Indisch 3.0 op de Pasar Malam Besar (21 – 30 mei 2008, Den Haag)

Op de 50e Pasar Malam Besar in Den Haag (Malieveld, 21 mei -1 juni 2008) zal Indisch 3.0 een bescheiden, maar actieve rol gaan vervullen.

21 mei 2008, 19.00 – 19.45 uur, Bibit Theater/ De Indische School
De repatriëring – Kirsten Vos
De Indische School is een project waarbij op basaal niveau lessen worden gegeven, met als doel kennis over te brengen over de geschiedenis en cultuur van Indische Nederlanders in Indië, Indonesië, Nederland en andere gebieden. Kirsten zal een geschiedenisles verzorgen over de repatriëring uit Indonesië.

23 mei 2008, 18.00 – 18.45 uur, Bibit Theater
Tattootalk – Ed Caffin en Kirsten Vos
De eerste vrijdag van de Pasar is traditioneel bedoeld voor de jongeren. Indisch 3.0 verzorgt een van de programma-onderdelen van die avond, een talkshow over tattoos van de derde generatie. Ed zal een aantal jonge Indo’s ontvangen die zich met tattoos, taal en kleding duidelijk onderscheiden. Vanuit de zaal zal Kirsten samen met het publiek hen aanvullende vragen stellen.

Oproep
Voor Tattootalk zijn wij nog op zoek naar deelnemers. Ben jij Indisch en ben je trots op je tattoos, of ben je tattoo-ontwerper/ -zetter? Stuur ons dan een snel mailtje, of reageer op deze blog!

Oud en Jong – Herinneren en Beleven

Amsterdam, 14 april 2008
door Ed Caffin

Eind 2007 en begin 2008 was ik bij een paar thema-bijeenkomsten in Indisch Herinneringscentrum Bronbeek, georganiseerd door werkgroep “Indisch Erfgoed Apeldoorn” (IEA). De werkgroep stelt zich ten doel “de culturele erfenis van het voormalig Nederlands-Indië te behouden, bekendheid te geven en verder te ontwikkelen voor de huidige en volgende generaties”. Het waren goed georganiseerde en druk bezochte bijeenkomsten, de laatste keer zelfs met tientallen mensen op een wachtlijst. In het publiek zag ik steeds vooral de grijze haren van de oudere Indische generaties. Mensen die nog weten hoe het in Indië was en die de Indische cultuur in Nederland de afgelopen 50 jaar gedefinieerd en gedragen hebben.

Maar steeds vroeg ik me hetzelfde af: waar zijn de jongeren? Waar zijn de volgende generaties, die de Indische cultuur moeten doorgeven? Ben ik samen met het handjevol andere jonge Indo’s de enigen van de “nieuwe generatie” die oprecht geïnteresseerd zijn? De anderen voelden zich daardoor wellicht net als ik in eerste instantie meer toeschouwer dan deelnemer. Ik keek met plezier naar heftig meeknikkende hoofden in het publiek als de spreker iets treffends zei over de Indische cultuur: “…ja, en dan zei mijn moeder natuurlijk weer, soedah, laat maar!” en genoot van het opgewonden gefluister bij het zien van een foto van een bekende plek “ja, zeg, dat is de Darmobuurt in Soerabaja! Daar hebben wij gewoo-oond!”

Ik vond de bijeenkomsten geweldig, maar doordat ik bijna alleen maar ouderen zag bekroop me onherroepelijk het gevoel van hoe lang zal dit er nog zijn? En ik was vast niet de enige. Als hier bijna geen jongeren op af komen, is het Indisch zijn dan op sterven na dood? Als onze opa’s en oma’s en vaders en moeders er straks niet meer zijn is er dan geen Indische cultuur meer? Wordt het stokje hierna niet meer overgenomen?

Nee, dat geloof ik niet. Er zijn namelijk veel jongeren die wel degelijk geïnteresseerd zijn in hun Indische achtergrond, en die dat koesteren. Maar de meesten zijn er op een heel andere manier mee bezig en gaan naar andere plekken. Bijvoorbeeld naar virtuele ontmoetingsplekken zoals Hyves. ‘Indo zijn’ lijkt hier een hype: binnen een paar jaar zijn hier tientallen communities ontstaan van soms meer dan drieduizend jonge Indo’s. Hieronder een indrukwekkend rijtje:
http://indos.hyves.nl/
http://indonesia1.hyves.nl/
http://gordelvansmaragd.hyves.nl/
http://pasarmalambesar.hyves.nl/
http://indoweb.hyves.nl/
http://nederlands-indie.hyves.nl/
http://moesson.hyves.nl/
http://hippe-indowz.hyves.nl/

Het zijn allemaal plekken waar Indo’s willen laten zien en bespreken wat Indo zijn voor hen betekent: ontwerpen uitwisselen voor tattoos, discussiëren over de vraag of je pinda genoemd mag worden, samen naar musea, of makanans organiseren en naar Indo parties gaan. Is dit dan de nieuwe manier om met Indisch zijn bezig zijn? Ja, ik denk dat dit soort activiteiten een groot deel van de nieuwe Indische cultuur vertegenwoordigt. Indisch zijn is niet alleen het herdenken en koesteren van wat ooit was, maar op een eigen, nieuwe manier het Indo zijn beleven: samen feesten, eten, drinken, praten en discussiëren.

Dat is allemaal ook ontzettend leuk en belangrijk, maar er gebeurt meer. Dingen die niet meteen zo zichtbaar zijn. Sommige jonge Indo’s durfen eindelijk hun ouders of grootouders de vragen te stellen die nog nooit gesteld of beantwoord zijn, en doorbreken daarmee bepaalde Indische (familie)taboes en herontdekken de complexe Indische geschiedenis. Velen gaan met familie en vrienden of op hun eigen houtje naar Indonesië om te voelen waar hun ouders en grootouders vandaan komen. En ik ken meerdere Indo’s die een tijdens hun studie onderzoek deden naar Indische thema’s zoals de Indische diaspora, de nieuwe Indische identiteit in Nederland en de repatriëring. Jongeren die meer willen weten over de geschiedenis, zelf vragen gaan stellen en beantwoorden en geen “soedah laat maar” meer willen horen.

Want het historisch besef is over het algemeen mager. Ook lange tijd was dat bij mij zo. Want net als de meeste anderen kreeg ik tijdens de geschiedenisles een veel te beperkt en te ongenuanceerd beeld over de koloniale geschiedenis en Nederlands-Indië. We hoorden daar nauwelijks iets over en dat vind ik eigenlijk schandalig. Het ergste is nog, dat dat voor zover ik weet nog steeds zo is. Dus ja, dan maar zelf uitzoeken. En wat voor dingen zouden jongeren dan willen weten? Volgens mij leven bij veel Indo’s vragen als Wat is precies het verschil tussen Indië en Indonesië? Waarom gingen mijn ouders eigenlijk precies naar Nederland? Waarom noemt men dat repatriëren? Maar ook vragen die veel verder gaan dan dat: Waarom Waarom zeiden ze weinig over die tijd? Wat was de reden dat ze zich zo ontzettend probeerden aan te passen aan de Nederlandse cultuur? Waarom kregen mijn ouders en grootouders in hun ogen niet de herkenning die zij wilden?

Dit soort vragen zijn belangrijk en dragen bij aan de vorming van een eigen identiteit die te maken heeft met zowel de Nederlandse geworteldheid als de Indische achtergrond van de 3e en 4e genetatie. Ik denk dan ook dat er geen genuanceerd Indisch zijn mogelijk is als je de geschiedenis niet kent. De jongeren van nu, en dus niet alleen Indo’s, moeten alleen op andere manieren worden bereikt. Liever geen stoffige archieven in de kelders van grijze musea of lange lezingen waarin de taal van de jongeren niet wordt gesproken. Daarom ben ik blij dat er steeds meer wordt georganiseerd voor Indische jongeren tijdens festivals zoals Pasar Malams, ja, maar dan ook graag door jongeren en op een jonge manier. Jongeren bereiken via tijdschriften, natuurlijk, waarom niet? Maar laat de derde en vierde generatie Indo daar dan ook zijn belevenissen in schrijven en de vragen stellen die zij beantwoord willen zien. Herinneringscentrum Bronbeek: ja, ook. Laat jongeren meebeleven wat Indische cultuur is. Samen met de oudere generatie. Maar ook hier is het belangrijk om aansprekend genoeg te zijn voor een jong publiek.

De Indische cultuur moet (straks) gedragen gaan worden door de jongere generatie. Jongeren moeten daarom meer worden aangesproken en er moet meer ruimte worden gecreëerd voor het geluid van jonge Indo’s die een plek zoeken om met Indisch zijn bezig te zijn. Een voorbeeld is deze blog… Indo’s van de derde en vierde generatie: wees actief, stel je vragen, zoek de informatie die je wilt en vooral: laat je horen!

Dit is Indisch 3.0

Indisch 3.0 (www.indisch3.nl) is een weblog waarop de derde generatie Indische Nederlanders zich uitspreekt. Met maatschappelijke betrokkenheid, eigen creativiteit en oprechte verwondering willen de redacteuren Indo’s in binnen- en buitenland aanzetten tot het ontwikkelen van een onafhankelijke visie op hun Indische wortels.

De naam, Indisch 3.0, verwijst naar de derde generatie Indische Nederlanders die elkaar via internet hebben weten te vinden. De onbescheiden ambitie is daarmee een continu verrassende impuls te geven aan een zichzelf vernieuwende, maar onmiskenbaar Indische, cultuur. Indisch 3.0 is in 2008 opgericht door Kirsten Vos en Ed Caffin en is al ruim 60.000 keer bezocht, uit Nederland en ver daarbuiten.

Er zijn talloze fora en websites over de Indische cultuur. Veel daarvan richten zich op het niet altijd correct vertellen hoe de Indische cultuur in elkaar zit, of hameren er vooral op dat je eerst aan bepaalde criteria moet voldoen, voordat je mag zeggen dat je een Indo bent. Sommige jongeren voelen zich op hun gemak bij zulke duidelijke grenzen en eenduidige definities van het Indische.

Indisch 3.0 richt zich ten eerste op jongeren die het Indische in zichzelf zélf willen ontdekken, door het stellen van die ene vraag: ‘Wat is Indisch?’, onmiddellijk gevolgd door: ‘Ben ik Indisch?’. Daarnaast wenden we ons tot die Indo’s die allang antwoorden hebben en willen ondernemen. Aan die verscheidenheid wil Indisch 3.0 alle ruimte geven.

Makassar, Toraja en de Togean Islands

Amsterdam, 9 april 2008
door Ed Caffin

Ik reis graag door Indonesië. Vorig jaar ging ik samen met mijn twee oudere broers. Een deel van de reis ging door Sulawesi. Het verslag dat ik over dat stuk van de reis schreef verscheen eerder in Indonesie Magazine:

Mijn twee broers en ik maken een reis over Sulawesi, een eiland van enorme afmetingen in het midden van de Indonesische archipel. Op het grillig gevormde eiland, dat vroeger Celebes werd genoemd, wonen ongeveer net zoveel mensen als in Nederland.

Makassar

Vanaf het snikhete Surabaya nemen we het vliegtuig naar Makassar, de zuidelijke havenstad op Sulawesi, die ook wel Ujung Pandang wordt genoemd. Aan het eind van de middag komen we aan op het vliegveld, dat vrij ver van de stad ligt. Na een lome taxirit komen we pas tegen het vallen van de duisternis in het centrum van de stad aan.

We vinden een vriendelijk en vlekkeloos hotel, vlakbij het oude centrum van de stad. Makassar heeft een belangrijke en interessante geschiedenis. Vanuit hier ondernamen de Buginezen, een dapper zeevaardersvolk, eeuwenlang verre tochten door de Indonesische archipel. Later controleerde de VOC vanuit hier de belangrijke handelsroute tussen het westelijke en oostelijke gedeelte van de toenmalige kroonkolonie. Het vlakbij ons hotel gelegen Fort Rotterdam herinnert aan die tijd. Het door een lokale Sultan gebouwde fort werd halverwege de 17e eeuw door de VOC veroverd en verbouwd tot een vesting vlak aan de kust. Het is prachtig gerestaureerd en wordt dag in dag uit druk bezocht door grote groepen, veelal lokale toeristen.

Wanneer we de volgende dag naar binnen willen, houdt een groepje gillende schoolkinderen ons al bij de ingang tegen. De kinderen verzamelen zich om ons heen en willen Engels praten. Ze schieten echter meteen verlegen lachend weg wanneer ze door een van ons worden aangesproken.

Naast de groepen schoolkinderen blijkt er ook een vereniging van lokale studenten rond te lopen. Ze studeren talen en spreken elke zondag af in het fort om dan op zoek te gaan naar gesprekspartners. Als enige buitenlandse toeristen zijn we het continue aanspreekpunt. Urenlang lopen we door de verschillende toonzalen van het museum en de binnentuin, steeds vergezeld van clubjes leergierige studenten met opschrijfboekjes.

Als we eenmaal buiten zijn, rusten we uit bij Pantai Losari; langs de grote boulevard aan zee. Hier gebeurt het. Tientallen stelletjes, gezinnen en andere mensen vermaken zich met het kijken naar spelende kinderen in het water en voetballende jongens op het plein. Frisdrank- en snackverkopers wurmen zich door de groeiende menigte heen, hun koopwaar luid aanprijzend. Ondertussen observeren wij van afstand de bedrijvigheid op de boulevard, tegen de kalme achtergrond van de langzaam ondergaande zon.

Tanah Toraja

Na een aantal dagen vertrekken we met de nachtbus naar Tanah Toraja. In het donker passeren we Danau Tempe en Enrekang en rijden we in de richting van Makele. Het wordt al licht en door de beslagen ramen van de bus zijn de eerste glimpen van de schitterende Sadanvallei al te zien. We vinden een hotel aan de rand van Rantepao, de hoofdstad van Toraja. De stad blijkt redelijk ingesteld op toerisme, hoewel we nauwelijks andere reizigers zien.

Een aantal dagen rijden we op brommertjes door de vallei. In de verschillende dorpjes, zoals Londa, Kete Kesu en Lemo, zijn er talloze bezienswaardigheden. Het adembenemend mooie gebied wordt bevolkt door vriendelijke mensen, die van alles vertellen over de gebruiken en gewoontes in de Toraja-cultuur. De mensen zijn christelijk, maar de cultuur kent ook veel oude, lokale tradities. Zo wordt het religieuze leven van de Toraja’s gedomineerd door uitgebreide ceremonies bij belangrijke gebeurtenissen als huwelijk of overlijden. Bij een begrafenis worden er bij voorkeur zoveel mogelijk buffels geofferd, waarbij de hoeveelheid offers de status van de persoon binnen de gemeenschap uitdrukt. De dode wordt daarna bijgezet in een ‘familiegrot’, waarvan we er verschillende zien. Omdat deze grafceremonies erg kostbaar zijn, is hier een veelgehoorde grap dat je beter met iemand kunt trouwen die geen ouders meer heeft, waardoor je een hoop kosten worden bespaard.

Centraal Sulawesi

Hoewel we nog meer hadden willen zien van Toraja, reizen we na een kleine week alweer in noordelijke richting verder. We staan midden in de nacht op en verlaten Rantepao in het donker. De reis gaat naar Ampana, een plaatsje aan de Teluk Tomini, de grote baai tussen Centraal- en Noord-Sulawesi. In de auto kijk ik op de kaart. We moeten de Trans-Sulawesi snelweg nemen, die van het zuiden, helemaal naar het noordelijkste puntje van het eiland loopt. Via Palopo, Pendolo en Poso, waar de snelweg afbuigt naar het noorden, kunnen we langs een smalle kustweg in Ampana komen.

Tijdens het eerste deel van de reis rijden we urenlang over een smalle, kronkelende weg. In de schemering komen de beboste binnenlanden tevoorschijn, maar ik word langzaam wagenziek. We rijden maar door en ik voel me beroerd. Wat een vreselijke reis! Als de weg eindelijk beter wordt, en ik me wat beter voel, krijg ik meer oog voor de mooie natuur. Rond de middag stoppen we bij Danau Poso, een uitgestrekt meer aan de rand van het tot voor kort onrustige gebied, en eten een eenvoudige maaltijd. Het is prachtig hier en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat hier kort geleden nog zoveel problemen waren.

Tegen de avond bereiken we Ampana en vinden een hotel aan het water. We worden uitgenodigd voor het avondeten bij de familie van de eigenaar. Het plan is morgen de overtocht te maken naar de Togean Islands en we vragen advies. Hij blijkt zelf accommodatie te hebben op een van de eilanden, en biedt ons aan ons mee te nemen in zijn eigen boot. We stemmen in en spreken voor de volgende dag af.

Togean Islands

Het kleine houten bootje ligt die ochtend al klaar langs de steiger voor het hotel. Mannen laden nieuwe voorraden in, de hoteleigenaar geeft aanwijzingen vanaf het strand. Onze tassen worden snel tussen de balen rijst en dozen met andere voorraden gelegd en we springen aan boord.

Het is een ongelooflijk mooie tocht: vliegende vissen springen uit het spiegelende water rond de boot, de blauwe zee is kalm en aan de horizon komen de eilanden langzaam dichterbij. Na vijf uur komen we ten slotte aan op Pulau Kadidiri, een van de kleinste eilanden van de eilandengroep.

Rond de Togeans zijn talloze koraalriffen en is er een grote variëteit aan exotische dier- en plantensoorten. We zwemmen, duiken en snorkelen een paar dagen, eten heerlijk en genieten volop. Ons bungalowtje ligt aan het strand en vlakbij strekt een pier van zongeblakerde houten planken een meter of honderd uit in zee. We zitten bijna op de evenaar en de zon brandt fel. Ook hier zijn we de enige reizigers. Zittend op onze veranda kijk ik om me heen en besef ik me dat ik weinig méér kan wensen. Het is het absolute hoogtepunt van een geweldige reis: we zijn in een paradijs beland.

Terug?

We willen niet meer naar huis en na een dag of vijf vertrekken we met grote tegenzin. Die dag zal er vanaf een haventje op een groter eiland in de buurt een boot naar Gorontalo gaan, een provinciestad in het noorden, waarvandaan we met het vliegtuig terug naar Bali kunnen komen. Terwijl onze tassen weer in het bootje worden geladen, nemen we afscheid van de eigenaar. Totdat we in de haven aankomen, en beginnen aan de lange tocht naar huis, is het erg stil aan boord. Wat waren we graag gebleven!

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.

Indisch bestaat (straks niet meer)

Amsterdam, 12 maart 2008
door Ed Caffin

Sommige Indische mensen, en ook anderen overigens, denken dat de Indische cultuur en identiteit ophoudt te bestaan. Ik denk het niet. Sommigen vinden dat je de oorlog meegemaakt moet hebben om Indisch te kunnen zijn. Dat vind ik niet. Anderen houden vast aan nostalgie en voelen heimwee naar het Indië van toen. Soms moeten ze niets hebben van het huidige Indonesië of zijn daar nooit geweest. Ik vind nostalgie een heerlijk gevoel, en op mijn manier voel ik dat ook als ik de oude foto’s bekijk van mijn grootouders. Maar ik vind Indonesië fantastisch, sterker nog, ik ga er vaak heen. Daarna heb ik een tijdje heimwee.

Uiteindelijk vind ik de vraag of de Indische cultuur en identiteit blijft bestaan niet relevant. De vraag moet volgens mij anders worden gesteld: “blijft de Indische cultuur en identiteit in zijn huidige vorm bestaan?” Het antwoord is voor mij simpel: “Nee”. Als de huidige vorm inderdaad betekent: nostalgie, heimwee naar Indië en trauma over het geleden oorlogsleed dan is dat binnen een jaar of twintig wel zo’n beetje voorbij. Maar het traditionele Indisch zijn wordt de laatste jaren omgevormd tot iets anders. Oftewel, de Indische identiteit en cultuur leeft voort in de generatie Indo’s die nog weten hoe het bij hun grootouders thuis was en die opgroeiden in een ‘goed aangepast’ en ‘bijna Nederlands’ gezin, met over het algemeen (een) zwijgzame ouder(s) als het het Indisch zijn betreft. Zoals ik. En die generatie herformuleert het Indisch zijn de laatste jaren in iets anders en uiteindelijk in iets nieuws.

“Hoeveel procent Indisch ben jij?” Ik zeg dan altijd : “50%. Vader is Indisch, moeder Nederlands”. Halfbloed? “Nee, dubbelbloed dus”. Maar ik zou net zo goed 75% of 25% kunnen zeggen , want zit het Indische wel in je genen? Je ziet het in ieder geval niet meteen aan me. Aan mijn vader zie je het wel. In een Indische toko is hij door zijn uiterlijk en zijn stille karakter al snel een met het omgeving, maar ik maak weer veel eerder een praatje met de vrouw achter de balie. Niet in het Maleis dan, maar in Bahasa Indonesia. Geleerd op reis en uit boekjes. Ik kan wel goed djonkok zitten trouwens. Vinden ze heel normaal in Indonesië. In Nederland ken ik bijna niemand die dat ook kan.

Hoe zit het met die veranderende Indische identiteit dan precies? Er zijn Indo’s die zich helemaal niet Indisch voelen en zich er ook niet voor interesseren. Voor mij geldt dat ik me na mijn eerste reis naar Indonesië ben ik me een stuk meer Indisch ben gaan voelen. Er was herkenning en ik ging me meer verdiepen in de Indische geschiedenis door zelf dingen uit te zoeken en te lezen. Ironisch eigenlijk. Terwijl het mijn vaders generatie werd afgeleerd heb ik me het Indische weer op eigen houtje aangeleerd. Tenminste dan, op mijn manier. Op zijn slechtst een manifestatie van reisromantiek in mijn Indische geworteldheid. Op zijn best een manifestatie van mijn Indisch zijn in het herkennen van de oude verhalen in de sfeer van Indonesië. En de grote nieuwsgierigheid.

Soms denk ik; ik ben eigenlijk Indischer dan mijn vader. Hij spreekt nauwelijks meer een woord Maleis en weet nog van lang geleden hoe het was een kind van de tropen te zijn. Stiekem denk ik dat hij er nooit aan kon wennen; altijd sokken aan in bed. Ik trouwens sinds een tijdje ook. Voor mij zijn de tropen al een beetje een warm thuis geworden, en is thuis soms maar vreemd en koud. Ik denk dat ik eigenlijk ook Indischer ben dan mijn broers, terwijl ze er net zo veel (of zo weinig) van hebben meegekregen als ik. Ik ben geinteresseerder en ga veel naar Indonesië – en dan ook het liefst zo lang mogelijk.

Voor veel ‘derde generatie’ Indo’s betekent Indisch zijn weer heel iets anders. Sommigen gaan naar zogenaamde Indo’s party’s of verzamelen zich in clubs op internet. Samen met andere Indo’s feesten. Do’s en dont’s uitwisselen voor echte Indo’s. Dat doe ik niet. Sommigen vinden dat je niet met de Indonesische vlag mag lopen omdat “het een symbool is van het regime dat onze voorvaderen op de boot zette naar Nederland”. Dat vind ik niet. Anderen verdiepen zich in de Indische geschiedenis en gaan graag op vakantie naar het huidige Indonesië.

Hoe het Indisch zijn ook tot uitdrukking komt, het leeft bij een steeds actiever en meer bewust wordend deel van de grotendeels volwassen geworden derde generatie. Misschien gaat het op den duur wel bij hen meer leven dan bij de tweede generatie. Maar hoe dan ook zal de toekomst van de Indische identiteit uiteindelijk in andere dingen gaan zitten dan in hoe het ooit was in tempo doeloe of in het moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Dat hoeft niet meer.

Als ik naar me zelf kijk hoop ik dat het de richting in zal gaan van een levendige, moderne en open identiteit, zonder wrok, verdriet en al te veel nostalgie. En waarin interesse voor en kennis van de Indische geschiedenis samengaat met fascinatie en liefde voor Indonesië. Omdat daar, hoe je het ook bekijkt, zoveel verbondenheid mee is. Ik zie dus een identiteit voor me met een dubbelde geworteldheid : een deel in het Westen en een deel in Indonesië. Immers, was dat gegeven ook niet precies wat een Indo een Indo maakt?

Bestaat er Indische vrijheid van meningsuiting?

Vrijheid van meningsuiting is een van de grootste verworvenheden van een democratische samenleving. Maar is het zo dat je als kunstenaar écht alles kan zeggen, of zijn er taboes waar je je zelfs als kunstenaar niet aan wil branden? Zijn er taboes die zo pijnlijk zijn dat je eigen gemeenschap je erop aan zal kijken als je een bepaalde controversiële mening daarover in je kunst tot uiting brengt?

Over deze vragen is een discussie-evenement in ontwikkeling voor kunstenaars, dat in verschillende Nederlandse steden deze vraag aan de kaak wil stellen. Vraag aan jullie is: bestaat er in Nederland nog zulke Indische controversiële kunst? Zijn er Indische kunstenaars die niet voor hun mening uit kunnen komen, vanwege de gevoeligheden die ze aan zullen snijden?

Als blijkt dat er ook in de Indische cultuur controversiële kunstenaars zijn, kunnen die thema’s mogelijk toegevoegd worden aan het eerder genoemde discussie-evenement. Het zou bijvoorbeeld zomaar zo kunnen zijn dat de Indische cultuur een cultuur is waarin vrijheid van meningsuiting ondergeschikt gemaakt wordt aan het gevoel de underdog te zijn, of waarin mensen van elkaar verwachten één front te vormen. Uitgesproken meningen zijn daarvoor niet toepasbaar. Zijn er eigenlijk wel controversiële Indische kunstenaars/ artiesten/ schrijvers?

Of de discussies die momenteel over dit onderwerp gaande zijn nu leiden tot een thema voor het eerder genoemde festival of niet, ik zal sowieso verslag doen van de reacties die ik ontvangen, gehoord en gezien heb.

Helaas Pindakaas – waar waren de jongeren?

Afgelopen weekend was het tijd voor het ‘bi-culturele’ festival Pindakaas, voor ‘Nederlandse jongeren met een Indonesische achtergrond’. Het festival was een goed initiatief, maar nog niet geslaagd. Helaas Pindakaas dus: hopelijk krijgen jongeren volgend jaar wel een festival.

De organisatie verdient een pluim. De styling was top, de locatie(s) uitermate inspirerend, het programma-aanbod nieuwsgierigmakend en er deden aansprekende namen mee, zoals striptekenaar Peter van Dongen, producent Peter Bouman, schrijfster Marion Bloem, columnist Theodor Holman (verving Alfred Birney) en choreograaf Gerard Mosterd. Daarnaast heb ik weer nieuwe mensen leren kennen, wat altijd leuk is, dus ik verliet de Verkadefabriek in Den Bosch met een opgewekt gevoel. Het evenement zou herhaald moeten worden, maar wel met een aantal verbeteringen, om te beginnen die verschrikkelijke naam.

Zo is het natuurlijk een afgang dat er op een Indisch festival geen behoorlijke Indische maaltijd geserveerd kon worden. De organisatie kon er niets aan doen, maar dat maakt de blamage niet minder groot. Gelukkig had de toko in de serre heerlijke sateh en risolles. Daarnaast het filmprogramma. Dat waren overwegend Indonesische films. In die mate is dat op een festival als dit niet op zijn plek. Iets anders – er was te weinig aansluiting tussen de twee locaties; laat volgend jaar twee videoschermen ophangen en toon in de ene hal wat er op dat moment in de andere gebeurt. Tot slot waren er programmaonderdelen waar ik simpelweg meer van had verwacht, waarover zo meer.

Mijn grootste kritiek op de organisatie is echter de doelstelling van het festival. Het programma van het festival werd gedomineerd door de tweede generatie. Marion Bloem sprak uit wat ik dacht – was zij wel de generatie van de jongeren? Alle respect voor de tweede generatie, absoluut, maar sinds wanneer zijn veertigers en vijftigers jongeren? Neem bijvoorbeeld het debat van de columnisten. Allemaal grijzende mannen van toch zeker 45 jaar. Leuk voor hun ego, maar volgens mij echt geen ‘Nederlandse jongeren met Indonesische wortels’. En – waar waren de vrouwen?

Die Battle of the Columnists was ook nog eens een tegenvaller. Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piette en Kees Schepel, bepaald geen kleine namen, gingen met elkaar in debat over ‘De Indo bestaat niet’. Alfred Birney zou deze discussie gaan leiden, maar had zich, door griep geveld, door Theodor Holman laten vervangen, die zich vermoedelijk nauwelijks had kunnen voorbereiden. Het debat was tam en kenmerkte zich door de running gag ‘ja, de lekkere hapjes, ha ha ha (+ schuddebuiken)’. Gelukkig deden de columnisten om die repeterende plaat heen een paar rake uitspraken in de babbel over ‘De Indo bestaat niet’.

“De Indo bestaat wel en Andy Tielman is hun koning. Helaas maken Indo’s er vaak een zooitje van en gaat de Indische gemeenschap ten onder aan haar eigen onkunde.”

“De Indo is helaas soms kruiperig. Indo’s zijn bijna niet meer te herkennen, veel mensen denken tegenwoordig dat we Marokkanen zijn.”

“Ik ben jaloers op Indo’s. Ik wou dat ik er een was.”

“Het zijn geen hoogvliegers, Indische mensen, ze zijn volhardend.”

“Ach! Bestáát niet! Ik voel me Nederlander, maar wel als een Englishman in New York.”

Mijn conclusie is dus, goed initiatief, absoluut herhalen, maar met een andere naam én een programma voor en door Indische jongeren van de derde generatie, tussen de ca. 20 en 35 jaar.

————————————————————————————–

Deze blog is eerder gepubliceerd op www.kirstenvos.nl, indisch4ever.weblog.nl en http://kivos.hyves.nl


Vogelaar: Indische Nederlanders en Molukkers anno 2007 voorbeeld van integratie

Stichting Pelita is een organisatie die al zestig jaar zich inzet voor de maatschappelijke zorg voor Indische Nederlanders en Molukkers. Tijdens mijn onderzoek naar de repatriëring kwam ik een breiactie tegen die deze stichting in januari 1951 georganiseerd had. “Het sociale probleem der gerepatrieerden stelt de overheid voor ontelbare moeilijkheden.” Daarom riep Pelita Nederlandse huisvrouwen op om warme kleding voor de honderdduizenden ontheemden te breien: “Zij beschikken bij aankomst in ons land in de meeste gevallen niet over kleding, welke op het Hollandse klimaat is berekend”.

Een opvallende verschijning: acceptatie of pragmatisme?
Op 24 november was ik samen met zo’n 5.000 anderen op Pelita’s 60e verjaardag in de Jaarbeurshallen te Utrecht. Een van de sprekers tijdens het middagsymposium was Ella Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie. Vogelaar had een fleurig mantelpakje aan en zat op een gegeven moment zo op haar stoel dat, als mijn oma erbij was geweest, ze die pose had beschreven als Villa Inkijk. Deze extraverte minister was de boeiendste spreker, de anderen hadden helaas vooral politiekcorrecte presentaties die allemaal op elkaar leken.

Niet alleen om haar verschijning vond ik Vogelaars aanwezigheid opvallend. De minister van Wonen, Wijken en Integratie was op een bijeenkomst van Indische Nederlanders en Molukkers. Sinds wanneer beschouwt onze eerste generatie zichzelf als migranten? Dat de Nederlanders hen altijd zo hebben gezien is één ding, maar om dit toe te geven door Vogelaar uit te nodigen is een ander. Betekent dit dat er een verschuiving in opvattingen is ontstaan in de Indische gemeenschap, of begrijpen we tegenwoordig dat onze ouderen alleen hulp krijgen als we zeggen dat we geen échte Nederlanders zijn? Was Vogelaars aanwezigheid acceptatie of pragmatisme?

Geen Molukse probleemwijken, dat is een compliment.
De minister van WW&I had een hartelijke boodschap voor de aanwezige Indische Nederlanders en Molukkers. Ze waren goed geïntegreerd en inmiddels een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten: migranten moesten de ruimte krijgen om zichzelf te zijn én zich verbinden met de Nederlandse samenleving. Indische Nederlanders en Molukkers was dat gelukt en ondanks alle ellendige ervaringen kregen zij eindelijk erkenning: Indische Nederlanders hebben recht op een eigen identiteit, die bestaat uit beide culturen.

Een eerste bewijs voor de succesvolle integratie van onze ouders en grootouders waren de ‘juweeltjes in de literatuur’, ons eten en onze voetballers, een tweede het feit dat op de lijst van de 40 Krachtwijken (of pracht?) geen enkele voormalige Molukse wijk stond. ‘En dat is een compliment!’ Op dat moment hoorde ik twee typisch Indische dames achter mij commentaar geven: ‘Alleen Moluks, niet Indisch?’. Bovendien ging het de derde generatie beter af om in Nederland te wonen dan hun voorouders. Weer reageerden de twee dames: ‘Nee! Juist niet!’.

Vogelaar vond dat er weer ruimte moest komen voor de etnische achtergrond in ‘woonvoorkeuren’. Ze haalde het Indische Dorp in Almere (Rumah Senang) aan als voorbeeld: zij wilde voor dit soort initiatieven meer wijken en locaties beschikbaar stellen. Groepen moesten zelf huizen gaan bouwen en hiervoor financiële stimulans krijgen. De slotboodschap van Vogelaar kon rekenen op een instemmend ‘Ja, precies’ van de Indische dames: nieuwkomers moesten echt deel gaan uitmaken van de samenleving en niet alleen maar het gevoel krijgen getolereerd te worden.

Indische Nederlanders en Molukkers, voorbeeldmigranten?
Ondanks de hartelijkheid van haar boodschap hield ik dubbele gevoelens over aan het optreden van Vogelaar. Waaruit was gebleken dat Nederland de Indische gemeenschap erkend had? Door Het Gebaar? Waarschijnlijk dacht zij van wel, want ze kreeg die middag een exemplaar van het boek van die stichting uitgereikt dat de passende titel ‘Eindelijk erkenning?’ droeg. Alleen, als Vogelaar meer had afgeweten van de Indische en Molukse gemeenschap, had ze geweten dat Het Gebaar door weinigen gezien wordt als erkenning. Ik herinner me nog dat mijn oma niet blikte of bloosde toen ik het met haar had over de 3.000 gulden die zij zou krijgen. Als Indische leer je al vroeg dat een blik meer zegt dan 1000 woorden en mijn oma was te netjes om over de Nederlandse overheid te klagen, maar als ze er echt blij mee was geweest, zou ze toen niet zo verontwaardigd gekeken hebben. De erkenning waar Vogelaar het over heeft, zal de Indische gemeenschap volgens mij nooit van de overheid kunnen krijgen. Zij krijgen pas erkenning wanneer ze van zichzelf accepteren dat ze anders zijn, maar ook accepteren dat ze van elkaar verschillen en elkaar, ondanks die verschillen, nodig hebben voor erkenning.

Ten tweede. De Indische en Molukse gemeenschap zijn een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten voor hoe succesvol te integreren in Nederland. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer haar uitspraak om de intentie waarmee Vogelaar die deed. Ik heb alleen wat moeite met de inhoud ervan. Ruimte voor eigen identiteit? Welnee, assimileren moesten ze, anders was je een probleemgeval. Verbinden met de Nederlandse samenleving? Ja, door in contractpensions te zitten en te leren hoe je je huis schoon moest maken, terwijl je je vies voelde omdat je maar een keer per week mocht douchen. Kansen? Tja, je diploma’s uit Indië en Indonesië werden niet erkend, dus duizenden moesten zichzelf opnieuw bewijzen. Een compliment? Misschen voor hoe velen hun hoofd boven water wisten te houden zonder te bezwijken in het kleinburgerlijke Nederland ‘met kleine wetjes van fatsoen’, in de woorden van Tjalie Robinson.

Maar waar ik de meest gemengde gevoelens over heb is de kern: zijn Indische Nederlanders en Molukkers te vergelijken met huidige migranten, zoals Soedanezen, Irakezen en Marokkanen? Nee, nauwelijks, want de huidige ‘nieuwkomers’ hebben helemaal niets met de Nederlandse cultuur. Soedanezen zijn niet opgegroeid in een voormalige Nederlandse kolonie, Irakezen hebben geen Nederlands onderwijs gehad en Marokkanen werden niet in kampen gezet omdat ze Nederlands bloed hadden. Al die groepen kennen niet het gevoel van loyaliteit aan het Nederlands Koninghuis, zoals veel Indischen en Molukkers wel hebben.

Kan ik me de parallel dan helemaal niet voorstellen? Natuurlijk wel, en met mij vele andere Indische Nederlanders. Sterker nog, al tijdens de repatriëring maanden hoger geplaatste Indische Nederlanders Indo-Europeanen al om zich goed voor te bereiden op hun vertrek naar Nederland, een land dat zij niet kenden. Dus, ja, Indische Nederlanders waren migranten, maar van een geheel andere orde dan de huidige. Ik hoop dat Vogelaar zich dat realiseert, anders wordt het goede voorbeeld dat onze voorouders gesteld hebben onmogelijk goed te volgen.

Herdenken ja – maar wanneer?

Dit jaar ben ik voor het eerst bij de herdenking van de capitulatie van Japan geweest, op 15 augustus 1945. Die datum was de Tweede Wereldoorlog in Indonesië officieel afgelopen. De setting, de Waterpartij in Den Haag, was prachtig en het was indrukwekkend om het mee te maken. Ik vroeg me alleen af waarom ik er niet eerder was geweest, terwijl ik al mijn hele leven in Den Haag woon.

De spreker die mij het meest aansprak was Willem Nijholt. Temidden van veteranen, oorlogsslachtoffers en nabestaanden sprak hij over de verschrikkingen die hij en zijn familie hadden meegemaakt. Hij sprak uit dat hij de Jap nooit zou kunnen vergeven, al was het maar omdat het Japanse volk nog steeds niet om vergeving had gevraagd.

Op de fiets naar huis verbaasde ik me erover dat ik er nooit eerder bij was geweest. Ik woon in Den Haag, al bijna mijn hele leven. Ik ben Indisch, al mijn hele leven. Mijn grootouders, die de oorlog zelf hebben meegemaakt, woonden ook in Den Haag. Maar nooit nooit nooit ben ik met hen daar geweest. En opeens herinnerde ik me waarom.

Ik herinnerde me dat, toen mijn opa nog in leven was, ik hem wel eens gevraagd had waarom hij niet naar de herdenking ging. Hij vertelde me dat hij tot december ’45 in het kamp had gezeten en dat 15 augustus voor hem helemaal niet het einde van de oorlog was geweest. Daarom ging hij niet.

Al fietsende zette dat me aan het denken. De ellende in Indonesië hield niet op na de Tweede Wereldoorlog. Daarna begon namelijk de bersiap, de vrijheidsstrijd, waardoor veel geïnterneerden in de kampen moesten blijven. Voor hen werd het alleen maar erger. Waarom? Omdat de Jap, die hen drie jaar lang het leven tot een hel had gemaakt, na de ‘bevrijding’ opeens hun beschermheer werd en hun vertrouwde Indië hen niet langer welkom heette.

Ter vergelijking – moet je je voorstellen dat je (groot-)ouders na de Duitse capitulatie in Auschwitz hadden moeten blijven en bescherming hadden moeten krijgen van de Duitsers. Dat is een verschrikking. De mensen die je vreesde, werden je beschermheren. Het moet de wereld op zijn kop zijn geweest. En het moet een intens gevoel van onveiligheid hebben gegeven. Want als je martelende, afslachtende, wrede, verkrachtende bezetter opeens je beschermer werd, wat moest er dan in vredesnaam wel niet gebeuren aan de andere kant van de kampmuren?

Thuis aangekomen vroeg ik me af wanneer al die ellende dan wel over was. Wat was de dag waarop mijn opa – en vele andere Indische Nederlanders – zijn bevrijding vierde? Welke dag moet ik nou eigenlijk herdenken?

Ik zette het journaal aan en tot mijn verrassing zag ik mezelf op het NOS Journaal bloemen in het monument neerleggen. Het waren witte bloemetjes. Rood leek me niet gepast, oranje ook niet (gezien de afwezigheid van het Koningshuis een juiste keuze), maar wit, de kleur van reinheid, wedergeboorte, een nieuw begin, dat was de enige kleur die bij vandaag paste.

Een nieuw begin. Is dan het moment waarop mijn familie een nieuw begin kon maken de dag van hun bevrijding? Was dat hun aankomst in Nederland, in 1958, toen zij door Indonesië het land uitgezet waren? Ik weet het niet. Maar ik hoop het wel.

————————————————————————————–

Deze blog verscheen eerder op www.kirstenvos.nl