Atjeh, over oorlog en tsunami

Op reis door Indonesië schrijf ik verhalen op plekken die iets te maken hebben met de Nederlandse en/of Nederlands-Indische geschiedenis in Indonesië. Het eerste verhaal schrijf ik in Banda Aceh, op het Nederlandse kerkhof Peucut.

 

Banda Aceh, oktober 2008

door Ed Caffin

 

Sinds ik vier jaar geleden naar Atjeh ging voor een project van de Stichting Wederopbouw Atjeh, kom ik elk jaar voor een korte of langere periode terug. De naam Atjeh roept vooral twee associaties op: de geschiedenis van oorlog en strijd met Nederland en de tsunami van 2004. Een plek waar die twee gebeurtenissen het dichtst bij elkaar komen is het oude nederlandse kerkhof Peucut dichtbij het centrum van de hoofdstad Banda Aceh. Vlak naast dit kerkhof is vanaf 2007 een enorm, modern gebouw in aanbouw; het tsunami-museum. Hoewel ik al tijdens mijn eerste bezoek aan Atjeh, net na de tsunami, voor het eerst hoorde over het nederlandse kerkhof, ga ik er nu voor het eerst uitgebreid een kijkje nemen.

 

Als ik aankom is er niemand. Ik loop de ingangspoort met marmeren platen binnen, waarin de namen staan gegraveerd van soldaten die omkwamen tijdens de Atjeh oorlogen, gesorteerd op jaartal. Het zijn er veel. Mijn blik glijdt langs de muur. Naast Nederlandse herken ik ook veel Molukse en Javaanse achternamen. Ik weet dat het KNIL naast Hollanders en Indo’s vooral veel “inlandse” soldaten had en waarschijnlijk zijn veel van de namen afkomstig van andere eilanden in de Indonesische archipel. In totaal liggen hier meer dan tweeduizend KNIL-soldaten begraven, een derde van alle gesneuvelden in Atjeh. Naast soldaten liggen er vrouwen en kinderen begraven op Peucut, en naar het schijnt een Atjehse prins, aan wie de plek zijn naam dankt.

 

Na een poosje komt een jongeman aanlopen. Hij heet Eddie Darussalam en is 30. Al een aantal jaar werkt hij hier als bewaker. Hij heeft het er naar zijn zin. “Ik kan veel met toeristen praten en wat leren over hun land”, zegt hij. Van Nederland weet hij nog niet veel meer dan dat er veel molens zijn en het land vlak is. Hij zou het graag zelf eens zien. Over de geschiedenis van Nederland in Atjeh weet hij meer. “Daar wordt op school veel over verteld. Wat Nederland gedaan heeft hier is heel slecht. Maar het is lang geleden. Toch moeten we deze geschiedenis onthouden. Het is daarom belangrijk dat het Kerkhof in stand gehouden wordt”.

Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler
Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler

De Nederlandse geschiedenis is op vele plekken en vele manieren in Atjeh hoor- voel- en tastbaar, maar misschien toch het meest op dit oude Kerkhof. Eddie neemt me mee naar zijn favoriete grafmonument. Het is die van KNIL-Generaal Kohler, die tijdens de eerste Atjehoorlog sneuvelde bij de Grote Moskee Mesjid Raya Baitturahman, in het centrum van Banda Aceh. Ook op die plek is een stenen gedenkplaat met inscriptie. In 1978 werd Kohler herbegraven op Kerkhof Peucut. Eddie poseert bij het graf en vertelt dat de dood van Kohler een bekend verhaal is in de Atjehse overlevering en zelfs zijn sporen heeft achtergelaten in de Atjehse taal. “Koh-ulee” betekent iemand de keel afsnijden met een rencong (Atjehse dolk). In het boek van de stichting Peucut lees ik echter dat Kohler door een kogel om het leven kwam.

Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw
Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw

We lopen terug vanaf het grafmonument naar de ingang en kijken naar het tsunami-museum in aanbouw. De enorme buitenmuur doemt het tientallen meters boven de omheining van het Kerkhof uit. “Tijdens de tsunami was ik zelf in Keutapang, een paar kilometer verderop”, vertelt Eddie. “Ik voelde de aardbeving, maar dacht er niets van. Toen ik een minuut of twintig later de stad in liep kwamen schreeuwende mensen mijn kant oprennen. Ze riepen dat de zee eraan kwam. Ik geloofde het niet, maar toen ik dichter het centrum in kwam zag ik het water. Er dreven lijken, heel veel lijken. Pas een dag of twee later kon je bij het Kerkhof komen. Daar lagen ook honderden lijken, en veel van de oude graven waren enorm beschadigd”.

“We proberen de afgelopen jaren de graven te herstellen. We krijgen daarbij hulp van de Nederlandse stichting Peutjut”. De stichting doneert geld voor het herstel en behoud van het Kerkhof. Hij laat me een boek zien wat de stichting heeft laten maken. Het is een bezoekersgids waar in het Engels, Nederlands en Indonesisch de geschiedenis van het Kerkhof en de 70 jaar Nederlandse aanwezigheid in Atjeh staat beschreven. Het is er een van veel bloedvergieten. Naast de paar duizend doden aan Nederlandse kant, vielen er vele tienduizenden Atjehse doden.

 

“Ik hoop dat de Nederlandse stichting meer geld stuurt, zodat we het hier nog verder kunnen herstellen en lang mooi kunnen houden” mompelt Eddie. “Ik zal mijn kinderen later vertellen over de Nederlandse geschiedenis in Atjeh, maar ik wil het hen ook kunnen laten zien”. In het behoud van dit monument is volgens hem de lokale overheid echter niet erg geïnteresseerd. Laat staan de Indonesische overheid. Die financiert uiteraard wel de aanbouw van het tsunami-museum. Het museum zal straks het verhaal vertellen van 26 December 2004, “de dag dat de zee beefde” en Atjeh werd getroffen door de grootste ramp in de Indonesische geschiedenis. De kosten voor de aanbouw lopen in de miljoenen euro’s. En dat is niet geheel zonder controverse. Sommigen vinden dat het geld beter aan de slachtoffers had kunnen worden besteed, anderen vinden de komst van een museum te vroeg. Bovendien zijn een aantal historische gebouwen die op deze plek stonden gesloopt.

 

Net als de meeste andere mensen in Atjeh heeft Eddie veel familie en vrienden verloren door de ramp. Hij wil er niet veel over kwijt. Zijn verhaal, en van al die duizenden anderen mensen die de ramp overleefden, is moeilijk in woorden te vatten. Al kom ik hier al voor het vierde jaar, nog steeds is dat leed overal voelbaar. “De komst van buitenlandse organisaties na de tsunami heeft echter veel goeds gebracht”, zegt Eddie. Er kwam geld voor de wederopbouw, er kwamen banen, er was aandacht voor het conflict in Atjeh en de rebellen en het Indonesische leger tekenden een (voorlopig vredesakkoord). Ook werd de relatie met landen als Nederland versterkt.

 

“Maar onze dierbaren missen we nog elke dag”, besluit hij. Ik teken het gastenboek en neem afscheid. Zachtjes rij ik weg op mijn brommer, terwijl de werkzaamheden aan het museum gestaag doorgaan.