4.0 op komst (2)

echo baby Kirsten feb 2011

Liefde uit het hiernamaals

Net terug uit Berlijn, hadden we de koffers de portiektrap omhoog gezeuld. Bij de voordeur stampten we de sneeuwresten uit onze schoenen, toen ik giechelende kinderen hoorde juichen: “Ze zijn er, ze zijn er!” Verbaasd duwde ik de deur open.

In de gang liepen drie katten en drie kinderen, die mijn vriend M. niet zag. In dit huis was al eens eerder een kindergeest op bezoek geweest. Die had heel anders aangevoeld dan deze drie: deze kinderen voelden eigen, als familie. Wie waren dit? En waarom waren ze er opeens?

Ik was erg moe en alvast in bed in gaan liggen. Daar besloot ik, zolang M. nog in de woonkamer zat, contact met ze te maken. Twee van de drie kinderen hoorden duidelijk bij elkaar. Sterker nog, ze leken op mij en mijn broer. Het ene kind was een meisje en was erg beschermend naar het andere kind toe; een verlegen jongetje. Ik wist dat mijn moeder twee kinderen had gehad die nooit geboren waren. Zouden ze dit zijn?

Aan het meisje vroeg ik wie ze was. Ze boog voorover en fluisterde met kinderlijk enthousiasme iets in mijn oor. ‘Ik ben Suzie!’, meende ik te horen. Die naam kwam in mijn familie niet voor. ‘En hoe heet hij?’ Het leek alsof ze zei dat het jongetje naast haar Paul heette. Onmiddellijk wees ik dat af. Die naam was zo voor de hand liggend, dat moest ik wel zelf verzonnen hebben; in mijn moeders familie kwam die naam erg veel voor. Ik had het vast allemaal verkeerd verstaan. Verwonderd keek ‘Suzie’ me aan.

Het derde kind, een meisje, leek niet op het broertje en zusje. Ze was groter, had een andere huidskleur, stond wat verder bij me vandaan en was lang niet zo vrolijk als het andere meisje. Diep van binnen wist ik wie ze was. Zeven jaar eerder was ik in verwachting geweest, heel kort. De relatie waar zij het product van was, was niet stabiel genoeg geweest om een basis te vormen voor een kind. Dus erg dat die zwangerschap zich niet ontwikkeld had, heb ik dat nooit gevonden.

‘Ben je mijn dochter?’ Het meisje knikte. Eindelijk. Ik had al eerder gehoopt contact met haar te krijgen. ‘Waarom ben jij nu hier?’ Daar hoorde ik niet direct een antwoord op. Wel hoorde ik haar zeggen: ‘Mama, je weet toch dat ik weggegaan ben omdat het tussen jou en papa niet klopte?’ Dat wist ik. Ik vertelde haar dat ik daar vrede mee had. Blijkbaar was ze naar me toegekomen om dat te vertellen: in tegenstelling tot de andere twee kinderen, nam ze afscheid van me. Haar zou ik nooit meer zien. De andere twee wel: ze vonden het gezellig en bleven, alsof ze ergens op wachtten.

Een paar dagen later waren ook mijn – levende – broer en zus bij ons. Zonder iets te zeggen over de namen, vertelde ik dit verhaal, wees aan waar de twee op dat moment zaten en vroeg ze of ze onze ongeboren broertje en zusje konden zijn. Mijn zus reageerde en zei: ‘Mama heeft me wel eens verteld dat ze het jongetje de naam Paul zou hebben gegeven. Het andere kind heeft ze nooit een naam gegeven.’ Opeens realiseerde ik me wat het meisje me die avond toegefluisterd had: ‘Ik ben je zusje!’

4.0 op komst (1)

zwangerschapstest (c) Kirsten Vos/ Indisch3.0 2011

‘Kirsten, je krijgt een kind. Een KIND!’

Als alles goed blijft gaan, word ik rond 15 september mama van een 4.0-etje. Het is mijn eerste, maar als ik iets nu al weet, is dat deze doerak gek is op Indisch eten. Dat het zich beschermd weet door liefhebbende familieleden, levend en otherwise. En dat de zwangerschapshormonen zich in elke vezel van mijn lijf genesteld hebben. In dit eerste deel: De Ontdekking.

Die tweede dinsdag in januari lagen de stukken ter voorbereiding op een gesprek de volgende dag, over investeringen in Indisch3.0, uitgespreid over mijn bureau. Tegelijkertijd hoorde ik ergens een zeurend stemmetje herhaaldelijk tegen me zeggen : ‘Kirsten, ga een zwangerschapstest doen. Twee, als je je daar beter bij voelt. Maar doe het vandaag nog.’ Ik probeerde het een tijdje te negeren, door stug door te typen aan mijn ondernemingsplan. Maar er kwam geen letter meer uit het toetsenbord.

Thuis aangekomen van de drogist, besloot ik de tests meteen te doen. Het was het eind van de middag, mijn vriend zou elk moment thuiskomen, ik kon het maar beter voor die tijd weten. Dan kon ik tegen mezelf zeggen dat ik het allemaal in mijn hoofd gehaald had én hoefde ik het hoofd van mijn vriend niet op hol te brengen.

De Predictor en Kruidvat-test waren het daar niet mee eens. Binnen een minuut lieten ze allebei dat symbooltje zien dat ik nog niet eerder zien verschijnen op een zwangerschapstest: positief.

Daar zat ik dan, op de rand van het bad, starend naar die twee tests waarvan zowel het plusje als het verticale streepje me bijna triomfantelijk leken aan te kijken. Elke paar minuten controleerde ik de display – ze bleven onveranderd. Mijn hart klopte in mijn keel: ik was in verwachting. In verwachting! Nog los van wat ik er zelf van vond, flitste het door mijn hoofd – ‘Hoe vertel ik dít nou weer aan M.? Die komt zo uit zijn werk en heeft geen idee van wat ie zo direct te horen krijgt.’ Het was namelijk niet bepaald een ‘geplande’ zwangerschap.

De tijd tikte door, terwijl ik me het ene moment afvroeg hoe ik dit nieuws aan mijn vriend zou vertellen en het andere moment probeerde het nieuws tot mezelf te laten doordringen: ‘Je krijgt een kind. Een KIND!’ Voor ik er erg in had, hoorde ik de sleutel in het slot: daar was M.

Ik sleurde hem nog net niet het huis in. ‘Ik heb je wat te vertellen, maar doe eerst je jas uit en ga zitten. O, je hebt wijn gekocht, heel goed. Nee? Niet zitten? Okee. Nou. Eh. Ja. Nou. Als eh alles goed gaat, krijgen we dit jaar een kindje. Dus het is goed dat je wijn gekocht hebt. Alleen niet meer voor mij, helaas. Welkom thuis.’

De volgende twintig minuten – of drie, of veertig, ik zou het niet meer weten – pingpongden de ‘ja, ik wil het, jij?’, ‘we krijgen een kindje’ en ‘hoe is het mogelijk’s door de keuken. De rest van de avond hebben we in een roes doorgebracht.

Nog dezelfde avond heb ik mijn zakenrelaties laten weten dat ik de afspraak de volgende dag niet zou redden, onder het mom van de griep. Ik kon daar niet met droge ogen zeggen dat ik wel even een paar ton omzet zou gaan draaien met Indisch3.0, als ik nog niet eens wist hoe ik me volgende maand zou voelen, laat staan na de bevalling. En zo kwam het business plan onderop de stapel te liggen – en de zwangerschap bovenop.

Ode aan de Indische moeder

Foto: Kirsten Vos

Ode aan de Indische moeder

Westerse wortelen genesteld in Oosters aarde, de receptuur voor onze bloem
De vruchten fluisteren haar komst, Indische generaties vloeien door de tijd
Het vergaan van een era vergezelt de geboorte van onze moeders
Indië voorbij, de laatsten der melati’s dragen het lot van ons volk

Haar ogen zijn haar taal, alleen wij kinderen voelen haar woord
Haar opvoeding is teder, zelfs haar boosheid bestaat uit liefde
Haar boodschap is los van tijd en plaats, haar zorg voor ons is eeuwig
Haar erfenis leeft van binnen, er ontwaakt een geheim in ons bloed

Mama’s leven is bewogen, maar Mama draagt het met kracht en trots
Mama houdt van hem, maar Mama’s kinderen staan vooraan
Mama weet het altijd als beste, maar Mama’s liefde is onvoorwaardelijk
Mama is de bakermat van ons bestaan, want zonder haar waren wij eindig

Mama is lief .

Zoenen op de Tong-Tong Fair

Indische zoenen zijn anders dan Hollandse. Indische mensen raken de wang van hun ‘slachtoffer’ niet of nauwelijks aan, Hollanders planten drie klapzoenen midden op je wang. Zelf zweef ik daar een beetje tussen in, zoals wel vaker het geval is.

Lang tong
Ik moest erg lachen toen ik bij de laatste Indisch3.0 vergadering hoorde over een jonge Indo die dacht dat ‘Tong Tong Fair’ iets met zoenen te maken had. Ik zag meteen innig verstrengelde bezoekers voor me op rotan bankjes bij de ingang. De anekdote deed me nadenken over het verschil tussen de Indische en Hollandse manier van zoenen. Dan heb ik het dus niet over de ‘lang tong’ variant, maar het gewone alledaagse zoenen ter begroeting of bij het afscheid nemen. De een- twee of drievoudige wangkus dus.

Begroetingsrituelen blijven cultureel bepaald.

Neus

Mijn ervaring met begroetingen van Indische ooms en tantes is dat ze gepaard gaan met veel opgewonden gebabbel en zoenen in de lucht of half schampend langs de wang. Belangrijk hierbij is dat door de neus wordt ingeademd. De geur van iemand die je zoent is heel belangrijk. Tijdens het Indische begroetingsritueel wordt even aan elkaar ‘gesnuffeld’. Het is niet zo als bij de Eskimo’s, die ‘neuzen’ in plaats van zoenen, maar de neus is wel een belangrijk onderdeel van het ritueel.

Derde zoen
In Nederland steekt van tijd tot tijd het verzet tegen de derde zoen de kop op. Waarom geven wij DRIE zoenen bij een begroeting of afscheid? Links, rechts, links, ook als je mensen maar oppervlakkig kent? Je bent op die manier wel even bezig op een verjaardag. Zoen je dan iedereen, en iedereen drie keer? Veel mensen vinden het maar een klef gedoe, drie kussen op hun wang, en trekken hun hoofd al na twee zoenen terug. Met alle genante situaties van dien.

Drieklapper
Schrijver en taalvirtuoos Jan Kuitenbrouwer heeft een eenvoudige oplossing bedacht voor het zoendilemma. De trekproef. Bij twijfel over een kus trek je de oom, tante of vage kennis een beetje naar je toe. Stuit je op verzet, dan kun je alsnog een hand uitsteken. Maar als de ander meegeeft, dan mag er gezoend worden: tijd voor de Brabantse drieklapper. Of voor de Indische schijnkus, want het gaat immers om het gebaar?

Blauwe billen

Spekkoek met muisjesBegin vorige maand werd mijn zoon Reza geboren. Hij brengt de meeste tijd slapend door. De wereld is hem nog volstrekt onbekend. Ook van zijn Indische achtergrond heeft hij nog geen idee. Hij heeft geen weet van de -soms ingewikkelde- geschiedverhalen en eindeloze discussies (al dan niet op deze blog) over wel of niet Indisch zijn. Gelukkig maar. Wat maakt het hem ook uit. Hem interesseert voorlopig alleen melk drinken en slapen. Van beiden het liefst heel veel. Als zijn vader vraag ik me wel af wat zijn Indische wortels zullen gaan betekenen.

Een paar minuten nadat hij geboren was, was ik daar eigenlijk al mee bezig. Gek, maar het ging vanzelf. De arts legde hem in z’n blootje op zijn buik op een kussentje. Klaar om wat testjes met hem te doen. Wacht even, zag ik het nu goed? Zorgvuldig inspecteerde ik zijn rug en billen. Wat mijn Indische oma een-en-dertig jaar geleden bij mij deed (en jaren eerder ook bij mijn broers, neefjes en nichtjes), stond ik nu met hem te doen. De arts liet me mijn gang gaan. Die Apgar-test kan ook wel even wachten. Spotlight er op. Ja hoor, zonder twijfel: blauwe billen!

“Kijk hij heeft blauwe vlekken”, zei ik tenslotte trots tegen de arts, die hem vervolgens achterover liet vallen en liet trappelen boven het kussen. Goede reflexen: Apgar-score 10. Een 10 of niet, mijn Indische oma zou al gerustgesteld zijn geweest; net als mijn broers en ik heeft Reza bij zijn geboorte blauwe vlekken op zijn huid. Volgens haar was dat het teken dat we ‘echte’ indootjes waren. Mooi, dat is dan gelijk duidelijk.

In artsen taal heten het mongolenvlekken. Meestal, zoals ook bij hem, zit het op de rug, net boven het stuitje een klein vlekje, en vaak ook op de billen. Ook de kraamzorg wist me dat later thuis te vertellen. Terwijl ze voordeed hoe ik een poepluier het best te lijf kon gaan zag ze de vlekken. Volgens haar hebben donkere kindjes, vooral uit Azië, meestal een aantal van die vlekken. Het duidt erop dat de huid later donkerder wordt, de vlekken zelf trekken na verloop van tijd weg. Ik glimlachte, maar misschien kwam dat ook wel door de halve liter satésaus in zijn broek.

Wat onze familie-overlevering betreft, is hij dus onmiskenbaar een indo bij geboorte, maar wat krijgt hij nog mee van de Indische cultuur? Wat geef ik hem zelf mee? Hij heeft een Indische opa, verder alleen Hollandse grootouders, een Hollandse moeder en een vader die behoort tot de “volledig geïntegreerde derde generatie Indische Nederlanders” of, zo je wilt, Nederlanders met Indische achtergrond. Voor deze “vierde generatie” staat dat Indische dus zelfs nog meer op de achtergrond.

Tegen de tijd dat het hem wel interesseert zal ik hem in ieder geval vertellen over de geschiedenis en over wat ikzelf door mijn grootouders uit de eerste hand meekreeg. Ook zal ik hem laten proeven van de Indische cultuur zoals die hier in Nederland nog altijd, in allerlei verschijningen, te vinden is. En we nemen hem natuurlijk mee naar Indonesië, waar we een tijdje willen gaan wonen. Uiteindelijk moet hij dan zelf maar beoordelen wat die Indische achtergrond precies voor hem betekent. Als hij straks maar geen weblog gaat beginnen genaamd Indisch 4.0 ofzo.

Verstikkende geheimen

openboek2Het stikt van de geheimen in Indische families. Verloren gewaande halfzussen, halfbroers, niet erkende moeders, tantes, broers of zussen. Uit angst of schaamte wordt vaak hardnekkig gezwegen over de ware toedracht van ‘hoe het zit’ met de Indische familiestamboom. Met alle pijnlijke gevolgen van dien voor de achterblijvers.

Een vriendin verzuchtte laatst dat de Indische kant van haar familie haast wel een abonnement op Spoorloos lijkt te hebben. Niet alleen haar vader is verschillende malen te gast geweest in het televisieprogramma, op zoek naar zijn vader, maar ook haar oom en een nichtje zijn op tv op zoek naar hun achtergrond. Helaas zijn de familiegeheimen zo goed onder het tapijt gemoffeld dat ze waarschijnlijk nooit meer boven komen drijven. De cultuur van geheimen zit er goed in bij Indische families, nog altijd is zwijgen de norm als het gaat om gevoelig liggende familieperikelen.

De njai

Het zwijgen over afkomst kent een lange traditie in de voormalige kolonie. Tot de 19e eeuw woonden er altijd meer Europese mannen dan Europese vrouwen in Nederlands-Indië, zo lees ik in ‘De njai – het concubinaat in Nederland’ uit 2008 van Reggie Baay. Veel planters, soldaten of ambtenaren gingen daarom samenleven met een Indonesische, Chinese of Japanse njai. Die vrouwen waren niet alleen huishoudster van de koloniaal, maar deelden ook zijn bed en waren niet zelden moeder van zijn kinderen. Iedereen wist destijds wat het betekende als men van een Europeaan zei: ‘Hij leeft met zijn inlandse huishoudster’. Maar openlijk praten hierover, dat gebeurde niet.

Aan het hek

In de periode 1945-1949 zijn ontelbare Indonesische meisjes en vrouwen – vaak onbedoeld – zwanger achtergelaten door Nederlandse soldaten die gelegerd waren in Indonesië. De kinderen die daaruit voortkwamen waren ‘onwettig’ en wachtte een kindertijd in het weeshuis, of ze groeiden bij hun moeder in de kampong op. Daar werden ze altijd aangekeken op het feit dat hun moeder iets ‘fout’ had gedaan. Andere kinderen van gemengde afkomst werden wel erkend door hun Nederlandse vader, en groeiden op bij hem en zijn blanke echtgenote. In dat geval was praten over de Indonesische moeder taboe en werd er gezwegen over de afkomst. Als er soms al een Javaanse vrouw aan het hek kwam om een glimp van haar zoon of dochter op te vangen, werd ze weggestuurd.

Slagveld

Tot op de dag van vandaag duurt de zoektocht van de nazaten naar al die verborgen geschiedenissen voort. Op oorlogsliefdekind.nl kunnen zoekenden terecht die hun familiegeheimen proberen te ontsluieren die ontstaan zijn na de Tweede Wereldoorlog. De verhalen ontroeren mij en ik heb diep respect voor deze speurneuzen die niet bang zijn voor wat ze misschien tegenkomen. Voor hen is de waarheid belangrijk, omdat die kan bijdragen aan het accepteren van de loop van de geschiedenis. Mijn oproep is: weg met die verstikkende familiegeheimen die veel levens in hun greep houden. Vertel elkaar wat je weet over vroeger en deel je verhalen over afkomst en oorsprong, ook al zijn die nog zo pijnlijk. Voordat het te laat is.

Tip: Lees het levensverhaal van Jan Dennie en bekijk het filmpje waarin hij vertelt hoe verwoestend het is als niemand zich uitspreekt over je afkomst.

Indisch bestaat (straks niet meer)

Amsterdam, 12 maart 2008
door Ed Caffin

Sommige Indische mensen, en ook anderen overigens, denken dat de Indische cultuur en identiteit ophoudt te bestaan. Ik denk het niet. Sommigen vinden dat je de oorlog meegemaakt moet hebben om Indisch te kunnen zijn. Dat vind ik niet. Anderen houden vast aan nostalgie en voelen heimwee naar het Indië van toen. Soms moeten ze niets hebben van het huidige Indonesië of zijn daar nooit geweest. Ik vind nostalgie een heerlijk gevoel, en op mijn manier voel ik dat ook als ik de oude foto’s bekijk van mijn grootouders. Maar ik vind Indonesië fantastisch, sterker nog, ik ga er vaak heen. Daarna heb ik een tijdje heimwee.

Uiteindelijk vind ik de vraag of de Indische cultuur en identiteit blijft bestaan niet relevant. De vraag moet volgens mij anders worden gesteld: “blijft de Indische cultuur en identiteit in zijn huidige vorm bestaan?” Het antwoord is voor mij simpel: “Nee”. Als de huidige vorm inderdaad betekent: nostalgie, heimwee naar Indië en trauma over het geleden oorlogsleed dan is dat binnen een jaar of twintig wel zo’n beetje voorbij. Maar het traditionele Indisch zijn wordt de laatste jaren omgevormd tot iets anders. Oftewel, de Indische identiteit en cultuur leeft voort in de generatie Indo’s die nog weten hoe het bij hun grootouders thuis was en die opgroeiden in een ‘goed aangepast’ en ‘bijna Nederlands’ gezin, met over het algemeen (een) zwijgzame ouder(s) als het het Indisch zijn betreft. Zoals ik. En die generatie herformuleert het Indisch zijn de laatste jaren in iets anders en uiteindelijk in iets nieuws.

“Hoeveel procent Indisch ben jij?” Ik zeg dan altijd : “50%. Vader is Indisch, moeder Nederlands”. Halfbloed? “Nee, dubbelbloed dus”. Maar ik zou net zo goed 75% of 25% kunnen zeggen , want zit het Indische wel in je genen? Je ziet het in ieder geval niet meteen aan me. Aan mijn vader zie je het wel. In een Indische toko is hij door zijn uiterlijk en zijn stille karakter al snel een met het omgeving, maar ik maak weer veel eerder een praatje met de vrouw achter de balie. Niet in het Maleis dan, maar in Bahasa Indonesia. Geleerd op reis en uit boekjes. Ik kan wel goed djonkok zitten trouwens. Vinden ze heel normaal in Indonesië. In Nederland ken ik bijna niemand die dat ook kan.

Hoe zit het met die veranderende Indische identiteit dan precies? Er zijn Indo’s die zich helemaal niet Indisch voelen en zich er ook niet voor interesseren. Voor mij geldt dat ik me na mijn eerste reis naar Indonesië ben ik me een stuk meer Indisch ben gaan voelen. Er was herkenning en ik ging me meer verdiepen in de Indische geschiedenis door zelf dingen uit te zoeken en te lezen. Ironisch eigenlijk. Terwijl het mijn vaders generatie werd afgeleerd heb ik me het Indische weer op eigen houtje aangeleerd. Tenminste dan, op mijn manier. Op zijn slechtst een manifestatie van reisromantiek in mijn Indische geworteldheid. Op zijn best een manifestatie van mijn Indisch zijn in het herkennen van de oude verhalen in de sfeer van Indonesië. En de grote nieuwsgierigheid.

Soms denk ik; ik ben eigenlijk Indischer dan mijn vader. Hij spreekt nauwelijks meer een woord Maleis en weet nog van lang geleden hoe het was een kind van de tropen te zijn. Stiekem denk ik dat hij er nooit aan kon wennen; altijd sokken aan in bed. Ik trouwens sinds een tijdje ook. Voor mij zijn de tropen al een beetje een warm thuis geworden, en is thuis soms maar vreemd en koud. Ik denk dat ik eigenlijk ook Indischer ben dan mijn broers, terwijl ze er net zo veel (of zo weinig) van hebben meegekregen als ik. Ik ben geinteresseerder en ga veel naar Indonesië – en dan ook het liefst zo lang mogelijk.

Voor veel ‘derde generatie’ Indo’s betekent Indisch zijn weer heel iets anders. Sommigen gaan naar zogenaamde Indo’s party’s of verzamelen zich in clubs op internet. Samen met andere Indo’s feesten. Do’s en dont’s uitwisselen voor echte Indo’s. Dat doe ik niet. Sommigen vinden dat je niet met de Indonesische vlag mag lopen omdat “het een symbool is van het regime dat onze voorvaderen op de boot zette naar Nederland”. Dat vind ik niet. Anderen verdiepen zich in de Indische geschiedenis en gaan graag op vakantie naar het huidige Indonesië.

Hoe het Indisch zijn ook tot uitdrukking komt, het leeft bij een steeds actiever en meer bewust wordend deel van de grotendeels volwassen geworden derde generatie. Misschien gaat het op den duur wel bij hen meer leven dan bij de tweede generatie. Maar hoe dan ook zal de toekomst van de Indische identiteit uiteindelijk in andere dingen gaan zitten dan in hoe het ooit was in tempo doeloe of in het moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Dat hoeft niet meer.

Als ik naar me zelf kijk hoop ik dat het de richting in zal gaan van een levendige, moderne en open identiteit, zonder wrok, verdriet en al te veel nostalgie. En waarin interesse voor en kennis van de Indische geschiedenis samengaat met fascinatie en liefde voor Indonesië. Omdat daar, hoe je het ook bekijkt, zoveel verbondenheid mee is. Ik zie dus een identiteit voor me met een dubbelde geworteldheid : een deel in het Westen en een deel in Indonesië. Immers, was dat gegeven ook niet precies wat een Indo een Indo maakt?