Gelderse twisten

Ik zal de laatste zijn die zegt te weten wat er in Culemborg zó mis is gegaan, dat sinds de jaarwisseling de ‘Moluks-Marokkaanse oorlog’ de actualiteiten beheerst. Want ik was er niet bij. Ik zal ook de laatste zijn die weet wat de oplossing is. Want ik heb nul ervaring met dit soort conflicten. Maar ik wil zeker niet de laatste zijn die nadenkt over wat er gebeurt in het oosten van ons land. Waarom hechten leiders uit Nederlandse, Molukse én Marokkaanse kringen er zoveel waarde aan te benadrukken dat dit geen etnisch conflict is?

Fotografie: Ed Caffin

Welkom in Culemborg

Dat is overigens niet het enige dat me opvalt aan deze Nieuw-Gelderse twisten. Het is walgelijk en hypocriet om te zien hoe veel steun de Molukkers krijgen en hoe weinig daarvan de Marokkanen ten deel valt. Gratis krant De Pers vertelt: “Veel Nederlanders kiezen enthousiast de kant van de Molukkers, ‘die als enigen de Marokkanen durven aan te pakken.”

Pakweg veertig jaar geleden kregen Molukkers nog dezelfde behandeling als de Marokkanen nu. Vanuit die parallel verbaast het me daarom niets dat onlangs in de Volkskrant stond dat ‘Marokkanen de nieuwe Molukkers’ zijn. Zo bekeken is de positieve kant wel dat over veertig jaar de Nederlandse bevolking juicht wanneer de Marokkanen slaags raken met een nieuwe bevolkingsgroep – ook al is de historische en culturele band die beide groepen met Nederland hebben natuurlijk niet te vergelijken.

Ik ben niet de enige die de waardering voor het Molukse optreden in Culemborg wantrouwt. De Pers vervolgt: “Veel Molukkers wijzen de ‘steun’ af. ‘Vroeger waren wij de zondebokken, en nu zijn we opeens de helden’, reageert een Molukker. (…)‘Op school leerden jullie niks over ons. En nu willen jullie opeens weten wie we zijn?”

Verbazingwekkend vind ik de moeite die ‘vertegenwoordigers’, zoals onlangs in de Volkskrant, doen om te benadrukken dat de nieuwe variant op taart gooien geen etnisch conflict is. “Het zijn géén Marokkanen tegen Molukkers. Wat je ziet is wat je in elke jeugdcultuur ziet: jongeren die tegenover elkaar staan. (…) In de kern gaat het om rotzakken, toevallig van Molukse afkomst, die vechten met andere rotzakken, toevallig van Marokkaanse afkomst.”

Welkom in Terweijde

Géén Marokkanen tegen Molukkers? Een forumbijdrage uit het begin van het conflict als “Wat komen jullie marokkanen praten man! we moeten die marokkaanse wijk aanvallen met KAPMESSEN EN ZWAARDEN! net zoals toen in leerdam, dan is alles afgelopen…jullie doen stoer met 2000 marokkanen tegen 300 molukkers, ” is volgens mij namelijk best racistisch.

Waarom is het zo belangrijk dat dit geen etnisch conflict is? Omdat Nederlanders er dan niets meer van begrijpen? Ik hoor ze al: “We hebben al genoeg problemen tussen allochtonen en autochtonen. Wat moeten we in vredesnaam doen nu die allochtonen onderling op de vuist gaan?” Of zijn diezelfde vertegenwoordigers bang zijn dat dit incident aanleiding vormt voor kritiek op het immigratiebeleid, zoals Hannes, Den Haag | 12:00 | 05.01.10 doet? In dat geval raad ik ze aan toch maar eens de intro van het boek ‘Alleen maar nette mensen’ van Robbert Vuijsje te lezen.

Linggadjati, brug naar de toekomst’ maakt nieuwsgierig naar Soetan Sjahrir

‘Vergeten staatsman’ Soetan Sjahrir was een van de grondleggers van het vrije Indonesië. In het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst’ krijgt hij speciale aandacht. Het is een bescheiden biografische schets over zijn leven, geplaatst binnen de context van de politieke omwentelingen in Indonesië. Het maakt nieuwsgierig naar meer inkijk in het leven van Sjahrir.

Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009) Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009)

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Soetan Sjahrir (1909-1966) gehoord toen ik het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst – Soetan Sjahrir als een van de grondleggers van het vrije Indonesië’ in handen kreeg. Beetje gênant misschien, maar hij wordt niet voor niets de ‘vergeten’ Indonesische staatsman en socialist genoemd. Dit boek is, tegelijk met een DVD en een tentoonstelling, uitgebracht in Sjahrir’s honderdste geboortejaar. In het boek beschrijven Frederik Erens (historicus) en Adrienne Zuiderweg (onderzoekster en publiciste) zijn levensloop, die zij plaatsen in de context van de politieke en sociale ontwikkelingen in het Indonesië van voor en na de Tweede Wereldoorlog. (Waarbij er helaas een fout in de inleiding is geslopen: de Proklamasi was toch in 1945?)

Onoverbrugbare tegenstellingen
Linggadjati gaat over de totstandkoming van het Akkoord van Linggadjati in 1946. Een van de sleutelfiguren was de toenmalige premier Sjahrir, een van de ondertekenaars. Het was een poging tot vreedzame oplossing van het Nederlands-Indonesische conflict. Toch liep het akkoord, dat gesloten werd in een gelijknamig bergdorpje op Java, uit op een fiasco. De Nederlandse regering zag ‘Linggadjati’ als tijdwinst om alsnog grip op de kolonie te krijgen. De Indonesische onderhandelaars zagen het akkoord ook als tijdwinst, maar dan om Indonesiërs ervan te overtuigen dat hun land één republiek moest worden. Deze strijdige belangen bleken een onoverbrugbare tegenstelling te zijn. De achterbannen aan Indonesische en Nederlandse zijde bleven wantrouwig, de Eerste Politionele Actie volgde een jaar later.

Verkeerde been
Toen ik de cover van het boek zag – een tekening van striptekenaar Peter van Dongen – dacht ik: ‘Ha! Een stripversie van de verhalen over het akkoord van Linggadjati, dat is interessant. Een boek om in te bladeren en wat te lezen, met een harde kaft en het formaat van een klein prentenboek!’ Bij het openslaan bleek dat ik op het verkeerde been was gezet. Linggadjati, brug naar de toekomst is een historisch overzicht, toegankelijk vormgegeven, maar serieus van aard met veel feiten, afkortingen en jaartallen. Als je kritisch naar het boek kijkt kun je dus zeggen dat vorm en inhoud niet bepaald op elkaar aansluiten. Bovendien: is het nu een historisch overzicht over de stappen naar het Akkoord van Linggadjati, een biografische schets van leven en werk van Sjahrir of een wetenschappelijk getint boek over de opkomst van het Indonesische nationalisme vol jaartallen?

Meer Sjahrir!
In het laatste hoofdstuk staat dat het Indonesische ministerie voor Buitenlandse Zaken een stripboek heeft uitgegeven voor de jeugd: ‘De strip toont hoe Indonesië en Nederland in Linggadjati op vreedzame wijze hebben geprobeerd een oplossing te vinden, waarbij ze elkaars standpunten en waarden respecteerden.’ Misschien moet ik die ook maar eens gaan lezen. Om te beginnen. Want verdienste van het boek is absoluut dat het interesse wekt voor deze bijzondere figuur, Soetan Sjahrir. Zijn leven en werk waren nauw verweven met Indonesië en met Nederland, waar hij zijn opleiding volgde, en zijn sterke idealen werden hem niet in dank afgenomen. Soetan Sjahrir werd eerst verbannen door de Nederlandse regering en later gevangen gezet door zijn voormalige politieke vriend Soekarno. Toch heeft de in Leiden geschoolde staatsman altijd vastgehouden aan zijn idealen van een democratische, socialistische samenleving. Wrang dat er desondanks nog twee oorlogen en vele slachtoffers nodig waren om daadwerkelijk een vrij Indonesië te krijgen.

Tip: Onlangs wijdde Andere Tijden een uitzending aan Sjahrir en het akkoord van Linggadjati, met historische beelden om van te smullen.

Bestel het boek

Oproep om erkenning 17 augustus overbodig?

Het is vandaag 60 jaar geleden dat de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië plaatsvond. Een recente oproep in de aanloop hiernaartoe, in NRC, is op het eerste gezicht helder: “Regering! Erken 17 augustus 1945 als de datum van de Indonesische onafhankelijkheid!” Na de brief beter gelezen te hebben, van Peter de Reuver, Nico Schulte Nordholt, Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Joty ter Kulve, Claudine Helleman, Norbert van den Berg en Jan Hendrik Peters aan de Nederlandse regering, blijf ik echter met één grote vraag zitten. Wat vragen de briefschrijvers precies aan de Nederlandse regering?

17aug45De uitgebreidere oproep in de op 21 december 2009 gepubliceerde brief is “om 27 december 1949 voortaan te zien als de datum waarop de soevereiniteit haar juridisch beslag kreeg, daarbij volledig erkennend dat de onafhankelijkheid al vanaf 17 augustus 1945 een politiek feit is.” Naar aanleiding daarvan, ben ik op zoek gegaan naar de speech die Ben Bot heeft uitgesproken bij de viering van 60 jaar onafhankelijkheid in Indonesië. Het resultaat: volgens mij heeft Nederland allang gezegd dat de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 een politiek feit is.

Natuurlijk, ik was en ben het grondig eens met de briefschrijvers. Nederland hoort de datum waarop Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard heeft, volledig te erkennen. Nederland heeft Indonesië verloren, erkenning van 17 augustus 1945 is niet meer dan een politieke, morele en historische rechtvaardigheid. Ik had de indruk dat die omarming niet had plaatsgevonden. Voor zover ik weet staat in de geschiedenisboekjes nog steeds dat Nederland het tot 27 december 1949 in Ind(ones)ie voor het zeggen had, terwijl daar eigenlijk de datum van de Proklamasi zou moeten staan. Daarnaast meende ik me te herinneren dat Ben Bot in 2005 als minister van Buitenlandse Zaken in 2005 alleen impliciet gezegd had dat de Nederlandse regering 17 augustus 1945 accepteert.

Die herinnering leek niet te kloppen, althans niet helemaal. ‘Nederland accepteert onafhankelijkheidsdatum Indonesië‘, meldde NOVA op 15 augustus 2005. Dit blijkt uit een passage uit de op 15 augustus 2005 uitgesproken speech van ex-minister Bot (Buitenlandse Zaken) en in de uitzending te zien is: “Ik zal met steun van het kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato – dit feit in politieke en morele zin aanvaarden.” Ook andere politici zagen deze uitspraak als erkenning. Natuurlijk, ‘het besef bestaat’ en ‘de facto’ klinken als een juridische slag-om-de-arm. Maar toch – ik krijg de indruk dat de Nederlandse regering al in 2005 voldaan heeft aan de oproep om erkenning. Waar komt dan de behoefte bij zoveel prominenten vandaan om alsnog deze oproep te doen?

Lezing van de Nederlandse versie op regering.nl, gaf mij daar een eerste hint voor en verklaart mijn herinnering van een impliciete in plaats van een expliciete erkenning. De uitgeschreven versie laat een subtiel, maar opvallend verschil zien met de uitgesproken tekst: “dat wij – zestig jaar na dato – dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden”. Ruimhartig. Zou dit betekenen dat de Nederlandse regering hiermee geen volledige erkenning wilde geven, maar minister Bot anders gekozen heeft? De speech die uitgesproken wordt, is de officiële versie, weet ik beroepshalve. Zou Ben Bot er bewust voor gekozen af te wijken van de officiële tekst en zonder steun van het kabinet gezegd hebben 17 augustus te willen aanvaarden als de datum van onafhankelijkheid?

Die redenering wordt nog eens onderstreept als ik de Engelse speech lees die hij in Indonesië uitgesproken zou hebben op 17 augustus 2005: “This is the first time since Indonesia declared its independence that a member of the Dutch government will attend the celebrations. Through my presence the Dutch government expresses its political and moral acceptance of the Proklamasi, the date the Republic of Indonesia declared independence.” Helaas kan ik niet checken of hij deze tekst ook daadwerkelijk uitgesproken heeft, gezien de inhoud van die toespraak vind ik het redelijk om te geloven dat dit het verhaal is dat het Indonesische volk in 2005 heeft gehoord.

Toch denk ik dat dat ene woordje niet zo heel veel uitmaakt, want in het persbericht van 15 augustus staat te lezen: “Minister Bot zal in Jakarta de viering van de onafhankelijkheidsverklaring door Indonesië op 17 augustus 1945 bijwonen. Zijn aanwezigheid daar mag worden gezien ‘als een politieke en morele aanvaarding van die datum‘. Dit zei minister Bot (Buitenlandse Zaken) ter gelegenheid van de herdenking van 15 augustus 1945 bij het Indië-monument in Den Haag. Minister-president Balkenende legde een krans bij het monument.”

Terug naar de oproep. Zeker nu ik opnieuw gehoord, gezien en gelezen heb wat er in 2005 gezegd is, vraag ik me af wat de briefschrijvers van de Nederlandse regering vragen dat zij niet al in 2005 heeft gedaan bij monde van Ben Bot. Is er iemand die me dat kan vertellen? Gaat het inderdaad om de volledigheid van die erkenning? En – wat voor verschil maakt die volledigheid dan? Zal de datum van onafhankelijkheid van Indonesië in de geschiedenisboekjes en het collectieve geheugen van Nederland dan eindelijk veranderen?

Overigens, ter geruststelling van Van Dis, Ter Kulve en de anderen, een zorg die zij uitspreken blijkt ongegrond: “De gevoeligheid van de veteranen voor deze kwestie is zeer begrijpelijk; zij hebben zware offers gebracht in opdracht van de toenmalige Nederlandse regering.” In de NOVA-uitzending vertelde Minne Vis, voorzitter van de Indië-veteranen (VOMI), dat die gevoeligheden in 2005 al niet meer bestonden. “[Voor erkenning van 17 augustus] heb ik volledig begrip. (…) Is het niet veel beter om maar gewoon te zeggen, Indonesiërs hebben hun eigen dag van 17 augustus? Dat is een Indonesische zaak, niet van Nederlanders. En Nederlanders geloven dat ze juridisch het pas overgedragen hebben op 27 december. Dat zijn de feiten.”

Tip: Volg de reacties op de oproep op NRC.nl.

De allesbepalende kracht van Indische (haar-)wortels

RootsWilders is een Indo. En het zijn die Indische roots die grote invloed hebben op de politieke ideologie die de Limburgse politicus nu uitdraagt, betoogde bestuurskundige en antropologe Lizzy van Leeuwen. Maar wacht even. Bepalen je Indische roots zó’n groot deel van wie je bent en waar je voor staat?

De PVV-leider zou zijn haar niet zomaar blond verven, hij doet dit om zijn afkomst uit een Indisch geslacht te verhullen. Lizzy van Leeuwen schildert Wilders af als een ‘postkoloniale revanchist’ die wreker is van zijn Indische grootouders. Hij zou er ongeveer dezelfde politieke standpunten op na houden als de conservatieve en koloniale politici van vijftig jaar geleden. Die wilden destijds het liefst terug naar de tijd van vroeger. Wilders is net als zij gericht op versterking en behoud van de Nederlandse dominantie, waarden en cultuur.

Lizzy van Leeuwen gaat er vanuit dat Wilders’ Indische wortels zeer bepalend zijn voor hoe hij handelt. Zijn frustratie over wat er met zijn grootouders is gebeurd in Nederlands-Indie , komen tot uiting in zijn politieke standpunten, meent zij. Zo probeert ze te verklaren hoe het omt dat Wilders pleit voor behoud van ‘de eigen dominante cultuur’, en het terugdringen van de islam. Maar of dat nou ingegeven is door zijn Indische achtergrond?

Dezen en genen
Rond mijn dertigste ben ik gaan zoeken naar wat mijn Indische wortels nou eigenlijk inhouden, wat ze voor me betekenen. Op basis van die zoektocht heb ik de voorstelling ‘Deze en genen’ gemaakt en gespeeld. De titel sloeg op een soort verontwaardiging van mijn kant: blijkbaar zit die Indische kant zo in je genen, dat je er niet omheen kan. Als derde generatie Indo heb je in principe niets met de oorlog te maken, je groeit op in een land waar vrede is. Maar toch krijg je altijd iets mee van de oorlogstrauma’s die leven bij je voorouders. Al is het maar het zwijgen erover, het onuitgesproken verdriet.

Die overgeërfde oorlogsproblematiek sijpelt dus nog een generatietje door, in mijn geval. Mijn opa, die overleed toen ik vier jaar was, heeft ooit aan de Birma spoorlijn moeten werken als dwangarbeider, zoals zovelen in die tijd. Hij overleefde het, maar heeft er nooit iets over verteld, zelfs niet aan mijn oma of vader. Als kleindochter wist ik dus niets van wat hij daar had meegemaakt. Maar ik voelde er wel iets van. En daar heb ik uiteindelijk in mijn professionele leven iets mee gedaan.

Met dit betoog impliceer ik dat je roots inderdaad bepalend zijn voor wie je bent, wat je drijfveren zijn, waarom je dingen doet. Maar hoe zit het dan met de andere componenten waar mijn wortels uit zijn opgebouwd? Net zo goed als dat Wilders naast Indo ook Limbo is, heb ik naast Indische (van mijn vaders kant) ook Arnhemse wortels (mijn moeder werd geboren in Arnhem) en zelfs een link met Zeeland (mijn oma van moederskant groeide op in een hotel in Den Briel). Bovendien heb ik van mijn vijfde tot mijn zeventiende jaar in Bovensmilde gewoond, zie daar: Drentse invloeden.

Exotisme
Mijn vader, geboren in Batavia in 1938, noemt het ‘exotisme’, die focus op wat anders is, wat afwijkt. Weliswaar was hij zeer gevleid met de aandacht die ik door middel van theater heb besteed aan zijn Indische achtergrond, maar hij werd wel wat brommerig als ik die Indische kant teveel benadrukte.

Indië is wellicht exotischer om het over te hebben dan Nederland. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het interessanter vind om te vertellen over een achtergrond die bestaat uit wuivende palmen, krontjongmuziek en schommelstoelen op de veranda, dan over de wortels die ik heb in de koude Nederlandse kleigrond. Terwijl eigenlijk ook de Hollandse kleigrond mooie verhalen oplevert. Voor mij heeft Indie ook een link met het theater, omdat mijn oma in Indie vroeger al overal enthousiast optrad op elk podium dat ze kon vinden.

En dan nog iets: ik heb opvallend veel vriendinnen die ook een link hebben met Nederlands-Indië. En we hebben elkaar niet eens ontmoet op de Pasar Malam, oh nee Tong Tong Fair. Vaak kwamen we er pas na een tijdje achter, als we elkaar beter leerden kennen, dat die link met Indië bestaat. Het voelt meteen al vertrouwd, er hoeft op een bepaalde manier niet zo veel uitgelegd te worden. En zo beland ik toch weer bij dat moeilijk te benoemen, niet rationeel te verklaren gebied waar je al snel in wegzakt als je zoekt naar je identiteit als Indische Nederlander.

Het gebied waarin je van elkaar snapt dat je soms met tranen in je ogen over die Tong Tong Fair kan lopen. En dat het zo opvalt als je dan weer buiten staat en op de trein stapt. Dan moet je altijd even schakelen. Zo open en vriendelijk als mensen op de overdekte Indonesische markt met elkaar omgaan, dat werkt niet meer als je in de rij staat voor een strippenkaart op Den Haag CS. Dan moet je toch weer terug je hok in.

Inderdaad, ik ben een Indo. En mijn Indische familiegeschiedenis heeft zeker invloed op wie ik nu ben. Maar het is niet allesbepalend voor mij of mijn werk. Liever niet! Dan zou ik alleen maar voorstellingen maken over Indie, begeleid door krontjongmuziek. Ook bepalend voor wie ik ben zijn mijn Arnhemse, Den Brielse en Bovensmildense roots. Amsterdam, waar ik nu alweer 16 jaar woon, is ook van invloed. En wie ik ben is, naast door mijn genen en mijzelf, ook mede mogelijk gemaakt door: mijn geliefde, vrienden, juffen, meesters, docenten, regisseuse, coaches, toevallige passanten in de tram, buren en misschien zelfs wel woestijnrat Jerry. Zo ingewikkeld is dat, die identiteit.

Tropische storm Wilders

rijstevlaai

Geert Wilders is Indo en zijn achtergrond speelt mogelijk mee in zijn gedachtegoed. Dat is zo’n beetje  de strekking van het verhaal van Lizzy van Leeuwen in de Groene Amsterdammer van 3 september. Met dat artikel beoogt de Indische wetenschapper aan te geven hoe Nederland Wilders een plek kan geven. Een interessante vraag; voor velen zou het een grote opluchting zijn om eindelijk een passend antwoord te hebben op het ‘fenomeen-Wilders’. De psychologie van deze bestuurskundige antropologe schiet daarvoor echter tekort.

door Ed Caffin en Kirsten Vos

Dat het nu bewezen is dat Wilders Indo is, boeit niet zo. Er zijn wel meer Indo-Europeanen in de Nederlandse politiek. En voor de ‘verleidelijke conclusie’ dat Wilders met zijn extreme gedachtegoed zijn Indische voorouders wreekt, biedt Van Leeuwen een te simpel en weinig sluitend verhaal. Het ontstaan van deze radicale ideeën is daar toch echt te complex voor. Dat zijn Indische achtergrond mede heeft bepaald hoe hij tot dat gedachtegoed gekomen is echter wel interessant. Zijn gedachten passen bij oude koloniale superioriteitsgevoelens. En daarmee komen we bij een intrigerende uitspraak, die in De Groene helaas volledig ondergesneeuwd is.

De politicus uit Venlo heeft denkbeelden die zouden kunnen voortkomen uit de koloniale tijdsgeest van zijn grootouders. Doordat nauwelijks het debat gevoerd is over hoe Nederland als samenleving haar koloniale verleden kan verwerken, herkennen we geen ‘symbolen en retoriek die lange tijd gezichtsbepalend waren’ voor de VOC-mentaliteit. Als we deze uitspraak goed begrijpen, wil Van Leeuwen dus zeggen dat, als Nederland wel het postkoloniale debat had gevoerd, zoals België, Frankrijk en Engeland gedaan hebben, we allang een antwoord hadden gehad op Geert. Immers, in die landen zijn er wel rechtsdenkende politici zoals LePen en Dewinter, maar – vrij vertaald naar Van Leeuwen –  zijn dat mietjes als je ze vergelijkt met onze geblondeerde rijstevlaai.

Het vervelende is dat ook deze gevolgtrekking weinig soelaas biedt; zij is niet meer dan een hypothetische als-dan redenering. Hoogstens ondersteunt deze het pleidooi om alsnog een postkoloniaal debat te gaan voeren in Nederland, een conclusie die Van Leeuwen heeft getrokken in haar publicatie ‘Ons Indisch erfgoed’ (2008). In feite lijkt in De Groene Amsterdammer van 3 september dus te staan dat Geert Wilders bewijst dat Nederland nodig moet praten over zijn koloniale erfenis. Maar is de inhoud van het hele artikel echt relevant om tot die conclusie te komen?

Wilders als 18-jarige in een kibboets. Bron: www.geenstijl.nl
Wilders als 18-jarige in een kibboets. Bron: www.geenstijl.nl

Zeker. Het familieverhaal van Wilders is aangrijpend. De manier waarop zijn grootouders gestrand zijn in Nederland, zonder dienstverband, pensioen of andere zekerheden, doet denken aan het ‘wij konden niet anders’ van de repatrianten tien tot twintig jaar later. En natuurlijk is het niet onwaarschijnlijk dat zijn familiegeschiedenis een rol heeft gespeeld. Wilders kende zijn tevens deels mogelijk Joodse achtergrond ongetwijfeld, in elk geval in grote lijnen. Of is zijn ‘grote liefde’ voor Israel toeval? Het is trouwens niet ondenkbaar dat hij, als zoveel Indo’s, weinig tot niets gehoord heeft over zijn Indische wortels. Hoe dan ook. Zijn gemengde achtergrond had ook de ideale voedingsbodem kunnen zijn voor een juist grote tolerantie voor andere culturen. Wat is er misgegaan? Zou hij gepest zijn? Gefrustreerd? Anti-moslim geworden door zijn tijd in Israël? Of is hij vroeger om zijn oren geslagen met het gevoel voor humor van Nico Dijkshoorn en zijn vrienden?

En ja, het is schokkend dat sommige Indo-Europeanen dezelfde denkbeelden hebben als mensen die zich verzetten tegen élke etnische groepering. Maar is het onvoorstelbaar? Het simpele gegeven dat iemand een kleurtje heeft, of uit een ander land komt, wil nog niet zeggen dat hij een liberaal denker is. Veel oudere Indische Nederlanders zijn vrij conservatief. Een derde van de jonge Marokkanen vindt dat Marokkaanse Nederlanders het land uitgezet mogen worden als ze de wetten overtreden van het te softe Nederland. En voor degenen die ‘Alleen maar nette mensen’ (2009) van Robert Vuijsje hebben gelezen, is deze anti-vreemdelingenhouding alleen maar een begrijpelijk vervolg op de inleiding van dat boek.

Dan de uitspraak dat Wilders zijn haar blondeert, een ‘politiek symptoom dat ten onrechte niet serieus genomen wordt’, terwijl het tekenend is voor zijn ‘klassieke Indische identiteitsvervreemding’. Wil Van Leeuwen zeggen dat het blonderen hetzelfde is als al die Indo’s die hun achtergrond wilden verdoezelen? Dat zou kunnen. Maar is het niet een tikje overdreven om daar in dit artikel zoveel gewicht aan te verbinden?

Al met al lijkt het betoog te bestaan uit veel losse flodders om aandacht van lezers te trekken, en weinig uit wetenschappelijk onderbouwde uitspraken om een werkelijk nieuw inzicht te bieden in Geert Wilders. Op Indisch internet leidt het artikel nog steeds tot veel onrust, maar in de Nederlandse media is tropische storm Wilders alweer gaan liggen. En daarmee is dit artikel toch een beetje een klassiek geval van jammer. Want het zou best interessant zijn om te weten wat die Indisch-Limburgse Nederlander beweegt. Al is het voor Nederland vooral belangrijk om te weten wanneer het voor hem genoeg is en deze tropische storm helemaal uitgeraasd is.

Doe mij maar Europa

EuropaMet de Europese Parlementsverkiezingen in aantocht, realiseer ik me dat ik in mijn paspoort  bij nationaliteit het liefst ‘Europese’ zou hebben staan. Ik zou me daar meer in herkennen dan in ‘Nederlandse’. Dat heeft er allereerst mee te maken dat ik me regelmatig schaam voor wat in dit bekrompen, luidruchtige Nederland gemeengoed is. Asielzoekers in leegstaande gevangeniscellen plaatsen, het heilige streven naar Zuinigheid en de afstompende botheid zijn daar maar een paar voorbeelden van. 

Maar ik zou de Europese nationaliteit vooral willen dragen omdat die mijn afkomst veel beter weerspiegelt dan de Nederlandse. Ten eerste is Europa is de helft van de reden dat wij de naam Indo-Europeaan dragen; zoals elke Indo heb ik een aardige West-Europese delegatie in mijn stamboom. Daarnaast voel ik me vanwége die afkomst meer op mijn plek in een samenleving die bestaat uit een breed scala van volken en culturen, dan eentje van oranje eenheidsworst.

Toch hoor ik maar weinig over derde generatie Indo’s die op reis gaan naar het land van hun Europese voorvaderen. Naar Indonesië wel. Ook ik ben inmiddels aan het sparen voor een rootsreis naar het land van mijn ouders. En ja, ook ik voel een band met Indonesië, ondanks dat ik in Nederland geboren en getogen ben. Maar ik voel me ook verbonden met Schotland, Duitsland en Portugal, waar mijn voorvaderen vandaan kwamen.

Vroeger was het in Indische kringen gebruikelijk  om je voor te staan op je Europese afkomst. Het was  in die tijd not done om over jezelf te zeggen dat je een Indo was. Tantes van mij vertelden daarom dat ze Italiaans waren; dat was chique en geloofwaardiger dan Hollands, want ze leken natuurlijk in de verste verten niet op Dik Trom.  Lijkt het maar zo of zijn we tegenwoordig eerder geneigd onze Indonesische wortels te benadrukken dan de Europese?

De voorkeur voor Indonesië ten opzichte van Europa bij jonge Indo’s kan je eenvoudig verklaren. Het is de plek waar onze ouders geboren zijn. Dat land is een vanzelfsprekendere start voor het verkennen van je achtergrond dan in meerdere Europese landen op zoek gaan naar sporen van voorouders die om schimmige redenen naar Nederlands-Indië gekomen zijn. Het is in Indonesië al moeilijk zoeken, maar waar moet je in hemelsnaam beginnen in Portugal?

In hoeverre speelt bij de keuze van het land waarin we onze rootsreis uitvoeren, trouwens mee dat de Europese kant de ‘foute kant’ was? Als ik kijk naar mijn familie, dan is het niet onwaarschijnlijk dat door toedoen van mijn Europese voorouders minstens één Sumatraan, Atjeeër, Javaan of andere Aziaat het leven gelaten heeft. Europeanen waren de koloniale heersers in Azië, de meeste Schotten en Duitsers kwamen naar Indië als huurlingen van de VOC en de Portugezen waren heer en meester in Indië en omgeving voordat de VOC er zijn vlag plantte. 

Maar vertel, hoe zit jij hierin? Ben jij ooit van plan naar het land van je Europese voorouders te gaan, op zoek naar een de vertakkingen van je wortels?

De lach van Sa’ih

Het derde verhaal uit Indonesië gaat over de behoefte aan erkenning, excuses en compensatie van tien Indonesiërs, en in het bijzonder Pak (vader/meneer) Sa’ih, die de Nederlandse staat aanklaagden voor de moord op hun dierbaren en andere bewoners van het toenmalige Rawagede door het Nederlandse leger op 9 december 1947.

Ter verantwoording: Het verhaal als geheel is gebaseerd op verschillende aangehaalde artikelen, gesprekken met betrokkenen (waaronder Pak Sa’ih) en mijn ervaringen in het dorp, dat ik in oktober bezocht.

Indonesië, december 2008

door Ed Caffin

Vandaag wordt in Balongsari, West-Java, de massamoord herdacht die het Nederlandse leger hier precies 61 jaar geleden beging. Als het goed is, is de Nederlandse ambassadeur in Indonesië aanwezig bij die herdenking. Misschien staan ze wel naast elkaar; ambassadeur Nikolaos van Dam en Pak Sa’ih Bin Sakam, de enige overlevende van de slachting, beiden stilzwijgend kijkend naar het grote, sobere monument. Erachter, net zichtbaar vanaf de weg, liggen de graven van de honderden onschuldige mannen die werden doodgeschoten.

Op 9 december 1947 was het leger op zoek naar een Indonesische vrijheidsstrijder die zich de dag ervoor nog schuilhield in het dorp, dat toen Rawagede heette, en toen ze hem niet konden vinden executeerden zij vervolgens meedogenloos de meeste mannen en jongens uit het dorp, in totaal meer dan 400. Velen van hen waren jong, zoals Sa’ih, tieners en twintigers nog. Hij, nu 87 jaar, overleefde het bloedbad door puur geluk: de kogels misten zijn vitale organen en terwijl hij zich stilhield tussen de lijken, verdwenen de soldaten langzaam uit het dorp.

Sa’ih zit elke dag op een stenen bankje voor het monument, zijn ogen glinsterend vanonder zijn zwarte, vilten hoed. Een glimlach siert zijn oude gezicht. Vandaag is hij vast en zeker prominent aanwezig bij de herdenking rond het monument. Ik vraag me af of hij weet heeft van het politieke gesteggel in Nederland met als uitkomst dat dit jaar de ambassadeur bij de herdenking aanwezig is. Zelf had hij het liefst gezien dat de soldaten van toen waren terugkomen om samen te herdenken. Verlangend naar verzoening had hij dat, samen met de andere nabestaanden, gevraagd. De Nederlanders zijn namelijk meer dan welkom hier.

Ik vraag me ook af of hij weet dat de “kwestie Rawagede” in Nederland jarenlang werd verzwegen, ontkend en gebagatelliseerd, totdat in augustus van dit jaar een groep nabestaanden, waaronder hijzelf, de Nederlandse staat aanklaagden. Zou hij weten dat een aantal politici vindt dat Nederland geen excuses moet maken omdat het immers “al zo lang geleden is”? En zou hij het veelgebruikte argument begrijpen dat als hiervoor excuses worden aangeboden “er dan wel meer gebeurtenissen zijn waar excuses voor kunnen worden gemaakt?”

Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp
Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp

In het dorp is de Nederlandse discussie in elk geval geen issue. Er zijn hier, zoals eerder al helder verwoord in een recent artikel van NRC-correspondent Elske Schouten over de kwestie Rawagede, genoeg andere zorgen. Er is niet veel perspectief; de meeste mensen leven eenvoudig en hebben weinig geld. Veel jongeren uit het dorp maken lange dagen in een nabij gelegen fabriek of zijn jaren van huis om in het Midden-Oosten te werken. Van het daar verdiende geld wordt hier een huis gebouwd en gezorgd voor de ouderen.

Toch kwam voor de groep nabestaanden, die allen hoogbejaard zijn, deze zomer het moment dat zij een zaak wilden maken, daarbij aangemoedigd door de stichting Rawagede, die zich onder leiding van voorzitter Sukarman inzet voor het behoud van de herinnering aan de tragedie. Geholpen door het Comité Nederlandse Ereschulden, en juridische kennis uit Nederland stellen ze in de aanklacht de Nederlandse staat aansprakelijk voor de moorden en eisen zij excuses, erkenning en een schadevegoeding.

Het is voor het eerst dat Nederland aansprakelijk wordt gesteld voor misdaden gepleegd tijdens de jaren van strijd tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Ook de Republiek Indonesië heeft de Nederland staat namelijk nooit aangeklaagd: ook hier zijn de gebeurtenissen uit die tijd lang verzwegen of ontkend.

Onder meer het NRC publiceerde sinds augustus verschillende artikelen over de kwestie, zoals dat van Elske Schouten. In een column gaat haar collega Frank Vermeulen in op de uitlatingen van VVD-er van Baalen, aanvoerder van het “geen excuses want te lang geleden – kamp”. Het artikel gaat verder in op de (op dat moment nog aanstaande) Nederlandse parlementaire delegatie die in oktober in Indonesië was, het dorp te bezoeken. Vermeulen vraagt zich af of Nederland uiteindelijk toch het goede zou doen, namelijk praten met de nabestaanden en excuses maken?

Het loopt anders. De delegatie besluit niet af te reizen naar het dorp. Uiteindelijk spreken drie parlementariërs alsnog met een aantal nabestaanden, waaronder Sa’ih, in een hotel in Jakarta. Een van de drie, Harry van Bommel, krijgt van van hen het verzoek om Nederlandse militairen naar de eerstvolgende herdenking te sturen zodat zij hen, 61 jaar na dato, vergeving kunnen schenken. Resultaat: op 18 november stemt de kamer in met het voorstel van van Bommel om de ambassadeur te sturen. Van Bommel roept veteranen op om zelf naar de herdenking te gaan.

De stichting Rawagede verwacht vandaag echter geen veteranen, en dus zullen Sa’ih en de anderen vandaag, ondanks hun wens, genoegen moeten nemen met de aanwezigheid van de Nederlandse ambassadeur. Erkenning en excuses komen er voorlopig ook niet, en bovendien verklaarde de landsadvocaat van Nederlandse staat, op 24 november jongstleden, de financiële claim verjaard. Eens te meer blijkt er een te grote afstand tussen wens en realiteit.

Morgen, dan zit Sa’ih gewoon weer op zijn bank en lacht hij van onder zijn zwarte, vilten hoed. De herinnering aan de tragedie heeft van hem geen bittere oude man gemaakt. Aan het einde van zijn leven verlangt hij, zo stel ik me voor, alleen nog naar verzoening. Want, daar ben ik van overtuigd; Sa’ih hoeft niet meer te leren vergeven. Zijn lach verklapt dat er geen wrok heerst in zijn hart. Hij vraagt slechts om excuses, om ze te kunnen accepteren.

Op de website van het Comité Nederlandse Ereschulden (voorzitter Batara Huta Galung), die streeft naar verzoening tussen Nederland en Indonesië, zijn artikelen verzameld over de kwestie: http://indonesiadutch.blogspot.com


Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek