een stoel in de zon op mijn balkon om die indrukken te verwerken tot een verhaal voor de tweede aflevering van Indische buurten. Ik kan even niets fijners verzinnen.

Het oude badhuis op het Javaplein. Nu een gezellig cafe.
Het oude badhuis op het Javaplein. Nu een gezellig cafe.

De buurt werd aan het begin van de twintigste eeuw gebouwd om de toestroom van havenarbeiders naar Amsterdam op te vangen. Toen vanaf de jaren zestig de havens in Oost niet meer werden gebruikt, kwam de buurt meer geïsoleerd te liggen. Doordat de wijk nog altijd wat is weggestopt achter spoorbruggen in een hoek van de stad, kom je er eigenlijk alleen als je er echt moet zijn of als je er woont. Tot ik er ging wonen kende ik de buurt alleen uit verhalen.

Op de Kolenkitbuurt/Overtoomse Veld en Slotervaart na, heeft de Indische buurt de slechtste reputatie van Amsterdam. Sociaal-economisch ‘scoort het slechter dan gemiddeld’ en staat het op de lijst van probleemwijken van oud-minister Ella Vogelaar. In een poging om de zogenaamde Vogelaar-wijk te veranderen in een succeswijk, neemt de gemeente geen halve maatregelen: o.a. uitgebreide renovaties en nieuwbouwprojecten moeten het tij keren. Een proces van ‘gentrification’ wordt hier aangezwengeld: het grondig opknappen van de huizen en het verkopen van een deel van deze sociale huurwoningen, moet mensen van hogere inkomens aantrekken.

een groot deel van de woningen in de buurt zijn ontworpen door architecten van de Amsterdamse School, zoals deze door Berlage.
Een groot deel van de woningen in de buurt zijn ontworpen door architecten van de Amsterdamse School, zoals deze door Berlage.

Zoals in de meeste Indische buurten herinneren de straatnamen aan Nederlands-Indië, neerlands koloniale trots van weleer. Op de naambordjes lees ik de namen van zo ongeveer alle bekende eilanden en plaatsen in de Archipel als Borneo, Celebes, Madoera, Makassar, Timor, Batavia etc., maar ook van minder bekende als Djambi, Banka, Riouw en Kramat. Met een pijnlijke gevoel voor historische accuraatheid zijn er twee Atjehstraten, de “Eerste” en de “Tweede”. Nederland voerde eind negentiende eeuw immers twee oorlogen tegen het toenmalige onafhankelijke sultanaat in het noorden van Sumatra (waar ik in een ander verhaal op deze blog overigens al eerder iets over schreef).

De as van de Indische buurt heet “Insulindeweg”, naar de dichterlijke benaming van de kolonie. Het commerciële en economische hart van de wijk ligt iets noordelijker en is toepasselijk vernoemd naar het eiland Java. Net als in Nederlands-Indië is dit de plek waar het gebeurt: talloze kleine winkels en grotere bedrijven van winkeliers uit alle windstreken waar je alles kunt krijgen wat je nodig hebt, en –misschien nog wel leuker- alles wat er aan eten bestaat, kunt vinden.

Geplande nieuwbouw: het Borneohof.
Geplande nieuwbouw: het Borneohof.

Wat is er verder eigenlijk Indisch aan de Indische buurt in Amsterdam, vraag ik me af. Behalve in naam was het nooit een buurt van of voor Indische mensen. De meeste Indo’s en Molukkers kwamen namelijk vanaf de jaren vijftig terecht in de Westelijke tuinsteden (Slotermeer, Slotervaart, Overtoomse veld, Geuzenveld en Osdorp), plekken in de stad waarop zij wel hun stempel drukten. Desalniettemin wonen ook hier wel wat Indo’s. Ook zijn er een paar toko’s te vinden. In de mêlee van talen die hier wordt gesproken vang ik af en toe een gesprek op in rap Indonesisch, of toch Maleis?

Toko Key op de hoek Insulindeweg Molukkenstraat verkoopt heerlijke Indische en andere Aziatische gerechten.
Toko Key op de hoek Insulindeweg Molukkenstraat verkoopt heerlijke Indische en andere Aziatische gerechten.

Een echte ‘Indische blikvanger’ op de hoek van de Insulindeweg en de Molukkenstraat is de afzichtelijke ‘jaren tachtig’-gevel van Chinees-Indisch restaurant Kota Radja. Verderop staan wat onaantrekkelijke huizenblokken met kleine, verouderde sociale woningen. De panden staan nog op een wachtlijst voor renovatie. Een paar ramen zijn al dichtgetimmerd, op de houten platen staat onleesbare graffiti en er ligt rommel op straat. Is dit het beeld wat de Indische buurt zo berucht heeft gemaakt?

In mijn ogen is de Indische buurt, ondanks de niet te negeren problemen, vooral rijk door zijn diversiteit. Zo’n 150 verschillende nationaliteiten wonen hier door elkaar heen. Vorig jaar verschenen er twee fotoboeken die dat op een prachtige manier vastlegden; De Wereld in een straat die fotograaf Suzanne Plamper maakte samen met Rogier Alleblas en De buurman, z’n ex & de eigenaar van de wasserette van Maarten Tromp. Dit laatste boek is een antwoord van de fotograaf op de volgens hem vaak overdreven negatieve berichtgeving over de buurt. Met zijn camera ging hij op zoek naar beelden die de negatieve beeldvorming konden nuanceren.

Ook het beeld dat ik zelf tijdens mijn kleine wandelexcursies van de wijk heb gekregen, is veel genuanceerder dan het beeld dat ik altijd van de wijk had: als er één plek is waar de multiculturele samenleving op een geweldige manier gestalte heeft gekregen is het hier wel vind ik. En wat is er eigenlijk mooier dan dat dat juist hier is, in de wijk wiens naam herinnert aan een van de eerste culturele vermengingen? Wat mij betreft is de Indische buurt het best bewaarde geheim van Amsterdam. Als je er nog nooit geweest bent wordt het hoog tijd eens een kijkje te nemen…

N.B. Morgen, 14 augustus, de dag voor de nationale Indië-herdenking in den Haag , is er in de omgeving van Amsterdam een Indië-herdenking, namelijk in Amstelveen, klik hier voor de locatie en het programma.

Bronnen en leestips:

Een korte geschiedenis en achtergrond Indische buurt Amsterdam: http://www.kei-centrum.nl/view.cfm?page_id=1897&item_type=project&item_id=326

Een interessant boek over de historie van de Indische buurt van Amsterdam: http://www.stadsboekwinkel.nl/index.php?action=pdetail&cid=1&bcid=40&id=270

Indische buurten: de Archipelbuurt in Den Haag

Archipelbuurt Den Haag

‘Weer of geen weer’, schreef ik een week geleden optimistisch, toen ik aankondigde om voor Indisch 3.0 een verslag te maken van de oudste buurt in Nederland met Indische straatnamen: de Archipelbuurt in Den Haag. Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat een beeldverslag van een wijk nogal somber oogt als het regent én dat ik daar zelf ook niet vrolijk van word. Daarom wachtte ik op een mooie dag, die zich helaas later dan de geplande publicatiedatum van 9 juli voordeed. Inmiddels ben ik erover uit: je kan twisten over de vraag of de Archipelbuurt nog Indisch is. Voor mij staat wel vast dat het nog steeds diezelfde internationale allure heeft als een eeuw geleden. En was internationaal aanzien niet ooit een van de ‘geschenken’ van Nederlands-Indië aan Nederland?
Balistraat
Balistraat

Gelegen tussen de Scheveningse Bosjes en Willemspark, bestaat de rustige Archipelbuurt uit onder meer 18 locaties (exclusief hofjes), die vernoemd zijn naar delen van de voormalige kolonie; de Atjehstraat, Bankastraat, Bankaplein, Balistraat, Batjanstraat, Billitonstraat, Borneostraat, Celebesstraat, Delistraat, Javastraat, Javalaantje, Madoerastraat, Malakkastraat, Riouwstraat, Soendastraat, Sumatrastraat, Ternatestraat en Timorstraat. Naast huishoudens, kent deze buurt overigens ook veel ambassades, het hoofdkantoor van de politie en hoofdkantoren.

Fietsend langs de witte huizen in de brede straten realiseer ik me dat de Indië-gangers van toen, voor wie veel van de huizen in de Archipelbuurt rond de 19e eeuw gebouwd zijn,  eigenlijk de expats van nu zijn. De internationale allure van toen trekt nog steeds internationaal geörienteerde inwoners van Den Haag; overwegende Westerse wereldburgers die vanwege internationale organisaties zoals het Joegoslavië Tribunaal, het International Criminal  Court en Europol naar de residentie gekomen zijn. De buurtmonitor van de gemeente Den Haag vertelt me dat bijna een derde van de ongeveer 5700 buurtbewoners komt uit landen als Amerika en andere EU-lidstaten.  Bovendien ligt deze chique buurt op een steenworp afstand van deze organisaties, waardoor het een van de vanzelfsprekende locaties geworden is voor deze welvarende buitenlanders.

Bankaplein
Bankaplein

Naast de talen die ik op straat om me heen hoor, onderstreept ook het on-Nederlands aandoende Bankaplein de 19e-eeuwse ambitie om de rijkeren der aarde aan te trekken. Aan dit weids opgezette plein liggen een paar immense herenhuizen, villa’s kan ik beter zeggen, die met hun witte ornamenten de mondaine uitstraling hebben die ik alleen van New York, Parijs, Londen en Barcelona ken. In een van de panden huist het mediabedrijf van presentator Rocky Tuhuteru. Dit plein staat in schril contrast met de tevens in de Archipelbuurt gelegen Curacaostraat; eerder een steegje dan een straat. Op zich is dat niet vreemd: brede straten waren bedoeld voor officieren en bewoners van Nederlands-Indië, zowel de verlofgangers als de totoks die terugkeerden na miljoenen te hebben vergaard, kleinere straten voor bedienend personeel en soldaten. Wel vraag ik me af waarom Curacao als straatnaam voor deze steeg gekozen is.

Soendastraat
Soendastraat

De pracht van de Archipelbuurt overweldigt en overdondert me bijna: de immense omvang van de opbrengsten uit Indië wordt opeens heel concreet, als ik al die weelderige huizen zie. Rond de 19e eeuw ontstonden in Den Haag verschillende buurten die met elkaar concurreerden om de komst van rijke Indië-gangers; Archipel, Duinoord, Statenkwartier en het Belgisch park, allevier op zandgrond gelegen, ‘wonnen’ deze strijd van het op veen gelegen Oranjeplein en Bezuidenhout. Op zand wonen was namelijk beter voor de gezondheid; in zulke huizen hadden bewoners minder last van ziektes als gevolg van optrekkend vocht uit de bodem.  Deze scheiding, gemarkeerd door de Laan van Meerdervoort, zie je overigens nog steeds terug in Den Haag. De huizen tussen het strand en deze zes kilometer lange laan zijn – over het algemeen – duurder en verkeren in betere staat dan de huizen aan de ‘veenzijde’, waar in andere tijden vooral arbeiders en middenstanders wonen.

Surinamestraat
Surinamestraat

De fraaie huizen in Archipel hebben hun waarde behouden. Een huis gaat daar al snel voor een half miljoen euro en er zijn meerdere panden die nog net geen twee miljoen kosten. Het huis waar Louis Couperus gewoond heeft, aan de Surinamestraat 20, staat zelfs te koop voor een kleine drie miljoen euro. Dat zal niet alleen door zijn beroemde inwoner komen, maar ook door de prachtige straat, door sommigen tot mooiste straat van Den Haag benoemd. Opvallend vind ik dat aan het pand zelf niet te zien is dat Couperus er ooit gewoond heeft. Geen plakkaat, geen opschrift, niets. Aan het begin van die straat, komend vanaf de Javastraat, zie ik daar wel een herinnering aan, in de vorm van een borstbeeld van de schrijver van onder meer Eline Vere en De stille kracht.

Toko Banka
Toko Banka

Bewijzen voor een levende Indische buurt zouden toko’s en andere eetgelegenheden kunnen zijn. Als ik Toko Frederik niet meetel, in de aangrenzende buurt Willemspark, is er nog maar weinig over van de Ind(ones)ische eetcultuur. Ik kom wel langs Toko Banka, maar die ziet eruit alsof hij zijn beste tijd gehad heeft. Vlak vóór de Javastraat, op het puntje van de Laan van Meerdervoort, vind ik het oudste ‘Rijsttafelrestaurant’ van Den Haag, Tampat Senang. Een korte check op Iens leert me dat ook dit restaurant zijn gloriedagen achter zich heeft liggen. Het enige nog succesvolle Indonesische restaurant in de Archipelbuurt ligt aan de Javastraat.  Dat is restaurant The Raffles, vernoemd naar de Britse Sir Stamford Raffles, die rond 1800 bijgedragen heeft aan de machtsoverdracht in Nederlands-Indië aan de Britten.

Voormalige kazerne aan de Atjehstraat
Voormalige kazerne aan de Atjehstraat

Vooral de grootsheid en macht van Nederland als koloniale mogendheid zie ik om me heen, aan het Bankaplein, maar minstens zo duidelijk in de Atjehstraat. Ik sta versteld als ik uitgerekend daar zo ongeveer aan fiets tegen een voormalig kazernegebouw. Het pand heeft ornamenten die verwijzen naar 1893, het jaar waarin Atjeh formeel gepacificeerd was, al is het nog jaren ‘onrustig’ geweest daar. Ik verwonder me er bovendien over dat deze straat, vernoemd naar een relatief klein gebied, zo’n prominente functie had in de buurt. Alhoewel, eigenlijk is dat niet mijn échte verwondering. Ik verbaas me er vooral over dat Nederland in die tijd zo pronkte met de overwinning van – voor zover ik weet – dat laatste stukje onafhankelijk Sumatra.

Javastraat met links het voormalige Indisch Huis
Javastraat met links het voormalige Indisch Huis
Sumatrastraat
Sumatrastraat

Minstens zo opvallend vind ik de keuze van straatnamen, en niet alleen van de eerder genoemde Curacaostraat. De Javastraat is te beschouwen als een van de hoofdwegen en telt vele fraaie villa’s, zoals het pand van het voormalige Indisch Huis (nr. 2b) en de Oude Raadzaal (nr. 26), die nog altijd in gebruik is voor onder meer koninklijke bruiloften. Vergeleken met de Javastraat ziet de Sumatrastraat, als eiland groter dan Java, eruit als een straat aan de andere kant van de Laan van Meerdervoort, met een Renault-garage en sociale woningbouwpanden. Zag Nederland Sumatra als een ondergeschikt gebiedsdeel voor het belangrijkste eiland van de kolonie, Java?

Ornament op kazerne in Atjehstraat
Ornament op de kazerne in de Atjehstraat

Dat de Archipelbuurt nog steeds Indisch is, kan ik niet zomaar beamen. Waarschijnlijk ook omdat het Indisch van toen niet meer het Indisch van nu is. Wat ik wel zie, zijn de sporen die de Nederlandse opvattingen over deze kolonie hebben achtergelaten: nog altijd leven welgestelde, internationaal georiënteerde bewoners  in prachtige huizen en in straten die de visie van Nederland als wereldmacht van toen weerspiegelen. In die visie lijken macht, rijkdom en aanzien onlosmakelijk aan elkaar verbonden te zijn geweest, en heeft elk gebiedsdeel de plek gekregen die het volgens dat wereldbeeld verdiende.

Althans, zo is het in elk geval in Den Haag. In de volgende aflevering van Indische buurten gaat Ed de Indische buurt in Amsterdam verkennen. Wat zal hij aantreffen? En: kunnen we daar conclusies aan verbinden over het verschil in betekenis van Indië voor deze twee steden?

Oproep: beschrijf jouw Indische buurt

In de zomermaanden trekt Indisch3.0 erop uit – weer of geen weer. We gaan Indische buurten in Nederland verkennen: wijken met straten als de Javastraat, de Insulindelaan en de Sumatraweg. Wat is er in 2009 Indisch aan die buurten? Wonen er veel Indische Nederlanders, Molukkers of Indonesiërs, zijn er toko’s? Of is het Indische subtieler aanwezig, zoals in de gemengdheid van een wijk, of het internationale karakter?

IndischeBuurten

De eerste gemeente waar zo’n wijk ontstond, was – niet verbazingwekkend – Den Haag. De stad met de meeste Indische straatnamen is echter Amsterdam, met zowel de Indische Buurt als de wijk Java-Eiland. Dit melden prof. dr. Herman van der Wusten, Sjoerd de Vos & Rinus Deurloo in hun onderzoek naar de Indische buurten in Nederland (UvA, Afdeling Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies, 2007). “Vanaf de 19de eeuw verrezen er overal in Nederland Indische buurten”, zeggen de onderzoekers,”eerst in de vier grote steden en het Noorden, daarna ook in het Zuiden. Waren ze eerst bedoeld om de nationale grootheid en trots uit te drukken, en in de periode 1947-1950 om stelling te nemen in het lopende dekolonisatieconflict, later kregen vooral gevoelens van heimwee de overhand.”

Kirsten geeft op 9 juli de aftrap voor de serie ”De Indische Buurt van…”, met een verslag van de Archipelbuurt in Den Haag. Ed neemt de week daarna het stokje over en duikt de Indische buurt in Amsterdam in. Welke stad daarna aan de beurt is, is aan jou. Er schijnen zeker 57 gemeentes te zijn met een Indische buurt, dus aan materiaal zou geen gebrek hoeven zijn. Ben jij een lezer van Indisch 3.0 en wil jij in juli en augustus als gastredacteur een reportage schrijven over de Indische buurt in jouw stad? Neem dan contact met ons via de website of redactie@indisch3.nl.

Zie hier een kaart met alle gemeenten in Nederland met een Indische buurt

Doe mij maar Europa

EuropaMet de Europese Parlementsverkiezingen in aantocht, realiseer ik me dat ik in mijn paspoort  bij nationaliteit het liefst ‘Europese’ zou hebben staan. Ik zou me daar meer in herkennen dan in ‘Nederlandse’. Dat heeft er allereerst mee te maken dat ik me regelmatig schaam voor wat in dit bekrompen, luidruchtige Nederland gemeengoed is. Asielzoekers in leegstaande gevangeniscellen plaatsen, het heilige streven naar Zuinigheid en de afstompende botheid zijn daar maar een paar voorbeelden van. 

Maar ik zou de Europese nationaliteit vooral willen dragen omdat die mijn afkomst veel beter weerspiegelt dan de Nederlandse. Ten eerste is Europa is de helft van de reden dat wij de naam Indo-Europeaan dragen; zoals elke Indo heb ik een aardige West-Europese delegatie in mijn stamboom. Daarnaast voel ik me vanwége die afkomst meer op mijn plek in een samenleving die bestaat uit een breed scala van volken en culturen, dan eentje van oranje eenheidsworst.

Toch hoor ik maar weinig over derde generatie Indo’s die op reis gaan naar het land van hun Europese voorvaderen. Naar Indonesië wel. Ook ik ben inmiddels aan het sparen voor een rootsreis naar het land van mijn ouders. En ja, ook ik voel een band met Indonesië, ondanks dat ik in Nederland geboren en getogen ben. Maar ik voel me ook verbonden met Schotland, Duitsland en Portugal, waar mijn voorvaderen vandaan kwamen.

Vroeger was het in Indische kringen gebruikelijk  om je voor te staan op je Europese afkomst. Het was  in die tijd not done om over jezelf te zeggen dat je een Indo was. Tantes van mij vertelden daarom dat ze Italiaans waren; dat was chique en geloofwaardiger dan Hollands, want ze leken natuurlijk in de verste verten niet op Dik Trom.  Lijkt het maar zo of zijn we tegenwoordig eerder geneigd onze Indonesische wortels te benadrukken dan de Europese?

De voorkeur voor Indonesië ten opzichte van Europa bij jonge Indo’s kan je eenvoudig verklaren. Het is de plek waar onze ouders geboren zijn. Dat land is een vanzelfsprekendere start voor het verkennen van je achtergrond dan in meerdere Europese landen op zoek gaan naar sporen van voorouders die om schimmige redenen naar Nederlands-Indië gekomen zijn. Het is in Indonesië al moeilijk zoeken, maar waar moet je in hemelsnaam beginnen in Portugal?

In hoeverre speelt bij de keuze van het land waarin we onze rootsreis uitvoeren, trouwens mee dat de Europese kant de ‘foute kant’ was? Als ik kijk naar mijn familie, dan is het niet onwaarschijnlijk dat door toedoen van mijn Europese voorouders minstens één Sumatraan, Atjeeër, Javaan of andere Aziaat het leven gelaten heeft. Europeanen waren de koloniale heersers in Azië, de meeste Schotten en Duitsers kwamen naar Indië als huurlingen van de VOC en de Portugezen waren heer en meester in Indië en omgeving voordat de VOC er zijn vlag plantte. 

Maar vertel, hoe zit jij hierin? Ben jij ooit van plan naar het land van je Europese voorouders te gaan, op zoek naar een de vertakkingen van je wortels?

De lach van Sa’ih

Het derde verhaal uit Indonesië gaat over de behoefte aan erkenning, excuses en compensatie van tien Indonesiërs, en in het bijzonder Pak (vader/meneer) Sa’ih, die de Nederlandse staat aanklaagden voor de moord op hun dierbaren en andere bewoners van het toenmalige Rawagede door het Nederlandse leger op 9 december 1947.

Ter verantwoording: Het verhaal als geheel is gebaseerd op verschillende aangehaalde artikelen, gesprekken met betrokkenen (waaronder Pak Sa’ih) en mijn ervaringen in het dorp, dat ik in oktober bezocht.

Indonesië, december 2008

door Ed Caffin

Vandaag wordt in Balongsari, West-Java, de massamoord herdacht die het Nederlandse leger hier precies 61 jaar geleden beging. Als het goed is, is de Nederlandse ambassadeur in Indonesië aanwezig bij die herdenking. Misschien staan ze wel naast elkaar; ambassadeur Nikolaos van Dam en Pak Sa’ih Bin Sakam, de enige overlevende van de slachting, beiden stilzwijgend kijkend naar het grote, sobere monument. Erachter, net zichtbaar vanaf de weg, liggen de graven van de honderden onschuldige mannen die werden doodgeschoten.

Op 9 december 1947 was het leger op zoek naar een Indonesische vrijheidsstrijder die zich de dag ervoor nog schuilhield in het dorp, dat toen Rawagede heette, en toen ze hem niet konden vinden executeerden zij vervolgens meedogenloos de meeste mannen en jongens uit het dorp, in totaal meer dan 400. Velen van hen waren jong, zoals Sa’ih, tieners en twintigers nog. Hij, nu 87 jaar, overleefde het bloedbad door puur geluk: de kogels misten zijn vitale organen en terwijl hij zich stilhield tussen de lijken, verdwenen de soldaten langzaam uit het dorp.

Sa’ih zit elke dag op een stenen bankje voor het monument, zijn ogen glinsterend vanonder zijn zwarte, vilten hoed. Een glimlach siert zijn oude gezicht. Vandaag is hij vast en zeker prominent aanwezig bij de herdenking rond het monument. Ik vraag me af of hij weet heeft van het politieke gesteggel in Nederland met als uitkomst dat dit jaar de ambassadeur bij de herdenking aanwezig is. Zelf had hij het liefst gezien dat de soldaten van toen waren terugkomen om samen te herdenken. Verlangend naar verzoening had hij dat, samen met de andere nabestaanden, gevraagd. De Nederlanders zijn namelijk meer dan welkom hier.

Ik vraag me ook af of hij weet dat de “kwestie Rawagede” in Nederland jarenlang werd verzwegen, ontkend en gebagatelliseerd, totdat in augustus van dit jaar een groep nabestaanden, waaronder hijzelf, de Nederlandse staat aanklaagden. Zou hij weten dat een aantal politici vindt dat Nederland geen excuses moet maken omdat het immers “al zo lang geleden is”? En zou hij het veelgebruikte argument begrijpen dat als hiervoor excuses worden aangeboden “er dan wel meer gebeurtenissen zijn waar excuses voor kunnen worden gemaakt?”

Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp
Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp

In het dorp is de Nederlandse discussie in elk geval geen issue. Er zijn hier, zoals eerder al helder verwoord in een recent artikel van NRC-correspondent Elske Schouten over de kwestie Rawagede, genoeg andere zorgen. Er is niet veel perspectief; de meeste mensen leven eenvoudig en hebben weinig geld. Veel jongeren uit het dorp maken lange dagen in een nabij gelegen fabriek of zijn jaren van huis om in het Midden-Oosten te werken. Van het daar verdiende geld wordt hier een huis gebouwd en gezorgd voor de ouderen.

Toch kwam voor de groep nabestaanden, die allen hoogbejaard zijn, deze zomer het moment dat zij een zaak wilden maken, daarbij aangemoedigd door de stichting Rawagede, die zich onder leiding van voorzitter Sukarman inzet voor het behoud van de herinnering aan de tragedie. Geholpen door het Comité Nederlandse Ereschulden, en juridische kennis uit Nederland stellen ze in de aanklacht de Nederlandse staat aansprakelijk voor de moorden en eisen zij excuses, erkenning en een schadevegoeding.

Het is voor het eerst dat Nederland aansprakelijk wordt gesteld voor misdaden gepleegd tijdens de jaren van strijd tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Ook de Republiek Indonesië heeft de Nederland staat namelijk nooit aangeklaagd: ook hier zijn de gebeurtenissen uit die tijd lang verzwegen of ontkend.

Onder meer het NRC publiceerde sinds augustus verschillende artikelen over de kwestie, zoals dat van Elske Schouten. In een column gaat haar collega Frank Vermeulen in op de uitlatingen van VVD-er van Baalen, aanvoerder van het “geen excuses want te lang geleden – kamp”. Het artikel gaat verder in op de (op dat moment nog aanstaande) Nederlandse parlementaire delegatie die in oktober in Indonesië was, het dorp te bezoeken. Vermeulen vraagt zich af of Nederland uiteindelijk toch het goede zou doen, namelijk praten met de nabestaanden en excuses maken?

Het loopt anders. De delegatie besluit niet af te reizen naar het dorp. Uiteindelijk spreken drie parlementariërs alsnog met een aantal nabestaanden, waaronder Sa’ih, in een hotel in Jakarta. Een van de drie, Harry van Bommel, krijgt van van hen het verzoek om Nederlandse militairen naar de eerstvolgende herdenking te sturen zodat zij hen, 61 jaar na dato, vergeving kunnen schenken. Resultaat: op 18 november stemt de kamer in met het voorstel van van Bommel om de ambassadeur te sturen. Van Bommel roept veteranen op om zelf naar de herdenking te gaan.

De stichting Rawagede verwacht vandaag echter geen veteranen, en dus zullen Sa’ih en de anderen vandaag, ondanks hun wens, genoegen moeten nemen met de aanwezigheid van de Nederlandse ambassadeur. Erkenning en excuses komen er voorlopig ook niet, en bovendien verklaarde de landsadvocaat van Nederlandse staat, op 24 november jongstleden, de financiële claim verjaard. Eens te meer blijkt er een te grote afstand tussen wens en realiteit.

Morgen, dan zit Sa’ih gewoon weer op zijn bank en lacht hij van onder zijn zwarte, vilten hoed. De herinnering aan de tragedie heeft van hem geen bittere oude man gemaakt. Aan het einde van zijn leven verlangt hij, zo stel ik me voor, alleen nog naar verzoening. Want, daar ben ik van overtuigd; Sa’ih hoeft niet meer te leren vergeven. Zijn lach verklapt dat er geen wrok heerst in zijn hart. Hij vraagt slechts om excuses, om ze te kunnen accepteren.

Op de website van het Comité Nederlandse Ereschulden (voorzitter Batara Huta Galung), die streeft naar verzoening tussen Nederland en Indonesië, zijn artikelen verzameld over de kwestie: http://indonesiadutch.blogspot.com


Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek

Indomania 3: waanzinnig chaotisch huiskamergevoel

indomaniaDen Haag, 16 november 2008
door Kirsten Vos

Dit is een lange blog. U vindt hier namelijk ook de tekst die Marscha Holman en ik uitgesproken hebben op Indomania 3. Overigens – de vraag waar wij daar mee eindigden, is ook aan u gericht.

Het was er warm, in Rob Malasch’ galerie in Amsterdam, het strijdtoneel van Indomania 3 dat op 15 november plaatsvond. Het was te druk, de akoestiek was slecht, de pijpelaruimte was ontoereikend voor de opkomst, het TL-licht was ongezellig en het ‘postkoloniaal debat’ was niet te volgen. Het duurde lang voordat we konden eten omdat er nog geen bestek was. De vertoning van Hetty Naaijkens’ Contractpensions vond ik te kort. Er waren te weinig stoelen. De live-band was Nederlands. Halverwege de avond ging het personeel op pad voor extra bier. Binnen een paar uur was de rode wijn op en de fles champagne die ik zou krijgen als bedankje is uitgeschonken aan de gasten. Kortom: Indomania 3 was waanzinnig chaotisch. Maar desondanks vond ik het vooral erg gezellig.

Rond half vijf arriveerde ik bij de tot ‘eventvenue’ omgetoverde Serieuze Zaken. Een in uniform geklede heer heette me welkom. Malasch’ collectie had plaatsgemaakt voor het ‘uit de geheime voorraad van Frans Leidelmeijer’ koloniale art-deco meubilair, tekeningen van onder meer illustrator en striptekenaar Peter van Dongen en: heel veel mensen. Te koop waren t-shirts van Indomania 3, werk van Herman Keppy, van Alfred Birney en van Peter van Dongen, Indische saucijzen van Van Olphen, Indische hapjes als lemper en risolle en natuurlijk wijn, bier en fris.

Op het programma stonden een debat over de Indische producties die de afgelopen maanden uitgekomen zijn en een optreden van Marscha Holman en mijzelf. Onder leiding van Ricci Scheldwacht en Herman Keppy probeerden enkele prominenten het debat te voeren, over het boek Ons Indisch Erfgoed (Lizzy van Leeuwen) en de film Ver van familie (Marion Bloem). Door de gebrekkige akoestiek, maar ook de vorm van het debat, was dit helaas nauwelijks te volgen. Een interventie van de in het publiek aanwezige Theodor Holman kon daar weinig aan veranderen.

Na dit debat betraden Marscha Holman en ik het podium. Wij waren gevraagd ‘iets over de derde generatie’ te vertellen en dat hebben we, binnen onze mogelijkheden, gedaan. De reacties – van het publiek dat het kon horen – waren bevrijdend. Nee, we hoeven ons niet schuldig te voelen omdat we geen botol tjebok hebben, of omdat we niet op zoek zijn naar erkenning voor ‘de’ Indische zaak. We mogen gewoon ons eigen pad vinden in de Indische wereld. In de discussie daarna stelde Ricci Scheldwacht me een leuke vraag. “Je zet je niet af tegen de eerste generatie. Zet je je wel af tegen de tweede?” Op dat moment realiseerde ik me dat ik me vooral afzet tegen de Indische kruistocht voor erkenning, die absoluut niet generatiegebonden is.

Indomania 3 vond ik ongedwongen en vrij. Ja, organisatorisch was er een hoop ruimte voor verbetering. De locatie was rampzalig voor de opkomst. En wellicht ben ik dit keer niet helemaal objectief, omdat ik een rol speelde in het programma. Maar tekenend voor de sfeer vond ik de mannen en vrouwen die, Indisch en niet-Indisch,  vrolijk dansten op de muziek van de dj. En de mensen die, net als bij uitgebreide kumpulans thuis, dwars door elkaar heen tevreden zaten te eten.

‘De’ derde generatie op Indomania 3
door Marscha Holman en Kirsten Vos

De derde generatie Indische Nederlanders. Volgens het CBS bestaat die niet. In berekeningen die het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte voor het uitkeren van het Gebaar, hield de demografie van Indische Nederlanders op bij de tweede generatie. Marscha Holman, columniste van Moesson, en Kirsten Vos, columniste van Archipel en beheerder van de weblog Indisch 3.0, beiden leden van deze derde generatie, zijn voor de Nederlandse overheid dus gewoon Nederlanders. De laatste tijd horen deze twee “Nederlanders met Indische wortels” steeds vaker ‘De Indische cultuur sterft uit’ en ‘Echte Indo’s bestaan niet meer’. De voorwaarden voor een existentiële crisis voor onze derde generatie zijn dus overtuigend aanwezig. Vanuit de eigen groep horen ze bovendien soms dat ze niet echt Indisch zijn. Toch willen Marscha en Kirsten met hun Indische wortels meer dan nasi goreng leren maken. Daarbij  merken ze dat mensen vooral van hen willen horen dat het Indische zoals dat ooit bestond wél in hen voortleeft. Of dat is wat ze zelf met het Indische willen en kunnen, horen we nu, in een levende column. Na afloop willen ze van u weten of dit is wat u wilde horen.

MARSCHA (gericht op het publiek): Vorige week maandag hadden we alleen nog geen flauw idee wat we wilden zeggen.
[Kirsten pakt haar telefoon.]
KIRSTEN: Hi, met Kirsten, stoor ik?
MARSCHA: Nee, ja…ehh nee. Wacht, ik zet even het gas onder de hutspot laag.
KIRSTEN: Oké. Lekker hè, die aardappelen, als het zo koud is buiten. Ben je zover?
MARSCHA: Ja!
KIRSTEN: Heb je gezien dat jij samen met mij op Indomania iets gaat doen over de derde generatie? Wij vertegenwoordigen namelijk de derde generatie Indische Nederlanders. Ze willen weten waar die mee bezig is.
MARSCHA: Ja, ik zag het. Leuk, denk ik. Maar wij zijn toch geen Ambassadeurs van de derde generatie? Wij maken hutspot! We verzinnen wel iets,  als we maar niet een soort act gaan doen als de nichtjes van tante Lien, vol tempodoeloe. Nee, niet te veel tempodoeloe, we moeten wel een tegengeluid geven.
KIRSTEN: Ja, in elk geval een eigen geluid. We zijn de derde generatie dus we zullen met iets verfrissends moeten komen. Wanneer zullen we het daarover hebben?
MARSCHA: vrijdag?
[Marscha en Kirsten draaien zich naar elkaar toe, nu met hun gezichten schuin naar elkaar toe. Ze begroeten elkaar.]
MARSCHA: Kan je dat idee dat je mailde, van dat toneelstuk, nog eens uitleggen?
KIRSTEN: Nou het idee was als volgt. We noemen het ‘Marscha en Kirsten in de wondere wereld die Indisch heet’. En het wordt dan een uitermate vrije interpretatie van het wayangspel die waarschijnlijk nooit tot ons  Indisch erfgoed gaat behoren.
MARSCHA: Sorry hoor, maar wat is in vredesnaam een wayangtheater??? Ik schaam me nu al dood, deze vertegenwoordiger van de derde generatie weet niks. Ik ben geen echte indo…
KIRSTEN: Niet aanstellen, je bent Indisch, want je vader is een Indische jongen. Hij schrijft Indische boeken nota bene, dat weet iedereen.
MARSCHA: Laat het hem niet horen…. Maar goed, ik heb nog wel een oud laken op zolder liggen voor het wayangspel? Kunnen we dat ook prettig voor ons gezicht houden, ik kan namelijk totaal niet acteren.
KIRSTEN: Ik ook niet. Dat is toch wel een vereiste ja. Niets zo erg als kijken naar een toneelstuk met mensen die niet kunnen acteren. Laat dat wayang idee dan ook maar zitten.
MARSCHA: Misschien moet jij het maar alleen doen, Kirsten. Jij bent hier veel beter in. Jij kent veel meer mensen, indomensen; jij bent echt een betere Indo dan ik.
KIRSTEN: Marscha, zeur niet zo. Zo wordt het niks. Jij denkt echt dat de Indische Gemeenschap zich bij een soort club heeft aangesloten hè?
MARSCHA: Ja, de club van ‘mij is onrecht aangedaan – ik ben slachtoffer – en ik wil erkenning’…
Kirsten: O je bedoelt de club waar iedereen altijd te laat komt?
Marscha: Precies, de club waar iedereen door elkaar heen praat
Kirsten … en niemand luistert.
MARSCHA: waar iedereen een botol tjebok gebruikt
KIRSTEN: en waar alle vrouwen altijd een zakdoekje met eau de cologne bij zich hebben.
MARSCHA: Waar iedereen Brandend Zand kan meezingen
KIRSTEN: en waar niemand kritiek op elkaar mag hebben.
MARSCHA: Maar wel heeft.
KIRSTEN: De club waar iedereen alles repareert met plakband of een elastiekje. En waar iedereen alles eet met suiker of sambal.
MARSCHA: de club waar iedereen fenomenaal Indisch kan koken
KIRSTEN: EN niet te vergeten, waar iedereen geweldig gitaar kan spelen.
MARSCHA: en waar iedereen een abonnement op Moesson heeft
KIRSTEN: Op Archipel.
MARSCHA: ET cetera… Ja precies, die club bedoel ik. Enige club…
KIRSTEN: Nee, ik kan me niet voorstellen dat Indische mensen zich bij zo’n club aangesloten hebben. Ik zou dat zeker niet willen.
MARSCHA: ik al helemaal niet.
KIRSTEN: Ik vraag me überhaupt af of er ook maar één Indo is die voldoet aan al deze ‘regels’. De Indische Gemeenschap – als die al bestaat – is echt niet zo homogeen als jij denkt.
MARSCHA: Nee, ik geloof je wel; jij en ik verschillen al zo veel. Jij hebt twee Indische ouders en ik één (die dat ook maar al te graag ontkent – wat dan weer heel Indisch schijnt te zijn). Jij blogt er elke twee weken over, ik ben nog nooit in Indonesië geweest en jij, jij voelt je er thuis.
(beiden vallen stil)
KIRSTEN: Sowieso, die regels waar we het net over hadden; die slaan eigenlijk vooral op de eerste generatie.
MARSCHA: Maar, bij Indomania vinden ze dat heerlijk om weer even te horen hoor. Laten we iets met die club doen, lachen.
KIRSTEN: Ja maar hallo, wij zijn hier uitgenodigd om het over de DERDE generatie te hebben, Marscha.
MARSCHA:  O ja. Wat zijn onze eigen ‘regels’ dan? Hebben we die al?
KIRSTEN: We kunnen zeggen dat we naar Hot Indo Parties gaan.
MARSCHA: En elke dag krabbels zetten op de 38 hyves over Indo’s.
KIRSTEN: over waarom het beter is om een relatie te hebben met een Indo dan met een Nederlander.
MARSCHA: Ik heb een relatie met een Molukker.
KIRSTEN: Oh. (stilte). Die heb je hoop ik wel thuis gelaten?
MARSCHA: Euh, ja. We kunnen het ook over tattoo’s hebben
KIRSTEN: EN natuurlijk alleen maar praten met Indo’s.
MARSCHA: en dan bahasa leren en alleen maar zo nog met elkaar praten
KIRSTEN: Hmm. Het enige dat ik daarvan weet is adoe.
(korte stilte)
MARSCHA: Goed, dat schiet lekker op, volgende week willen ze al horen waar het heengaat met de Indische cultuur. En we hebben nog geen idee, we zijn net begonnen met Indisch zijn.
KIRSTEN: Wat vindt u, heeft u het geluid van ‘de’ derde generatie gehoord?

Kirsten Vos en Marscha Holman op Indomania 3

Den Haag, 5 november 2008

indomania3Kan je eigenlijk wel spreken van ‘de’ derde generatie Indische Nederlanders? En wat vindt deze generatie dan van ‘het Indische’? Welke plek zien zij voor zichzelf binnen het Indisch erfgoed? Deze vragen en meer brengen Kirsten Vos (Indisch 3.0, Archipel Magazine) en Marscha Holman (Moesson) in onverwacht verfrissende vorm ter sprake tijdens Indomania 3 op 15 november a.s. in Amsterdam.

Vos: “Na het overlijden van mijn laatste grootouder, kreeg ik het gevoel dat Indisch verleden tijd was. Het beeld van een oude Indorocker op het Tong-Tongpodium versterkte dat. Pas sinds ik me er actief mee bezig hou, voel ik me zelf Indisch.” Holman: “Ik krijg soms het gevoel dat mijn Indische achtergrond een hoop verplichtingen en verwachtingen met zich meebrengt. Zo zie ik mijn achtergrond liever niet. Ik zal aan de meeste verwachtingen toch niet kunnen voldoen.” Ed Caffin, Vos’ medeblogger op Indisch 3.0, tijdelijk vanuit Indonesië: “Iemand van de jongere generatie Nederlanders met Indische achtergrond vraagt zich ooit wel eens af waar hij precies uit voortkomt. Dan is het belangrijk goede antwoorden te krijgen.”

Het thema van Indomania 3 is ‘Lekker Indisch eten’. De organisatie is traditiegetrouw in handen van Rob Malasch en Frans Leidelmeijer. Naast het optreden van Kirsten Vos en Marscha Holman in het programma van Indomania 3, verzorgen Herman Keppy en Ricci Scheldwacht een ‘postkoloniaal debat’ over het Indisch Erfgoed met diverse prominente gasten en bespreken Rob Malasch en Ricci Scheldwacht ‘de nieuwe herfst aan Indische letteren’. Malasch heeft het Haarlemse restaurant De Lachende Javaan gevraagd een haute cuisine variant van Indisch eten te serveren.

Voor meer informatie en aanmeldingen voor Indomania 3 (10 euro per persoon exclusief eten) ga je naar www.indomania.nl of bel je met (020) 427 57 70. Reserveren verplicht.

Atjeh, over oorlog en tsunami

Op reis door Indonesië schrijf ik verhalen op plekken die iets te maken hebben met de Nederlandse en/of Nederlands-Indische geschiedenis in Indonesië. Het eerste verhaal schrijf ik in Banda Aceh, op het Nederlandse kerkhof Peucut.

 

Banda Aceh, oktober 2008

door Ed Caffin

 

Sinds ik vier jaar geleden naar Atjeh ging voor een project van de Stichting Wederopbouw Atjeh, kom ik elk jaar voor een korte of langere periode terug. De naam Atjeh roept vooral twee associaties op: de geschiedenis van oorlog en strijd met Nederland en de tsunami van 2004. Een plek waar die twee gebeurtenissen het dichtst bij elkaar komen is het oude nederlandse kerkhof Peucut dichtbij het centrum van de hoofdstad Banda Aceh. Vlak naast dit kerkhof is vanaf 2007 een enorm, modern gebouw in aanbouw; het tsunami-museum. Hoewel ik al tijdens mijn eerste bezoek aan Atjeh, net na de tsunami, voor het eerst hoorde over het nederlandse kerkhof, ga ik er nu voor het eerst uitgebreid een kijkje nemen.

 

Als ik aankom is er niemand. Ik loop de ingangspoort met marmeren platen binnen, waarin de namen staan gegraveerd van soldaten die omkwamen tijdens de Atjeh oorlogen, gesorteerd op jaartal. Het zijn er veel. Mijn blik glijdt langs de muur. Naast Nederlandse herken ik ook veel Molukse en Javaanse achternamen. Ik weet dat het KNIL naast Hollanders en Indo’s vooral veel “inlandse” soldaten had en waarschijnlijk zijn veel van de namen afkomstig van andere eilanden in de Indonesische archipel. In totaal liggen hier meer dan tweeduizend KNIL-soldaten begraven, een derde van alle gesneuvelden in Atjeh. Naast soldaten liggen er vrouwen en kinderen begraven op Peucut, en naar het schijnt een Atjehse prins, aan wie de plek zijn naam dankt.

 

Na een poosje komt een jongeman aanlopen. Hij heet Eddie Darussalam en is 30. Al een aantal jaar werkt hij hier als bewaker. Hij heeft het er naar zijn zin. “Ik kan veel met toeristen praten en wat leren over hun land”, zegt hij. Van Nederland weet hij nog niet veel meer dan dat er veel molens zijn en het land vlak is. Hij zou het graag zelf eens zien. Over de geschiedenis van Nederland in Atjeh weet hij meer. “Daar wordt op school veel over verteld. Wat Nederland gedaan heeft hier is heel slecht. Maar het is lang geleden. Toch moeten we deze geschiedenis onthouden. Het is daarom belangrijk dat het Kerkhof in stand gehouden wordt”.

Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler
Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler

De Nederlandse geschiedenis is op vele plekken en vele manieren in Atjeh hoor- voel- en tastbaar, maar misschien toch het meest op dit oude Kerkhof. Eddie neemt me mee naar zijn favoriete grafmonument. Het is die van KNIL-Generaal Kohler, die tijdens de eerste Atjehoorlog sneuvelde bij de Grote Moskee Mesjid Raya Baitturahman, in het centrum van Banda Aceh. Ook op die plek is een stenen gedenkplaat met inscriptie. In 1978 werd Kohler herbegraven op Kerkhof Peucut. Eddie poseert bij het graf en vertelt dat de dood van Kohler een bekend verhaal is in de Atjehse overlevering en zelfs zijn sporen heeft achtergelaten in de Atjehse taal. “Koh-ulee” betekent iemand de keel afsnijden met een rencong (Atjehse dolk). In het boek van de stichting Peucut lees ik echter dat Kohler door een kogel om het leven kwam.

Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw
Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw

We lopen terug vanaf het grafmonument naar de ingang en kijken naar het tsunami-museum in aanbouw. De enorme buitenmuur doemt het tientallen meters boven de omheining van het Kerkhof uit. “Tijdens de tsunami was ik zelf in Keutapang, een paar kilometer verderop”, vertelt Eddie. “Ik voelde de aardbeving, maar dacht er niets van. Toen ik een minuut of twintig later de stad in liep kwamen schreeuwende mensen mijn kant oprennen. Ze riepen dat de zee eraan kwam. Ik geloofde het niet, maar toen ik dichter het centrum in kwam zag ik het water. Er dreven lijken, heel veel lijken. Pas een dag of twee later kon je bij het Kerkhof komen. Daar lagen ook honderden lijken, en veel van de oude graven waren enorm beschadigd”.

“We proberen de afgelopen jaren de graven te herstellen. We krijgen daarbij hulp van de Nederlandse stichting Peutjut”. De stichting doneert geld voor het herstel en behoud van het Kerkhof. Hij laat me een boek zien wat de stichting heeft laten maken. Het is een bezoekersgids waar in het Engels, Nederlands en Indonesisch de geschiedenis van het Kerkhof en de 70 jaar Nederlandse aanwezigheid in Atjeh staat beschreven. Het is er een van veel bloedvergieten. Naast de paar duizend doden aan Nederlandse kant, vielen er vele tienduizenden Atjehse doden.

 

“Ik hoop dat de Nederlandse stichting meer geld stuurt, zodat we het hier nog verder kunnen herstellen en lang mooi kunnen houden” mompelt Eddie. “Ik zal mijn kinderen later vertellen over de Nederlandse geschiedenis in Atjeh, maar ik wil het hen ook kunnen laten zien”. In het behoud van dit monument is volgens hem de lokale overheid echter niet erg geïnteresseerd. Laat staan de Indonesische overheid. Die financiert uiteraard wel de aanbouw van het tsunami-museum. Het museum zal straks het verhaal vertellen van 26 December 2004, “de dag dat de zee beefde” en Atjeh werd getroffen door de grootste ramp in de Indonesische geschiedenis. De kosten voor de aanbouw lopen in de miljoenen euro’s. En dat is niet geheel zonder controverse. Sommigen vinden dat het geld beter aan de slachtoffers had kunnen worden besteed, anderen vinden de komst van een museum te vroeg. Bovendien zijn een aantal historische gebouwen die op deze plek stonden gesloopt.

 

Net als de meeste andere mensen in Atjeh heeft Eddie veel familie en vrienden verloren door de ramp. Hij wil er niet veel over kwijt. Zijn verhaal, en van al die duizenden anderen mensen die de ramp overleefden, is moeilijk in woorden te vatten. Al kom ik hier al voor het vierde jaar, nog steeds is dat leed overal voelbaar. “De komst van buitenlandse organisaties na de tsunami heeft echter veel goeds gebracht”, zegt Eddie. Er kwam geld voor de wederopbouw, er kwamen banen, er was aandacht voor het conflict in Atjeh en de rebellen en het Indonesische leger tekenden een (voorlopig vredesakkoord). Ook werd de relatie met landen als Nederland versterkt.

 

“Maar onze dierbaren missen we nog elke dag”, besluit hij. Ik teken het gastenboek en neem afscheid. Zachtjes rij ik weg op mijn brommer, terwijl de werkzaamheden aan het museum gestaag doorgaan.