Bestaat er Indische vrijheid van meningsuiting?

Vrijheid van meningsuiting is een van de grootste verworvenheden van een democratische samenleving. Maar is het zo dat je als kunstenaar écht alles kan zeggen, of zijn er taboes waar je je zelfs als kunstenaar niet aan wil branden? Zijn er taboes die zo pijnlijk zijn dat je eigen gemeenschap je erop aan zal kijken als je een bepaalde controversiële mening daarover in je kunst tot uiting brengt?

Over deze vragen is een discussie-evenement in ontwikkeling voor kunstenaars, dat in verschillende Nederlandse steden deze vraag aan de kaak wil stellen. Vraag aan jullie is: bestaat er in Nederland nog zulke Indische controversiële kunst? Zijn er Indische kunstenaars die niet voor hun mening uit kunnen komen, vanwege de gevoeligheden die ze aan zullen snijden?

Als blijkt dat er ook in de Indische cultuur controversiële kunstenaars zijn, kunnen die thema’s mogelijk toegevoegd worden aan het eerder genoemde discussie-evenement. Het zou bijvoorbeeld zomaar zo kunnen zijn dat de Indische cultuur een cultuur is waarin vrijheid van meningsuiting ondergeschikt gemaakt wordt aan het gevoel de underdog te zijn, of waarin mensen van elkaar verwachten één front te vormen. Uitgesproken meningen zijn daarvoor niet toepasbaar. Zijn er eigenlijk wel controversiële Indische kunstenaars/ artiesten/ schrijvers?

Of de discussies die momenteel over dit onderwerp gaande zijn nu leiden tot een thema voor het eerder genoemde festival of niet, ik zal sowieso verslag doen van de reacties die ik ontvangen, gehoord en gezien heb.

Helaas Pindakaas – waar waren de jongeren?

Afgelopen weekend was het tijd voor het ‘bi-culturele’ festival Pindakaas, voor ‘Nederlandse jongeren met een Indonesische achtergrond’. Het festival was een goed initiatief, maar nog niet geslaagd. Helaas Pindakaas dus: hopelijk krijgen jongeren volgend jaar wel een festival.

De organisatie verdient een pluim. De styling was top, de locatie(s) uitermate inspirerend, het programma-aanbod nieuwsgierigmakend en er deden aansprekende namen mee, zoals striptekenaar Peter van Dongen, producent Peter Bouman, schrijfster Marion Bloem, columnist Theodor Holman (verving Alfred Birney) en choreograaf Gerard Mosterd. Daarnaast heb ik weer nieuwe mensen leren kennen, wat altijd leuk is, dus ik verliet de Verkadefabriek in Den Bosch met een opgewekt gevoel. Het evenement zou herhaald moeten worden, maar wel met een aantal verbeteringen, om te beginnen die verschrikkelijke naam.

Zo is het natuurlijk een afgang dat er op een Indisch festival geen behoorlijke Indische maaltijd geserveerd kon worden. De organisatie kon er niets aan doen, maar dat maakt de blamage niet minder groot. Gelukkig had de toko in de serre heerlijke sateh en risolles. Daarnaast het filmprogramma. Dat waren overwegend Indonesische films. In die mate is dat op een festival als dit niet op zijn plek. Iets anders – er was te weinig aansluiting tussen de twee locaties; laat volgend jaar twee videoschermen ophangen en toon in de ene hal wat er op dat moment in de andere gebeurt. Tot slot waren er programmaonderdelen waar ik simpelweg meer van had verwacht, waarover zo meer.

Mijn grootste kritiek op de organisatie is echter de doelstelling van het festival. Het programma van het festival werd gedomineerd door de tweede generatie. Marion Bloem sprak uit wat ik dacht – was zij wel de generatie van de jongeren? Alle respect voor de tweede generatie, absoluut, maar sinds wanneer zijn veertigers en vijftigers jongeren? Neem bijvoorbeeld het debat van de columnisten. Allemaal grijzende mannen van toch zeker 45 jaar. Leuk voor hun ego, maar volgens mij echt geen ‘Nederlandse jongeren met Indonesische wortels’. En – waar waren de vrouwen?

Die Battle of the Columnists was ook nog eens een tegenvaller. Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piette en Kees Schepel, bepaald geen kleine namen, gingen met elkaar in debat over ‘De Indo bestaat niet’. Alfred Birney zou deze discussie gaan leiden, maar had zich, door griep geveld, door Theodor Holman laten vervangen, die zich vermoedelijk nauwelijks had kunnen voorbereiden. Het debat was tam en kenmerkte zich door de running gag ‘ja, de lekkere hapjes, ha ha ha (+ schuddebuiken)’. Gelukkig deden de columnisten om die repeterende plaat heen een paar rake uitspraken in de babbel over ‘De Indo bestaat niet’.

“De Indo bestaat wel en Andy Tielman is hun koning. Helaas maken Indo’s er vaak een zooitje van en gaat de Indische gemeenschap ten onder aan haar eigen onkunde.”

“De Indo is helaas soms kruiperig. Indo’s zijn bijna niet meer te herkennen, veel mensen denken tegenwoordig dat we Marokkanen zijn.”

“Ik ben jaloers op Indo’s. Ik wou dat ik er een was.”

“Het zijn geen hoogvliegers, Indische mensen, ze zijn volhardend.”

“Ach! Bestáát niet! Ik voel me Nederlander, maar wel als een Englishman in New York.”

Mijn conclusie is dus, goed initiatief, absoluut herhalen, maar met een andere naam én een programma voor en door Indische jongeren van de derde generatie, tussen de ca. 20 en 35 jaar.

————————————————————————————–

Deze blog is eerder gepubliceerd op www.kirstenvos.nl, indisch4ever.weblog.nl en http://kivos.hyves.nl


Vogelaar: Indische Nederlanders en Molukkers anno 2007 voorbeeld van integratie

Stichting Pelita is een organisatie die al zestig jaar zich inzet voor de maatschappelijke zorg voor Indische Nederlanders en Molukkers. Tijdens mijn onderzoek naar de repatriëring kwam ik een breiactie tegen die deze stichting in januari 1951 georganiseerd had. “Het sociale probleem der gerepatrieerden stelt de overheid voor ontelbare moeilijkheden.” Daarom riep Pelita Nederlandse huisvrouwen op om warme kleding voor de honderdduizenden ontheemden te breien: “Zij beschikken bij aankomst in ons land in de meeste gevallen niet over kleding, welke op het Hollandse klimaat is berekend”.

Een opvallende verschijning: acceptatie of pragmatisme?
Op 24 november was ik samen met zo’n 5.000 anderen op Pelita’s 60e verjaardag in de Jaarbeurshallen te Utrecht. Een van de sprekers tijdens het middagsymposium was Ella Vogelaar, minister van Wonen, Wijken en Integratie. Vogelaar had een fleurig mantelpakje aan en zat op een gegeven moment zo op haar stoel dat, als mijn oma erbij was geweest, ze die pose had beschreven als Villa Inkijk. Deze extraverte minister was de boeiendste spreker, de anderen hadden helaas vooral politiekcorrecte presentaties die allemaal op elkaar leken.

Niet alleen om haar verschijning vond ik Vogelaars aanwezigheid opvallend. De minister van Wonen, Wijken en Integratie was op een bijeenkomst van Indische Nederlanders en Molukkers. Sinds wanneer beschouwt onze eerste generatie zichzelf als migranten? Dat de Nederlanders hen altijd zo hebben gezien is één ding, maar om dit toe te geven door Vogelaar uit te nodigen is een ander. Betekent dit dat er een verschuiving in opvattingen is ontstaan in de Indische gemeenschap, of begrijpen we tegenwoordig dat onze ouderen alleen hulp krijgen als we zeggen dat we geen échte Nederlanders zijn? Was Vogelaars aanwezigheid acceptatie of pragmatisme?

Geen Molukse probleemwijken, dat is een compliment.
De minister van WW&I had een hartelijke boodschap voor de aanwezige Indische Nederlanders en Molukkers. Ze waren goed geïntegreerd en inmiddels een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten: migranten moesten de ruimte krijgen om zichzelf te zijn én zich verbinden met de Nederlandse samenleving. Indische Nederlanders en Molukkers was dat gelukt en ondanks alle ellendige ervaringen kregen zij eindelijk erkenning: Indische Nederlanders hebben recht op een eigen identiteit, die bestaat uit beide culturen.

Een eerste bewijs voor de succesvolle integratie van onze ouders en grootouders waren de ‘juweeltjes in de literatuur’, ons eten en onze voetballers, een tweede het feit dat op de lijst van de 40 Krachtwijken (of pracht?) geen enkele voormalige Molukse wijk stond. ‘En dat is een compliment!’ Op dat moment hoorde ik twee typisch Indische dames achter mij commentaar geven: ‘Alleen Moluks, niet Indisch?’. Bovendien ging het de derde generatie beter af om in Nederland te wonen dan hun voorouders. Weer reageerden de twee dames: ‘Nee! Juist niet!’.

Vogelaar vond dat er weer ruimte moest komen voor de etnische achtergrond in ‘woonvoorkeuren’. Ze haalde het Indische Dorp in Almere (Rumah Senang) aan als voorbeeld: zij wilde voor dit soort initiatieven meer wijken en locaties beschikbaar stellen. Groepen moesten zelf huizen gaan bouwen en hiervoor financiële stimulans krijgen. De slotboodschap van Vogelaar kon rekenen op een instemmend ‘Ja, precies’ van de Indische dames: nieuwkomers moesten echt deel gaan uitmaken van de samenleving en niet alleen maar het gevoel krijgen getolereerd te worden.

Indische Nederlanders en Molukkers, voorbeeldmigranten?
Ondanks de hartelijkheid van haar boodschap hield ik dubbele gevoelens over aan het optreden van Vogelaar. Waaruit was gebleken dat Nederland de Indische gemeenschap erkend had? Door Het Gebaar? Waarschijnlijk dacht zij van wel, want ze kreeg die middag een exemplaar van het boek van die stichting uitgereikt dat de passende titel ‘Eindelijk erkenning?’ droeg. Alleen, als Vogelaar meer had afgeweten van de Indische en Molukse gemeenschap, had ze geweten dat Het Gebaar door weinigen gezien wordt als erkenning. Ik herinner me nog dat mijn oma niet blikte of bloosde toen ik het met haar had over de 3.000 gulden die zij zou krijgen. Als Indische leer je al vroeg dat een blik meer zegt dan 1000 woorden en mijn oma was te netjes om over de Nederlandse overheid te klagen, maar als ze er echt blij mee was geweest, zou ze toen niet zo verontwaardigd gekeken hebben. De erkenning waar Vogelaar het over heeft, zal de Indische gemeenschap volgens mij nooit van de overheid kunnen krijgen. Zij krijgen pas erkenning wanneer ze van zichzelf accepteren dat ze anders zijn, maar ook accepteren dat ze van elkaar verschillen en elkaar, ondanks die verschillen, nodig hebben voor erkenning.

Ten tweede. De Indische en Molukse gemeenschap zijn een voorbeeld geworden voor de overheid en nieuwe migranten voor hoe succesvol te integreren in Nederland. Begrijp me niet verkeerd, ik waardeer haar uitspraak om de intentie waarmee Vogelaar die deed. Ik heb alleen wat moeite met de inhoud ervan. Ruimte voor eigen identiteit? Welnee, assimileren moesten ze, anders was je een probleemgeval. Verbinden met de Nederlandse samenleving? Ja, door in contractpensions te zitten en te leren hoe je je huis schoon moest maken, terwijl je je vies voelde omdat je maar een keer per week mocht douchen. Kansen? Tja, je diploma’s uit Indië en Indonesië werden niet erkend, dus duizenden moesten zichzelf opnieuw bewijzen. Een compliment? Misschen voor hoe velen hun hoofd boven water wisten te houden zonder te bezwijken in het kleinburgerlijke Nederland ‘met kleine wetjes van fatsoen’, in de woorden van Tjalie Robinson.

Maar waar ik de meest gemengde gevoelens over heb is de kern: zijn Indische Nederlanders en Molukkers te vergelijken met huidige migranten, zoals Soedanezen, Irakezen en Marokkanen? Nee, nauwelijks, want de huidige ‘nieuwkomers’ hebben helemaal niets met de Nederlandse cultuur. Soedanezen zijn niet opgegroeid in een voormalige Nederlandse kolonie, Irakezen hebben geen Nederlands onderwijs gehad en Marokkanen werden niet in kampen gezet omdat ze Nederlands bloed hadden. Al die groepen kennen niet het gevoel van loyaliteit aan het Nederlands Koninghuis, zoals veel Indischen en Molukkers wel hebben.

Kan ik me de parallel dan helemaal niet voorstellen? Natuurlijk wel, en met mij vele andere Indische Nederlanders. Sterker nog, al tijdens de repatriëring maanden hoger geplaatste Indische Nederlanders Indo-Europeanen al om zich goed voor te bereiden op hun vertrek naar Nederland, een land dat zij niet kenden. Dus, ja, Indische Nederlanders waren migranten, maar van een geheel andere orde dan de huidige. Ik hoop dat Vogelaar zich dat realiseert, anders wordt het goede voorbeeld dat onze voorouders gesteld hebben onmogelijk goed te volgen.

Herdenken ja – maar wanneer?

Dit jaar ben ik voor het eerst bij de herdenking van de capitulatie van Japan geweest, op 15 augustus 1945. Die datum was de Tweede Wereldoorlog in Indonesië officieel afgelopen. De setting, de Waterpartij in Den Haag, was prachtig en het was indrukwekkend om het mee te maken. Ik vroeg me alleen af waarom ik er niet eerder was geweest, terwijl ik al mijn hele leven in Den Haag woon.

De spreker die mij het meest aansprak was Willem Nijholt. Temidden van veteranen, oorlogsslachtoffers en nabestaanden sprak hij over de verschrikkingen die hij en zijn familie hadden meegemaakt. Hij sprak uit dat hij de Jap nooit zou kunnen vergeven, al was het maar omdat het Japanse volk nog steeds niet om vergeving had gevraagd.

Op de fiets naar huis verbaasde ik me erover dat ik er nooit eerder bij was geweest. Ik woon in Den Haag, al bijna mijn hele leven. Ik ben Indisch, al mijn hele leven. Mijn grootouders, die de oorlog zelf hebben meegemaakt, woonden ook in Den Haag. Maar nooit nooit nooit ben ik met hen daar geweest. En opeens herinnerde ik me waarom.

Ik herinnerde me dat, toen mijn opa nog in leven was, ik hem wel eens gevraagd had waarom hij niet naar de herdenking ging. Hij vertelde me dat hij tot december ’45 in het kamp had gezeten en dat 15 augustus voor hem helemaal niet het einde van de oorlog was geweest. Daarom ging hij niet.

Al fietsende zette dat me aan het denken. De ellende in Indonesië hield niet op na de Tweede Wereldoorlog. Daarna begon namelijk de bersiap, de vrijheidsstrijd, waardoor veel geïnterneerden in de kampen moesten blijven. Voor hen werd het alleen maar erger. Waarom? Omdat de Jap, die hen drie jaar lang het leven tot een hel had gemaakt, na de ‘bevrijding’ opeens hun beschermheer werd en hun vertrouwde Indië hen niet langer welkom heette.

Ter vergelijking – moet je je voorstellen dat je (groot-)ouders na de Duitse capitulatie in Auschwitz hadden moeten blijven en bescherming hadden moeten krijgen van de Duitsers. Dat is een verschrikking. De mensen die je vreesde, werden je beschermheren. Het moet de wereld op zijn kop zijn geweest. En het moet een intens gevoel van onveiligheid hebben gegeven. Want als je martelende, afslachtende, wrede, verkrachtende bezetter opeens je beschermer werd, wat moest er dan in vredesnaam wel niet gebeuren aan de andere kant van de kampmuren?

Thuis aangekomen vroeg ik me af wanneer al die ellende dan wel over was. Wat was de dag waarop mijn opa – en vele andere Indische Nederlanders – zijn bevrijding vierde? Welke dag moet ik nou eigenlijk herdenken?

Ik zette het journaal aan en tot mijn verrassing zag ik mezelf op het NOS Journaal bloemen in het monument neerleggen. Het waren witte bloemetjes. Rood leek me niet gepast, oranje ook niet (gezien de afwezigheid van het Koningshuis een juiste keuze), maar wit, de kleur van reinheid, wedergeboorte, een nieuw begin, dat was de enige kleur die bij vandaag paste.

Een nieuw begin. Is dan het moment waarop mijn familie een nieuw begin kon maken de dag van hun bevrijding? Was dat hun aankomst in Nederland, in 1958, toen zij door Indonesië het land uitgezet waren? Ik weet het niet. Maar ik hoop het wel.

————————————————————————————–

Deze blog verscheen eerder op www.kirstenvos.nl