Een gebrekkig historisch besef

kolonien-indie-overdrachtAmsterdam, 27 september 2008
door Ed Caffin

Ik moet vaak uitleggen wat het verschil is tussen Indisch en Indonesisch. Meestal vragen mensen waar ik vandaan kom of “wat mijn achtergrond is”. Ik zie er volgens de meeste mensen “mediterraans” of “Arabisch” uit, maar zeg ik “Indisch”, dan denken sommigen dat ik uit India kom. Als ik zeg dat ik “Indo” ben, dat heeft meestal mijn voorkeur, zegt bijna iedereen “oh, Indonesisch”. “Nou, nee niet precies” is dan mijn antwoord, om vervolgens geduldig de nuances uit te leggen tussen deze verschillende begrippen.

Tijdens die uitleg ontkom ik niet aan een stuk geschiedenis. Meestal vertel ik in grote lijnen dat Indische mensen een gemengde Europees/Aziatische afkomst hebben en dat zij (daarmee) een aparte groep vormden in de vroegere kolonie Nederlands-Indië. De meesten van hen kozen er na de onafhankelijkheid van Indonesië voor om naar Nederland te gaan. Zoals mijn grootouders die zo, samen met mijn vader en zijn broers, in Nederland terecht kwamen.

De meeste mensen reageren met verbazing op dat verhaal. Hoe komt dat nou? De belangrijkste reden is volgens mij dat er bij de meeste (jonge) Nederlanders een gedegen ‘historisch besef’ ontbreekt. Zij kennen de koloniale geschiedenis gewoonweg niet. De meeste bibliotheken hebben echter vrij veel boeken over de koloniale geschiedenis en op internet is veel te vinden. Misschien is het dus een gebrek aan interesse, maar volgens mij is het nog veel meer een gebrek aan koloniale geschiedenis in het onderwijs. Mijn geschiedenisleraren vertelden zo goed als niets over Nederlands-Indië en Indonesië en legden niet uit waarom er eigenlijk zoveel Indische mensen in Nederland wonen. Een schande eigenlijk.

Daarnaast is er een hardnekkige vorm van geschiedkleuring geweest die eigenlijk nog steeds voortduurt en die het historisch besef vertroebeld. Wat in Nederland wel ‘algemeen bekend is over Nederlands Indië en Indonesië is eenzijdig en hevig geromantiseerd. “Nederland heeft in de koloniale tijd veel goeie dingen gedaan voor de lokale bevolking in de Indonesische archipel” bijvoorbeeld, en “men legde wegen aan en er was scholing” etc. Dat gold misschien voor Java en een deel van Sumatra, maar zelfs daar kon maar een klein deel van de lokale bevolking daarvan profiteren.

Ander voorbeeld: volgens veel geschiedenisverhalen zijn Lombok en Bali aan het eind van de 18e en het begin 19e eeuw “gepacificeerd”, voerde Nederland een “ethische politiek om de mensen te verheffen” en zag het zich regelmatig “genoodzaakt her en der in de Archipel verzet de kop in te drukken”. Wat moet dat allemaal precies betekenen? Het zijn zachte, mooie woorden voor keiharde, lelijke feiten.

Het koloniale hoofdmotief was namelijk niet ethisch, maar puur economisch. De waarheid is dan ook dat er ten koste van bijna alles heel veel geld verdiend werd, de belangen groot waren en dat die belangen met behulp van vele oorlogen werden veilig gesteld en uitgebreid. Maar de mensen in Nederland kregen toen propaganda te horen. En eigenlijk gebeurt dat nog steeds. Op school horen leerlingen nog steeds dat er politionele acties in waren in Indonesië. Politionele acties? Iedere leerling die iets meer te weten komt over die tijd beseft zich al snel dat er sprake was van een oorlog. Een oorlog tussen Indonesische revolutionairen die vochten voor een vrij en onafhankelijk Indonesië en de (oude) koloniale machthebber die zijn kolonie eigenlijk wilde behouden*.

Wat ik zelf te weten ben gekomen over de geschiedenis van Indië en Indonesië weet ik door de verhalen die thuis werden verteld en voor de rest heb ik dat aangevuld met mijn eigen interesse en nieuwsgierigheid. Dat heeft in mijn geval misschien vooral wel te maken met het feit dat ik een (derde generatie Indische) Nederlander ben die een deel van zijn wortels in Indonesië heeft liggen.

Ik vind echter dat het opdoen van kennis over die belangrijk tijd in de Nederlandse geschiedenis niet afhankelijk moet zijn van die ‘toevallige’ interesse, of afgedaan kan worden met een kort en eenzijdig gekleurd verhaal. Hoewel het erop lijkt dat er de laatste tijd meer aandacht komt voor een genuanceerder verhaal en de geschiedenis van Indië en Indonesië recent een examenonderwerp was op middelbare scholen, vind ik dat niet genoeg.

Nee, de hele koloniale geschiedenis zou een vast onderdeel moeten worden in het onderwijs. Vanaf de VOC tot aan de Indonesische onafhankelijkheid en hoe bijna 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland kwamen. Verplichte kost! En graag ook in de juiste bewoordingen.

* Later zag ik overigens dat Alfred Birney in een recent artikel op zijn weblog ook ingaat op o.a. dit onderwerp. Zie hier zijn artikel.

Verslag van 15 augustus 2008: een eerbetoon aan Indische helden

Den Haag, 17 augustus 2008
door Kirsten Vos

Afgelopen vrijdag was ik met vele anderen zoals ‘Paatje’ Phefferkorn, minister-president Balkenende en Marscha Holman, bij de Waterpartij in Den Haag om te herdenken dat 63 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië eindigde. De herdenking was dit jaar integer, persoonlijk en indringend, dankzij de voordracht van Kick Stockhuyzen en een korte declamatie van Sanne van der Velde. Uit een aantal korte reacties van aanwezigen op de herdenking bleek echter dat Indische overlevenden de bersiap, de Indonesische vrijheidsstrijd, onlosmakelijk blijven verbinden met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945.

Het monument
Het monument

Indische generaties herdenken
Ferry van Dam, tweede generatie Indo, is er met zijn moeder en twee dochters: “Ik ben er elk jaar. Ik vind het belangrijk om te herdenken.” Op zijn arm heeft Ferry een tatoeage. “Ik heb twee familiewapens gecombineerd en de namen van mijn dochters erin laten zetten, Faya en Dewi. Ik kwam voor het eerst op dat idee toen ik in 2006 in Indonesië was.” Harry van Kleef, tweede generatie, en Jeffrey Rozema, derde generatie, staan naast ‘Paatje’ Phefferkorn en laten tijdens de herdenking de Indo-Melati vlag wapperen. Paatje zelf vlagt alleen met de Indo-Melati vlag: “De Nederlandse vlag is nationalistisch en nationalisme leidt alleen maar tot oorlog.” Van Kleef: “Wij steunen Paatje in zijn streven. Daarnaast ben ik hier voor mijn vader. Hij zat in kamp Maumere. De oorlog brak uit toen ik drie jaar was. Ik heb mijn vader nooit gezien.” Rozema: “De herdenking is terecht. Zo veel mensen hebben zo veel goeds gedaan, het is goed dat ze vandaag aandacht krijgen. Ik ben hier voor mijn opa. Hij is mijn held. Hij zat in Japan als krijgsgevangene. Als we samen gaan wandelen, vertelt hij me wel eens verhalen. Hij vertelt natuurlijk niet alles. Dat begrijp ik wel.”

Saluut
Saluut

De stille helden van Kick Stockhuyzen
In een krachtige uiteenzetting vertelt voormalig acteur Kick Stockhuyzen over zijn stille helden. Stockhuyzen: “In het jongenskamp van het 15e bataljon was het verboden om een potlood of papier te hebben, beschreven of onbeschreven. Kennisoverdracht was verboden. Op elke bijeenkomst stond een straf en die was dat je gevangene werd van de Kempei Tai, de Japanse militaire politie. Daar, wist je, zouden marteling en onthoofding je lot zijn. Toch waren er in het kamp mannen die hun leven riskeerden om ons jongens te onderwijzen. Ik noem hen de stille helden, want hun namen heb ik nooit gekend.” Elk van hen is hij uit het oog verloren, ze verdwenen uit de kampen en hij heeft ze nooit meer gezien: de wiskundeleraar die les gaf door in het zand wiskundige figuren te tekenen. De dominee die prachtige verhalen vertelde over de Russische revolutie en de Boerenopstand in Zuid-Afrika. En de ongelukkige tolk, die Japans taal- en letterkunde gestudeerd had en dagelijks een aframmeling kreeg omdat zijn vertalingen onder de maat zouden zijn. De gehele speech van Stockhuyzen is online te lezen.

Ken je geschiedenis
“De geschiedenis over wat er in al die kampen gebeurd is moet verteld worden,” besluit Stockhuyzen, “want het ‘Uitverkoren Volk’, Japan, weigert structureel zijn oorlogsmisdaden toe te geven: zelfverheerlijking gaat niet samen met boetedoening. Daarom is het belangrijk dat wij blijven herdenken.” Die mening hoor ik terug als ik enkele aanwezigen om reactie vraag, zoals ‘Paatje’ Phefferkorn: “Leven zonder geschiedenis is als leven zonder een geheugen. Ken je je geschiedenis niet, dan zal die zich herhalen. Ik was uitgemergeld toen ik bevrijd werd, ik woog 21 kilo. En toch, hoe vreselijk die Japanse bezetting ook was, de oorlog die daarop volgde was véél erger.”

Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt
Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt

Treintransporten
Ook Ton Hens, die opeenvolgend in de kampen Tjihapit, Adek en Tjideng gezeten heeft, benadrukt het belang van geschiedenis en legt direct verbinding met de bersiap. “Mensen weten dat niet, maar treintransporten waren er ook in Indië. Ik durf nog steeds de trein niet in. Daarin werden we vervoerd door de Japanners toen we naar de Indische kampen moesten, waar we beschermd zouden worden tegen de peloppers. Eén transport van Semarang naar Jakarta is volledig uitgemoord door de peloppers. Mijn kinderen hebben geen interesse in dit soort verhalen. Toch zou het overgedragen moeten worden.”

Meer zien?
Het NOS Journaal heeft een mooie samenvatting gemaakt van de herdenking, met daarin aandacht voor Kick Stockhuyzen en Diederik van Vleuten. Deze is online te bekijken. Op Indisch4ever vind je een beeldverslag van de herdenking en de voordracht van Kick Stockhuyzen.

Koloniekind?

Overpeinzingen over een koloniale erfenis

Amsterdam, 29 juni 2008
door Ed Caffin

Het Koloniaal Instituut Amsterdam
Het Koloniaal Instituut Amsterdam

Al tien jaar woon ik in Amsterdam, en ik hou ontzettend van deze stad. De vrijheid, de openheid en de diversiteit van culturen in de stad werkt inspirerend. Ik vind het heerlijk om op een warme zomernamiddag over de grachten te fietsen. Het historisch centrum van de stad is prachtig. Soms lijkt het alsof ik al gewend ben aan de schoonheid van Amsterdam, maar fietsend word ik er aan herinnerd hoe mooi de stad werkelijk is.

De pracht en praal van de grachten zou me ook kunnen herinneren aan andere dingen. Aan 350 jaar kolonisatie van het huidige Indonesië bijvoorbeeld. Nederland werd rijk dankzij, en vaak ten koste van, de koloniën. Daar valt veel over te zeggen, maar laat ik het erbij houden dat ik het niet de meest geweldige periode in de geschiedenis vind.

En toch, het is wel een periode die pas een generatie geleden ophield te bestaan en die van belang was voor mijn eigen familiegeschiedenis. Je zou namelijk gerust kunnen zeggen dat ik, met mijn gemengd Indo-Europese bloed, een kind of nakomeling ben van de kolonie. Immers, was Nederlands-Indië er niet geweest, dan was mijn over-over grootvader nooit… etc. etc. Ik vraag me af wat ik als jonge Indo, met die koloniale erfenis moet?

Het is een lastige erfenis vind ik. De reden ligt in de uitgangpunten van het kolonialisme, waarvoor ik kort terug in de tijd ga, naar het Nederlands-Indië van een paar eeuwen geleden. Het koloniale systeem draaide puur om geld verdienen. Harde handel met een zo groot mogelijke winstmarge. De blanke heersers in de kolonie bouwden er gaandeweg een eigen samenleving op met een sterke hiërarchie. Ze plaatsen zichzelf aan de top, de “Inlander” kwam helemaal onderaan.

Er werden ook kinderen van gemengd bloed geboren, mijn voorouders, wiens groeiende aantal al snel de Indo-Europeanen werden genoemd, een tussengroep. Als je als mengbloed door je Europese vader erkend werd, kon je juridisch worden “gelijkgesteld”. Je kreeg formeel dezelfde rechten als de Nederlander (in de praktijk werkte het vaak anders), en uiteindelijk vaak ook de Nederlandse nationaliteit.

In dit hierarchische systeem keek de Indo-Europeaan vooral omhoog, naar de Hollander, en distantieerde zich met zijn eigen positie en gemengde achtergrond van de Inlander. Als Europeaan was hij beter af, want zo werkte het nou eenmaal in die tijd. Toch vind ik dat, uiteraard met een moderne blik bekeken, best wel zonde. Maar ja, zoals de Hollander zijn gaf veel meer kansen in de koloniale samenleving. Dat hij nooit helemaal aan de Hollander gelijk zou zijn, werd wel duidelijk toen hij “repatrieerde” naar Nederland.

Weer terug naar nu. Wat moet ik met die erfenis? Ik zou de koloniale periode hard kunnen veroordelen en me distantiëren van die erfenis. Want een plek in de hierarchie op basis van je afkomst, druist in tegen mijn (en ik neem aan ieders) rechtvaardigheidsgevoel. Ik zou het ook kunnen accepteren en het daarbij laten. Zelf heb ik er immers geen rol in gespeeld. Ik weet het niet…. We leven inmiddels in een andere tijd, met een heel andere tijdsgeest. Toch heeft niet alleen iemand met een Indische achtergrond, maar iedereen in Nederland op de een of andere manier iets te maken met de koloniale erfenis. Al is het alleen maar de welvaart waarin we nu leven. Hoe dan ook, het kolonialisme werd godzijdank meer dan 60 jaar geleden afgeschaft. Laten we daar in ieder geval blij mee zijn.

Oud en Jong – Herinneren en Beleven

Amsterdam, 14 april 2008
door Ed Caffin

Eind 2007 en begin 2008 was ik bij een paar thema-bijeenkomsten in Indisch Herinneringscentrum Bronbeek, georganiseerd door werkgroep “Indisch Erfgoed Apeldoorn” (IEA). De werkgroep stelt zich ten doel “de culturele erfenis van het voormalig Nederlands-Indië te behouden, bekendheid te geven en verder te ontwikkelen voor de huidige en volgende generaties”. Het waren goed georganiseerde en druk bezochte bijeenkomsten, de laatste keer zelfs met tientallen mensen op een wachtlijst. In het publiek zag ik steeds vooral de grijze haren van de oudere Indische generaties. Mensen die nog weten hoe het in Indië was en die de Indische cultuur in Nederland de afgelopen 50 jaar gedefinieerd en gedragen hebben.

Maar steeds vroeg ik me hetzelfde af: waar zijn de jongeren? Waar zijn de volgende generaties, die de Indische cultuur moeten doorgeven? Ben ik samen met het handjevol andere jonge Indo’s de enigen van de “nieuwe generatie” die oprecht geïnteresseerd zijn? De anderen voelden zich daardoor wellicht net als ik in eerste instantie meer toeschouwer dan deelnemer. Ik keek met plezier naar heftig meeknikkende hoofden in het publiek als de spreker iets treffends zei over de Indische cultuur: “…ja, en dan zei mijn moeder natuurlijk weer, soedah, laat maar!” en genoot van het opgewonden gefluister bij het zien van een foto van een bekende plek “ja, zeg, dat is de Darmobuurt in Soerabaja! Daar hebben wij gewoo-oond!”

Ik vond de bijeenkomsten geweldig, maar doordat ik bijna alleen maar ouderen zag bekroop me onherroepelijk het gevoel van hoe lang zal dit er nog zijn? En ik was vast niet de enige. Als hier bijna geen jongeren op af komen, is het Indisch zijn dan op sterven na dood? Als onze opa’s en oma’s en vaders en moeders er straks niet meer zijn is er dan geen Indische cultuur meer? Wordt het stokje hierna niet meer overgenomen?

Nee, dat geloof ik niet. Er zijn namelijk veel jongeren die wel degelijk geïnteresseerd zijn in hun Indische achtergrond, en die dat koesteren. Maar de meesten zijn er op een heel andere manier mee bezig en gaan naar andere plekken. Bijvoorbeeld naar virtuele ontmoetingsplekken zoals Hyves. ‘Indo zijn’ lijkt hier een hype: binnen een paar jaar zijn hier tientallen communities ontstaan van soms meer dan drieduizend jonge Indo’s. Hieronder een indrukwekkend rijtje:
http://indos.hyves.nl/
http://indonesia1.hyves.nl/
http://gordelvansmaragd.hyves.nl/
http://pasarmalambesar.hyves.nl/
http://indoweb.hyves.nl/
http://nederlands-indie.hyves.nl/
http://moesson.hyves.nl/
http://hippe-indowz.hyves.nl/

Het zijn allemaal plekken waar Indo’s willen laten zien en bespreken wat Indo zijn voor hen betekent: ontwerpen uitwisselen voor tattoos, discussiëren over de vraag of je pinda genoemd mag worden, samen naar musea, of makanans organiseren en naar Indo parties gaan. Is dit dan de nieuwe manier om met Indisch zijn bezig zijn? Ja, ik denk dat dit soort activiteiten een groot deel van de nieuwe Indische cultuur vertegenwoordigt. Indisch zijn is niet alleen het herdenken en koesteren van wat ooit was, maar op een eigen, nieuwe manier het Indo zijn beleven: samen feesten, eten, drinken, praten en discussiëren.

Dat is allemaal ook ontzettend leuk en belangrijk, maar er gebeurt meer. Dingen die niet meteen zo zichtbaar zijn. Sommige jonge Indo’s durfen eindelijk hun ouders of grootouders de vragen te stellen die nog nooit gesteld of beantwoord zijn, en doorbreken daarmee bepaalde Indische (familie)taboes en herontdekken de complexe Indische geschiedenis. Velen gaan met familie en vrienden of op hun eigen houtje naar Indonesië om te voelen waar hun ouders en grootouders vandaan komen. En ik ken meerdere Indo’s die een tijdens hun studie onderzoek deden naar Indische thema’s zoals de Indische diaspora, de nieuwe Indische identiteit in Nederland en de repatriëring. Jongeren die meer willen weten over de geschiedenis, zelf vragen gaan stellen en beantwoorden en geen “soedah laat maar” meer willen horen.

Want het historisch besef is over het algemeen mager. Ook lange tijd was dat bij mij zo. Want net als de meeste anderen kreeg ik tijdens de geschiedenisles een veel te beperkt en te ongenuanceerd beeld over de koloniale geschiedenis en Nederlands-Indië. We hoorden daar nauwelijks iets over en dat vind ik eigenlijk schandalig. Het ergste is nog, dat dat voor zover ik weet nog steeds zo is. Dus ja, dan maar zelf uitzoeken. En wat voor dingen zouden jongeren dan willen weten? Volgens mij leven bij veel Indo’s vragen als Wat is precies het verschil tussen Indië en Indonesië? Waarom gingen mijn ouders eigenlijk precies naar Nederland? Waarom noemt men dat repatriëren? Maar ook vragen die veel verder gaan dan dat: Waarom Waarom zeiden ze weinig over die tijd? Wat was de reden dat ze zich zo ontzettend probeerden aan te passen aan de Nederlandse cultuur? Waarom kregen mijn ouders en grootouders in hun ogen niet de herkenning die zij wilden?

Dit soort vragen zijn belangrijk en dragen bij aan de vorming van een eigen identiteit die te maken heeft met zowel de Nederlandse geworteldheid als de Indische achtergrond van de 3e en 4e genetatie. Ik denk dan ook dat er geen genuanceerd Indisch zijn mogelijk is als je de geschiedenis niet kent. De jongeren van nu, en dus niet alleen Indo’s, moeten alleen op andere manieren worden bereikt. Liever geen stoffige archieven in de kelders van grijze musea of lange lezingen waarin de taal van de jongeren niet wordt gesproken. Daarom ben ik blij dat er steeds meer wordt georganiseerd voor Indische jongeren tijdens festivals zoals Pasar Malams, ja, maar dan ook graag door jongeren en op een jonge manier. Jongeren bereiken via tijdschriften, natuurlijk, waarom niet? Maar laat de derde en vierde generatie Indo daar dan ook zijn belevenissen in schrijven en de vragen stellen die zij beantwoord willen zien. Herinneringscentrum Bronbeek: ja, ook. Laat jongeren meebeleven wat Indische cultuur is. Samen met de oudere generatie. Maar ook hier is het belangrijk om aansprekend genoeg te zijn voor een jong publiek.

De Indische cultuur moet (straks) gedragen gaan worden door de jongere generatie. Jongeren moeten daarom meer worden aangesproken en er moet meer ruimte worden gecreëerd voor het geluid van jonge Indo’s die een plek zoeken om met Indisch zijn bezig te zijn. Een voorbeeld is deze blog… Indo’s van de derde en vierde generatie: wees actief, stel je vragen, zoek de informatie die je wilt en vooral: laat je horen!

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.

Herdenken ja – maar wanneer?

Dit jaar ben ik voor het eerst bij de herdenking van de capitulatie van Japan geweest, op 15 augustus 1945. Die datum was de Tweede Wereldoorlog in Indonesië officieel afgelopen. De setting, de Waterpartij in Den Haag, was prachtig en het was indrukwekkend om het mee te maken. Ik vroeg me alleen af waarom ik er niet eerder was geweest, terwijl ik al mijn hele leven in Den Haag woon.

De spreker die mij het meest aansprak was Willem Nijholt. Temidden van veteranen, oorlogsslachtoffers en nabestaanden sprak hij over de verschrikkingen die hij en zijn familie hadden meegemaakt. Hij sprak uit dat hij de Jap nooit zou kunnen vergeven, al was het maar omdat het Japanse volk nog steeds niet om vergeving had gevraagd.

Op de fiets naar huis verbaasde ik me erover dat ik er nooit eerder bij was geweest. Ik woon in Den Haag, al bijna mijn hele leven. Ik ben Indisch, al mijn hele leven. Mijn grootouders, die de oorlog zelf hebben meegemaakt, woonden ook in Den Haag. Maar nooit nooit nooit ben ik met hen daar geweest. En opeens herinnerde ik me waarom.

Ik herinnerde me dat, toen mijn opa nog in leven was, ik hem wel eens gevraagd had waarom hij niet naar de herdenking ging. Hij vertelde me dat hij tot december ’45 in het kamp had gezeten en dat 15 augustus voor hem helemaal niet het einde van de oorlog was geweest. Daarom ging hij niet.

Al fietsende zette dat me aan het denken. De ellende in Indonesië hield niet op na de Tweede Wereldoorlog. Daarna begon namelijk de bersiap, de vrijheidsstrijd, waardoor veel geïnterneerden in de kampen moesten blijven. Voor hen werd het alleen maar erger. Waarom? Omdat de Jap, die hen drie jaar lang het leven tot een hel had gemaakt, na de ‘bevrijding’ opeens hun beschermheer werd en hun vertrouwde Indië hen niet langer welkom heette.

Ter vergelijking – moet je je voorstellen dat je (groot-)ouders na de Duitse capitulatie in Auschwitz hadden moeten blijven en bescherming hadden moeten krijgen van de Duitsers. Dat is een verschrikking. De mensen die je vreesde, werden je beschermheren. Het moet de wereld op zijn kop zijn geweest. En het moet een intens gevoel van onveiligheid hebben gegeven. Want als je martelende, afslachtende, wrede, verkrachtende bezetter opeens je beschermer werd, wat moest er dan in vredesnaam wel niet gebeuren aan de andere kant van de kampmuren?

Thuis aangekomen vroeg ik me af wanneer al die ellende dan wel over was. Wat was de dag waarop mijn opa – en vele andere Indische Nederlanders – zijn bevrijding vierde? Welke dag moet ik nou eigenlijk herdenken?

Ik zette het journaal aan en tot mijn verrassing zag ik mezelf op het NOS Journaal bloemen in het monument neerleggen. Het waren witte bloemetjes. Rood leek me niet gepast, oranje ook niet (gezien de afwezigheid van het Koningshuis een juiste keuze), maar wit, de kleur van reinheid, wedergeboorte, een nieuw begin, dat was de enige kleur die bij vandaag paste.

Een nieuw begin. Is dan het moment waarop mijn familie een nieuw begin kon maken de dag van hun bevrijding? Was dat hun aankomst in Nederland, in 1958, toen zij door Indonesië het land uitgezet waren? Ik weet het niet. Maar ik hoop het wel.

————————————————————————————–

Deze blog verscheen eerder op www.kirstenvos.nl