The Indonesian Arts & Culture Scholarship

De BSBI 2012 afgevaardigden voor het Gedung Pancasila gebouw waar voorheen de volksraad zat. (c) Rennie Roos/ Indisch 3.0 2012

Rennie zit voor langere tijd in Indonesië. Hij doet daar voor Indisch 3.0 in het Engels verslag van zijn dagelijkse beslommeringen – zodat zijn Indonesische studievrienden het ook kunnen volgen.

If we look at the current situation in the western world, Indonesia is often depicted in a negative way. If we, for example, visit theDutch news website www.nos.nl and enter “Indonesië” in the search bar, you will come across bus accidents, earthquakes, crashed planes, terrorists and the Dutch parliament not wanting to sell tanks to Indonesia because they could be used to violate human rights. If you combine these negative news reports with the current fear of Islam, the logical outcome is a negative image for the country with the world’s largest Muslim population.

De BSBI 2012 afgevaardigden voor het Gedung Pancasila gebouw waar voorheen de volksraad zat. (c) Rennie Roos/ Indisch 3.0 2012
De BSBI 2012 afgevaardigden voor het Gedung Pancasila gebouw waar voorheen de volksraad zat. Rennie staat in het midden. (c) Rennie Roos/ Indisch 3.0 2012

So how does a country like Indonesia promote itself and work on its bilateral relationships at the same time? Every year, they invite 50 talented youngsters from all over the world and give them the opportunity to live and study in Indonesia for a period of three months. During those three months, the Indonesian government hopes to create 50 new ambassadors that will help improve the image of Indonesia in their respective home countries.

Kita harus bangga! Mereka datang dari jauh untuk belajar budaya kita! / “We should be proud! They come from far to study our culture!”- Teacher SMA Muhammadiyah 2 (Surabaya)

It must be said that the Indonesian government is doing everything they can to make us feel comfortable in our new surroundings. From the moment I got off the plane at Soekarno-Hatta airport I was treated like a celebrity. Along with the participant from India I was picked up at the gate, escorted through immigration and brought to our hotel in the heart of Jakarta by our private chauffeur. During our first week in Jakarta the organization impressed us by introducing us to several leaders from varies sectors. From the Foreign Minister to the famous novelist Andrea Hirata, we were being introduced to political leaders, CEO’s and cultural leaders. All in order so that we could see Indonesia from different perspectives.

 The government only wants to show us the bright side of Indonesia.

I can say that the tactic of the Indonesian government is working quite well because we were all impressed by what we have seen. However, the fact that our trip to Monas was canceled due to demonstrations against the government plans of cutting gas price subsidies on Medan Merdeka shows us that the government only wants to show us the bright side of Indonesia. This act can of course just be seen as protecting our safety but I can understand as well that the government does not want us to see that not everybody agrees with the current situation and that the Indonesian population massively goes to the street when they disagree with something.

The basic outline of this program is that I am supposed to study Indonesian arts and cultures but the funny thing is, is that I am learning much more than that. Not only am I learning about Indonesia but I am also learning a lot from my fellow participants. My topographical knowledge was seriously tested when I first met the participants from Palau, Kiribati and Tuvalu because I can’t recall hearing those countries in my high school geography class. The mixture of different nationalities makes this program very unique because we are all learning about each other while learning about Indonesian arts and cultures.

 I am learning much more than that.

The Indonesian Arts & Culture Scholarship gives me the opportunity to study in Surabaya, a place my grandmother also used to visit some 80 years ago. If you share my interest on Indonesia, and would like the opportunity to study in Indonesia as well, you should keep an eye out on the Indonesian Foreign Affairs website: http://www.kemlu.go.id  or contact the Indonesian Embassy for more information about the 2013 application process.

My advice to all the young  Indo’s in Holland: apply for the Indonesian Arts & Culture Scholarship! IACS already exceeded all my expectations and I am just getting started here. Through this program you can learn a lot about Indonesia but also about your own roots.

 

 

 

Koloniale sporen in Sri Lanka: Burgers en Buitenlui

Hollandse hebzucht en koopmanslust joeg boten vol (on)gezonde, blanke mannen de wereldzeeën over. Die VOC mentaliteit liet haar sporen na. De herinnering aan ruim driehonderd jaar Hollandse koopmansfurie is vastgelegd in talrijke oude forten en koloniale architectuur, generaties gemengdbloedigen, en talloze in de doofpot weggestopte kwesties van geweld en uitbuiting.

Tijdens mijn reizen naar Indonesië schrijf ik daar regelmatig over, maar de Nederlandse koloniale invloed was niet beperkt tot alleen Het Rijk van Insulinde. Op tientallen plekken in de wereld zijn koloniale sporen te vinden, die vaak verrassende parallellen vertonen. Eerder maakte ik al eens een uitstapje naar Zuid-Afrika. Deze keer ga ik op zoek naar koloniale sporen in Sri Lanka.

De eerste sporen vind ik in Fort, het historische stadsdeel in het noorden van Colombo. Vroeg in de 16e eeuw bouwden de Portugezen hier een handelspost, maar de VOC, koortsachtig op zoek naar handel in kaneel en andere specerijen, schopte ze er in 1658 uit. In 1796 werden de Nederlanders er op hun beurt weer uitgeknikkerd en ging Ceylon over in Engelse handen, tot de onafhankelijkheid in 1948. Maar anderhalve eeuw Nederlandse overheersing was lang genoeg om een blijvende stempel te drukken.

Dutch Period Museum - Colombo (c) Ed Caffin

In het Dutch Period Museum leer ik dat Ceylon, na Batavia, de belangrijkste handelspost was van de compagnie. De handel met Indië en Ceylon verliep echter veelal gescheiden. Schepen naar Indië voerden een zuidelijke koers, terwijl schepen naar Ceylon een meer westelijke koers voerden, langs Afrika. Er was ook niet veel VOC-verkeer tussen Ceylon en Batavia. Toch valt meteen op dat de koloniale sporen die de Hollanders in Sri Lanka achterlieten duidelijke parallellen hebben met die in Indonesië.

Zoals die in taal bijvoorbeeld. In het Singalees en Tamil zijn, net als in het Indonesisch, verschillende Nederlandse leenwoorden te vinden (pistool, aardappel en kakhuis bijvoorbeeld). En in de Sri Lankaanse keuken is de Nederlandse invloed ook nog altijd te proeven: in de meeste specialiteitenrestaurants kun je je te buiten gaan aan ijzer koekjes en frikkadels. Maar er gaat niets boven de traditionele Sri Lankaanse rice and curry.

De duidelijkste parallel is die tussen de Indo’s in Nederlands-Indië en de Dutch Burghers in Sri Lanka. Net als in Indië vermengden de Europese kolonisten zich – hoe kan het ook anders – al snel met de inlandsche bevolking en ontstond er een etnisch gemengde bevolkingsgroep. Deze ‘vrome burgers’ kleedden zich Europees en waren zonder uitzondering lid van de Nederlands hervormde kerk. Ook spraken ze een mengtaal, het Ceylons-Nederlands. In de Engelse tijd werden de Dutch Burghers officieel als aparte bevolkingsgroep erkend. Uiteraard bepaalde hun Europese achternaam hun positie en toekomst in de kolonie, net zoals bij de Indo-Europeanen in Indië.

De situatie veranderde radicaal toen Ceylon na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werd en zich wilde distantiëren van de oude koloniale machthebbers. De nieuwe regering zou er voor zorgen dat de eeuwenlang onderdrukte Singaleze meerderheid het nu een stuk beter kreeg. Maar dat betekende ook dat de positie van Tamils en Burghers verslechterde, die in de ogen van de Singalezen door de Nederlanders en Engelsen waren bevoorrecht.

De rancuneuze Singaleze regering nam geen halve maatregelen: zo werd in 1956 de Sinhala Only Act aangenomen, die bepaalde dat het Singalees de eerste en enige officiële taal werd in Sri Lanka. Veel Burghers verloren hun baan, net als veel Tamils die het Singalees niet machtig waren. In de eerste jaren na de onafhankelijkheid verlieten veel Burghers Sri Lanka. Voor de Tamils liep de door de staat geleide onderdrukking en discriminatie slechter af: 30 jaar burgeroorlog bracht dood en verderf, maar weinig verbetering in hun situatie.

Gebouw van de Dutch Burgher Union in Colombo (c) Ed Caffin

Er leven nog altijd Dutch Burghers in Sri Lanka. Naar schatting zo’n 40.000, waarvan de meeste in Colombo. Sommigen heel licht en Europees van uiterlijk, andere donker gekleurd maar met blauwe ogen. Er zijn een aantal Burgher organisaties, zoals de Dutch Burgher Union die de geschiedenis hebben vastgelegd en al generaties lang zogenaamde stamboeken bijhouden waarin de genealogie tot eeuwen terug is na te lezen. Want ook al zijn de Hollanders met hun VOC mentaliteit ze allang vergeten, de Dutch Burghers zijn trots op hun afkomst. Ja, het zijn net Indo’s, die Burghers.

Gili Trawangan

Roos is in 2010 in Indonesië geweest. De herinneringen aan die reis inspireren haar tot op de dag van vandaag. Ze blogt erover op Indisch3.0.

Na twee weken door Bali te hebben getrokken staan we om 9 uur in de ochtend te wachten op de boot die ons naar Gili Trawangan zal brengen, om vanuit daar verder te reizen naar Gili Meno. Het wachten duurt langer dan gepland, maar daar zijn we inmiddels al gewend aan geraakt. Je tas moet ingeleverd worden. Deze wordt op een houten kar gelegd en naar de – hopelijk juiste – boot gebracht.

Mijn backpak blijkt voor de inmiddels vertrouwde Indonesische lach te zorgen. Mijn backpack is oranje en ik ben zo gewend aan mijn eigen kussen dat deze de eer heeft gehad mee te mogen naar Indonesië. Echter, ik heb het na twee weken opgegeven om hem netjes kleiner te maken en er een plastic tas omheen te winkelen alvorens hem vast te maken aan mijn backpack. Duidelijk zichtbaar is nu mijn kussen met een wit roze gestipt kussensloop eromheen. Ook hangt er nog een ‘veilig reizen beer’, een mini-jembé en een gelukspoppetje aan. Een rijkelijk versierde, kleurrijke tas dus.

Na een half uur wachten kunnen we de boot op, the Gili Cat genaamd. De Gili Cat staat bekend om zijn snelle service. Het is een kleine witte overdekte boot die laag op het water ligt. In speed tempo reizen we af naar Gili Trawangan; een tocht die ik niet snel zal vergeten. Ik heb het gevoel dat ik in twee uur tijd om de tien seconden een steen raak en gelanceerd word. We zitten helemaal voorin, eerste rang. Genoeg beenruimte, maar we vangen dan ook de klappen op. Ook zit ik aan de kant van het raam. Mijn hoofd en het raam komen voor mijn gevoel iets te vaak te nader tot elkaar.

Links van mij zit een Franse jongeman naast zijn sinds korte tijd vrouw. De ringen om hun vingers verraden dit. Zijn door de zon gebruinde huid lijkt bij elke klap iets witter weg te trekken. De hand met de ring eromheen houdt hij voor de zekerheid voor zijn mond. Achter Sjors zit een stevige Duitse man die de eieren, van ik denk zijn ontbijt, in een bakje heeft meegenomen. Deze begint hij in alle rust te pellen en te nuttigen. Ik hoop voor Sjors dat hij het binnenhoudt.

Na 2 uur komen we aan op Gili Trawangan. In de eerste instantie lijkt het een backpackersparadijs. De boot naar Gili Meno komt pas aan het eind van de middag dus we hebben nog ruim de tijd om hier te genieten. We settelen ons op het strand. Vissersbootjes, kraak heldere zee, aantrekkelijke mannen die met een te overdreven Australisch accent ‘Hi Girls’ produceren, muziek en verse ananas. Aan de overkant ligt Lombok. Wij genieten van de zon. Boven Lombok hangt een grote zwarte deken. Over drie dagen lopen we daar, zeg ik tegen Sjors. Ik wijs naar de overkant. Gili Trawangan bevalt ons eigenlijk wel. Zullen we anders hier een paar dagen blijven, zegt Sjors.

Waarom niet, denk ik. Het is vakantie, geen deadlines, de tijd is van ons.

Jam karet, tunggu sebentar, pelan-pelan en santai aja

Santai aja (c) Rennie Roos 2011

Jam karet, tunggu sebentar, pelan-pelan en santai aja: het zijn voor Indonesiërs doodgewone begrippen maar kunnen bij Nederlanders flink wat irritaties opwekken. Hier in Nederland gaat alles zo ontzettend snel! Iedereen heeft haast en moet altijd en overal op tijd zijn zodat ze daarna weer snel doorkunnen naar de volgende afspraak. Alles moet gaan zoals gepland en niks mag daar vanaf wijken.

Santai aja (c) Rennie Roos 2011
Slapende mannen op Midden-Java. Op de muur wordt gevraagd of ze moe zijn. (c) Rennie Roos 2011

Ik kan mij nog goed herinneren dat ik er in mijn eerste collegeweek in Yogyakarta net zo over dacht: “Ik kon van te voren natuurlijk verwachten dat het studeren hier anders zou zijn dan in Leiden maar dit had ik toch echt niet verwacht. Van de 14 colleges die ik tot nu toe zou moeten hebben gehad, heb ik er daadwerkelijk 5 kunnen volgen. De oorzaak daarvan zal ik nader toelichten. Waarbij het in Nederland nog wel eens gebruikelijk is dat een student niet komt opdagen, zijn hier de docenten gewoon afwezig! Wat ook niet geheel ongebruikelijk is, is dat de docenten geen colleges willen geven als er te weinig studenten zijn omdat dat zonde van hun tijd is. Het absolute toppunt vind ik echter de wijzigingen van de colleges hier! Ik kan begrijpen dat collegetijden af en toe gewijzigd worden maar hoe dat hier gebeurd is echt bizar! I.p.v. Een college naar een later tijdstip te verplaatsen kom ik er hier regelmatig achter dat de colleges ineens een dag eerder zijn gegeven!” (21/09/2011 – renenren.waarbenjij.nu)

Als ik het bovenstaande stukje uit mijn blog over mijn eerste week op Universitas Gadjah Mada teruglees, dan lach ik om mijn irritaties. Het is natuurlijk een wereld van verschil met Leiden maar ik maakte hierdoor wel meteen kennis met het begrip santai aja. Mijn Indonesische medestudenten maakten zich niet zo druk en vertelden dat zulke dingen nou eenmaal gebeuren. De eerste week van het semester is vrijwel altijd een chaos. Vaak wordt deze week gebruikt om de roosters te maken en om te kijken of er genoeg animo is voor de colleges. Het klinkt logisch maar als je daar niet van op de hoogte bent, dan wekt het flink wat irritaties op.

Het begrip santai aja kan je vertalen als relax, chill out of simpelweg met: ontspan. Tijdens mijn verblijf in Yogya zou ik dit begrip steeds meer gaan omarmen en afstappen van het westerse snelle leven dat zo vaak irritaties oplevert. In het westen zijn we naar mijn mening zo nu en dan wel erg licht ontvlambaar en maken we ons druk om dingen die er eigenlijk niet toe doen. In Indonesië heb ik geleerd dingen wat positiever te bekijken en niet onnodig moeilijk te doen. Een mooi voorbeeld: ‘Het is vervelend dat je je trein hebt gemist maar je bent nu in elk geval wel op tijd voor de volgende.’

Een Indonesisch fenomeen waarmee ik eigenlijk nog steeds niet mee uit de voeten kan is jam karet. De Nederlandse punctualiteit die ik van mijn ouders heb meegekregen, dat ik altijd en overal op tijd moet zijn, kon ik in Indonesië vrijwel meteen in de tempat sampah gooien. Hoe vervelend ik het ook vond om soms wel een uur op iemand te moeten wachten, ik ben gaan inzien dat wij in Nederland zo nu en dan precies hetzelfde doen. Organiseer maar eens een feest om acht uur ’s avonds. Ik garandeer je dat vrijwel niemand om acht uur precies aanwezig zal zijn!

In het westen noemen wij het te laat komen op feestjes: fashionably late komen. In Indonesië dus: jam karet. Alleen, in Indonesië blijft dat niet beperkt tot feestjes maar wordt het gekoppeld aan alle dagelijkse activiteiten. Een voordeel hiervan is dat je altijd tijd hebt om af te maken waarmee je bezig was, omdat het toch niet uit maakt of je op tijd komt. Een groot nadeel hiervan is, is dat je veel tijd kwijt bent aan het domweg wachten op je afspraak. Gelukkig vinden Indonesiërs dat laatste niet zo heel erg, want met de santai aja mentaliteit maken zij zich er niet zo druk om!

Voor een programma van het Indonesisch ministerie van buitenlandse zaken moet ik uiterlijk op 2 april in Jakarta zijn. Via de Indonesische ambassade heb ik vernomen dat zij zowel mijn ticket als mijn visum zullen regelen. Het is nu 27 maart en tot op heden heb ik nog steeds geen ticket en geen visum ontvangen.Voorheen zou ik enorm gestresst zijn maar nu denk ik: santai aja, het komt allemaal wel goed.

Klappertaart

Op reis door Indonesië blijf ik gefascineerd door twee dingen: vulkanen en de Nederlandse invloeden. Ik kan onvermoeid staren naar prachtige vulkaantoppen en eindeloos lezen en me verbazen over wat er is achtergebleven uit de Hollandse tropentijd. Mijn vriendin, die deze interesses niet deelt, wordt er wel eens dol van: “Nee niet weer een vulkaan/museum/fort bekijken, toch?” Meestal moet ik dan alleen.

Ons zoontje van 2 leeft in constante verwondering en deelt gelukkig een van zijn fascinaties met mij: die voor vulkanen. Al noemt hij ze gewoon “bergen”. Maar van al die Nederlandse invloeden heeft hij nog geen idee. Van klappertaart bijvoorbeeld, heeft hij nog nooit gehoord.

Het recept van de oude Indische delicatesse van kokos, bloem, melk, boter en suiker is nog altijd zeer geliefd in de regio rond Manado in Noord-Sulawesi. Je vindt hem in allerlei varianten, klein en groot, en vaak met allerlei versiering op de bovenkant: rozijnen, nootjes, et cetera.

Op het vliegveld van Manado, wachtend op onze aansluitende vlucht naar Ternate, komen we ze natuurlijk tegen. Overal hangen reclameborden met daarop “Klappertaart”. Terwijl mijn zoontje wordt geobsedeerd door opstijgende en landende vliegtuigen en de bergen in de verte, werp ik een blik in een van de vele glazen vitrines. Ze zien er best smakelijk uit, die klappertaarten.

Ook in (Indisch) Nederland is klappertaart nog altijd een geliefd gerecht. Hoewel ik het me eigenlijk niet precies meer kan herinneren, heb ik het als kind meer dan eens gegeten. Op een van de “Gorontalo-reünies” bijvoorbeeld, die de Caffin-kant van de familie toen regelmatig organiseerde en waar tientallen families met wortels in Noord-Sulawesi op afkwamen.

De sfeer op die reünies kan ik me nog goed voor de geest halen. Al die Indische tantes die in prachtige schalen en kommen hun eigen lekkernijen hadden meegenomen. Uren hadden ze staan koken aan hun lievelingsgerecht, vaak trouw aan de streek waar ze geboren waren, maar met een onmiskenbaar “eigen” signatuur.

Terwijl het urenlange buffet in volle gang was, schuifelde ik tussen de schalen eten door en smikkelde ik van mijn zelfgekozen delicatessen: kue lapis vooral, net zo lang tot ik misselijk was. Ook vergaapte ik me aan de mooie afbeeldingen aan de muren van het grote Indische huis. Beelden van een land dat ik toen nog niet kende, maar waar ik later vaak heen zou gaan. Ik kon eindeloos staren naar de vergezichten met vulkanen. Die fascinatie moet toen begonnen zijn.

Dit keer, op het vliegveld van Manado, sloeg ik de klappertaart over. Het was, hoe Hollands, eigenlijk vooral de prijs die me tegenhield: 100.000 roepiah (8 euro) voor een stuk niet veel groter dan twee vuisten. Weet je wel hoeveel nasi gorengs je daarvan kunt eten? Het zullen wel vliegveldprijzen zijn geweest.

Straks in Nederland moet ik dan maar weer eens een stukje proberen. Misschien heb ik geluk, want naar verluidt komt er na jaren weer zo’n Gorontalo-reünie aan. Ik kan niet wachten om mijn zoontje naar het grote Indische huis mee te nemen en hem tussen de met eten beladen tafels door te zien lopen. Tante Hetty, maakt u klappertaart?

Wanneer dromen tastbaar worden (3)

wanneer dromen tastbaar worden (3) Roos

Verre reizen
brengen veel teweeg
ze spelen in op je gevoel
halen je uit een vast patroon
deadlines zijn er even niet
de tijd is weer van jou
achter de hout bewerkte deuren
schuilt een wereld
die je nog niet kende
uit boeken misschien
‘The Lonely Planet’
maar een boek kent geen geur
geen aanraking
een boek is soms enkel een voorbereiding
op een droom die langzaam tastbaar  wordt
voor mij althans

Ubud
‘Taxi, taxi, you want taxi?’ Geen taxi voor ons vandaag. Enkel ‘wennen’ staat op het programma. Wennen aan het klimaat, het ritme, de geur, de mensen om ons heen, cultuurverschillen. Wennen aan Indonesië. Het gevoel van ‘thuiskomen’ heb ik niet direct. Een teleurstelling? Nee, ik ben Indisch, maar ook Nederlands. Dus wat is thuis? Staat dat in je paspoort of is dat bij je familie? Wat is míjn thuis? Vragen, vragen en nog meer vragen. En ik ben nog geen 24 uur in Indonesië.

Ubud is anders. De straten zijn ongelijk. Ik struikel vaak, moet toch echt mijn voeten beter optillen. Er zijn veel winkeltjes en iedereen wil je iets verkopen. In verschillende boeken heb ik gelezen dat je moet afdingen omdat de prijzen echt te hoog zijn. Afdingen is nooit mijn sterkste punt geweest en dat lijkt nog even zo te blijven. Een oude vrouw zit voor haar winkel waar ze houten sieraden verkoopt. Ik heb een zwak voor sieraden, voor natuurlijk materiaal en voor oude mensen. Ik moet de winkel in. De oude vrouw spreekt bijna geen Engels maar met handen en voeten komen we een heel eind. Ik zie een armband die lijkt op de armband die mijn moeder ooit van haar oma Suus kreeg. Het verhaal gaat dat je minder last van hoofdpijn hebt als je deze armband draagt. Ik wil graag weten of dat hier ook zo is. Daar zit ik dan achter in de winkel naast de oude vrouw te wijzen naar mijn hoofd, terwijl ik ‘auw auw’ zeg. Sommige woorden zijn universeel toch? Ik dénk dat ze me begrijpt. ‘Yes,’ antwoordt ze. ‘You want one?’ Ik kan geen nee zeggen en waarschijnlijk betaal ik teveel, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen er minder voor te geven.

Na wat langer door de straten van Ubud te hebben geslenterd is het tijd voor eten. In een restaurantje krijg ik een kaart met enkele voor mij, bekende gerechten. De soto doet mij denken aan thuis. Soto is voor mij onlosmakelijk verbonden met mijn verjaardag, mijn verjaardag is verbonden met mijn familie en mijn familie is verbonden met Indonesië. Ik neem soto. Deze is anders, maar toch herken ik de smaak. Terwijl ik eet, denk ik na. Nu ik hier ben besef ik nog meer dat dit kleurrijke land ooit het thuis van mijn opa, oma, moeder, ooms en tantes was. Dat Nederland plotseling hun nieuwe thuis werd. Maar voelde Nederland als thuis? Als ik al zoveel kleine dingen terugvind in Indonesië, de geur, de humor, het verhaal achter de armband, hoe moet het dan voor hun zijn geweest om te aarden in Nederland? Hebben ze er enkel het beste van gemaakt door een stukje Indië mee te nemen naar Nederland en dit van generatie op generatie over te dragen? Vasthouden door doorgeven? Ik weet het niet.

Duit, Handuk, Buncis en Knalpot

Als gevolg van 350 jaar Holland in de Tropen zijn veel woorden uit onze taal aan het Indonesisch blijven kleven. In totaal bevat het Bahasa Indonesia een paar duizend leenwoorden uit het Nederlands. Op reis door de archipel merk je dat direct. Maar niet alleen in het standaard Indonesisch zitten Nederlandse woorden, ook in het Javaans, Sundanees en Manadonees hoor je bekende woorden terug. En natuurlijk in het Bahasa Gaul, waar ik eerder over schreef. Al moet je soms wel goed luisteren om de woorden te herkennen.

Zo had ik een paar reizen naar Indonesië nodig voor ik doorhad dat het woord permak, wat opknappen betekent, komt van het Nederlandse “vermaken” en wordt gebruikt als je iets wil repareren. Nog zo een: duit (spreek uit: doe-iet), wat een ander woord is voor “geld”, komt van het Nederlandse “duit”. Duurde bij mij even voor het kwartje viel…

Het is sowieso wat lastiger geworden om Nederlandse woorden te herkennen doordat de spelling van een aantal gangbare lettercombinaties in de loop van de tijd is veranderd. De “tj” werd “c”, de “j” werd “y” en de “oe” werd “u”. Handuk was eerst gewoon handoek, en peci (spreek uit pe-tjie), het woord voor het door moslimmannen gedragen hoofddeksel, gewoon petje.

Maar er zijn nog veel woorden één op één te herkennen, zoals het woord buncis, afkomstig van “boontjes”, en koki van het Nederlandse “kokkie” of “kok”. Je weet wel, die persoon die elke avond eten bereidde terwijl de Hollander op de veranda dronk uit een kokosnoot (is kelapa, weer van het Nederlandse “klapper”, of was het andersom?) en aspal, afkomstig van “asfalt”.

“Wel handig zoveel Nederlandse woorden”, hoor ik een aspirant Indonesiëreiziger wel eens zeggen. Helaas is er weinig hoop voor mensen zonder talenknobbel. Met alleen Nederlands kom je namelijk niet zo ver. Behalve als je brommer- of autopech hebt,  en dan alleen als je problemen hebt met je ban, setir, persnelling, kopling of knalpot.

De “Nederlandse” woorden worden bovendien vaak net anders uitgesproken en welke variant je hoort, hangt af van de plek. In West-Java bijvoorbeeld, en dan vooral rond Jakarta, wordt het woord preman gebruikt om kleine straatcriminelen aan te duiden. Dat woord komt weer van “vrij man”. Oftewel, vrije jongen.

In Makassar in Zuid-Sulawesi hoorde ik een paar jaar terug een van de leukste voorbeelden van ver-indonesisch-t (hoe schrijf je dat eigenlijk?) Nederlands: iedereen gebruikte als stopwoordje aan het eind van de zin ‘Ya toh?’ Uiteraard afkomstig van het Nederlandse “ja, toch?” Ik schoot er steeds van in de lach tot ik het na anderhalve week zelf ook deed en het duurde een hele tijd voor ik het weer kwijt was.

Natuurlijk zijn er andersom in het Nederlands ook veel Indonesische woorden. Daar zou ik eigenlijk een aparte blog aan kunnen wijden. Toch een paar… “Met je blote kakkies lopen”, komt van het Indonesische woord kaki, wat voet betekent. “Dat is iemands pakkie-an”, komt van het woord bagaian, wat “deel” of “aandeel” betekent. Oh ja, en natuurlijk “amok maken”, van het Indonesische amok, wat ruzie betekent.

Bij ons wordt het vernederlandste Indonesisch natuurlijk nog wel in de oude spelling geschreven. Wij noemen kroepoek tenminste nog gewoon kroepoek! Daar voelen wij ons meer senang bij, ya toh?

Wanneer dromen tastbaar worden (2)

Yulia village inn

Wanneer nacht vanzelf morgen wordt

Een taxi brengt ons door de donkere straten van Bali naar Ubud. Wanneer ik door het raam naar buiten kijk, zie ik enkel duisternis. Het kan me niet snel genoeg licht worden. In Ubud worden we afgezet bij ‘Yulia Village Inn’. Hier zullen we onze eerste nacht doorbrengen. De kamer voelt nat en klam. Het is zo anders. Ik besef nog steeds niet dat ik er ben. Ik ben in Indonesië, op Bali, in Ubud. Onwerkelijk, maar waar.

Vermoeid van de reis kruipen we het bed in. Klokslag drie uur ’s nachts worden Sjors en ik tegelijk wakker. Is dit nu de jetlag? Omdat bij beiden de slaap ver te zoeken is, besluiten we de Indonesische televisie te gaan ontdekken. Niet te vergeten strijdt Nederland die avond om de wereldbeker. Daar zitten we dan, midden in de nacht, klaarwakker, in een land dat voor mij ergens ruikt naar thuis, stiekem te hopen dat Nederland wereldkampioen gaat worden. Hoe dubbel kan het soms zijn.

Als ik wakker word, weet ik niet hoe snel ik naar buiten moet. Ik hoor mensen praten. Ik hoor geluiden die ik niet weet te plaatsen. Snel open ik de bewerkte houten deuren. Opnieuw valt diezelfde natte deken, die mij ook op het vliegveld overviel, over mij heen. Vandaag ga ik maar eens aan dit klimaat wennen.

Wanneer Sjors en ik aangekleed zijn, gaan we richting het ontbijt. Overweldigd door alle kleuren, geuren en geluiden, let ik, dromer die ik ben, totaal niet op. Ik struikel. Een klein gevlochten mandje ligt voor mij, de inhoud ervan ligt achter mij. Op dat moment weet ik nog niet dat dit een met veel liefde en zorg bereid offertje is. Later zal ik nog veel meer van deze offertjes tegenkomen en deze met alle voorzichtigheid ontwijken.

Het ontbijt bestaat uit Pancakes, French toast of Nasi. Nasi klinkt erg aantrekkelijk, maar ik kan met mijn niet perfect werkende darmstelsel op de vroege ochtend toch echt beter voor de Pancakes of French toast gaan. Ik besluit de Pancakes een kans te geven. Deze gaan erin als koek. De basis is gelegd om Ubud te gaan ervaren.

Wanneer we de straat opgaan, worden we overvallen door taxichauffeurs. ‘Taxi, taxi, you want taxi?’ Wanneer wij heel beleefd antwoorden dat we geen taxi nodig hebben, geven ze het natuurlijk niet zomaar op. ‘You need taxi today, tomorrow, yesterday?’ Om de ‘yesterday’ wordt er smakelijk gelachen. Sjors en ik lachen net zo hard mee. Direct denk ik dit zou zomaar een slechte grap van mijn moeder of mij geweest kunnen zijn. Verdacht.

Wanneer dromen tastbaar worden (1)

Welcome to Bali

Indonesië gaan zien is een feit

Zomer 2010. Voor het eerst zal ik het land gaan bezoeken waar ik van kleins af aan over droom. Indonesië, Indië, Nederlands-Indië. Het land waar mijn roots gedeeltelijk liggen. Het land waar mijn opa altijd zo naar terug verlangd heeft. Het land waar mijn oma juist liever niet meer terug wilde komen. Zou het echt zo zijn dat de geur herkenning bij mij oproept? Dat elke man van mijn opa’s leeftijd mij aan mijn opa zal doen denken? Ik zal het gaan ervaren.

Schiphol. Enkel 20 uur vliegen staat nu nog tussen mij en mijn lang gekoesterde droom in. Het moment van herkenning, van voelen en misschien (nog) dichterbij mezelf komen. Dag lieve mama. Nog eenmaal vraag ik haar of ze het echt niet erg vindt dat ik eerder naar Indonesië ga dan zij ‘terug’ kan gaan. Ze geeft me een kus, ‘geniet Rooske.’ Met de ketting van mijn Indische opa Ed om mijn pols en zijn foto in mijn rugzak ga ik door de douane het vliegtuig in. Indonesië gaan zien is een feit.

Ik land in Jakarta op de dag dat mijn moeder in 1956 Jakarta verliet. Een maand zal ik hier zijn, precies de maand dat mijn moeder op de boot naar Nederland zat. Gepland? Nee. Enkel toeval? Nee, ik geloof niet in toevalligheden. Ik ruik, ik voel, ik proef. Welkom.

Wanneer mijn visum gecontroleerd wordt, vraagt een uiterst vriendelijke jongeman mij of ik in Indonesië ben ‘to find a boyfriend’, want als dat zo is dan wil hij mijn ‘boyfriend’ wel zijn. Voor de duidelijkheid meldt hij er ook bij dat hij natuurlijk ook nog wel een ‘boyfriend’ heeft voor mijn reisgenootje Sjors. Sjors en ik vertellen hem vriendelijk dat we het met z’n tweeën ook wel gaan redden. Zodra beide visa goedgekeurd zijn, maakt de jongeman nog één opmerking: ‘Look out for the boys’. Met deze tip op zak zijn we helemaal klaar voor het laatste stukje vliegen.

In Jakarta pakken we het vliegtuig naar Bali. Drie weken zullen we op Bali doorbrengen, één week zullen we Lombok gaan ervaren. Waarom Bali en Lombok? Tja, je moet ergens beginnen. We landen om half één ‘s nachts. Een bord met ‘Welcome to Bali’ begroet ons. Als een echte toerist moet ik dit bord toch echt even vastleggen op camera. Wanneer we onze backpacks hebben lopen we naar de uitgang. Een man staat al te wachten met een stukje karton in zijn hand waar ‘Georgina’, beter bekend als Sjors, op staat. Een warme natte deken valt over ons heen en direct worden alle zintuigen geprikkeld. Hoe stom ook, mijn eerste gedachte is, moet ik een maand in een dergelijk klimaat leven? Mijn tweede gedachte, het ruikt hier naar de pasar, naar de toko, naar het huis van mijn tante wanneer ze lekkere dingen kookt. Geurherkenning in the pocket?!

Tussen de Sterren #4

Derde generatie Indo Jasper Naaijkens houdt op Indisch 3.0 een blog bij over de “Oscar-run” met de film Stand van de Sterren waarvoor hij de montage deed. Met een officiele kwalificatie is de film een stapje dichterbij een nominatie voor de Oscar voor beste documentaire. In zijn vierde blog vertelt over het ‘sterrenleven’ in New York.

In New York zie je niet zoveel sterren, althans, niet aan de hemel. De lichten branden hier de hele nacht en toch schitterden de sterren toch voor ons deze maand.  We zijn officieel gekwalificeerd voor de Oscars! We zijn daarmee weer een stapje dichterbij een Oscarnominatie.

Deze maand zijn wij door HBO en het Museum of Modern Arts (MoMA) uitgenodigd in New York ter promotie van de documentaire ‘Stand van de Sterren’. HBO is de grootste betaalzender van de Verenigde Staten en internationaal bekend door series als Entourage, The Wire, The Sopranos en Sex & the City. Uit dit indrukwekkende rijtje blijkt wel dat het zeer bijzonder is om als Nederlandse productie door zo’n grote zender te worden uitgezonden. ‘Stand van de Sterren’ zal woensdag 28 september om 8 uur worden uitgezonden door HBO.

Om een beeld te schetsen: HBO telt meer dan 28 miljoen abonnees. Uiteraard kijken die niet allemaal op hetzelfde moment, maar de kans bestaat dat er mensen naar “Position among the Stars” (de internationale naam van ‘Stand van de Sterren’) kijken dan Nederland aan inwoners telt. HBO geeft meestal voorafgaand aan zo’n uitzending een feest met veel genodigden, maar deze keer wilden ze iets speciaals doen. De film werd voorafgaand aan de uitzending op HBO namelijk ook gedraaid in het MoMa. Het MoMA (zoals New Yorkers het museum noemen) is internationaal van de meest toonaangevende musea en bezit werken van Monet, Picasso, Mondriaan en Van Gogh.

Het is een hele eer dat ons ‘kunstwerk’ onder hetzelfde dak werd vertoond. Vanwege de vertoning stond er een aantal artikelen in verschillende Amerikaanse dagbladen. Bijzonder was het grote artikel in de New York Times van 11 september 2011 waarin ik zelf even wordt genoemd. Deze issue is extra bijzonder omdat het op de dag af 10 jaar na de aanslagen in New York was. De uitgave wordt het nu al een ‘collectors edition’ genoemd.

HBO weet wel hoe ze je een ster kunnen laten voelen. We werden opgehaald van JFK airport en werden naar ons hotel gereden. Dit was heel wat anders dan een contractpension! De volgende dag was de eerste voorstelling van ‘Postion among the Stars’ in het MoMA. Er waren door ons enkele bekenden uit New York en omgeving uitgenodigd. Na de voorstellen was er een vraaggesprek. Inmiddels zijn we hier heel goed in geworden, ook al is het in het Engels. Het publiek wilde de zaal niet verlaten en bleef ons maar vragen stellen over de manier van filmen en monteren. HBO heeft ons letterlijk moeten meetrekken want er stond een uitgebreid diner op ons te wachten.

Tijdens het diner met mensen van HBO en Moma zei een van de medewerksters van het museum dat we na sluitingstijd maar even langs het MoMA moesten komen. We werden de volgende dag door haar na sluitingstijd het museum binnengeloodst en hadden dus het hele museum voor ons alleen, een bijzondere ervaring. Zeker wanneer je je bedenkt dat het museum dagelijks duizenden toeristen trekt. De architectuur van het gebouw is op deze manier echt overweldigend. Mooi toeval is de naam van het topstuk in MoMa: ‘De Sterrennacht’ van Vincent van Gogh. Ik ben benieuwd hoe dit schilderij eruit had gezien als Van Gogh niet in Frankrijk, maar in Indonesië had gewoond.

Na een paar geweldige dagen in New York City moesten we helaas weer terug naar Nederland. HBO had een taxi geregeld waar we in de lobby van het hotel op zaten te wachten. Het wachten duurde wel erg lang en net toen we zelf vervoer wilde regelen kwam de conciërge van ons hotel vroeg of wij van Scarabeefilms waren, ons vervoer was gearriveerd. Maar eenmaal buiten zagen wij nog altijd geen taxi. Totdat de ‘bellboy’ de deur van een 9 meter lange limousine open deed. HBO had geregeld dat wij ‘in stijl’ naar het vliegveld werden gebracht. Op dat moment voelden we ons toch even een echte filmster.

Even terug op aarde gekomen schitteren vanaf deze week De Sterren op het Nederlands Filmfestival in Utrecht op zaterdag, dinsdag en woensdag. Wij zullen na de voorstelling van dinsdag aanwezig zijn om vragen te beantwoorden uit het publiek.