De Nederlanders voorbij

Foto’s: Natalie Ypma – Tekst: Ed Caffin

Vanaf deze week is er in het Centraal Museum in Utrecht een bijzondere en belangwekkende expositie te zien, genaamd Beyond the Dutch. Volgens de beschrijving biedt de tentoonstelling ‘een vernieuwend inzicht in de invloed van de Nederlandse cultuur op Indonesische beeldende kunst, en andersom’. Naast dat de tentoonstelling een overzicht geeft van ‘1900’ -een tijd van Nederlands beïnvloeding tot ‘nu’: een tijd waarin dat al lang niet meer het geval is, stelt het ook kritische vragen over de blik waarmee naar ‘kunst uit het Oosten’ wordt gekeken.

campagnebeeld Beyond the Dutch flyerIn de koloniale tijd werd de Indische of Indonesische beeldende kunst bepaald door Westerse ideeën. Treffend voorbeeld is het zelfportret van Raden Saleh. Het schilderij zou, afgezien van de onmiskenbare Indonesische trekken in het gezicht van de schilder, niet opvallen tussen Nederlandse doeken uit die tijd. Tekenaar met Indische roots Peter van Dongen nam het als uitgangspunt voor het affiche.

Terwijl in de koloniale tijd vooral een idyllisch Indië werd afgebeeld, werd tijdens de onafhankelijkheidsstrijd beeldende kunst in Indonesië gebruikt als uiting van de revolutie en het verlangen naar vrijheid en bevrijding van de Nederlanders. Schilders als Sudjojono, Agus Djaya en Affandi portretteerden bijvoorbeeld revolutionaire strijders.

P1070415Vanaf de jaren vijftig ontwikkelde zich in de jonge republiek -en dan met name op Java- langzaam maar zeker een eigen karakter in de kunst. Een ‘nationale stijl’ waar president Soekarno een enorme stimulerende rol in had ontwikkelde zich en verwierp de Nederlandse invloed.

In de daaropvolgende Soeharto-tijd was er decennia lang sprake van censuur. Een nieuwe generatie kunstenaars, waaronder Heri Dono, kon zich daar pas na de Reformasi definitief vrij van maken. De nieuw verworven vrijheid van meningsuiting stimuleerde de ontwikkeling van hedendaagse kunstenaars die zich juist op expressie van de eigen persoonlijkheid richten. In het werk staan thema’s centraal als identiteit, globalisatie, religie en moderniteit, maar ook een nieuwe benadering van het koloniale verleden.

P1070354Na het eerste Indonesische deel van vroeger naar nu, bewandelt de kijker in het tweede deel van de expositie de omgekeerde weg, dan vanuit het Nederlandse perspectief. Via door Indonesië geinspireerde werken van een aantal Nederlandse hedendaagse kunstenaars -een aantal met Indische achtergrond- gaat hij weer terug naar de Indische idylle met werken van onder andere Jan Toorop.

Naast deze dubbele historische lijn stelt de tentoonstelling, samengesteld door Meta Knol, echter ook de vraag hoe we precies kijken naar deze werken. In Nederland lijkt nog altijd weinig aandacht voor (moderne) Indonesische beeldende kunst. Er is een te beperkt kunstbegrip waarin weinig tot geen plaats is voor kunst uit niet-Westerse culturen. Wat bijvoorbeeld wel wordt getoond, en dan vooral in Volkenkundige musea, zijn etnografica.

Helaas is dus nog altijd niet afgerekend met de koloniale attitude. Ook niet als het gaat om kunst. De P1070402koloniale blik waarmee naar niet-westerse culturen wordt gekeken is nog niet verdwenen: in een kunsthistorische vorm van oriëntalisme wordt Oosterse kunst gereduceerd tot een slap aftreksel van hoe kunst eigenlijk zou moeten zijn, namelijk zoals Westerse kunst is.

Deze expositie probeert daar nadrukkelijk buiten te treden. Door te kijken naar de Indische/Indonesische kunstgeschiedenis laat het zien op welke manier er wederzijdse beinvloeding is geweest tussen kunstenaars in Nederland en Indonesië en hoe de hedendaagse kunst omgaat met het gemeenschappelijk verleden. Wat echter vooral duidelijk wordt is dat Indonesische kunstenaars “de Nederlanders voorbij” zijn. Al lang.

Beyond the Dutch, Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu, Centraal Museum Utrecht, 16 oktober 2009 t/m 10 januari 2010.

Indische sporen in Kaapstad

Kaapstad is behalve een geweldige stad en ideale reisbestemming een fascinerende mengelmoes van culturen die zijn oorsprong heeft in de koloniale tijd. Begon de stad rond 1638 als een verversingspost op de handelsroute van Nederlandse schepen naar de Oost, al snel groeide Kaapstad uit tot een van de eerste permantente europese nederzettingen in zuidelijk Afrika. Naast specerijen en allerlei andere handel, werden hier vanaf  eind 17e eeuw honderden slaven uit onder meer het huidige Indonesië heengebracht. Net als in Nederlands-Indië vermengden Europese en Aziatische invloeden zich hier met elkaar en daarnaast met de oorspronkelijke lokale afrikaanse culturen. Lopend door de straten van de Moederstad van Zuid-Afrika vraag ik me af of er nog “Indische sporen” te vinden zijn.

Op het eerste gezicht lijkt er in Kaapstad, behalve Hollandse architectuur, weinig tastbaars over uit de koloniale tijd. Wat meer opvalt is het contrast van bedelende kinderen voor de ingangen van dure westerse winkelketens, waar de rijke clientèle zich achter stalen hekken heeft verschanst. De kleur van je huid mag hier dan wel niet meer bepalen wat je plek is, wel hoe arm of rijk je bent.

De Aziatische invloeden zijn echter snel merkbaar: Kaapstad heeft net als veel andere Zuid-Afrikaanse steden een grote Indiase gemeenschap en de vaak kleurige gevels van talloze Indiase winkels en restaurants sieren het straatbeeld. In totaal wonen meer dan een miljoen Indiërs in het land. Indiase families, die vaak al generaties lang in Zuid-Afrika zijn, houden sterk vast aan hun eigen cultuur. Samen met de gemengde bevolking die ontstond uit huwelijken tussen blank en zwart, vormden zij in de apartheid-tijd de middenlaag van de samenleving. Met net iets meer vrijheid en rechten dan zwarten, maar minder dan de blanken.

Hoewel er misschien geen formele en wettelijke apartheid bestond in Nederlands-Indië, dringt een vergelijking zich gemakkelijk op met de koloniaal geregelde samenleving daar van Hollanders, Indo-Europeanen en inlanders. Sterkere en overtuigendere Indische sporen blijken echter meer onder de oppervlakte te zitten.

Bokaap bewoners
Kaapstad, de Moederstad van Zuid-Afrika, heeft een eeuwenlange band met het Westen en het Oosten; hier komen verschillende culturen bijeen. De vroege bewoners van Bo-Kaap kwamen uit Zuid-Oost Azië en brachten gewoonten en gebruiken mee die ze vermengden met andere culturen. Foto: Bo-Kaap Museum.

Bladerend door een menu van een van de talloze Kaapse restaurants vind ik een dag later tot mijn verassing ineens de woorden rystafel, atjar en sambal. De afstammelingen van de slaven uit het huidige Maleisië en Indonesië die naar de Kaap werden gebracht, werden Cape Malay genoemd, naar de taal die de meeste van hen spraken (Maleis, destijds de lingua franca van de regio) en brachten hun eigen eetcultuur mee, die langzaam zijn eigen Kaapse karakter kreeg maar een onmiskenbare Aziatische smaak heeft behouden. De gerechten die ik van de Cape Malay keuken proef zijn heerlijk.

Eten. Zou dan vooral het eten de cultuur hier beïnvloed hebben? Onbevredigd zoek ik verder in het prachtige Bo-Kaap, waar de Cape Malay zich oorspronkelijk vestigden. De steile met keien ingelegde straten voeren bergopwaarts richting de top van Signal Hill. De lage, kleine huizen zijn in steeds wisselende kleuren geverfd waardoor de wijk als een lappendeken over de heuvel lijkt te liggen. Op driekwart van de tocht omhoog vind ik Tanah Baru, een oude begraafplaats met een verbluffend uitzicht over de metropool die zich beneden mij uitspreid over de Kaap. In de verte loopt de kustlijn richting Kaap de Goede Hoop, de bijna mythische rots, waar al eeuwenlang schepen omheen voeren om hun zuidelijke route te verleggen naar het Oosten.

Begraafplaats Tanah Baru - Nieuwe Grond - bovenop Signal Hill
Begraafplaats Tanah Baru (nieuwe Grond) - bovenop Signal Hill

Het is stil zo hoog boven de stad. Rechts van me kijk ik uit op de Tafelberg. Van de rand rolt als een toefje slagroom een wolk. Dan tuur ik links van me de zee af richting de horizon. Het water weerkaats fel het zonlicht. Ergens halverwege ligt Robbeneiland als een donkere pannekoek op een spiegelende bakplaat.

BokaapAA
Bo-Kaap met op de achtergrond Signal Hill

In het Bo-Kaap Museum, weer terug onderaan Signal Hill, begin ik aandachtig de informatie te lezen over de historie van de wijk. Gedreven vult Shereen Mischab, die rondleidingen door de wijk verzorgt, aan. Ze vertelt hoe de Cape Malay zich in zekere zin wel verbonden voelen met Indonesië en Maleisië, omdat daar hun voorvaderen vandaan kwamen, maar dat zij toch vooral hun eigen identiteit hebben. Hier in de Bo-Kaap werd bijvoorbeeld hard gestreden tegen de apartheidspolitiek.

Veel van de nieuwkomers in die tijd, waren vaardige ambachtslieden, die de snel groeiende stad werden binnengebracht om forten, huizen en andere gebouwen te bouwen. De meesten van hen waren moslim en zij hielden vast aan hun geloof. Het gebeurde vaak dat zij hierheen gelokt werden doordat de hollanders hun geestelijk leiders naar de Kaap verbanden, zoals Tuan Guru, die op Tanah Baru een monument heeft.

Voorzichtig concludeer ik dat de Cape Malay in verschillende opzichten zeker verwant zijn aan de Indo-Europeanen uit Nederlands-Indië maar (uiteraard) vooral hun eigen geschiedenis hebben. De vergelijking met Indo-Europeanen gaat op de meeste punten dan ook mank, maar vertoont toch zeker gelijkenissen.

Bo-Kaap!
De wijk Bo-Kaap: in vele opzichten de meest kleurrijke wijk van Kaapstad

Verschillende “Indonesiërs” trouwden bijvoorbeeld met Hollanders –zoals de grootouders van Shereen. Hun Kaapse kinderen waren in een bepaald opzicht “Indo-Europees”. Sommigen gingen op in de Afro-Euro-Aziatische mix die hier langzaam maar zeker ontstond. Tegelijkertijd probeerde de meerderheid van de Cape Malay –overwegend met succes- vast te houden aan de eigen gemeenschap die als een kleine diaspora in het snel groeiende Zuid-Afrika uit elkaar dreigde te vallen.

Die middag ontmoet ik in een winkel in de haven van het pittoreske Kalkbay, iets ten zuiden van de stad, Traci. Haar uiterlijk verraad een gemengde achtergrond. Ze vertelt dat ze een Indonesische en Nederlandse voorouder heeft. Haar gemengde afkomst is historisch verbonden met het dorp, waar ze werd geboren, want hier vestigden zich een aantal eeuwen geleden honderden Maleisische, Filippijnse en Javaanse vissers naast een handvol Europeanen die uit de stad waren afgezakt richting het zuiden.

Kalkbay
In Kalkbay, iets ten zuiden van Kaapstad op het Kaapse Schiereiland, vestigden zich meer dan een eeuw geleden honderden vissers uit onder ander Java, de Filipijnen en Maleisie

Haar Nederlandse overgrootvader trouwde een de nazaten van de Javaanse vissers. Haar achtergrond is haar de laatste jaren, sinds ze een dochter heeft, meer gaan interesseren, vertelt ze. Ze wil haar dochter graag vertellen waar ze vandaan komt. Is ze misschien eigenlijk een Indische? vraag ik me ondertussen af.

Voor even voelen we ons verbonden door een geschiedenis die overeenkomsten vertoont en bovendien wortelt in eenzelfde ontmoeting van Oost en West. Hier, niet ver van Kaap de Goede Hoop, sta ik in het symbolische midden daartussen. Het is een comfortabele plek besluit ik. Dan denk ik voor even nergens aan. Langzaam, aan de andere kant van de Kaap, gaat de zon donkerrood onder.

Melati Hotel

Het vijfde en laatste verhaal uit Indonesië gaat over Melati Hotel. Het hotel in Gorontalo maakte een belangrijke periode in de geschiedenis van Nederlands-Indië en Indonesië mee, en in deze stad woonden mijn overgrootouders tot aan hun dood.

Indonesië/Amsterdam, januari 2008

door Ed Caffin

Een van de oudste hotels van Gorontalo, een kleine provinciestad in het noorden van Sulawesi, is Melati Hotel. Het staat aan de rand van de alun-alun, het centrale plein, in het oude gedeelte van de stad. Het meer dan honderd jaar oude gebouw lijkt bevroren in de tijd. Op de veranda staan nog de originele meubels die oprichter Hendrik Velberg in 1900 aanschafte: houten tafels en donkerbruine rotan-stoelen. Het zijn dezelfde stoelen waarop mijn overgrootouders ooit zaten en lome tropenmiddagen doorbrachten met het drinken van zoete thee of es kelapa in de schaduw van het overhangende dak. Anno 2008 kan ik met mijn laptop op het terras internetten via een draadloze verbinding. Tijden veranderen wel degelijk.

Op de crèmekleurige houten muren zitten hagedisjes te wachten op het vallen van de avond als ik vanaf de stenen veranda van het hotel door de antieke raamluiken gluur. Het zonlicht valt naar binnen en maakt smalle strepen in de lange gang. Pak Alex, kleinzoon van Hendrik en de huidige eigenaar van het hotel, is stilletjes naast me komen staan. Als ik me naar hem toe draai en hem vraag naar de geschiedenis van het hotel, kijkt hij me onderzoekend aan door zijn bril met jaren-vijftig-montuur. Hij draagt een simpel wit hemd en een korte linnen broek. Zijn grijsblonde haar, heldere blauwe ogen en witte huid verraden zijn Europese afkomst. Het duurt even voordat hij antwoord geeft, maar tenslotte begint hij me in perfect (Indisch) Nederlands alles wat hij weet te vertellen.

img_4275_blog
Alex Velberg op de veranda voor het oude Melati Hotel

Het oorspronkelijke hotel had 10 kamers. Het hoofdgebouw, met buitentoilet, bestaat uit zeven kamers, en daarachter ligt een paviljoen met nog drie kamers. Vanaf de veranda van het hoofdgebouw gaan we de deur door en lopen we de gang in. Aan weerszijden zie ik kleine, spartaanse kamers met gietijzeren bedden waar dunne, verweerde matrassen op liggen. In elke kamer staat een eenzame stoel aan een bureau. Als we een tijdje zwijgend in de lange gang staan en ik door een kier van een oude deur een onbekende schaduw zie, begint het bijna-museum spookachtig aan te doen. Alsof hij me gerust wil stellen vertelt Alex dat in dit gedeelte tegenwoordig geen gasten meer komen, ik weet ook niet of ik hier ’s nachts erg rustig zou slapen. Hij vertelt verder dat hij dit deel van het hotel aan het restaureren is.

Schuin achter het originele, antieke hotel ligt een grasveldje met in het midden een paar houten stoelen onder een afdak. In 1996 liet Alex langs de rand van dit veldje een nieuw gedeelte aan het hotel bouwen. Het simpele, stenen gebouw bestaat uit twee vleugels en heeft een L-vormige galerij, waar de stuk of vijftien identieke kamers op uitkomen. In alle kamers liggen dezelfde gladde, witte tegels op de vloer en staan dezelfde bedden. Hier verblijven nu alle gasten. Naast de nieuwe vleugel, in het achterste, oudere gedeelte van het complex woont Alex met zijn familie.

Vanaf de oprichting tot aan de Tweede Wereldoorlog was Melati Hotel een populaire plek voor de bewoners van Kampong Tenda, de nabijgelegen oude Indische wijk die tussen de alun-alun en de haven ligt. Net als het hotel lijkt het alsof de wijk sinds het begin van de vorige eeuw weinig veranderd is. In het midden van Kampong Tenda staat nog een oude Hollandse kerk en de meeste oude, koloniale huizen zijn na vele tropenjaren nog zo goed als compleet intact. Er wonen ook nog steeds enkele Indische families, maar de meeste huizen werden na de oorlog verkocht aan Indonesiërs en chinezen. Op een heuvel, niet ver van de kampong , is een oude Indische begraafplaats te vinden met tientallen verweerde en overwoekerde graven van vroegere bewoners.

Hotel Melati, Jalan Gajah Mada 33, Gorontalo
Hotel Melati, Jalan Gajah Mada 33, Gorontalo

Naast de Indo’s uit Kampong Tenda kwamen er veel zeelui en Hollanders in het hotel. Gorontalo was in die tijd een belangrijke havenplaats met veel handel en scheepvaart. Op zaterdagavonden werd er volgens Alex tot laat gedanst op de veranda. Ik stel het me voor: tussen de muziek van langspeelplaten uit krakende grammofoons klinkt gelach. Lange, zwierige jurken van verlegen jongedames slepen langs de witte pantalons van knappe Indische jongens. Er worden steelse blikken uitgewisseld, terwijl de ouderen bier en Bols drinken en in het zwakke petroleumlicht het geflirt van de jongelui niet opmerken.

Terwijl de becakrijders voor het hotel sigaretjes roken of opgevouwen op de passagiersbankjes middagdutjes doen, neem ik wat foto’s van Pak Alex op de veranda van het oude gedeelte van het hotel. Hij trekt een ernstig gezicht en laat zijn armen langs zijn lichaam naar beneden zakken, over de armleuningen van de antieke stoel waar hij op zit. In de zoeker van mijn camera lijkt Alex, net als het hotel, vastgevroren in de tijd.

Hoewel het hotel uiterlijk misschien onveranderd lijkt, is zijn geschiedenis en die van Gorontalo, de geschiedenis van Indonesië in een notendop. Het maakte in de afgelopen honderd jaar alle veranderingen mee: van de tempo doeloe tijd, tot de Tweede Wereldoorlog, waarin zijn kamers bewoond werden door Japanse soldaten, van de revolutietijd tot aan de bevrijding, waarna het getuige was van de uittocht van vele Indo’s uit Indonesië. Na die uittocht, Frits Velberg had het hotel inmiddels overgenomen, kwamen er lange tijd vrijwel uitsluitend Indonesische toeristen naar het hotel.

Bij de oprichting van het hotel in 1900 in Gorontalo woonden er nog honderden Indische mensen, maar toen Henrik Velberg het hotel begin jaren zestig overdeed aan zijn zoon Frits, was zo goed als de gehele Indische gemeenschap verdwenen. De familie Velberg was een van de weinigen die achterbleef. De laatste decennia ziet Alex, die het hotel na de dood van zijn vader in 1994 overnam, veel Indische Gorontalezen terugkomen naar de plek van hun jeugd. Tegenwoordig komen ook hun kinderen en kleinkinderen, vaak op zoek naar een bepaald huis in Kampong Tenda en onbekende verhalen. Vaak overnachten ze in hotel Melati. Geduldig vertelt Alex ze wat hij weet; het hotel, de kampong Tenda en Alex zitten vol verhalen.

Als de nacht valt, en Alex verdwijnt achter de toonbank van zijn winkel, blijf ik zitten op de oude veranda. Mijn sigaret licht af en toe op in het tropisch aardedonker en het wordt langzaam stil om me heen. Slechts het geluid van een tokeh klinkt zo nu en dan van ergens dichtbij. Dan, na een hele poos, sta ik op en schuif ik de oude stoel aan. Het is tijd om te gaan slapen.

Ambonezen houden van Oranje

Het vierde verhaal uit Indonesië schrijf ik in Ambon, de hoofdstad van de Molukken. Het gaat over de band van Ambonezen met Nederland en de liefde voor het Nederlands voetbalelftal.

Ambon, december 2008

door Ed Caffin

Aan de andere kant van de wereld ligt Ambon, een eiland met prachtige kusten waar elk plekje fotogeniek is. Het is moeilijk voor te stellen dat hier tot zo’n vijf jaar terug een burgeroorlog heerste die de bevolking van Ambon en de rest van de Molukken verdeelde langs religieuze lijnen. Godzijdank heerst er tussen moslims en christenen inmiddels weer vrede en is het in Kota Ambon weer druk en gezellig op straat. Op Jalan Pantai Mardika, waar tussen de marktkraampjes talloze bontgekleurde stadsbusjes, fietstaxi’s, voetgangers en scooters langs elkaar heen krioelen, hangt een geur van durian, zoetigheid en benzine. Ergens uit een winkel schalt een oude hit uit trillende speakers, en kinderen spelen in met regenwater volgelopen gaten in de weg. Hier en daar hangt al kerstversiering of wordt een kerstboom opgetuigd, terwijl vanuit de verte een muezzin oproept tot gebed.

Nadat ik vertel dat ik uit Nederland kom vraag ik Dedi Risakotta, de chauffeur van de ojek (brommertaxi) waar ik achterop zit, naar de betekenis van de muurschilderingen in de stad die iets te maken hebben met Nederland. De afgelopen dagen heb ik er al verschillende gezien: een oranje leeuw, of slechts de teksten Holland of Nederland. Er verschijnt een glimlach op zijn ronde gezicht en hij legt uit dat de mensen in Ambon gek zijn op het Nederlands elftal. “Als er een voetbalwedstrijd is, kijkt iedereen. We zijn hele grote fans van Oranje.” Tijdens een toernooi gaat het er hier fanatiek aan toe. “Na de verliespartij op het afgelopen Europees kampioenschap tegen Rusland wilde niemand hier meer een wedstrijd zien”.

Oranje schildering op straat in Ambon
Oranje schildering op straat in Ambon

Ondanks, of beter gezegd dankzij de bewogen geschiedenis hebben Ambonezen een lange en sterke relatie met Belanda. Iedereen in Ambon lijkt wel familie of vrienden te hebben in Breda, Sittard, Amsterdam of Woerden en voelt zich erg verbonden met Nederland. In totaal wonen er inmiddels enkele tienduizenden mensen van Molukse afkomst in Nederland, waarvan er velen hier op vakantie gaan. De Ambonezen verwachten over een aantal weken een hoop familie die hier de feestdagen komen vieren. Dedi zelf heeft familie in Assen. Een oom van hem woont daar met zijn gezin en kleinkinderen.

Terwijl we de stad uitrijden in de richting van Galala en Halong vermindert Dedi vaart om verder te vertellen over de Amboneze liefde voor Oranje. “Als het Nederlands elftal speelt, zie je vanaf Pasar Mardika tot hier Nederlandse vlaggen. De hele stad, en misschien zelfs wel het hele eiland hangt er vol mee. De wedstrijden zijn ’s nachts dus mensen gaan overdag een paar uur slapen”. Vol ongeloof over de voor mij totaal onbekende tropische Oranje-koorts, meer dan tienduizend kilometer van Nederland, kijk ik om me heen. Hier en daar zie ik mensen lopen in een oranje T-shirt of broek. Het zal wel toeval zijn.

Een vrouw op straat in Ambon in een oranjeshirt
Een Ambonese vrouw in oranjeshirt

Dedi begint ondertussen te vertellen over het gewonnen EK van 1988. Hij zat toen nog op de lagere school maar herinnert zich het nog goed. “Dat was de tijd van Gullit, van Basten en Rijkaard!” roept hij. “Toen Nederland de finale won, vierden we overal feest”. Ik verbeeld me een tafereel dat in geen velden of wegen doet denken aan de beruchte boottocht langs de Amsterdamse grachten met uitzinnige landgenoten op zinkende woonboten: ik zie de chaotische straten van Ambon vollopen met joelende voetbalfans en toeterende auto’s, en door het dolle heen stromen mensen de witte palmenstranden op om in Oranje tenue een duik te nemen in de warme zee.

Als we bij het dorp Passo aankomen draaien we vanaf Leitimur, het zuidelijke gedeelte van het eiland, het noordelijke gedeelte Leitihu op. De lucht is donker en de miezerregen verandert langzaam maar zeker in een tropische bui. Onder een rij bananenbomen langs de kant van de weg vinden we een klein houten huisje waarvoor een paar brommertjes staan geparkeerd. Sigarettenrook kringelt langs het golfplaten dak waaronder een paar mensen al staan te schuilen; drie mannen en een vrouw die een slapende baby wiegt. Als we de brommer aan de kant hebben gezet maken ze plaats onder het afdak.

Zodra we droog staan praat Dedi verder over de Amboneze Oranje-liefde. “De Nederlandse voetballers zijn hier bekend en populair. Maar natuurlijk zijn Ambonezen extra trots op de voetballers van Molukse afkomst, zoals Simon Tahamata, Sonny Silooy en Giovanni van Bronkhorst” roept hij enthousiast door het geluid van de stortbui door. “In de tijd van Tahamata hingen overal in cafés in Ambon foto’s en posters van hem”. De kleine voetballer van onder andere Ajax zou tijdens zijn bezoeken aan Ambon ongetwijfeld bedolven zijn onder enthousiaste fans.

De muren van Cafe Sibu Sibu hangen vol met de portretten van Molukse-Nederlandse voetbal
De muren van Coffee Shop Sibu Sibu op Jalan Trikura hangen vol met foto's van Moluks-Nederlandse voetballers

Ook Dedi is uiteraard Tahamata- en Oranjefan. Hij vind het erg jammer dat het laatste Oranje-succes zo lang geleden is en dat geldt, geloof ik intussen wel, voor bijna iedereen op het eiland. Het is hoog tijd voor weer een kampioenschap wat hem betreft. Ik zou hier tijdens een wedstrijd wel een kijkje willen nemen: alleen al het feest in Ambon bij een gewonnen wedstrijd zal ongetwijfeld al meer dan de moeite waard zijn. Inmiddels zijn ook zijn kinderen ingewijd in de Oranje-liefde, vertelt hij trots. Met de kleine voetbalshirtjes die ze onlangs van familie uit Nederland kregen, zijn ze nu echte fans.

Als de regen eindelijk is opgehouden rolt Dedi de brommer vanonder de bananenbomen vandaan en gaan we weer op weg. Hij praat ondertussen ongestoord verder over Oranje. Hij is, net als de meeste Ambonezen, erg trots op de band met Nederland. “Omdat iedereen daar vrienden en familie heeft zijn we ook trots op het land”, legt hij uit. “De jongere generatie Molukkers daar is inmiddels eigenlijk bijna Nederlands”, zegt Dedi geamuseerd als we de haven van Tulehu in rijden, “de band met Nederland zal er voor altijd blijven”.

We stoppen vlak bij het strand en kijken uit over kalme zee. Aan de horizon zie ik een aantal kleine eilanden. Voor me zwemmen kleine, gekleurde visjes langs de houten palen van de aanlegsteiger, en dobbert een klein bootje in het water. Als de jonge Molukse Nederlanders hier op bezoek komen zullen zij het zonder twijfel fantastisch vinden. Ambon is namelijk, met of zonder Oranje-koorts, een plek om van te houden. En daar kan geen gewonnen voetbalkampioenschap tegenop.

Meer zien en lezen over Ambon? Zie http://www.ambon-manise.com (bahasa indonesia), http://www.websitesrcg.com/ambon/ (engels) of surf naar http://maluku.startpagina.nl/

De lach van Sa’ih

Het derde verhaal uit Indonesië gaat over de behoefte aan erkenning, excuses en compensatie van tien Indonesiërs, en in het bijzonder Pak (vader/meneer) Sa’ih, die de Nederlandse staat aanklaagden voor de moord op hun dierbaren en andere bewoners van het toenmalige Rawagede door het Nederlandse leger op 9 december 1947.

Ter verantwoording: Het verhaal als geheel is gebaseerd op verschillende aangehaalde artikelen, gesprekken met betrokkenen (waaronder Pak Sa’ih) en mijn ervaringen in het dorp, dat ik in oktober bezocht.

Indonesië, december 2008

door Ed Caffin

Vandaag wordt in Balongsari, West-Java, de massamoord herdacht die het Nederlandse leger hier precies 61 jaar geleden beging. Als het goed is, is de Nederlandse ambassadeur in Indonesië aanwezig bij die herdenking. Misschien staan ze wel naast elkaar; ambassadeur Nikolaos van Dam en Pak Sa’ih Bin Sakam, de enige overlevende van de slachting, beiden stilzwijgend kijkend naar het grote, sobere monument. Erachter, net zichtbaar vanaf de weg, liggen de graven van de honderden onschuldige mannen die werden doodgeschoten.

Op 9 december 1947 was het leger op zoek naar een Indonesische vrijheidsstrijder die zich de dag ervoor nog schuilhield in het dorp, dat toen Rawagede heette, en toen ze hem niet konden vinden executeerden zij vervolgens meedogenloos de meeste mannen en jongens uit het dorp, in totaal meer dan 400. Velen van hen waren jong, zoals Sa’ih, tieners en twintigers nog. Hij, nu 87 jaar, overleefde het bloedbad door puur geluk: de kogels misten zijn vitale organen en terwijl hij zich stilhield tussen de lijken, verdwenen de soldaten langzaam uit het dorp.

Sa’ih zit elke dag op een stenen bankje voor het monument, zijn ogen glinsterend vanonder zijn zwarte, vilten hoed. Een glimlach siert zijn oude gezicht. Vandaag is hij vast en zeker prominent aanwezig bij de herdenking rond het monument. Ik vraag me af of hij weet heeft van het politieke gesteggel in Nederland met als uitkomst dat dit jaar de ambassadeur bij de herdenking aanwezig is. Zelf had hij het liefst gezien dat de soldaten van toen waren terugkomen om samen te herdenken. Verlangend naar verzoening had hij dat, samen met de andere nabestaanden, gevraagd. De Nederlanders zijn namelijk meer dan welkom hier.

Ik vraag me ook af of hij weet dat de “kwestie Rawagede” in Nederland jarenlang werd verzwegen, ontkend en gebagatelliseerd, totdat in augustus van dit jaar een groep nabestaanden, waaronder hijzelf, de Nederlandse staat aanklaagden. Zou hij weten dat een aantal politici vindt dat Nederland geen excuses moet maken omdat het immers “al zo lang geleden is”? En zou hij het veelgebruikte argument begrijpen dat als hiervoor excuses worden aangeboden “er dan wel meer gebeurtenissen zijn waar excuses voor kunnen worden gemaakt?”

Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp
Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp

In het dorp is de Nederlandse discussie in elk geval geen issue. Er zijn hier, zoals eerder al helder verwoord in een recent artikel van NRC-correspondent Elske Schouten over de kwestie Rawagede, genoeg andere zorgen. Er is niet veel perspectief; de meeste mensen leven eenvoudig en hebben weinig geld. Veel jongeren uit het dorp maken lange dagen in een nabij gelegen fabriek of zijn jaren van huis om in het Midden-Oosten te werken. Van het daar verdiende geld wordt hier een huis gebouwd en gezorgd voor de ouderen.

Toch kwam voor de groep nabestaanden, die allen hoogbejaard zijn, deze zomer het moment dat zij een zaak wilden maken, daarbij aangemoedigd door de stichting Rawagede, die zich onder leiding van voorzitter Sukarman inzet voor het behoud van de herinnering aan de tragedie. Geholpen door het Comité Nederlandse Ereschulden, en juridische kennis uit Nederland stellen ze in de aanklacht de Nederlandse staat aansprakelijk voor de moorden en eisen zij excuses, erkenning en een schadevegoeding.

Het is voor het eerst dat Nederland aansprakelijk wordt gesteld voor misdaden gepleegd tijdens de jaren van strijd tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Ook de Republiek Indonesië heeft de Nederland staat namelijk nooit aangeklaagd: ook hier zijn de gebeurtenissen uit die tijd lang verzwegen of ontkend.

Onder meer het NRC publiceerde sinds augustus verschillende artikelen over de kwestie, zoals dat van Elske Schouten. In een column gaat haar collega Frank Vermeulen in op de uitlatingen van VVD-er van Baalen, aanvoerder van het “geen excuses want te lang geleden – kamp”. Het artikel gaat verder in op de (op dat moment nog aanstaande) Nederlandse parlementaire delegatie die in oktober in Indonesië was, het dorp te bezoeken. Vermeulen vraagt zich af of Nederland uiteindelijk toch het goede zou doen, namelijk praten met de nabestaanden en excuses maken?

Het loopt anders. De delegatie besluit niet af te reizen naar het dorp. Uiteindelijk spreken drie parlementariërs alsnog met een aantal nabestaanden, waaronder Sa’ih, in een hotel in Jakarta. Een van de drie, Harry van Bommel, krijgt van van hen het verzoek om Nederlandse militairen naar de eerstvolgende herdenking te sturen zodat zij hen, 61 jaar na dato, vergeving kunnen schenken. Resultaat: op 18 november stemt de kamer in met het voorstel van van Bommel om de ambassadeur te sturen. Van Bommel roept veteranen op om zelf naar de herdenking te gaan.

De stichting Rawagede verwacht vandaag echter geen veteranen, en dus zullen Sa’ih en de anderen vandaag, ondanks hun wens, genoegen moeten nemen met de aanwezigheid van de Nederlandse ambassadeur. Erkenning en excuses komen er voorlopig ook niet, en bovendien verklaarde de landsadvocaat van Nederlandse staat, op 24 november jongstleden, de financiële claim verjaard. Eens te meer blijkt er een te grote afstand tussen wens en realiteit.

Morgen, dan zit Sa’ih gewoon weer op zijn bank en lacht hij van onder zijn zwarte, vilten hoed. De herinnering aan de tragedie heeft van hem geen bittere oude man gemaakt. Aan het einde van zijn leven verlangt hij, zo stel ik me voor, alleen nog naar verzoening. Want, daar ben ik van overtuigd; Sa’ih hoeft niet meer te leren vergeven. Zijn lach verklapt dat er geen wrok heerst in zijn hart. Hij vraagt slechts om excuses, om ze te kunnen accepteren.

Op de website van het Comité Nederlandse Ereschulden (voorzitter Batara Huta Galung), die streeft naar verzoening tussen Nederland en Indonesië, zijn artikelen verzameld over de kwestie: http://indonesiadutch.blogspot.com


“Indo” in Indonesië!

Het tweede verhaal uit Indonesië schrijf ik in Bandung. In de tijd dat Indonesië nog Nederlands-Indië heette was dit een echte Indische stad met een grote Indische gemeenschap.

Bandung, november 2008

door Ed Caffin

Bandung, de vierde stad van Indonesië, ligt zo’n 300 kilometer ten zuidoosten van Jakarta en heeft een wat zachter klimaat. In de heuvels rond de stad is het zelfs koel ’s nachts. De stad had ooit een grote Indische gemeenschap en nog steeds wonen hier een paar honderd Indische mensen. De meesten hebben de Nederlandse tijd meegemaakt en spreken de taal ook nog, maar zijn inmiddels zo goed als bejaard. “Indisch” sterft hier daarom langzaam maar zeker uit. Indo’s, mensen met een gemengde Westerse-Indonesische achtergrond zijn er echter genoeg. En velen van hen zijn bekend.

Begin vorige eeuw had Bandung, dat toen ook wel het ‘Parijs van Java” werd genoemd, niet alleen een grote Indische gemeenschap, maar woonden hier ook veel Indonesische intellectuelen. Bovendien ontwikkelde de latere president Soekarno mede hier zijn nationalistische denken, en richtte hij in Bandung hier in 1928 de Partai Nasional Indonesia (PNI) op, die als doel het stichten van een onafhankelijk Indonesia had.

Rijdend door de grote, drukke stad, die een vergelijking met Parijs al lang niet meer doorstaat, kijk ik wat rond op straat. Tussen de vele reclameborden langs de kant van de weg, zie ik hier en daar dingen die me doen denken aan een vervlogen Indische tijd. Er is een “Holland Bakery” -al weet ik niet of die überhaupt iets met Nederland te maken heeft- en ik zie een bord met “Haagse klappertaart” erop; een oude Indische lekkernij. Er staan ook nog veel oude Nederlandse gebouwen overeind, al is het meestal wel vergane glorie.

iklanluna4Even later zie ik een opvallend billboard. Een prachtige vrouw in een fel oranje pakje prijst een telefoonabonnement aan. De vrouw heet Luna Maya, weet ik, een van de populairste sterren in Indonesië. Volgens een lokaal blad heeft ze een relatie met een zanger uit Bandung. Bovendien las ik dat ze een Javaanse moeder en Oostenrijkse vader heeft. Die gemengde achtergrond maakt haar een “Indo”.

De term “Indo” bestaat al lang in Indonesië, maar verwijst tegenwoordig in het algemeen naar “mixjes”, zoals Luna Maya, en niet meer exclusief naar de Indo-Europeanen of Eurasians van de vroegere kolonie. Als het over een “Indo” gaat, dan wordt vooral iemand bedoeld met een Indonesische en een Westerse ouder. Hoewel er nog veel oudere Indischen in Indonesië wonen die zich “Indo” noemen, zijn hun kinderen, jonge Indonesiërs met een Indische achtergrond, net als hun leeftijdsgenoten in Nederland geïntegreerd in het nieuwe land. De meesten voelen zich vooral Indonesiër.

Met mijn Indische vader en Nederlandse moeder ga ik in Indonesië sowieso als Indo door het leven. En er zijn ook nog andere grappige namen voor “mengbloeden”, zoals blasteran, Gado-Gado en campuran, wat allemaal ongeveer mix of mengsel betekent. Voor Indo’s uit Nederland zijn er zelfs nog specifieke bijnamen, zoals “Indobel” (een samenvoeging van Indonesia en Belanda) en, mijn persoonlijke favoriet: “belanda goreng”.

Het woord “Indo” is hier inmiddels, net als in Nederland, niet meer zo beladen als het ooit was. Het sociale stigma rond mengbloeden uit de koloniale tijd lijkt -bij de jongere generatie in ieder geval- verleden tijd. Sterker nog: Indo-zijn is tegenwoordig iets om trots op te zijn. Als “Indo” in Indonesië heb je namelijk op de een of andere manier een streepje voor. Naast Luna Maya zijn nog heel veel andere Indonesische sterren Indo, zoals Cinta Laura, Rianti Catwright, Carissa Putri, Cathy Sharon, Steve Imanuel en Ari Wibowo. En er zijn (ook jaren geleden al) Indischen die het als ster hebben gemaakt in Indonesië. Kort geleden is er een Nederlandse zangeres met Indische achtergrond doorgebroken, Rebecca Reijman. Ontdekt op vakantie in Bali, hoorde ik.

Ik vraag regelmatig waarom Indo’s snel bekend worden. Ze hebben iets speciaals en zijn vaak heel knap, hoor ik vaak als verklaring. Zou dat het zijn? Het “blanke schoonheidsideaal” dat in Indonesië en veel andere landen in Azië heerst, zal er zeker wel iets mee te maken hebben; “opposites attract” of zoiets.

Nou, stiekem vind ik het toch eigenlijk wel wat. Ik bekijk me zelf eens in de spiegel: hm, zou ik kans maken bij een auditie als nieuwe Indo-ster in Indonesian Idols? Moet ik alvast het zingen oefenen tijdens het mandi-en? Maar ja, je moet natuurlijk ook wel een beetje talent hebben. Playbackend misschien?

Atjeh, over oorlog en tsunami

Op reis door Indonesië schrijf ik verhalen op plekken die iets te maken hebben met de Nederlandse en/of Nederlands-Indische geschiedenis in Indonesië. Het eerste verhaal schrijf ik in Banda Aceh, op het Nederlandse kerkhof Peucut.

 

Banda Aceh, oktober 2008

door Ed Caffin

 

Sinds ik vier jaar geleden naar Atjeh ging voor een project van de Stichting Wederopbouw Atjeh, kom ik elk jaar voor een korte of langere periode terug. De naam Atjeh roept vooral twee associaties op: de geschiedenis van oorlog en strijd met Nederland en de tsunami van 2004. Een plek waar die twee gebeurtenissen het dichtst bij elkaar komen is het oude nederlandse kerkhof Peucut dichtbij het centrum van de hoofdstad Banda Aceh. Vlak naast dit kerkhof is vanaf 2007 een enorm, modern gebouw in aanbouw; het tsunami-museum. Hoewel ik al tijdens mijn eerste bezoek aan Atjeh, net na de tsunami, voor het eerst hoorde over het nederlandse kerkhof, ga ik er nu voor het eerst uitgebreid een kijkje nemen.

 

Als ik aankom is er niemand. Ik loop de ingangspoort met marmeren platen binnen, waarin de namen staan gegraveerd van soldaten die omkwamen tijdens de Atjeh oorlogen, gesorteerd op jaartal. Het zijn er veel. Mijn blik glijdt langs de muur. Naast Nederlandse herken ik ook veel Molukse en Javaanse achternamen. Ik weet dat het KNIL naast Hollanders en Indo’s vooral veel “inlandse” soldaten had en waarschijnlijk zijn veel van de namen afkomstig van andere eilanden in de Indonesische archipel. In totaal liggen hier meer dan tweeduizend KNIL-soldaten begraven, een derde van alle gesneuvelden in Atjeh. Naast soldaten liggen er vrouwen en kinderen begraven op Peucut, en naar het schijnt een Atjehse prins, aan wie de plek zijn naam dankt.

 

Na een poosje komt een jongeman aanlopen. Hij heet Eddie Darussalam en is 30. Al een aantal jaar werkt hij hier als bewaker. Hij heeft het er naar zijn zin. “Ik kan veel met toeristen praten en wat leren over hun land”, zegt hij. Van Nederland weet hij nog niet veel meer dan dat er veel molens zijn en het land vlak is. Hij zou het graag zelf eens zien. Over de geschiedenis van Nederland in Atjeh weet hij meer. “Daar wordt op school veel over verteld. Wat Nederland gedaan heeft hier is heel slecht. Maar het is lang geleden. Toch moeten we deze geschiedenis onthouden. Het is daarom belangrijk dat het Kerkhof in stand gehouden wordt”.

Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler
Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler

De Nederlandse geschiedenis is op vele plekken en vele manieren in Atjeh hoor- voel- en tastbaar, maar misschien toch het meest op dit oude Kerkhof. Eddie neemt me mee naar zijn favoriete grafmonument. Het is die van KNIL-Generaal Kohler, die tijdens de eerste Atjehoorlog sneuvelde bij de Grote Moskee Mesjid Raya Baitturahman, in het centrum van Banda Aceh. Ook op die plek is een stenen gedenkplaat met inscriptie. In 1978 werd Kohler herbegraven op Kerkhof Peucut. Eddie poseert bij het graf en vertelt dat de dood van Kohler een bekend verhaal is in de Atjehse overlevering en zelfs zijn sporen heeft achtergelaten in de Atjehse taal. “Koh-ulee” betekent iemand de keel afsnijden met een rencong (Atjehse dolk). In het boek van de stichting Peucut lees ik echter dat Kohler door een kogel om het leven kwam.

Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw
Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw

We lopen terug vanaf het grafmonument naar de ingang en kijken naar het tsunami-museum in aanbouw. De enorme buitenmuur doemt het tientallen meters boven de omheining van het Kerkhof uit. “Tijdens de tsunami was ik zelf in Keutapang, een paar kilometer verderop”, vertelt Eddie. “Ik voelde de aardbeving, maar dacht er niets van. Toen ik een minuut of twintig later de stad in liep kwamen schreeuwende mensen mijn kant oprennen. Ze riepen dat de zee eraan kwam. Ik geloofde het niet, maar toen ik dichter het centrum in kwam zag ik het water. Er dreven lijken, heel veel lijken. Pas een dag of twee later kon je bij het Kerkhof komen. Daar lagen ook honderden lijken, en veel van de oude graven waren enorm beschadigd”.

“We proberen de afgelopen jaren de graven te herstellen. We krijgen daarbij hulp van de Nederlandse stichting Peutjut”. De stichting doneert geld voor het herstel en behoud van het Kerkhof. Hij laat me een boek zien wat de stichting heeft laten maken. Het is een bezoekersgids waar in het Engels, Nederlands en Indonesisch de geschiedenis van het Kerkhof en de 70 jaar Nederlandse aanwezigheid in Atjeh staat beschreven. Het is er een van veel bloedvergieten. Naast de paar duizend doden aan Nederlandse kant, vielen er vele tienduizenden Atjehse doden.

 

“Ik hoop dat de Nederlandse stichting meer geld stuurt, zodat we het hier nog verder kunnen herstellen en lang mooi kunnen houden” mompelt Eddie. “Ik zal mijn kinderen later vertellen over de Nederlandse geschiedenis in Atjeh, maar ik wil het hen ook kunnen laten zien”. In het behoud van dit monument is volgens hem de lokale overheid echter niet erg geïnteresseerd. Laat staan de Indonesische overheid. Die financiert uiteraard wel de aanbouw van het tsunami-museum. Het museum zal straks het verhaal vertellen van 26 December 2004, “de dag dat de zee beefde” en Atjeh werd getroffen door de grootste ramp in de Indonesische geschiedenis. De kosten voor de aanbouw lopen in de miljoenen euro’s. En dat is niet geheel zonder controverse. Sommigen vinden dat het geld beter aan de slachtoffers had kunnen worden besteed, anderen vinden de komst van een museum te vroeg. Bovendien zijn een aantal historische gebouwen die op deze plek stonden gesloopt.

 

Net als de meeste andere mensen in Atjeh heeft Eddie veel familie en vrienden verloren door de ramp. Hij wil er niet veel over kwijt. Zijn verhaal, en van al die duizenden anderen mensen die de ramp overleefden, is moeilijk in woorden te vatten. Al kom ik hier al voor het vierde jaar, nog steeds is dat leed overal voelbaar. “De komst van buitenlandse organisaties na de tsunami heeft echter veel goeds gebracht”, zegt Eddie. Er kwam geld voor de wederopbouw, er kwamen banen, er was aandacht voor het conflict in Atjeh en de rebellen en het Indonesische leger tekenden een (voorlopig vredesakkoord). Ook werd de relatie met landen als Nederland versterkt.

 

“Maar onze dierbaren missen we nog elke dag”, besluit hij. Ik teken het gastenboek en neem afscheid. Zachtjes rij ik weg op mijn brommer, terwijl de werkzaamheden aan het museum gestaag doorgaan.

 

In gesprek over… Indonesië

indonesieDoor Kirsten Vos en Ed Caffin

EC: Hee Kirsten, ik las je stuk in Archipel waarin je schrijft dat je “niet zo goed weet wat je met Indonesië aan moet”. Je hebt wel veel met Nederlands – Indië, maar weinig met Indonesië. Jammer eigenlijk, want het is zo’n geweldig land! Ik ga er vaak heen. Zelfs zonder de hele geschiedenis –voor zover die weg te denken valt- vind ik het al prachtig. En juist omdat een deel van mijn familiewortels er ligt, vind ik het nog mooier. Indonesië hoort voor mij echt bij het Indische. Maar dat geldt voor jou dus niet?

KV: Dat is het niet. Althans, niet helemaal. Indonesië hoort bij het Indische omdat met Indonesië het Indische daar gestopt is én omdat het grondgebied dat van het voormalige Nederlands-Indië is. Het Indonesië van nu, de mensen, de culturen, daar weet ik weinig van. Ik denk dat mijn aarzeling te maken heeft met de vraag hoe het komt dat ik me thuis voel in een land waar ik nooit eerder geweest ben. Is dat gevoel dan gewoon mijn verbeelding of speelt er meer? Want het lastige is dat ik me ook in andere landen op mijn gemak voel. Het gevoel dat jij bij Indonesië hebt, heb je dat ook bij andere landen?

EC: Er zijn zeker wel meer landen waar ik me ‘thuis’ voel, of zou kunnen voelen, maar Indonesie heeft wel echt iets speciaals. Het gevoel bij het land is een combinatie van heel veel dingen. Zoals ik al zei, mijn wortels, maar ook geweldige mensen en culturen, een heerlijk klimaat en een prachtige natuur. Ik voel me heerlijk daar en heb het idee dat mijn “Aziatische kant” in Indonesie meer tot uitdrukking komt. Wat dat betreft is mijn Indisch zijn echt de samenvoeging van Europees en Aziatisch. Indisch omvat voor mij dus eigenlijk het ‘Nederlandse’ en het ‘Indonesische’ gevoel.

KV: Dat herken ik natuurlijk wel. Ik heb mijn wortels daar, dat geldt niet voor andere landen. Ik weet nog dat we daar waren, 16 jaar geleden inmiddels. We gingen eerst naar Jakarta, waar mijn moeder vandaan komt. We zijn daar naar het graf van mijn oud-oom gegaan, die KNIL-militair was. Ik herinner me ook dat mijn opa zijn huis wilde laten zien. Toen we daar aangekomen waren, stonden er alleen nog maar een paar palmbomen: zijn huis was weg. Het huis van mijn oma stond er nog wel, aan de Jalan Tanjung in Menteng. Mijn moeder heeft me rondgeleid door haar kleuterschool en ik heb in de kerk gestaan waar mijn grootouders getrouwd zijn. Vervolgens heb ik in Bandung het huis van mijn vader gezien en zijn we langs het Boromeus-ziekenhuis gereden, waar hij geboren is. Het was bijzonder om te zien waar mijn families vandaan kwamen. Voor het eerst kon ik de verhalen koppelen aan echte plekken. Dus ja, Indonesië is niet zomaar een vakantieland voor me.

EC: Bijzonder hoor. Ik heb ook het huis van mijn vader en grootouders bezocht op Java. En ook die van mijn overgrootvader in Gorontalo. Maar ik blijf steeds weer nieuwsgierig naar weer andere plekken die iets met mijn familiegeschiedenis te maken hebben. Maar ook de rest van het land vind ik geweldig. Er valt zoveel te zien en te ontdekken. Indonesië is overal weer anders. Elke plek heeft weer een eigen gezicht, andere mensen en vaak een eigen taal en cultuur. Toch is er ook een hele duidelijke herkenbare “rode draad”; het straatleven, Bahasa lndonesia, het eten, de gastvrijheid etc. Dat maakt het overal ook weer heel vertrouwd.

KV: Waar ik voor wil waken, is dat ik een soort romantisch-idyllisch droombeeld heb van Indonesië op basis van mijn achtergrond. Uiteindelijk draait het er voor mij gewoon om welke band ik met een plek voel. Je zou kunnen zeggen dat Indonesië daar bij uitstek het land voor is, omdat mijn families er vandaan komen. Daar kan je echter weer tegenin brengen dat Indonesië ook het land is waar mijn families haar ‘deuken’ hebben opgelopen. Ik denk dat ik me overal thuis zou kunnen voelen, zolang ik de plek zelfstandig leer kennen. Dat wil ik met Indonesië nog doen en heb jij volgens mij al gedaan.

EC: Ja dat klopt wel. Ik ben er al vaak geweest en ga binnenkort zeker weer. Er woont nog familie die ik een keer heb opgezocht en ik heb er vrienden gemaakt. Ik beschouw het inmiddels min of meer als mijn tweede land. Ik ben benieuwd hoe de volgende keer voor jou zal zijn.

Makassar, Toraja en de Togean Islands

Amsterdam, 9 april 2008
door Ed Caffin

Ik reis graag door Indonesië. Vorig jaar ging ik samen met mijn twee oudere broers. Een deel van de reis ging door Sulawesi. Het verslag dat ik over dat stuk van de reis schreef verscheen eerder in Indonesie Magazine:

Mijn twee broers en ik maken een reis over Sulawesi, een eiland van enorme afmetingen in het midden van de Indonesische archipel. Op het grillig gevormde eiland, dat vroeger Celebes werd genoemd, wonen ongeveer net zoveel mensen als in Nederland.

Makassar

Vanaf het snikhete Surabaya nemen we het vliegtuig naar Makassar, de zuidelijke havenstad op Sulawesi, die ook wel Ujung Pandang wordt genoemd. Aan het eind van de middag komen we aan op het vliegveld, dat vrij ver van de stad ligt. Na een lome taxirit komen we pas tegen het vallen van de duisternis in het centrum van de stad aan.

We vinden een vriendelijk en vlekkeloos hotel, vlakbij het oude centrum van de stad. Makassar heeft een belangrijke en interessante geschiedenis. Vanuit hier ondernamen de Buginezen, een dapper zeevaardersvolk, eeuwenlang verre tochten door de Indonesische archipel. Later controleerde de VOC vanuit hier de belangrijke handelsroute tussen het westelijke en oostelijke gedeelte van de toenmalige kroonkolonie. Het vlakbij ons hotel gelegen Fort Rotterdam herinnert aan die tijd. Het door een lokale Sultan gebouwde fort werd halverwege de 17e eeuw door de VOC veroverd en verbouwd tot een vesting vlak aan de kust. Het is prachtig gerestaureerd en wordt dag in dag uit druk bezocht door grote groepen, veelal lokale toeristen.

Wanneer we de volgende dag naar binnen willen, houdt een groepje gillende schoolkinderen ons al bij de ingang tegen. De kinderen verzamelen zich om ons heen en willen Engels praten. Ze schieten echter meteen verlegen lachend weg wanneer ze door een van ons worden aangesproken.

Naast de groepen schoolkinderen blijkt er ook een vereniging van lokale studenten rond te lopen. Ze studeren talen en spreken elke zondag af in het fort om dan op zoek te gaan naar gesprekspartners. Als enige buitenlandse toeristen zijn we het continue aanspreekpunt. Urenlang lopen we door de verschillende toonzalen van het museum en de binnentuin, steeds vergezeld van clubjes leergierige studenten met opschrijfboekjes.

Als we eenmaal buiten zijn, rusten we uit bij Pantai Losari; langs de grote boulevard aan zee. Hier gebeurt het. Tientallen stelletjes, gezinnen en andere mensen vermaken zich met het kijken naar spelende kinderen in het water en voetballende jongens op het plein. Frisdrank- en snackverkopers wurmen zich door de groeiende menigte heen, hun koopwaar luid aanprijzend. Ondertussen observeren wij van afstand de bedrijvigheid op de boulevard, tegen de kalme achtergrond van de langzaam ondergaande zon.

Tanah Toraja

Na een aantal dagen vertrekken we met de nachtbus naar Tanah Toraja. In het donker passeren we Danau Tempe en Enrekang en rijden we in de richting van Makele. Het wordt al licht en door de beslagen ramen van de bus zijn de eerste glimpen van de schitterende Sadanvallei al te zien. We vinden een hotel aan de rand van Rantepao, de hoofdstad van Toraja. De stad blijkt redelijk ingesteld op toerisme, hoewel we nauwelijks andere reizigers zien.

Een aantal dagen rijden we op brommertjes door de vallei. In de verschillende dorpjes, zoals Londa, Kete Kesu en Lemo, zijn er talloze bezienswaardigheden. Het adembenemend mooie gebied wordt bevolkt door vriendelijke mensen, die van alles vertellen over de gebruiken en gewoontes in de Toraja-cultuur. De mensen zijn christelijk, maar de cultuur kent ook veel oude, lokale tradities. Zo wordt het religieuze leven van de Toraja’s gedomineerd door uitgebreide ceremonies bij belangrijke gebeurtenissen als huwelijk of overlijden. Bij een begrafenis worden er bij voorkeur zoveel mogelijk buffels geofferd, waarbij de hoeveelheid offers de status van de persoon binnen de gemeenschap uitdrukt. De dode wordt daarna bijgezet in een ‘familiegrot’, waarvan we er verschillende zien. Omdat deze grafceremonies erg kostbaar zijn, is hier een veelgehoorde grap dat je beter met iemand kunt trouwen die geen ouders meer heeft, waardoor je een hoop kosten worden bespaard.

Centraal Sulawesi

Hoewel we nog meer hadden willen zien van Toraja, reizen we na een kleine week alweer in noordelijke richting verder. We staan midden in de nacht op en verlaten Rantepao in het donker. De reis gaat naar Ampana, een plaatsje aan de Teluk Tomini, de grote baai tussen Centraal- en Noord-Sulawesi. In de auto kijk ik op de kaart. We moeten de Trans-Sulawesi snelweg nemen, die van het zuiden, helemaal naar het noordelijkste puntje van het eiland loopt. Via Palopo, Pendolo en Poso, waar de snelweg afbuigt naar het noorden, kunnen we langs een smalle kustweg in Ampana komen.

Tijdens het eerste deel van de reis rijden we urenlang over een smalle, kronkelende weg. In de schemering komen de beboste binnenlanden tevoorschijn, maar ik word langzaam wagenziek. We rijden maar door en ik voel me beroerd. Wat een vreselijke reis! Als de weg eindelijk beter wordt, en ik me wat beter voel, krijg ik meer oog voor de mooie natuur. Rond de middag stoppen we bij Danau Poso, een uitgestrekt meer aan de rand van het tot voor kort onrustige gebied, en eten een eenvoudige maaltijd. Het is prachtig hier en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat hier kort geleden nog zoveel problemen waren.

Tegen de avond bereiken we Ampana en vinden een hotel aan het water. We worden uitgenodigd voor het avondeten bij de familie van de eigenaar. Het plan is morgen de overtocht te maken naar de Togean Islands en we vragen advies. Hij blijkt zelf accommodatie te hebben op een van de eilanden, en biedt ons aan ons mee te nemen in zijn eigen boot. We stemmen in en spreken voor de volgende dag af.

Togean Islands

Het kleine houten bootje ligt die ochtend al klaar langs de steiger voor het hotel. Mannen laden nieuwe voorraden in, de hoteleigenaar geeft aanwijzingen vanaf het strand. Onze tassen worden snel tussen de balen rijst en dozen met andere voorraden gelegd en we springen aan boord.

Het is een ongelooflijk mooie tocht: vliegende vissen springen uit het spiegelende water rond de boot, de blauwe zee is kalm en aan de horizon komen de eilanden langzaam dichterbij. Na vijf uur komen we ten slotte aan op Pulau Kadidiri, een van de kleinste eilanden van de eilandengroep.

Rond de Togeans zijn talloze koraalriffen en is er een grote variëteit aan exotische dier- en plantensoorten. We zwemmen, duiken en snorkelen een paar dagen, eten heerlijk en genieten volop. Ons bungalowtje ligt aan het strand en vlakbij strekt een pier van zongeblakerde houten planken een meter of honderd uit in zee. We zitten bijna op de evenaar en de zon brandt fel. Ook hier zijn we de enige reizigers. Zittend op onze veranda kijk ik om me heen en besef ik me dat ik weinig méér kan wensen. Het is het absolute hoogtepunt van een geweldige reis: we zijn in een paradijs beland.

Terug?

We willen niet meer naar huis en na een dag of vijf vertrekken we met grote tegenzin. Die dag zal er vanaf een haventje op een groter eiland in de buurt een boot naar Gorontalo gaan, een provinciestad in het noorden, waarvandaan we met het vliegtuig terug naar Bali kunnen komen. Terwijl onze tassen weer in het bootje worden geladen, nemen we afscheid van de eigenaar. Totdat we in de haven aankomen, en beginnen aan de lange tocht naar huis, is het erg stil aan boord. Wat waren we graag gebleven!