Filmmiddag maakt Indische spagaat zichtbaar

filmmiddagDen Haag/Amsterdam, 12 januari 2009

door Kirsten Vos en Ed Caffin

Zondag 11 januari beleefden vier Pathé-theaters in Nederland een ware Indische invasie. Ruim 1.500 Indische Nederlanders bezochten in Rotterdam, Den Haag, Groningen en Amsterdam de filmvertoningen van Het jaar 2602 en Contractpensions – Djangan Loepah. Amsterdam en Den Haag waren zelfs helemaal uitverkocht. Diezelfde dag maakten niet alleen de films, maar ook de bezoekers pijnlijk duidelijk dat de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan.

Na wat vertraging, waarin de spekkoek en koffie niet aan te slepen waren, ging het programma van start. Dankzij de gezamenlijke actie van Darah Ketiga, Nederlands-Indië hyves en Indisch 3.0 was de derde generatie Indische Nederlanders in Amsterdam met bijna 100 jongeren goed vertegenwoordigd. Ruim op tijd zaten we klaar voor de première van Het jaar 2602, na een inleiding van onder meer Jan van der Dussen (stichting Verfilming Japanse Burgerkampen) en Peter Neep (stichting het Gebaar).

De film Het jaar 2602 bestond uit een serie interviews, afgewisseld met ‘home-videos’ uit de tempo doeloe tijd. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertelden op indringende wijze op het grote doek over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd. Bijzonder was dat ieder van hen het leven in het kamp door kinderogen gezien had, en zich vaak pas later realiseerde hoe erg, pijnlijk of vervreemdend hun ervaringen waren geweest. De gebeurtenissen in het kamp waren niet realistisch, dachten zij als kinderen: het was niet écht, buiten het kamp zou alles weer normaal worden. Zo was een van de geinterviewden door de Japanners als kind van zijn vader gescheiden. Hij besefte pas ruim veertig jaar later, staande bij het graf van zijn vader, dat hij hem echt nooit meer terug zou zien. Al die jaren had hij gehoopt dat zijn vader op een dag terug zou komen.

Ondanks dat de film een belangrijk, en tot nu toe onderbelicht deel van het Nederlandse oorlogsverleden vastgelegd heeft, waren de reacties na afloop wisselend. Dit had te maken met de afkomst van de geinterviewden en het verhaal dat zij vertelden. De hoofdrolspelers in 2602 waren namelijk overwegend totoks (volbloed Nederlanders). Er waren twee Indo-Europeanen (gemengde afkomst) bij, maar die waren voor Nederlanders nauwelijks als zodanig te herkennen. Daarnaast vertelden deze twee niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesië, of de rol die Indo-Europeanen speelden in de kampen. De regisseurs zijn nog niet beschikbaar geweest voor commentaar op deze keuze.

Een film over ervaringen van Indische Nederlanders in het Jappenkamp lijkt pijnlijk incompleet wanneer slechts een deel van die ervaringen wordt belicht. Hoewel beide groepen voor een deel dezelfde ervaringen hebben gehad, waren er ook belangrijke verschillen. De Indische groep uit 2602 heeft terecht eindelijk erkenning gekregen voor hun oorlogservaringen, het wachten is op de – blijkbaar echt – andere groep van Indo-Europeanen. Hopelijk helpt deze scheidslijn in elk geval om de Nederlands-Indische oorlogservaringen te kunnen vertellen aan het Nederlandse publiek.

In de tweede documentaire Contractpensions – Djangan Loepah!, die in 2008 in première ging, vertelt regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal van de overwegend Indo-Europese repatrianten die hun eerste tijd in Nederland in contractpensions doorbrachten. De verhalen over de soms pijnlijke en vaak bizarre ervaringen van de Indische Nederlanders die na aankomst in Nederland in tijdelijke contractpensions terechtkwamen, rolden zich uit over de aanwezigen. Ook hier zorgden de uitspraken van het bonte gezelschap dat in de film aan het woord kwam weer voor grote hilariteit, op andere momenten voor grote verontwaardiging en ontroering. De film van Hetty Naaijkens, die inhoudelijk overigens perfect aansloot op Het jaar 2602, was daarom een prachtige afsluiting van een opvallend Indische middag in een koud Amsterdam.

Ondanks dat het begrijpelijk is dat vele bioscoopbezoekers in Amsterdam wellicht overmand waren door emoties na het zien van 2602, was het bevreemded om te zien dat een groot deel van de 800 aanwezigen in Amsterdam na de pauze niet meer terugkwam om naar Contractpensions te kijken. Door dit vertrek werd, waarschijnlijk niet eens opzettelijk, duidelijk dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De totoks, de ‘witte’ repatrianten, hadden namelijk nauwelijks in contractpensions hoeven wonen: het was niet hun verhaal dat na de pauze verteld werd, maar dat van de ‘bruine’ repatrianten. Het is het bijna onwerkelijk om te zien dat, 60 jaar na de soevereiniteitsoverdracht, deze Indische spagaat onbewust nog steeds aanwezig is.

Indomania 3: waanzinnig chaotisch huiskamergevoel

indomaniaDen Haag, 16 november 2008
door Kirsten Vos

Dit is een lange blog. U vindt hier namelijk ook de tekst die Marscha Holman en ik uitgesproken hebben op Indomania 3. Overigens – de vraag waar wij daar mee eindigden, is ook aan u gericht.

Het was er warm, in Rob Malasch’ galerie in Amsterdam, het strijdtoneel van Indomania 3 dat op 15 november plaatsvond. Het was te druk, de akoestiek was slecht, de pijpelaruimte was ontoereikend voor de opkomst, het TL-licht was ongezellig en het ‘postkoloniaal debat’ was niet te volgen. Het duurde lang voordat we konden eten omdat er nog geen bestek was. De vertoning van Hetty Naaijkens’ Contractpensions vond ik te kort. Er waren te weinig stoelen. De live-band was Nederlands. Halverwege de avond ging het personeel op pad voor extra bier. Binnen een paar uur was de rode wijn op en de fles champagne die ik zou krijgen als bedankje is uitgeschonken aan de gasten. Kortom: Indomania 3 was waanzinnig chaotisch. Maar desondanks vond ik het vooral erg gezellig.

Rond half vijf arriveerde ik bij de tot ‘eventvenue’ omgetoverde Serieuze Zaken. Een in uniform geklede heer heette me welkom. Malasch’ collectie had plaatsgemaakt voor het ‘uit de geheime voorraad van Frans Leidelmeijer’ koloniale art-deco meubilair, tekeningen van onder meer illustrator en striptekenaar Peter van Dongen en: heel veel mensen. Te koop waren t-shirts van Indomania 3, werk van Herman Keppy, van Alfred Birney en van Peter van Dongen, Indische saucijzen van Van Olphen, Indische hapjes als lemper en risolle en natuurlijk wijn, bier en fris.

Op het programma stonden een debat over de Indische producties die de afgelopen maanden uitgekomen zijn en een optreden van Marscha Holman en mijzelf. Onder leiding van Ricci Scheldwacht en Herman Keppy probeerden enkele prominenten het debat te voeren, over het boek Ons Indisch Erfgoed (Lizzy van Leeuwen) en de film Ver van familie (Marion Bloem). Door de gebrekkige akoestiek, maar ook de vorm van het debat, was dit helaas nauwelijks te volgen. Een interventie van de in het publiek aanwezige Theodor Holman kon daar weinig aan veranderen.

Na dit debat betraden Marscha Holman en ik het podium. Wij waren gevraagd ‘iets over de derde generatie’ te vertellen en dat hebben we, binnen onze mogelijkheden, gedaan. De reacties – van het publiek dat het kon horen – waren bevrijdend. Nee, we hoeven ons niet schuldig te voelen omdat we geen botol tjebok hebben, of omdat we niet op zoek zijn naar erkenning voor ‘de’ Indische zaak. We mogen gewoon ons eigen pad vinden in de Indische wereld. In de discussie daarna stelde Ricci Scheldwacht me een leuke vraag. “Je zet je niet af tegen de eerste generatie. Zet je je wel af tegen de tweede?” Op dat moment realiseerde ik me dat ik me vooral afzet tegen de Indische kruistocht voor erkenning, die absoluut niet generatiegebonden is.

Indomania 3 vond ik ongedwongen en vrij. Ja, organisatorisch was er een hoop ruimte voor verbetering. De locatie was rampzalig voor de opkomst. En wellicht ben ik dit keer niet helemaal objectief, omdat ik een rol speelde in het programma. Maar tekenend voor de sfeer vond ik de mannen en vrouwen die, Indisch en niet-Indisch,  vrolijk dansten op de muziek van de dj. En de mensen die, net als bij uitgebreide kumpulans thuis, dwars door elkaar heen tevreden zaten te eten.

‘De’ derde generatie op Indomania 3
door Marscha Holman en Kirsten Vos

De derde generatie Indische Nederlanders. Volgens het CBS bestaat die niet. In berekeningen die het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte voor het uitkeren van het Gebaar, hield de demografie van Indische Nederlanders op bij de tweede generatie. Marscha Holman, columniste van Moesson, en Kirsten Vos, columniste van Archipel en beheerder van de weblog Indisch 3.0, beiden leden van deze derde generatie, zijn voor de Nederlandse overheid dus gewoon Nederlanders. De laatste tijd horen deze twee “Nederlanders met Indische wortels” steeds vaker ‘De Indische cultuur sterft uit’ en ‘Echte Indo’s bestaan niet meer’. De voorwaarden voor een existentiële crisis voor onze derde generatie zijn dus overtuigend aanwezig. Vanuit de eigen groep horen ze bovendien soms dat ze niet echt Indisch zijn. Toch willen Marscha en Kirsten met hun Indische wortels meer dan nasi goreng leren maken. Daarbij  merken ze dat mensen vooral van hen willen horen dat het Indische zoals dat ooit bestond wél in hen voortleeft. Of dat is wat ze zelf met het Indische willen en kunnen, horen we nu, in een levende column. Na afloop willen ze van u weten of dit is wat u wilde horen.

MARSCHA (gericht op het publiek): Vorige week maandag hadden we alleen nog geen flauw idee wat we wilden zeggen.
[Kirsten pakt haar telefoon.]
KIRSTEN: Hi, met Kirsten, stoor ik?
MARSCHA: Nee, ja…ehh nee. Wacht, ik zet even het gas onder de hutspot laag.
KIRSTEN: Oké. Lekker hè, die aardappelen, als het zo koud is buiten. Ben je zover?
MARSCHA: Ja!
KIRSTEN: Heb je gezien dat jij samen met mij op Indomania iets gaat doen over de derde generatie? Wij vertegenwoordigen namelijk de derde generatie Indische Nederlanders. Ze willen weten waar die mee bezig is.
MARSCHA: Ja, ik zag het. Leuk, denk ik. Maar wij zijn toch geen Ambassadeurs van de derde generatie? Wij maken hutspot! We verzinnen wel iets,  als we maar niet een soort act gaan doen als de nichtjes van tante Lien, vol tempodoeloe. Nee, niet te veel tempodoeloe, we moeten wel een tegengeluid geven.
KIRSTEN: Ja, in elk geval een eigen geluid. We zijn de derde generatie dus we zullen met iets verfrissends moeten komen. Wanneer zullen we het daarover hebben?
MARSCHA: vrijdag?
[Marscha en Kirsten draaien zich naar elkaar toe, nu met hun gezichten schuin naar elkaar toe. Ze begroeten elkaar.]
MARSCHA: Kan je dat idee dat je mailde, van dat toneelstuk, nog eens uitleggen?
KIRSTEN: Nou het idee was als volgt. We noemen het ‘Marscha en Kirsten in de wondere wereld die Indisch heet’. En het wordt dan een uitermate vrije interpretatie van het wayangspel die waarschijnlijk nooit tot ons  Indisch erfgoed gaat behoren.
MARSCHA: Sorry hoor, maar wat is in vredesnaam een wayangtheater??? Ik schaam me nu al dood, deze vertegenwoordiger van de derde generatie weet niks. Ik ben geen echte indo…
KIRSTEN: Niet aanstellen, je bent Indisch, want je vader is een Indische jongen. Hij schrijft Indische boeken nota bene, dat weet iedereen.
MARSCHA: Laat het hem niet horen…. Maar goed, ik heb nog wel een oud laken op zolder liggen voor het wayangspel? Kunnen we dat ook prettig voor ons gezicht houden, ik kan namelijk totaal niet acteren.
KIRSTEN: Ik ook niet. Dat is toch wel een vereiste ja. Niets zo erg als kijken naar een toneelstuk met mensen die niet kunnen acteren. Laat dat wayang idee dan ook maar zitten.
MARSCHA: Misschien moet jij het maar alleen doen, Kirsten. Jij bent hier veel beter in. Jij kent veel meer mensen, indomensen; jij bent echt een betere Indo dan ik.
KIRSTEN: Marscha, zeur niet zo. Zo wordt het niks. Jij denkt echt dat de Indische Gemeenschap zich bij een soort club heeft aangesloten hè?
MARSCHA: Ja, de club van ‘mij is onrecht aangedaan – ik ben slachtoffer – en ik wil erkenning’…
Kirsten: O je bedoelt de club waar iedereen altijd te laat komt?
Marscha: Precies, de club waar iedereen door elkaar heen praat
Kirsten … en niemand luistert.
MARSCHA: waar iedereen een botol tjebok gebruikt
KIRSTEN: en waar alle vrouwen altijd een zakdoekje met eau de cologne bij zich hebben.
MARSCHA: Waar iedereen Brandend Zand kan meezingen
KIRSTEN: en waar niemand kritiek op elkaar mag hebben.
MARSCHA: Maar wel heeft.
KIRSTEN: De club waar iedereen alles repareert met plakband of een elastiekje. En waar iedereen alles eet met suiker of sambal.
MARSCHA: de club waar iedereen fenomenaal Indisch kan koken
KIRSTEN: EN niet te vergeten, waar iedereen geweldig gitaar kan spelen.
MARSCHA: en waar iedereen een abonnement op Moesson heeft
KIRSTEN: Op Archipel.
MARSCHA: ET cetera… Ja precies, die club bedoel ik. Enige club…
KIRSTEN: Nee, ik kan me niet voorstellen dat Indische mensen zich bij zo’n club aangesloten hebben. Ik zou dat zeker niet willen.
MARSCHA: ik al helemaal niet.
KIRSTEN: Ik vraag me überhaupt af of er ook maar één Indo is die voldoet aan al deze ‘regels’. De Indische Gemeenschap – als die al bestaat – is echt niet zo homogeen als jij denkt.
MARSCHA: Nee, ik geloof je wel; jij en ik verschillen al zo veel. Jij hebt twee Indische ouders en ik één (die dat ook maar al te graag ontkent – wat dan weer heel Indisch schijnt te zijn). Jij blogt er elke twee weken over, ik ben nog nooit in Indonesië geweest en jij, jij voelt je er thuis.
(beiden vallen stil)
KIRSTEN: Sowieso, die regels waar we het net over hadden; die slaan eigenlijk vooral op de eerste generatie.
MARSCHA: Maar, bij Indomania vinden ze dat heerlijk om weer even te horen hoor. Laten we iets met die club doen, lachen.
KIRSTEN: Ja maar hallo, wij zijn hier uitgenodigd om het over de DERDE generatie te hebben, Marscha.
MARSCHA:  O ja. Wat zijn onze eigen ‘regels’ dan? Hebben we die al?
KIRSTEN: We kunnen zeggen dat we naar Hot Indo Parties gaan.
MARSCHA: En elke dag krabbels zetten op de 38 hyves over Indo’s.
KIRSTEN: over waarom het beter is om een relatie te hebben met een Indo dan met een Nederlander.
MARSCHA: Ik heb een relatie met een Molukker.
KIRSTEN: Oh. (stilte). Die heb je hoop ik wel thuis gelaten?
MARSCHA: Euh, ja. We kunnen het ook over tattoo’s hebben
KIRSTEN: EN natuurlijk alleen maar praten met Indo’s.
MARSCHA: en dan bahasa leren en alleen maar zo nog met elkaar praten
KIRSTEN: Hmm. Het enige dat ik daarvan weet is adoe.
(korte stilte)
MARSCHA: Goed, dat schiet lekker op, volgende week willen ze al horen waar het heengaat met de Indische cultuur. En we hebben nog geen idee, we zijn net begonnen met Indisch zijn.
KIRSTEN: Wat vindt u, heeft u het geluid van ‘de’ derde generatie gehoord?

“..en dit was Tattootalk”

Den Haag/ Amsterdam, 24 mei 2008
door Kirsten Vos en Ed Caffin

[dailymotion id=x5oo7d]
Korte videosamenvatting van Tattootalk door Indisch4ever

Ons eerste gezamenlijke optreden als Indisch 3.0 heeft tot wisselende reacties geleid van mensen in de zaal, variërend van ‘weinig antwoorden over symboliek’ tot ‘precies wat ik wilde weten’. Met name jongeren bedankten onze gasten na afloop vol enthousiasme voor de show. We zijn dus niet bepaald ontevreden. De wereldomroep scheef een artikel en maakte een reportage. Klik hier om naar het artikel en de reprtage te gaan. Was jij bij de show? Laat ons horen wat je ervan vond! Dit is hoe we er zelf op terugkijken.

Vol creaties
De drie ‘tatoeagegasten’ lieten al voor de show hun versieringen zien aan meerdere fotografen – trots poseerden zij voor hun camera’s. Het podium lag vol met creaties van de gasten, van jassen en vlaggen van Darah Ketiga en de Indo-Melati tot stoffen van Kim en tribals van Andy. In de zaal zelf zaten overwegend jongeren. Tattootalk begon wat onrustig. Twee sleutelfiguren waren verlaat vanwege het verkeer: Petroeshka Schoonheym, een van onze gasten, en Dennis Volkert, de winnaar van onze prijsvraag. Met een lege stoel op het podium begon Ed het gesprek met Kim Schipperheijn, Andy Ardaseer, Chris Carli en E..

Eerbetoon aan je wortels
Allereerst kwamen Chris en E. aan het woord, beide uitgesproken begaan met de Indische cultuur. Zij dragen meerdere tatoeages, onder andere als eerbetoon aan hun ouders, maar ook om te laten zien waar ze vandaan komen. Andy vertelde vervolgens over het proces van het ontwerpen en zetten van tatoeages. Hij maakt gebruik van een traditionele techniek, het ‘tikken’, dat volgens hem minder pijnlijk is dan met de machine. Kim, ontwerpster van de ‘Indische tantes’-stoffenlijn, had een geheel andere invalshoek. Haar stoffen bevatten vormen en symbolen die geinspireerd zijn op de stereotypische tantes die zij van jongs af aan leerde kennen in haar Indische familie. gebaseerd. Voor haar zou het Indische wel een rol blijven spelen in haar ontwerpen, maar minder direct en intens dan het zetten van tatoeages. De tatoeagekunst was voor haar geen bron van inspiratie.

Een kris als tattoo
Prijswinnaar Dennis was inmiddels ook aangekomen en stelde na het verhaal van Kim zijn vraag aan de drie heren. ‘Ik wil een tatoeage van een kris laten zetten. Dat symbool is behoorlijk beladen. Sommigen zijn bang voor de guna-guna of stille kracht. Hoe gaan jullie daarmee om?’ Andy en E. legden uit dat zijn nooit zomaar een afbeelding van een kris voor iemand zouden gebruiken, maar voor elke persoon een uniek ontwerp maken. Daarom zou dit geen risico inhouden. Uit de zaal kwamen ook andere vragen, zoals ‘Waarom kies je ervoor dit op je lichaam te doen, waarom hang je niet gewoon een leuk schilderijtje op?’, ‘Omgaan met deze symbolen is een spiritueel gebeuren. Hoe bereid je je daar op voor?’ en ‘Ik hoor behoorlijke verschillen in beleving van het Indische tussen de tatoeagegasten en Kim. Hoe kijkt de derde generatie tegen het Indische aan?’.

Bips?
Een opvallende aanwezige was Paatje Phefferkorn, die op een zeker moment gretig de microfoon greep en de zaal vermaakte met een uitgebreide anekdote over ‘mannequins in bikini met een Indo melati op hun bips’. Ondanks dat Paatje de lachers al snel op zijn hand had, bedankte Kirsten hem gauw voor zijn verhaal, zodat Ed het gesprek met de gasten op het podium af kon ronden. Vrijwel onmiddellijk daarna kwamen mensen naar het podium toe, om de daar tentoongestelde stoffen, vlaggen en ontwerpen te bekijken – tot lang na de talkshow waardoor de organisatie alle belangstellenden uiteindelijk naar buiten moest sturen.

Traditie bij de derde generatie
Na afloop van de talkshow hebben we uitgebreid nagepraat. Wat ons vooral bijgebleven was, was dat Indo-zijn niet langer iets is om te verbergen, maar iets geworden is dat je met trots uitdraagt. Daarbij kiezen sommigen ervoor hun keel te tatoeren, andere kiezen voor een stof, maar elk combineert traditie met elementen uit hun eigen karakter.

En nu?
Bijzonder jammer was dat Petroeshka, de ontbrekende gast, pas aankwam op het moment dat we aan het afronden waren. We hebben met haar afgesproken dat ze ruimte krijgt op deze blog om haar verhaal te vertellen. Daarnaast kunnen jullie op deze blog de tekeningen incl. toelichting downloaden van onze gasten en vinden jullie hier binnenkort een fotoreportage van Tattoo Talk op de 50e Pasar Malam Besar.

Fotoverslag Tattootalk 23 mei

 “Tattootalk” in het Bibit theater, Pasar Malam Besar

Ed leidt het gesprek vanaf het podium, Kirsten betrekt het publiek erbij vanuit de zaal

Links: Chris, Andy en Kim luisteren naar de uitleg van E.

Rechts: Andy Ardaseer vertelt over het gebruik van traditionele technieken

Links: De dessins van Kim Schipperheijn zijn geinspireerd op “Indische tantes”; nieuwe symboliek

Rechts: Prijsvraagwinnaar Dennis Volkert stelt zijn vraag over het zetten van een “Kris tatoeage”

 Links: Borststuk met verschillende symbolen en afbeeldingen

Rechts: Chris Carli, met zijn tatoeage gebaseerd op de Indo Melati van Paatje Phefferkorn

 Links: Andy aan het werk met “Pantang Iban: een traditionele “tiktechniek”

Rechts: Nekstuk of “Ukir Rekong” gezet door Andy Ardaseer

(Fotos: Roos Carlier en Rixt Reitsma)

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.

Helaas Pindakaas – waar waren de jongeren?

Afgelopen weekend was het tijd voor het ‘bi-culturele’ festival Pindakaas, voor ‘Nederlandse jongeren met een Indonesische achtergrond’. Het festival was een goed initiatief, maar nog niet geslaagd. Helaas Pindakaas dus: hopelijk krijgen jongeren volgend jaar wel een festival.

De organisatie verdient een pluim. De styling was top, de locatie(s) uitermate inspirerend, het programma-aanbod nieuwsgierigmakend en er deden aansprekende namen mee, zoals striptekenaar Peter van Dongen, producent Peter Bouman, schrijfster Marion Bloem, columnist Theodor Holman (verving Alfred Birney) en choreograaf Gerard Mosterd. Daarnaast heb ik weer nieuwe mensen leren kennen, wat altijd leuk is, dus ik verliet de Verkadefabriek in Den Bosch met een opgewekt gevoel. Het evenement zou herhaald moeten worden, maar wel met een aantal verbeteringen, om te beginnen die verschrikkelijke naam.

Zo is het natuurlijk een afgang dat er op een Indisch festival geen behoorlijke Indische maaltijd geserveerd kon worden. De organisatie kon er niets aan doen, maar dat maakt de blamage niet minder groot. Gelukkig had de toko in de serre heerlijke sateh en risolles. Daarnaast het filmprogramma. Dat waren overwegend Indonesische films. In die mate is dat op een festival als dit niet op zijn plek. Iets anders – er was te weinig aansluiting tussen de twee locaties; laat volgend jaar twee videoschermen ophangen en toon in de ene hal wat er op dat moment in de andere gebeurt. Tot slot waren er programmaonderdelen waar ik simpelweg meer van had verwacht, waarover zo meer.

Mijn grootste kritiek op de organisatie is echter de doelstelling van het festival. Het programma van het festival werd gedomineerd door de tweede generatie. Marion Bloem sprak uit wat ik dacht – was zij wel de generatie van de jongeren? Alle respect voor de tweede generatie, absoluut, maar sinds wanneer zijn veertigers en vijftigers jongeren? Neem bijvoorbeeld het debat van de columnisten. Allemaal grijzende mannen van toch zeker 45 jaar. Leuk voor hun ego, maar volgens mij echt geen ‘Nederlandse jongeren met Indonesische wortels’. En – waar waren de vrouwen?

Die Battle of the Columnists was ook nog eens een tegenvaller. Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piette en Kees Schepel, bepaald geen kleine namen, gingen met elkaar in debat over ‘De Indo bestaat niet’. Alfred Birney zou deze discussie gaan leiden, maar had zich, door griep geveld, door Theodor Holman laten vervangen, die zich vermoedelijk nauwelijks had kunnen voorbereiden. Het debat was tam en kenmerkte zich door de running gag ‘ja, de lekkere hapjes, ha ha ha (+ schuddebuiken)’. Gelukkig deden de columnisten om die repeterende plaat heen een paar rake uitspraken in de babbel over ‘De Indo bestaat niet’.

“De Indo bestaat wel en Andy Tielman is hun koning. Helaas maken Indo’s er vaak een zooitje van en gaat de Indische gemeenschap ten onder aan haar eigen onkunde.”

“De Indo is helaas soms kruiperig. Indo’s zijn bijna niet meer te herkennen, veel mensen denken tegenwoordig dat we Marokkanen zijn.”

“Ik ben jaloers op Indo’s. Ik wou dat ik er een was.”

“Het zijn geen hoogvliegers, Indische mensen, ze zijn volhardend.”

“Ach! Bestáát niet! Ik voel me Nederlander, maar wel als een Englishman in New York.”

Mijn conclusie is dus, goed initiatief, absoluut herhalen, maar met een andere naam én een programma voor en door Indische jongeren van de derde generatie, tussen de ca. 20 en 35 jaar.

————————————————————————————–

Deze blog is eerder gepubliceerd op www.kirstenvos.nl, indisch4ever.weblog.nl en http://kivos.hyves.nl


Vogelaar: Indische Nederlanders en Molukkers anno 2007 voorbeeld van integratie

Stichting Pelita is een organisatie die al zestig jaar zich inzet voor de maatschappelijke zorg voor Indische Nederlanders en Molukkers. Tijdens mijn onderzoek naar de repatriëring kwam ik een breiactie tegen die deze stichting in januari 1951 georganiseerd had. “Het sociale probleem der gerepatrieerden stelt de overheid voor ontelbare moeilijkheden.” Daarom riep Pelita Nederlandse huisvrouwen op om warme kleding voor de honderdduizenden ontheemden te breien: “Zij beschikken bij aankomst in ons land in de meeste gevallen niet over kleding, welke op het Hollandse klimaat is berekend”.

Een opvallende verschijning: acceptatie of pragmatisme?
Op 24 november was ik samen met zo’n 5.000 anderen op Pelita’s 60e verjaardag in de Jaarbeurshallen te Utrecht. Een van de sprekers tijdens het middagsymposium was Ella Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie. Vogelaar had een fleurig mantelpakje aan en zat op een gegeven moment zo op haar stoel dat, als mijn oma erbij was geweest, ze die pose had beschreven als Villa Inkijk. Deze extraverte minister was de boeiendste spreker, de anderen hadden helaas vooral politiekcorrecte presentaties die allemaal op elkaar leken.

Niet alleen om haar verschijning vond ik Vogelaars aanwezigheid opvallend. De minister van Wonen, Wijken en Integratie was op een bijeenkomst van Indische Nederlanders en Molukkers. Sinds wanneer beschouwt onze eerste generatie zichzelf als migranten? Dat de Nederlanders hen altijd zo hebben gezien is één ding, maar om dit toe te geven door Vogelaar uit te nodigen is een ander. Betekent dit dat er een verschuiving in opvattingen is ontstaan in de Indische gemeenschap, of begrijpen we tegenwoordig dat onze ouderen alleen hulp krijgen als we zeggen dat we geen échte Nederlanders zijn? Was Vogelaars aanwezigheid acceptatie of pragmatisme?

Geen Molukse probleemwijken, dat is een compliment.
De minister van WW&I had een hartelijke boodschap voor de aanwezige Indische Nederlanders en Molukkers. Ze waren goed geïntegreerd en inmiddels een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten: migranten moesten de ruimte krijgen om zichzelf te zijn én zich verbinden met de Nederlandse samenleving. Indische Nederlanders en Molukkers was dat gelukt en ondanks alle ellendige ervaringen kregen zij eindelijk erkenning: Indische Nederlanders hebben recht op een eigen identiteit, die bestaat uit beide culturen.

Een eerste bewijs voor de succesvolle integratie van onze ouders en grootouders waren de ‘juweeltjes in de literatuur’, ons eten en onze voetballers, een tweede het feit dat op de lijst van de 40 Krachtwijken (of pracht?) geen enkele voormalige Molukse wijk stond. ‘En dat is een compliment!’ Op dat moment hoorde ik twee typisch Indische dames achter mij commentaar geven: ‘Alleen Moluks, niet Indisch?’. Bovendien ging het de derde generatie beter af om in Nederland te wonen dan hun voorouders. Weer reageerden de twee dames: ‘Nee! Juist niet!’.

Vogelaar vond dat er weer ruimte moest komen voor de etnische achtergrond in ‘woonvoorkeuren’. Ze haalde het Indische Dorp in Almere (Rumah Senang) aan als voorbeeld: zij wilde voor dit soort initiatieven meer wijken en locaties beschikbaar stellen. Groepen moesten zelf huizen gaan bouwen en hiervoor financiële stimulans krijgen. De slotboodschap van Vogelaar kon rekenen op een instemmend ‘Ja, precies’ van de Indische dames: nieuwkomers moesten echt deel gaan uitmaken van de samenleving en niet alleen maar het gevoel krijgen getolereerd te worden.

Indische Nederlanders en Molukkers, voorbeeldmigranten?
Ondanks de hartelijkheid van haar boodschap hield ik dubbele gevoelens over aan het optreden van Vogelaar. Waaruit was gebleken dat Nederland de Indische gemeenschap erkend had? Door Het Gebaar? Waarschijnlijk dacht zij van wel, want ze kreeg die middag een exemplaar van het boek van die stichting uitgereikt dat de passende titel ‘Eindelijk erkenning?’ droeg. Alleen, als Vogelaar meer had afgeweten van de Indische en Molukse gemeenschap, had ze geweten dat Het Gebaar door weinigen gezien wordt als erkenning. Ik herinner me nog dat mijn oma niet blikte of bloosde toen ik het met haar had over de 3.000 gulden die zij zou krijgen. Als Indische leer je al vroeg dat een blik meer zegt dan 1000 woorden en mijn oma was te netjes om over de Nederlandse overheid te klagen, maar als ze er echt blij mee was geweest, zou ze toen niet zo verontwaardigd gekeken hebben. De erkenning waar Vogelaar het over heeft, zal de Indische gemeenschap volgens mij nooit van de overheid kunnen krijgen. Zij krijgen pas erkenning wanneer ze van zichzelf accepteren dat ze anders zijn, maar ook accepteren dat ze van elkaar verschillen en elkaar, ondanks die verschillen, nodig hebben voor erkenning.

Ten tweede. De Indische en Molukse gemeenschap zijn een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten voor hoe succesvol te integreren in Nederland. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer haar uitspraak om de intentie waarmee Vogelaar die deed. Ik heb alleen wat moeite met de inhoud ervan. Ruimte voor eigen identiteit? Welnee, assimileren moesten ze, anders was je een probleemgeval. Verbinden met de Nederlandse samenleving? Ja, door in contractpensions te zitten en te leren hoe je je huis schoon moest maken, terwijl je je vies voelde omdat je maar een keer per week mocht douchen. Kansen? Tja, je diploma’s uit Indië en Indonesië werden niet erkend, dus duizenden moesten zichzelf opnieuw bewijzen. Een compliment? Misschen voor hoe velen hun hoofd boven water wisten te houden zonder te bezwijken in het kleinburgerlijke Nederland ‘met kleine wetjes van fatsoen’, in de woorden van Tjalie Robinson.

Maar waar ik de meest gemengde gevoelens over heb is de kern: zijn Indische Nederlanders en Molukkers te vergelijken met huidige migranten, zoals Soedanezen, Irakezen en Marokkanen? Nee, nauwelijks, want de huidige ‘nieuwkomers’ hebben helemaal niets met de Nederlandse cultuur. Soedanezen zijn niet opgegroeid in een voormalige Nederlandse kolonie, Irakezen hebben geen Nederlands onderwijs gehad en Marokkanen werden niet in kampen gezet omdat ze Nederlands bloed hadden. Al die groepen kennen niet het gevoel van loyaliteit aan het Nederlands Koninghuis, zoals veel Indischen en Molukkers wel hebben.

Kan ik me de parallel dan helemaal niet voorstellen? Natuurlijk wel, en met mij vele andere Indische Nederlanders. Sterker nog, al tijdens de repatriëring maanden hoger geplaatste Indische Nederlanders Indo-Europeanen al om zich goed voor te bereiden op hun vertrek naar Nederland, een land dat zij niet kenden. Dus, ja, Indische Nederlanders waren migranten, maar van een geheel andere orde dan de huidige. Ik hoop dat Vogelaar zich dat realiseert, anders wordt het goede voorbeeld dat onze voorouders gesteld hebben onmogelijk goed te volgen.