27
Echo’s van een ‘Hollands’ verleden
Tijdens een interview zei iemand ooit eens tegen mij: “Het zijn echo’s van het verleden”. De context waarbinnen deze uitspraak werd gedaan doet er nu even niet toe. Waar het wel om gaat, is dat deze woorden sindsdien na zijn blijven echoën in mijn gedachten. Op de meest vreemde momenten en in de meest uiteenlopende situaties herinneren deze woorden mij eraan dat verleden, heden en toekomst niet los van elkaar gezien kunnen worden, maar op de meest uiteenlopende manieren met elkaar verweven zijn.
Nu is het wel heel erg voor de hand liggend om te schrijven over het Indische verleden en hoe de echo’s hiervan nog luid en duidelijk te horen zijn in het heden. Dat is: als we maar goed genoeg luisteren. Ook kan ik meer dan genoeg vertellen over de geschiedenis van mijn Indische familie en hoe deze, soms ongemerkt en onbekend, de weg heeft gevonden naar het heden. Maar nee, ditmaal wil ik aandacht besteden aan mijn Hollandse oma, en een minder voor de hand liggend kijkje nemen in haar verleden en familiegeschiedenis.
Al van kleins af aan is oma in mijn ogen een ware superoma. Toen ik klein was kwam ze elke woensdagmiddag op bezoek en ik logeerde maar wat graag bij haar en opa. Toch wist ik lange tijd niet eens zo heel veel over haar jeugd. Het enige dat ik wist, is dat haar moeder overleed toen mijn oma pas negen jaar oud was. Hierna moesten zij en haar twee zussen elk een jaar lang het huishouden draaiende houden. Dat zij daarvoor, als jong meisje, in de vrieskou de was heeft gedaan en hier reuma aan heeft overgehouden, verbaast mij niets.
Ongetwijfeld moet zij als kind ontzettend veel verdriet gehad hebben om haar moeder en het moeilijk gehad hebben om op te groeien zonder moeder. Toch praat zij tot op de dag van vandaag altijd positief over haar jeugd en vol liefde over haar vader, twee zussen en de broer van haar moeder: ome Gart, die bij hun inwoonde. De oom die haar als klein kind regelmatig iets lekkers toestopte en haar met de was hielp als ze buiten stond te verkleumen van de kou. Ome Gart, die ik altijd maar beschouwde als een aardige Hollandse man… maar die net zo pindakaas bleek te zijn als mijn broertjes en ik.
Enige tijd geleden liet mijn moeder glunderend een piepklein notitieboekje zien waarin zij een kleine familiestamboom had opgeschreven van de vrouwelijke kant van haar moeder. Hulde aan Google, waarmee elk onbekend familielid terug te vinden is. Wat blijkt, de moeder van mijn oma was een kind uit het tweede huwelijk van haar vader. Ome Gart kwam voort uit het eerste huwelijk van hun vader, met een Indische. Ik was door het dolle heen: een Indische in de familielijn, al meer dan een eeuw geleden! Hoewel er meteen een dozijn vragen in mij opwelde over het waarom, wanneer, hoe en wat, doken er ook meteen vier woorden in mijn gedachten op: “echo’s van het verleden!” of zal ik zeggen: “Indische echo’s van het verleden.”
15
Indischer dan ik dacht
Een doodnormale vrijdagavond. Een avond waarop ik gewoonlijk met mijn vriendje zou chillen, of een drankje zou doen in de stad met een paar vriendinnetjes. Deze avond was anders. Ik ging namelijk uit eten met tien partners in crime van Indisch 3.0.
Toen ik aankwam bij restaurant ‘De Courant’ in Utrecht, stonden er al twee anderen te wachten. Charlie, mijn mede powerpuff girl, zoals ons groepje uit Utrecht binnenskamers wordt genoemd. Haar altijd opgewekte stem kwam me al vanaf een afstandje tegemoet. Naast haar stond Bryony, een prachtige meid die ik alleen nog maar kende van haar foto op Indisch 3.0. Geen Indonesische keuken voor ons vanavond, maar de heerlijke Italiaanse cuisine stond op het menu. Indo’s eten immers alles, toch?
Na een tijdje aan de bar te hebben gehangen, kregen we onze tafel toegewezen. Toen de avond vorderde, wisselden we af en toe van plek. We kenden elkaar immers nog niet allemaal, maar daar zou snel verandering in komen. Toen ik tegenover Willem-Jan, beter bekend als Merah, kwam te zitten, stelde hij me een vraag waar ik lang over ben blijven nadenken; ‘Merk je op dit moment dat je met alleen maar Indische mensen bent?’. Ik dacht na en keek toen naar Roosje, die naast me zat. Ik keek Merah aan en zei: ‘Nee, niet per se.’ Ik vroeg hem hoe hij erover dacht. Met een twinkeling in zijn ogen vertelde Merah dat hij het wel degelijk voelde. Een soort saamhorigheidsgevoel, een band. Bijna meteen had ik spijt van mijn antwoord. Ik dacht namelijk terug aan hoe de avond tot dan toe verlopen was, aan hoe iedereen enthousiast, maar toch bescheiden op elkaar reageerde. Hoe iedereen zich, ondanks dat we elkaar nauwelijks of niet kenden toch op zijn gemak voelde.
Toen het gesprek even stil viel en ik van mijn drankje nipte, keek ik eens om me heen. Ja, ik was vanavond op stap met alleen maar Indo’s. Voor een buitenstaander was dit waarschijnlijk niet te merken. Niet aan ieders uiterlijk is het namelijk op het eerste gezicht te zien. Ik vroeg me af wat andere mensen zouden denken als ze ons groepje zo bij elkaar zagen. Is het familie? Collega’s? Of gewoon vrienden? Ik keek nog eens om me heen. Ja, eigenlijk zijn we het alle drie.
13
Groene Blauwe
Deze Indo is lekker bezig. Dat eeuwige gezanik over Indotiteit is eindelijk voorbij. Indo or no Indo is niet langer een vraag, want het is tijd voor grotere dingen. Dus ego opzij, SuperIndo-kostuum uit de kast trekken en preken voor eigen parochie. Over plastic zwerfafval, plastic soep of voor ons als Indo’s onder elkaar: Soto plastic.
“Waarom valt deze duurzame Indo ons hiermee lastig?”, is wellicht de (terechte) vraag. Laat ik voorop stellen dat ik niet tegen plastic ben. Integendeel, ik zie het als een wondermiddel dat heel lang meegaat. Alleen jammer dat we het niet als zodanig gebruiken, omdat plastic weliswaar afbreekt, maar niet verdwijnt en dat onze wateren er inmiddels ruim mee zijn afgevuld.
Als je in het dagelijks leven goed op plastic gaat letten dan zie je het ineens overal. Voor de grap ben ik daarom op onderzoek uitgegaan in een toko bij mij in de buurt. De wereld aan plastic bakjes met deksels en natuurlijk alle folie om o.a. de spekkoek, lempers en kue lapis. Daarmee leveren we een aardige bijdrage aan de plastic afvalberg. Al ben ik ervan overtuigd dat de Indische consument de bakjes keurig bewaard voor hergebruik.
Desalniettemin denk ik dat het anders, slimmer en groener kan. Met bijvoorbeeld bananenblad, statiegeld-bakjes en natuurlijk iets met bamboe. We kunnen tevens proberen om de mensen met een rantang richting de toko te bewegen. Of dat we vaste klanten kunnen verleiden zo’n ding te leasen. Andere ideeën en suggesties zijn uiteraard meer dan welkom. Wees vooral creatief.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen is helemaal hot. Zelf spreek ik echter liever van maatschappelijk verantwoord gedrag. Wie kunnen deze belangrijke voortrekkersrol in Nederland beter vervullen dan wij Indo’s? Kijk naar ons huidig muzikale landschap. Wie waren de voorlopers? Precies.
Bovendien als we ooit de rekening van Moeder Aarde gepresenteerd krijgen zijn wij met ons groot aanpassingsvermogen, daar zijn we wereldwijd heer en meester in, toch degenen die hier het snelst mee om kunnen gaan. Het zal niet altijd makkelijk zijn, maar rap zijn we! Waarom beginnen we niet alvast?
Het is tijd voor een Indische Lente of een Groene revolutie onder aanvoering van de Blauwen! Als wij het niet doen, doet niemand het. Wat anderen wel doen, kunnen wij beter. We redden de wereld en hoeven er niets voor terug. Zo zijn we.
28
Wanneer dromen tastbaar worden (2)
Wanneer nacht vanzelf morgen wordt
Een taxi brengt ons door de donkere straten van Bali naar Ubud. Wanneer ik door het raam naar buiten kijk, zie ik enkel duisternis. Het kan me niet snel genoeg licht worden. In Ubud worden we afgezet bij ‘Yulia Village Inn’. Hier zullen we onze eerste nacht doorbrengen. De kamer voelt nat en klam. Het is zo anders. Ik besef nog steeds niet dat ik er ben. Ik ben in Indonesië, op Bali, in Ubud. Onwerkelijk, maar waar.
Vermoeid van de reis kruipen we het bed in. Klokslag drie uur ’s nachts worden Sjors en ik tegelijk wakker. Is dit nu de jetlag? Omdat bij beiden de slaap ver te zoeken is, besluiten we de Indonesische televisie te gaan ontdekken. Niet te vergeten strijdt Nederland die avond om de wereldbeker. Daar zitten we dan, midden in de nacht, klaarwakker, in een land dat voor mij ergens ruikt naar thuis, stiekem te hopen dat Nederland wereldkampioen gaat worden. Hoe dubbel kan het soms zijn.
Als ik wakker word, weet ik niet hoe snel ik naar buiten moet. Ik hoor mensen praten. Ik hoor geluiden die ik niet weet te plaatsen. Snel open ik de bewerkte houten deuren. Opnieuw valt diezelfde natte deken, die mij ook op het vliegveld overviel, over mij heen. Vandaag ga ik maar eens aan dit klimaat wennen.
Wanneer Sjors en ik aangekleed zijn, gaan we richting het ontbijt. Overweldigd door alle kleuren, geuren en geluiden, let ik, dromer die ik ben, totaal niet op. Ik struikel. Een klein gevlochten mandje ligt voor mij, de inhoud ervan ligt achter mij. Op dat moment weet ik nog niet dat dit een met veel liefde en zorg bereid offertje is. Later zal ik nog veel meer van deze offertjes tegenkomen en deze met alle voorzichtigheid ontwijken.
Het ontbijt bestaat uit Pancakes, French toast of Nasi. Nasi klinkt erg aantrekkelijk, maar ik kan met mijn niet perfect werkende darmstelsel op de vroege ochtend toch echt beter voor de Pancakes of French toast gaan. Ik besluit de Pancakes een kans te geven. Deze gaan erin als koek. De basis is gelegd om Ubud te gaan ervaren.
Wanneer we de straat opgaan, worden we overvallen door taxichauffeurs. ‘Taxi, taxi, you want taxi?’ Wanneer wij heel beleefd antwoorden dat we geen taxi nodig hebben, geven ze het natuurlijk niet zomaar op. ‘You need taxi today, tomorrow, yesterday?’ Om de ‘yesterday’ wordt er smakelijk gelachen. Sjors en ik lachen net zo hard mee. Direct denk ik dit zou zomaar een slechte grap van mijn moeder of mij geweest kunnen zijn. Verdacht.
10
In(disch in) het ziekenhuis
“Rendang, sambal goreng boontjes, frikadel…” somde de aardige verpleger voor mij op. Afleiding had ik nodig terwijl ik op mijn buik lag en net deed alsof er niets aan de hand was. In totale ontkenning was ik. Het infuus dat er pas na vijf pogingen inzat negeerde ik. De bloeddrukmeter die om de paar minuten mijn bovenarm in de wurggreep nam… Die negeerde ik ook. De saturatiemeter om mijn vinger, de echo-beelden van de zenuwen in mijn been, piepjes, rondrennende mensen… Ik zou alles negeren!
Voor het eerst in mijn leven lag ik in het ziekenhuis. Ik zou geopereerd worden aan mijn been en zo groen als ik was: ik was nergens bang voor. Het zou wel loslopen! Waar ik me echter compleet op had verkeken, was het allesoverheersende gevoel van “alleen-zijn” dat met een onverwachte sneltreinvaart op mij afkwam in de pre-operatieve ruimte van het UMC. Van alle kanten fladderden er mensen in het rond. Er werden snoertjes op me aangesloten, vragen op me afgevuurd en vanuit mijn ooghoeken zag ik de gevreesde infuusnaald. Hoe meer er gebeurde, hoe eenzamer ik me voelde en hoe breder de lach op mijn gezicht werd. Als die-hard Indo zou ík toch zeker niet een potje gaan janken daar?!
Kennelijk hadden de goden een beetje medelijden met dat Indische meisje zo alleen en besloten mij te troosten. Een Molukse verpleger dook naast me op en besprak tot in detail de Indische rijsttafel die hij van het weekend had klaargemaakt voor zijn dochter. Terwijl de injectienaalden genadeloos in mijn been werden gestoken, waande ik mij in de betere makan-sferen. De anesthesiste, die ook Indisch bleek, kon meepraten en toen ik uiteindelijk in de O.K. lag en voorbereid werd op de narcose, was het tot mijn verbazing weer een Indo die in mijn gezichtsveld verscheen, “Dit is een zuurstofmasker meid, even goed in- en uitzuchten. Zeg, ben jij Indisch?”
De laatste gedachte voordat de narcose begon te werken, was dat ik niet geloofde in toeval en dat het toch maar een klein Indisch wereldje was… Die herkenning was toch wel fijn en zorgde voor een soort familiegevoel die de eenzaamheid een beetje verdreef!
13
4.0 geboren: Leander
Sinds 21 september is hij er, Leander, onze 4.0 en Indo in de dop. Ons leven is niet meer hetzelfde. Tussen het wassen, strijken, koken, voeden en verschonen in, ben ik bijvoorbeeld weinig bezig met ‘de Indische zaak’. Desondanks krijgen dagelijkse babybeslommeringen regelmatig een onmiskenbaar Indisch tintje. Hierbij een paar flarden.
In de keuken staat een pan met kokend water op het vuur. Er dobberen tien flesjes en spenen in om uitgekookt te worden. De laatste keer dat ik die pan gebruikte, maakte ik er sajoer in. In de achterbak van onze Peugeot 307, waar eerst mijn camera-apparatuur lag, ligt de reiswieg, zodat we die niet elke keer op en neer de steile portiektrap hoeven sjouwen. En aan mijn bureau zit ik alleen nog om ‘s ochtends melk af te kolven.
Leander lijkt qua temperament op zijn moeder – alles nu, snel én het liefst meteen in een keer goed. Het is een veeleisend, maar tegelijkertijd ontwapenend ventje en lijkt erg op de baby die hij in de buik was: druk. Ons codenaampje voor hem, Doerak, is dus niet eens zo slecht gekozen.
Qua uiterlijk lijkt Leander sprekend op zijn vader. En die was tot zijn puberteit hoogblond, dus we zijn erg benieuwd welke haarkleur onze doerak krijgt. Maar zijn neusje, dat konden we niet meteen plaatsen. Leander heeft toch echt een onmiskenbaar Indische neus – dat kan je over de neuzen van zijn ouders niet zeggen.
Totdat mijn schoonouders afgelopen zondag op bezoek waren. Ik kon voor mijn gevoel mijn ogen niet van de neus van mijn Indische schoonmoeder afhouden, al had ik niet de indruk dat ze dat doorhad. De volgende dag vroeg ik aan mijn man of Leander misschien de neus van zijn moeder had. Die kreeg spontaan een opleving: ‘Ja zeg, inderdaad! Ik wist dat ik die neus eerder gezien had!’
Gisteravond kon Leander niet slapen. Of beter gezegd, hij wilde niet slapen. Overdag had hij zoveel geslapen, dat hij om 22.30 uur klaarwakker was – tot groot verdriet van zijn ouders. Ik zat met hem op schoot in zijn kamertje en probeerde me te herinneren welke slaapliedjes ik kende. Glimlachend realiseerde ik me dat ik er maar een kende: Nina Bobo.
Waarschijnlijk klopte er weinig van de tekst die ik een half uur lang herhaald heb, maar de melodie deed haar werk: na tientallen versies van deze Indonesische lullaby, knikkebolde mijn doerakje in slaap. Terwijl ik de deur achter me dicht trok, genoot ik van de vanzelfsprekendheid waarmee ik terug was gevallen op mijn Indische roots, toen mijn pasgeboren zoon troost nodig had.
Dat hij vijf minuten later alweer wakker was, deed daar weinig aan af.
6
Pardon, wat zegt u?!
Met moeite verberg ik mijn verontwaardiging als ik de vraag ‘Hoe is het met jou?’ gesteld hoor worden aan mijn moeder. Het meisje dat zo ontzettend attent naar mijn moeders welzijn vraagt heeft de stemgerechtigde leeftijd nog niet bereikt maar meent wel in de positie te zijn (een van) mijn ouders te kunnen tutoyeren. Mijn moeder vertrekt geen spier en antwoordt: ‘Goed hoor!’ gevolgd door de vraag: ‘En hoe is het met jóu?’
Nu behoor ik ook tot de generatie die haar ouders tutoyeert, maar persoonlijk vind ik het niet meer dan normaal dat je mensen die buiten je eigen ‘leeftijdscategorie’ vallen of als jij je in een bepaalde situatie bevindt, aanspreekt met ‘u’. Dat doe je een beetje op gevoel en een beetje op basis van kennis van gedragsregels. En een beetje op basis van, je weet wel, respect -al gebruik ik die term liever niet sinds die dermate verkracht is door alles en iedereen.
Wellicht heeft het ook met mijn werk in de horeca te maken dat ik ‘je’ haast mijn strot niet uit tegen mensen die van voor 1970 zijn -nu niet verontwaardigd stoppen met lezen omdat ik je zojuist indirect voor ouwe lul heb uitgemaakt- maar ik verbaas me steeds vaker over de lompheid van mijn leeftijdsgenoten in gesprekken. Als ik de positief verbaasde blikken van ouderen zie wanneer ik hen met twee woorden antwoord, moet geloven, is deze beleefdheidsvorm helemaal een fenomeen van ver uit de vorige eeuw. Ik heb geleerd mensen met ‘u’ aan te spreken tot zij je vragen hen te tutoyeren. En ook al drijf ik het soms op de spits door mensen drie maal te laten vragen hen aan te spreken met ‘je’, eerder voelt het gewoon niet goed om te tutoyeren.
Vaak voel ik me dan ook een beetje te kakken gezet door (overwegend Nederlandse) mensen die me semiverontwaardigd vragen: ‘Zeg je nou u tegen mij?’ Alsof ik sta te schelden in de kerk.. Gelukkig vind ik medestanders in Indische of Molukse leeftijdsgenoten die niet raar opkijken als ik, bij het voorgeschoteld krijgen van een bord eten, tegen hun moeder zeg: ‘Dankuwel mevrouw’.
12
Die derde generatie is helemaal niet meer Indisch!
Wie de lift uitstapt en de schemerige hal inloopt richting de voordeur van Nely, ruikt meteen de typerende ‘Indische lucht’. De lucht van gefrituurde lekkernijen, boemboes en hier en daar een zweempje van de etherische oliën om de etensluchtjes na het koken zoveel mogelijk te verdoezelen.
In de deuropening verschijnt Nely, een oudere maar levendige Indische dame met glunderende diepgrijze ogen. Met open armen begroet zij haar vriendin en diens kleindochter en steekt meteen een tirade af tegen haar vriendin. Weken achtereen probeerde zij haar te bellen, maar er werd niet opgenomen! Vervolgens gaat de aandacht naar de kleindochter en wordt deze, ook al heeft Nely haar nooit eerder ontmoet, in een strakke omhelzing genomen en op de wangen gezoend. “Ja, ja, die oma van jou is heel stout hoor, een pets op haar billen verdient zij! Aduh, zo leuk dat jij haar hebt meegenomen naar mij!”
“Ach, zó ge-zèl-ìg dat jullie er zijn zeg! Eerst wat drinken ja?! Jullie eten toch mee?!” De vraag is retorisch, de blik van Nely geeft te kennen dat zij geen nee zal accepteren. Als Nely koffie gaat zetten, laat zij haar vriendin en de kleindochter achter in de zonnige en ruime woonkamer vol met schilderijen van Indische taferelen, beelden uit Indonesië en zelfs een miniatuurschip van kruidnagel. “Mooi hè!” Merkt Nely vrolijk op als zij terugkomt uit de keuken, “Ik heb zoveel Indische dingetjes in huis, ik vind het zo mooi en het heeft ook een sentimentele waarde hè.”
De kleindochter wordt meegetrokken naar de bank die een groot deel van de woonkamer in beslag neemt,“Ga maar in het midden zitten, dan kun je iedereen goed zien als jij jouw interviews afneemt.” Er wordt zelfs een tafeltje bijgezet, “Dat is gemakkelijk om te schrijven. Je maakt toch wel aantekeningen hè?! En heb je ook zo’n handig dingetje om mee op te nemen?” Een schaaltje kroepoek wordt ook op het tafeltje gezet, “Hier, om te snoepen.”
Niet veel later gaat de deurbel. “Daar zul je Henk hebben! Mooi op tijd voor zijn interview. Weet je, ik zal ook een paar andere Indische kennissen van mij bellen om te interviewen! Die oudjes houden ervan om te praten over vroeger.” Een reactie niet afwachtend, verdwijnt Nely om de voordeur te openen en pakt vervolgens haar telefoon, “Meis, waar deed je ook alweer onderzoek naar? Inter-ge-ne-ra-tionele overdracht?! Oh, en hoe Indisch de derde generatie nog is? Nou! Ik zal je vertellen hoor! Die derde generatie is helemaal niet meer Indisch!”
Wordt vervolgd…
De namen in dit stuk zijn gefingeerd
8
Drift
Mijn kleine teen is blauw. Donkerblauw, bijna zwart. Om nog maar te zwijgen over de pijn. Lopen gaat nog net, maar enkel zonder schoenen aan. Die stekende pijnscheuten drijven me tot wanhoop, maar zoals altijd draag ik mijn lot als een echte Indo. Niet zeuren, maar doorlopen. Het onderscheidt me als man van de jongens. Ik, de grote held op sokken, die per se met een stoel moest vechten.
Laat ik voorop stellen dat ik, alles bij elkaar genomen, een tevreden mens ben. Ik ben geschaakt door een mooie dame, heb van al mijn hobby’s mijn beroep gemaakt en ben gezond. Een hypotheek zal ik waarschijnlijk nooit krijgen, financieel onafhankelijk worden zit er al helemaal niet in, maar dat weegt niet op tegen al dat geluk.
Daar komt bij dat ik volgens mij best een aardige gozer ben. Misschien wat druk af en toe… te cynisch… te…(zelf invullen). Maar dan nog sta ik nooit voor de spiegel met de gedachte: ‘Wat ben jij een klootzak*.’ Ik ben sociaal, loyaal, vriendelijk, communicatief zeer vaardig en als ik lekker op dreef ben, knal ik er gratis een paar kilo humor bij. Heb ik dan geen duistere kant? Gelukkig wel.
Hoe sympathiek ik ook ben, soms slaat mijn stemming ineens om. In al zijn extremen. Als mijn kroepoekje ontzettend aan het zuigen en zeiken is, als iemand mij onredelijk behandelt of wanneer ik, zoals onlangs het geval was, ongeduldig word. Ik ben dan bijna een exacte kopie van mijn vader (lees: vrijwel mijn hele Indische familie). Die kan ook PATSBOEM! ontsteken in woede. Vroeger meestal op de dag dat we op vakantie gingen en altijd om iets pietluttigs. Net als ondergetekende.
Laatst moest ik een lied schrijven voor de opening van de tentoonstelling ‘Aanpassen!’, over drie generaties Indische Nederlanders, in Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Dat ging op zich prima, totdat ik een hele middag zat te blokken om wat laatste zinnen te wijzigen. Metrisch wilde het steeds niet kloppen, waardoor ik geheel onverwachts explodeerde!
Deze Indo werd waanzinnig, kan ik u vertellen. Ik kreeg een waas voor mijn ogen en veranderde in een beest. Alles wat op mijn pad kwam moest eraan geloven. Als een nietsontziende, allesverwoestende wervelwind, maar dan schreeuwend, vlogen cd’s, pennen en borden door de kamer. Furieus schopte ik tegen de stoel die wel vaker slachtoffer was geweest. Echter, dit keer schopte het meubelstuk terug, waarna ik vol razernij ook de stoel door de kamer smeet. Hoe gênant als je bedenkt dat ik boven, onder en naast mij, buren heb wonen.
Uiteindelijk ging die innerlijke storm liggen en kalmeerde ik. Pas toen zag ik de schade die ik had aangericht. Zinloos geweld in zijn oervorm. Ik zag mijn teen die rood/paars/blauw werd, ging zitten op de stoel, die het had overleefd (applaus!), haalde mijn schouders op en dacht: ‘Maar het lucht wel op’ Waarna zowel ik, als het liedje, al snel perfect in balans waren.
* Mijn excuses aan een handjevol ex-vriendinnen die het hoogstwaarschijnlijk niet eens zijn met deze gedachte.
1
4.0 op komst (4)
Voorbereiden op onze doerak kecil
Precies twee weken voor de uitgerekende bevaldatum, ziet ons huis er nog niet bepaald babyproof uit. Dus als 3.0′er van het eerste uur hoop ik op een jam karet baby – of in elk geval eentje die op zijn minst enigszins rekening houdt met de Uitgerekende Datum. De papa en mama zijn er onderhand mentaal wel aan toe, al hebben we natuurlijk in de verste verte geen flauw benul van wat ons allemaal te wachten staat.
Terwijl de verflucht van de nieuwe kozijnen door het huis kringelt, staat de kinderwagen (Maxi Cosi Elea intense red) verdwaald in de woonkamer. De kinderkleertjes (eerste en tweede handsjes, van Hema tot Tommy Hilfiger) liggen in opgestapelde Ikea-opbergdozen in de woonkamerdeur, inclusief enkele items uit de “blije” doos van Prenatal (merendeel viel tegen, blij werd ik er niet van). Daarop ligt het kraampakket en de light-versie van het vluchttasje (Peter Rabbit). Die had ik ingepakt voor onze reis naar Umbrië, Italië (heerlijk!). De definitieve ‘vluchtkoffer’ is nog niet klaar.

Reiswieg, kinderbadje, kleertjes, kraampakket en vluchttas. Het ligt allemaal bij elkaar. Dat dan weer wel.
Toch ben ik er inmiddels mentaal al wel aan toe, de komst van onze 4.0. De natuur heeft dat uitermate slim gedaan, die negen maanden draagtijd. Je groeit écht naar de geboorte toe. Dat alle kwaaltjes naar het einde toe steeds hardnekkiger worden, en dat je steeds vaker snakt naar een nachtje normaal slapen (zonder tintelende vingers en slapende armen, wie weet zelfs weer eens op je buik), helpt ook hoor, om af en toe te denken: “Oké, kom er nu maar uit. NU is het mooi geweest.” Niet dat ik verwacht na zijn geboorte meteen weer als een roosje te kunnen slapen. Maar dat is een ander verhaal.
Wat ik mentaal gezien het lastigste vond, was het naast me neerleggen van de plannen voor Indisch 3.0. Accepteren dat ik die plannen niet weggooide, maar ze alleen even opzij legde, voelde als kiezen voor iets onnatuurlijks. Hoewel ik altijd graag kinderen heb gewild, voelde het als het opgeven van een andere droom zonder zeker te weten of, hoe en wanneer ik die weer kon gaan oppakken.
Het zal daarom zijn, dat ik die rare droom had, een paar weken terug. Ik was met mijn kersverse echtgenoot buiten en voelde aan mijn buik. Want er klopte iets niet. Naast ons kindje, voelde ik er iets hards en scherps in zitten. Met beide handen ging ik over mijn buik en opeens herkende ik het voorwerp: het was het statief van de videocamera die ik voor Indisch3 gebruik. Onmiddellijk realiseerde ik me dat dat object gevaarlijk kon zijn voor onze kleine doerak en ben met manlief naar het ziekenhuis gegaan om het eruit te laten halen: de gezondheid van ons kindje ging voor.
Ik kijk inmiddels enorm uit naar het moment waarop onze zoon op mijn buik ligt, in plaats van erin. Zeker als zijn wiegje thuis klaar staat. Tot in september!
Populair: Jonge Indo’s..
Alle posts
Recente posts
Reacties
- Indisch4ever on Enqueteren op de 54e TTF
- Jan A Somers on Hacking History – Monument Indië Nederland
- Edcaffin on Hacking History – Monument Indië Nederland
Tweettweettweet
- No public Twitter messages.




