Koloniale geschiedenis: Nederlands-Indië

Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu/media/_600/31_Standbeeld_Multatuli.jpg

Opkomst van de Indo in de koloniale tijd (1596 – 1942)

Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu/media/_600/31_Standbeeld_Multatuli.jpg
Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu

Toen de Portugezen in de 16e eeuw Indië aan de VOC verloren, was de Archipel een versnipperd eilandenrijk. Drie eeuwen later leidde de Nederlandse ethische politiek tot een zelfbewust Indonesië, dat koloniale heerser Nederland verjoeg. Deel 1 van een tweeluik waarin we inzoomen op de koloniale geschiedenis van Nederland in voormalig Nederlands-Indië.

Wellicht ten overvloede: deze – maatschappelijk georiënteerde – bloemlezing van onze koloniale geschiedenis, is langer dan onze andere posts. A.s. vrijdag sluiten we deze historische terugblik af, met aandacht voor de Japanse bezetting tot en met de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Wil jij iets toevoegen aan dit overzicht? Reageer, zodat we samen met jullie een dossier kunnen samenstellen over de koloniale tijd.

Eerste Nederlanders in Indië: de VOC
De VOC (1602-1799) was een handelscompagnie en had als doel zoveel mogelijk geld te verdienen met de internationale handel in specerijen en andere exotische artikelen. Haar dominantie in Indië duurde twee eeuwen en begon in 1596 in Bantam (Java). Via Batavia en op Ambon (Molukken) breidde deze compagnie haar handelsimperium in Indië uit naar de hele archipel, met strategisch gelegen handelsposten op onder meer Java, Sumatra, de Molukken, Celebes (Sulawesi) en de Banda-eilanden. In 1795 ging de VOC failliet en in 1799 vervielen haar bezittingen aan de Republiek der Nederlanden – inclusief Nederlands-Indië.

Ontstaan van de Indo
De VOC-mannen zochten al snel het ‘gezelschap’ van lokale vrouwen op. Zo ontstond een nieuwe bevolkingsgroep: de Indo-Europeanen (in de VOC-tijd mestiezen of sinjo’s genoemd). Officieel was leven met concubines niet toegestaan, in 1620 werd dat bij wet zelfs verboden. Daarom liet de VOC vrouwen overkomen uit Nederland, zonder succes: de overkomst kostte de VOC veel geld, de vrouwen waren slecht bestand tegen de tropen en zij wilden vooral snel met hun echtgenoot repatriëren. In 1630 veranderde de wetgeving, waardoor trouwen met lokale vrouwen de voorkeur kreeg. Die vrouwen wilden tenminste in ‘de oost’ blijven, kinderen uit zulke huwelijken waren beter bestand tegen een leven in Indië en een huwelijk met een lokale vrouw kostte de compagnie niets. Een vrouw laten overkomen uit Holland was voorbehouden aan hoger geplaatst VOC-personeel. Terugkeren met een lokale vrouw naar Holland was verboden.

Lokale vrouwen waren beter bestand tegen leven in de kolonie.

Frans en Brits bestuur
Nederland kreeg Indië in 1799 in handen, maar toch zou het pas in 1824 de kolonie zelfstandig gaan besturen. Nederland was sinds 1795 onder Frans bestuur gekomen. In eerste instantie had de Bataafs-Franse republiek vrij veel zelfstandigheid, maar in 1810 werd de republiek ingelijfd door Frankrijk. In diezelfde periode verloor Nederland Indië aan Engeland: sir Stamford Raffles werd er in 1811 gouverneur-generaal. Pas in 1824 kreeg Nederland haar kolonie volledig in bezit.

Invoering Cultuurstelsel
Na het Britse bestuur, kreeg zelfstandige natie de Republiek der Nederlanden de Indische archipel in handen. Hoe ging zij geld verdienen aan die kolonie? In Indië hield de Republiek de bestuursvorm in stand die de VOC had ingevoerd: een gouvernement, geleid door een gouverneur-generaal (GG).  Gouverneur-generaal Jeroen van den Bosch, die in Indië diverse GG’s geassisteerd had, had een antwoord: de invoering van het – later door Multatuli beklaagde – Cultuurstelsel. Tot die tijd gold het landrentestelsel: lokale boeren waren verplicht 2/5e van hun oogst aan hun koloniale heerser af te staan. Onder het Cultuurstelsel werden zij verplicht 20% van hun grond te gebruiken voor producten voor Nederland. In de praktijk was dit onder dwang vaak meer dan 20% of de beste grond die een boer had. Verder kregen lokale vorsten meer geld als hun gebied Nederland meer opbracht. Het stelsel had uitbuiting en hongersnoden tot gevolg.

Wet op het nederlanderschap van 1892. Afbeelding: http://www.vijfeeuwenmigratie.nl
Wet op het nederlanderschap van 1892. Afbeelding: http://www.vijfeeuwenmigratie.nl

Nieuwe toestroom van Hollanders
Onder het Cultuurstelsel was exploitatie van de kolonie voorbehouden aan de Nederlandse staat, tot woede van veel Nederlandse ondernemers. Zij wilden ook geld kunnen verdienen aan de kolonie. Met de invoering van twee nieuwe wetten (de Agrarische wet en de Suikerwet in 1870) werd particuliere exploitatie van de kolonie mogelijk en zou er tevens een einde komen aan de uitbuiting door lokale vorsten. Deze openstelling van de kolonie leidde tot een toestroom van ondernemende Hollanders en andere Europeanen. Dit keer waren het veelal vrijgezelle mannen of getrouwde stellen die al dan niet met hun gezin naar Indië verhuisden: een heel ander volk dan de militairen en zeemannen die in de VOC-tijd naar Indië kwamen.

Koloniale bevolking
De koloniale bevolking van Indië bestond inmiddels uit gouvernementsambtenaren, particuliere plantagehouders en militairen. De oorspronkelijke inwoners van de archipel hadden hun eigen vorstendommen, werkten op het land of als bediende voor de koloniale bevolking. Nog steeds werden er Indo-Europese kinderen geboren, vaak uit de heimelijke ‘ontmoetingen’ tussen een Europeaan en een lokale vrouw. De Indo-Europeanen die niet door hun Europese vaders teruggestuurd waren naar de kampong, groeiden in de koloniale domeinen op als tussengroep. Als zij geluk hadden, waren zij erkend door hun vader en hadden zij de status van “gelijkgesteld aan een Europeaan.”

Als zij geluk hadden, waren zij erkend door hun vader.

De ‘gelijkstelling’ van de Indo-Europeanen in 1854
In 1854 zorgde de gelijkstelling ervoor dat de samenleving volgens een hiërarchisch model ingedeeld werd, dat een keerpunt betekende voor de Indo-Europeanen. De samenleving werd hiërarchisch ingedeeld in (1) Europeanen, (2) Vreemde Oosterlingen en (3) Inlanders. Elke groep had eigen juridische rechten en plichten. Het belang van deze indeling was dat Indo-Europeanen een juridisch gelijkwaardige positie kregen aan volbloed Europeanen: totoks. In 1892 werd hun positie bevestigd in de Wet op het Nederlanderschap. Dit gold overigens alleen voor Indo’s die erkend waren door hun Europese vader: was hij niet erkend, dan kreeg hij de status van Inlander.

Voorkeurspositie
De ‘gelijkgestelde’ Indo-Europeanen hadden een voorkeur voor werk als “klerk” om te onderstrepen dat zij een status met meer rechten dan de oorspronkelijke bevolking. Denk daarbij aan banen als ambtenaar en administrateur op een plantage. Andere banen voor Indo’s waren onderwijzer en militair (waarbij iemand natuurlijk liever een officier was dan een soldaat). In eerste instantie gaf de volbloed Europese elite (de totoks) deze groep ook een voorkeurspositie als het ging om de invulling van dergelijke posities. Totdat de ethische politiek ingevoerd werd.

Ethische politiek: de inheemse bevolking verheffen en beschermen

Een Ereschuld: invoering ethische politiek
Rond de eeuwwisseling deed de ethische politiek (ook wel voogdijpolitiek) zijn intrede in Nederlands-Indië, mede ingegeven door Multatuli’s Max Havelaar. In 1901 kondigde koningin Wilhelmina aan dat Nederland een Ereschuld had en ‘als Christelijke Mogendheid’ de taak had de lokale inwoners te ‘verheffen’ en haar te beschermen tegen willekeur van de inheemse adel. De ethische politiek had als gevolg dat de inheemse bevolking goed onderwijs kon volgen en op den duur aanspraak maakte op de lagere ambtelijke banen, tegen een eerlijk loon (het unificatiebeginsel). Tevens was het voornemen van de Nederlandse regering om van Nederlands-Indië een moderne staat te maken, onder leiding van Nederland.

Achtergestelde Indo-Europeanen
De door de ethische politiek verleende voorrang aan de inheemse bevolking betekende dat Indo-Europeanen hun banen verloren. Zij moesten aanzien hoe zij, ondanks hun Europese status, opeens gelijkgesteld werden aan de lokale bevolking: zij kwamen door het eerder genoemde unificatiebeginsel op hetzelfde loonpeil als de ‘inheemse’ klerk. Staffuncties waren niet toegankelijk voor Indo-Europeanen, – hiervoor was een universitaire opleiding vereist. Alleen totoks en, door de ethische politiek, leden van de inheemse bevolking konden die volgen. Door deze ‘indianisatie’ en sociale achterstelling door de totoks voelen Indo-Europeanen zich tussen 1900 en 1920 bedreigd in hun bestaan.

Vlnr: Sjahrir, Soekarno en Hatta. Foto: politik.kompasiana.com
Van links naar rechts: Sjahrir, Soekarno en Hatta. Foto: politik.kompasiana.com

Hoog opgeleid, maar geen macht
Onderdeel van de ethische politiek was de associatiegedachte: de inheemse bevolking zou Westerse normen en waarden leren, zodat op termijn een ‘multiraciale bevolkingsgroep zou ontstaan die Indië zou gaan besturen.’ Daarom mochten enkele volbloed Indonesiërs een universitaire opleiding volgen in Nederland, onder wie de latere nationalisten Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir. Een derde naam die in deze alinea niet mag ontbreken, is die van Soekarno (die geen voornaam had). Hij kreeg toegang tot de Hogeschool van Bandung, waar hij opgeleid werd tot ingenieur. Zo ontstond er een ‘inheemse’ hoogopgeleide elite, die het westerse gedachtegoed beheerste, maar in Indië op bestuurlijk niveau niets wezenlijks mocht uitvoeren.

Telkens veranderende wetgeving voor Indo-Europeanen

Inheems verzet tegen de elites
Alle hoge posities bleven voorbehouden aan Nederlanders, aangezien op deze posities de Nederlandse staat vertegenwoordigd werd. Daarmee had de associatiegedachte de grondslag gelegd voor de nationaliseringbeweging. De moderne inheemse elite ontwikkelde een weerzin tegen de koloniale overheersing, waardoor de onderlinge saamhorigheid toenam. Versterkt door de opkomst van de islam, voelden Javanen zich niet langer alleen Javanen. Steeds meer voelden zij zich Indonesiër. Deze nationalisten gingen zich tevens afzetten tegen de traditionele eigen elite, die minder verlichte denkbeelden had en uit eigen belang samenwerkte met de Nederlanders.

Dominique Berretty. "Mediatycoon" in Indie. Foto: http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn6/berretty
Dominique Berretty. Selfmade “Mediatycoon” in Indie. Foto: http://www.historici.nl

Indo-Europeanen verenigden zich
Als reactie op deze ontwikkelingen, ontstond behoefte aan een belangenbehartigende organisatie voor Indo-Europeanen: het Indo-Europees Verbond (IEV). Het IEV was de eerste organisatie waarin Indo-Europeanen zich met succes verenigden. In tegenstelling tot eerdere initiatieven, wist het verbond de meerderheid van de Indo-Europese gemeenschap (van elite tot klerk) aan zich te binden; zij namen geen beginselprogramma op. Totoks reageerden geïrriteerd: zij zagen het IEV als blijk van jaloezie van Indo-Europeanen – maatschappelijk succes hing niet af van huidskleur, maar van de eigen inzet. Uit de koloniale sociale geschiedenis valt op te maken dat dit waar was, maar waar de totoks aan voorbij gingen, was dat Indo-Europeanen telkens weer te maken kregen met continu veranderende wetgeving. Iets dat exemplarisch zou zijn voor de mate waarin deze ‘tussengroep’ afhankelijk was – en is – van de politieke wind in Den Haag.

Hyper Nederlandse Indo-Europeanen
In de jaren ’20 voelden Indo-Europeanen zich geroepen om zich te onderscheiden van de inheemse bevolking. Ze gingen zich hyper-Nederlands gedragen en de Nederlandse overheid stimuleerde deze Nederlandsgezindheid: een sterke steun voor Nederland bij de Indo-Europeanen versterkte het koloniale gezag. Het echte Indische leven bleef, maar verhuisde naar binnen. Ondanks de maatregelen van de Nederlandse regering om het Indonesische nationalisme in te dammen, was het niet weg te krijgen uit Nederlands-Indië.

Pleidooi voor Nederlands-Indië als zelfstandig onderdeel Koninkrijk

Het einde van de kolonie
In de crisisjaren van 1930 nam de roep om zelfstandigheid toe, variërend van zelfstandig binnen het Koninkrijk der Nederland tot volledige onafhankelijkheid. Soekarno, Hatta en Sjahrir kregen steeds meer steun van de lager geplaatste autochtone bevolking. In 1936 diende een vertegenwoordiger van de inheemse bevolking, Soetardjo, in de Volksraad een petitie in. Daarin verzocht hij – tevergeefs – de Nederlandse regering om Nederlands-Indië een zelfstandige plek in het Koninkrijk te geven.  Aan de vooravond de Tweede Wereldoorlog was de spanning in Nederlands-Indië hoog opgelopen. Meer daarover lees je op 17 augustus a.s.

Heb jij aanvullingen op deze bloemlezing van de Nederlandse koloniale bezetting tot 1942? Laat je horen en reageer. 


Geraadpleegde bronnen

  • www.voc-kenniscentrum.nl
  • www.parlement.com
  • Wikipedia
  • www.vijfeeuwenmigratie.nl
  • H. van den Doel Afscheid van Indië. De val van het Nederlandse imperium in Azië (Amsterdam 2001).
  • H. Meijer In Indië geworteld. De twintigste eeuw (Amsterdam 2004).

 

Start themaweek koloniale geschiedenis

Themaweek Kolonialisme 2012 . 13-17 aug op www.indisch3.nl

Het Nederlandse koloniale verleden in Indonesië

Themaweek Kolonialisme 2012 . 13-17 aug op www.indisch3.nl
Themaweek Kolonialisme 2012 . 13-17 aug op www.indisch3.nl

Vanaf vandaag staat Indisch 3.0 een (werk-) week lang in het teken van Nederlands koloniale verleden in Indonesië. We duiken er eens goed in tussen 13 en 17 augustus a.s., duik je mee?

Op 15 augustus herdenkt Nederland het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië, op 17 augustus viert Indonesië haar zelfstandigheid die zij in 1945 uitriep, twee dagen na de Japanse capitulatie. Hoe leidde de Japanse bezetting tot de zelfstandigheid van Indonesië? Begon die wens toen pas of was die al eerder aanwezig?

We starten vanmiddag met een bloemlezing over de Nederlandse overheersing van voormalig Nederlands-Indië (door Kirsten Vos), waarbij we jullie om aanvullingen vragen. Wat zijn de “hoogtepunten” van het Nederlandse koloniale tijdperk in Indonesië? Hoe leidde deze aanwezigheid tot de onafhankelijkheid van Indonesië? En hoe ontwikkelde de Indo-Europese groep zich in die samenleving?

Een dag later lees je twee artikelen over andere Nederlandse koloniale sporen: in India (een post door Ed Caffin) en over de hele wereld (interview in English, introducing Eline Jongsma & Kel O’Neil’s Empire project).

Op de dag van de Indië-herdenking 1942 – 1945, woensdag 15 augustus 2012,  plaatsen we een reportage over de nieuwe expo ‘Oostwaarts’ in het Tr0penmuseum (door Christie Haalboom) en een recensie van de hoorcollegereeks van NRC Opleidingen, over de koloniale geschiedenis (door Sarah Klerks). De dag daarna besteden we aan de Indië-herdenking, in de vorm van een reportage door Tabitha Lemon en Kirsten Vos.

We sluiten de themaweek op vrijdag 17 augustus af met twee essays, over de bersiap en politionele acties (Kirsten Vos) en een essay in het Engels door Kel O’Neil en Eline Jongsma over een bizar en onverwacht spoor van het koloniale verleden in Indonesië. Hierbij alvast een voorproefje daarvan. Als deze week een succes is, zullen we een vervolg inplannen waarbij we dieper ingaan op het dekolonisatieproces, inclusief de Molukse kwestie en de repatriëring, en de postkoloniale geschiedenis van Nederland en Indonesië.

Het Nederlandse verleden in Indonesië doet elk jaar stof opwaaien in eigen land. Oorlogsmisdaden en andere misdaden tegen de menselijkheid van Nederlandse militairen leiden tot grote verontwaardiging. Terecht. Tegelijkertijd voeren Nederlandse politici het hoogste woord over de mensenrechtensituatie in het huidige Indonesië. Terecht. Toch zou een andere toon van Nederland een gesprek met Indonesië over dit onderwerp ten goede komen. Gezien de geschiedenis zou zo’n gematigde toon best op zijn plek zijn.

Empire: 5°00′ N 120°00′ E excerpt from EMPIRE PROJECT on Vimeo.

Koloniale sporen in Sri Lanka: Burgers en Buitenlui

Hollandse hebzucht en koopmanslust joeg boten vol (on)gezonde, blanke mannen de wereldzeeën over. Die VOC mentaliteit liet haar sporen na. De herinnering aan ruim driehonderd jaar Hollandse koopmansfurie is vastgelegd in talrijke oude forten en koloniale architectuur, generaties gemengdbloedigen, en talloze in de doofpot weggestopte kwesties van geweld en uitbuiting.

Tijdens mijn reizen naar Indonesië schrijf ik daar regelmatig over, maar de Nederlandse koloniale invloed was niet beperkt tot alleen Het Rijk van Insulinde. Op tientallen plekken in de wereld zijn koloniale sporen te vinden, die vaak verrassende parallellen vertonen. Eerder maakte ik al eens een uitstapje naar Zuid-Afrika. Deze keer ga ik op zoek naar koloniale sporen in Sri Lanka.

De eerste sporen vind ik in Fort, het historische stadsdeel in het noorden van Colombo. Vroeg in de 16e eeuw bouwden de Portugezen hier een handelspost, maar de VOC, koortsachtig op zoek naar handel in kaneel en andere specerijen, schopte ze er in 1658 uit. In 1796 werden de Nederlanders er op hun beurt weer uitgeknikkerd en ging Ceylon over in Engelse handen, tot de onafhankelijkheid in 1948. Maar anderhalve eeuw Nederlandse overheersing was lang genoeg om een blijvende stempel te drukken.

Dutch Period Museum - Colombo (c) Ed Caffin

In het Dutch Period Museum leer ik dat Ceylon, na Batavia, de belangrijkste handelspost was van de compagnie. De handel met Indië en Ceylon verliep echter veelal gescheiden. Schepen naar Indië voerden een zuidelijke koers, terwijl schepen naar Ceylon een meer westelijke koers voerden, langs Afrika. Er was ook niet veel VOC-verkeer tussen Ceylon en Batavia. Toch valt meteen op dat de koloniale sporen die de Hollanders in Sri Lanka achterlieten duidelijke parallellen hebben met die in Indonesië.

Zoals die in taal bijvoorbeeld. In het Singalees en Tamil zijn, net als in het Indonesisch, verschillende Nederlandse leenwoorden te vinden (pistool, aardappel en kakhuis bijvoorbeeld). En in de Sri Lankaanse keuken is de Nederlandse invloed ook nog altijd te proeven: in de meeste specialiteitenrestaurants kun je je te buiten gaan aan ijzer koekjes en frikkadels. Maar er gaat niets boven de traditionele Sri Lankaanse rice and curry.

De duidelijkste parallel is die tussen de Indo’s in Nederlands-Indië en de Dutch Burghers in Sri Lanka. Net als in Indië vermengden de Europese kolonisten zich – hoe kan het ook anders – al snel met de inlandsche bevolking en ontstond er een etnisch gemengde bevolkingsgroep. Deze ‘vrome burgers’ kleedden zich Europees en waren zonder uitzondering lid van de Nederlands hervormde kerk. Ook spraken ze een mengtaal, het Ceylons-Nederlands. In de Engelse tijd werden de Dutch Burghers officieel als aparte bevolkingsgroep erkend. Uiteraard bepaalde hun Europese achternaam hun positie en toekomst in de kolonie, net zoals bij de Indo-Europeanen in Indië.

De situatie veranderde radicaal toen Ceylon na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werd en zich wilde distantiëren van de oude koloniale machthebbers. De nieuwe regering zou er voor zorgen dat de eeuwenlang onderdrukte Singaleze meerderheid het nu een stuk beter kreeg. Maar dat betekende ook dat de positie van Tamils en Burghers verslechterde, die in de ogen van de Singalezen door de Nederlanders en Engelsen waren bevoorrecht.

De rancuneuze Singaleze regering nam geen halve maatregelen: zo werd in 1956 de Sinhala Only Act aangenomen, die bepaalde dat het Singalees de eerste en enige officiële taal werd in Sri Lanka. Veel Burghers verloren hun baan, net als veel Tamils die het Singalees niet machtig waren. In de eerste jaren na de onafhankelijkheid verlieten veel Burghers Sri Lanka. Voor de Tamils liep de door de staat geleide onderdrukking en discriminatie slechter af: 30 jaar burgeroorlog bracht dood en verderf, maar weinig verbetering in hun situatie.

Gebouw van de Dutch Burgher Union in Colombo (c) Ed Caffin

Er leven nog altijd Dutch Burghers in Sri Lanka. Naar schatting zo’n 40.000, waarvan de meeste in Colombo. Sommigen heel licht en Europees van uiterlijk, andere donker gekleurd maar met blauwe ogen. Er zijn een aantal Burgher organisaties, zoals de Dutch Burgher Union die de geschiedenis hebben vastgelegd en al generaties lang zogenaamde stamboeken bijhouden waarin de genealogie tot eeuwen terug is na te lezen. Want ook al zijn de Hollanders met hun VOC mentaliteit ze allang vergeten, de Dutch Burghers zijn trots op hun afkomst. Ja, het zijn net Indo’s, die Burghers.

De laatste held van Kintamani

Ketut Bali Elsbeth Vernouth

Een blog vanaf Bali

Meer dan honderd jaar oud is hij, Ketut Limbak, en speciaal voor de ‘Belanda’s’ die op bezoek zijn trekt hij zijn militaire uniform nog een keer aan. Hij is een van de laatste getuigen van de strijd tegen de Hollanders op Bali. Toerist zijn op Bali is alsof je in het paradijs bent beland, zoals velen zullen weten. Maar soms wordt de cocon van zee, strand, Balinese dansen en pineappele pancakes even doorbroken door een glimp van het minder paradijselijke koloniale verleden van het eiland.

Bali was in de VOC-tijd een zelfstandig hindoeïstisch koninkrijk. Pas vanaf het midden van de 19e eeuw kwam het eiland geleidelijk onder Nederlands bestuur. De uiteindelijke, bloedige onderwerping vond in 1906 plaats, nadat de Balinese adel in Badung – mannen, vrouwen én kinderen – massaal zelfmoord pleegde door slechts gewapend met kris en klewang op het vijandelijke vuur in te lopen. De strijd om de onafhankelijkheid bereikte op Bali een hoogtepunt in 1946 met de slag bij Marga. I Gusit Ngurah Rai, een charismatische jonge Balinese Luitenant Kolonel, sneuvelde op 26 november met zijn 95 manschappen bij een aanval tegen de Nederlanders.

Huiskip

Komang Dipa, onze chauffeur voor een dag, brengt ons naar het huisje waar zijn familie woont in het Kintamani- berggebied. Hij wil dat we zijn opa ontmoeten, die na 1946 nog tegen de Hollanders heeft gevochten. Na een bloedstollende autorit – berg op, berg af en vele gaten in de weg ontwijkend – komen we uit bij de kleine boerengemeenschap waar de familie woont. Hoe oud grootvader precies is, weet zijn kleinzoon eigenlijk niet. Op Bali worden geboortedata niet geregistreerd, zeker niet in de tijd dat grootvader werd geboren. Maar hij is ouder dan honderd jaar, en hij kijkt nog steeds schrander uit zijn ogen. Hij zit nieuwsgierig te kijken naar ons vanaf een platformpje naast het huis. Naast hem blaten de geiten, voor zijn voeten scharrelt de huiskip met haar kuikens.

Ketut Bali (c) Elsbeth Vernouth/ Indisch 3.0Speer

Salueren kan hij nog, Ketut Limbak. Zijn uniform is niet meer zo smetteloos en kreukloos als vroeger, maar eenmaal omgekleed is ineens weer iets zichtbaar van de trotse vrijheidsstrijder die hij was. Hij vocht na de Tweede Wereldoorlog tegen het Nederlandse leger met een speer, vertelt zijn kleinzoon, geweren of handgranaten hadden ze niet. Hij werd gevangen gezet en volgens de overlevering in een kuil met water gegooid waar de Hollanders stroom op zetten. Maar Ketut overleefde het als een van de weinigen, en toen het koloniale leger uit Bali vertrok kreeg hij de status van oorlogsheld.

Boos

Gelukkig is opa niet meer boos op de Hollanders, vertelt hij via zijn kleinzoon. Het is al zo lang geleden. Bij het weggaan wil hij nog één ding van ons weten. Wat voor bomen hebben ze eigenlijk in Nederland?