Indisch in een studentenhuis (5)

Charlies studentenkamer

Indische inrichting

Een goed ingerichte kamer met een fijne sfeer, dat was mijn doelstelling toen ik drie jaar geleden begon met klussen in mijn studentenkamer. Een effectief ingerichte kamer, met een woon- en een slaapgedeelte, waarin ik mij thuis zou voelen. De sfeer moest senang zijn.

Mijn Indische roots spatten op het eerste gezicht niet bepaald van de inrichting van mijn stek af. Het is tenslotte een studentenkamer in een studentenhuis, ‘IKEA’ is wat bij je opkomt als je mijn eethoek bekijkt en je oog op de onvermijdelijke Billy-kast valt waarin de boeken per genre zijn gerangschikt. De tweede druk van ‘Piekerans van een straatslijper’ uit ’53 heeft een opzienbarend ereplaatsje op de bovenste plank, tussen de rest van mijn Indische lCharlies Studentenkameriteratuur.

De foto’s aan de muur zijn kiekjes van vakanties in Spanje en Zwitserland, de tekst die boven mijn eettafel prijkt, is in het Catalaans. De foto’s van mijn ouders en Indische grootouders trekken zelden tot nooit kijkers. Over de petrolgekleurde leren bank heb ik een witte sprei gedrapeerd, opgevrolijkt met een zwarte sprei en kussentjes, uit de wereldberoemde Zweedse toko. Voor de bank ligt een tapijt dat mijn opa ooit uit Indonesië heeft meegenomen. Meermaals is me gevraagd waar ik het tapijt had gekocht. ‘Ik nergens. Mijn opa, bij een vast zwaar onderbetaald vrouwtje ergens in Indonesië..’ Is altijd een goede conversatiestopper.

Een oude vriendin vroeg ooit of zij het uit hout vervaardigde beeld van een of andere Venus afkomstig uit Indonesië mocht hebben, omdat ik het werkelijk niet om aan te zien vind. Absoluut niet, het is van mijn opa geweest en dus het staat nog altijd naast mijn bank. Boven de tv staat mijn Buddha, twee Balinese beeldjes en een koperen schaal. Allemaal erfstukken. Of dergelijke koperen schalen ook verkrijgbaar zijn in dure woonwinkels? ‘Ongetwijfeld,’ luidt mijn antwoord steevast. Wie mij de buddha cadeau had gegeven is zeer gewilde informatie. ‘Erfstuk, van mijn overgrootoma. Ze huist er nog steeds in om over me te waken.’ Ongewenste gasten vertrekken daarna altijd onmiddellijk.

De klamboe boven mijn bed hangt er slechts als gevolg van interieurstyling, nieteens uit praktisch muggen-werend oogpunt. En dan heb ik nog een rare ‘toffee’ in m’n bed. ‘Een toffee? Ik lust nieteens toffees,’ was mijn verbijsterde reactie. Jawel, ik had een toffee in m’n bed, hoe ik daaraan kwam.. Verbluft constateerde ik: ‘Nee, das een goeling.. Een kussen.. Een rolkussen..’

Vervloekte liefde

Bruiloft ouders Charlie

Kogels, liefde en wraak zijn de basisingrediënten van mijn familieverhaal. De legende gaat vijf generaties terug, naar de grootouders van mijn grootvader. De komende maanden verken ik jullie liefdesrelaties. Ik ben benieuwd wat ik daarbij aan zal treffen.

Mijn betovergrootvader wilde  met mijn betovergrootmoeder trouwen, maar kreeg hier geen toestemming voor. Het Abrahamsz-temperament van mijn betovergrootvader wakkerde aan en hij besloot op geheel eigen wijze het heft in eigen hand te nemen: gewapend en wel vertrok hij naar het thuis van mijn betovergrootmoeder.

Aldaar ging hij voor het huis liggen om duidelijk te maken hoe serieus hij was met zijn ‘verzoek’. Er gebeurde niets. Hij bleef liggen, een hele dag. Nog gebeurde er niets. Toen hij nul op rekest bleef krijgen, joeg hij een kogel door het huis om zijn wens kracht bij te zetten. Weer niets. Hij schoot nog een keer. En nog eens. Na zeker drie dozijn kogels kwam mijn betovergrootmoeder uiteindelijk in bruidskleding het huis uit. Ze trouwden, kregen vijf kinderen en: ze hielden van elkaar. Het zag ernaar uit dat mijn betovergrootvader alles had gekregen wat hij had gewenst.

Woedend om de gewapende overval waarbij haar dochter buit was gemaakt, was de schoonmoeder van mijn betovergrootmoeder vastberaden deze roof te wreken en wel op de manier die mannen in die tijd het hardst trof: de familienaam. De naam Abrahamsz zou uitsterven, luidde haar vloek.

De volgende generatie merkte er echter niets van: er kwamen zonen en kleinzonen, tot opluchting van mijn betovergrootvader, die de naam doorgaf aan mijn overgrootvader en zijn broers. Van de vijf broers kregen er drie alleen maar dochters, de eerste tekenen dat de vloek zich manifesteerde. Toch werd er opgelucht adem gehaald toen mijn overgrootvader en zijn broer zorgde voor erfgenamen: mijn grootvader en zijn neef. De twee heren waren in drie generaties als enige mannelijke erfgenamen overgebleven.

In de generatie daarna bereikte de vloek zijn hoogtepunt. De neef van mijn grootvader kreeg een dochter. Mijn grootvader kreeg drie dochters. Alle Abrahamsz-dochters bleven na huwelijk de naam van hun vaders dragen, maar konden deze niet aan hun dochters doorgeven. Hun dochters dragen vanzelfsprekend de namen van hun vaders, die ook zij op hun beurt niet zullen doorgeven aan hun dochters.

Bruiloft ouders Charlie
Mijn moeder, een van de drie dochters met de naam Abrahamsz, geeft mijn vader het ja-woord.

Indontkenning

Verboden in te rijden

Eén jaar. Zo lang heb ik niet tegen mijn (achterachter)neef gepraat. Ik ben een jaar lang in stilzwijgen vervallen nadat hij me in een gesprek over onze Indische achtergrond, dermate op de kast had gejaagd dat ik niet anders kon dan ons goede contact even op pauze te zetten.

Wij zijn hier op Indisch3.0 allemaal erg bewust van of bezig met het Indische in ons. Op de vraag op welke manier het Indische aanwezig is hebben we allemaal verschillende antwoorden, de mate van Indisch bewustzijn varieert, de manier waarop het Indische zich bij ons manifesteert verschilt per persoon. Hier liggen de nuances van het gemeenschappelijk kader: we zijn allemaal (bewuste) Indo’s.

Dat er een hoop Indo’s zijn die zich niet bewust bezig houden met hun Indische achtergrond, of hier überhaupt amper benul van hebben, zal voor niemand nieuws zijn. Ik ben van alle achterkleinkinderen de enige die zich actief bezighoudt met haar Indotiteit. Ik ben samen met mijn twee nichtjes de enige met twee Indische grootouders. Geen van allen zijn ze bewust met het Indische bezig, wel vinden ze het interessant wat ik allemaal doe. Op één achterneef na. Die is er niet ‘gewoon niet mee bezig’, die ontkent het. Maar of die ontkenning voortkomt uit schaamte of onwetendheid..

Vorig jaar ging mijn neef het leger in. We spraken over zijn verwachtingen en ik vertelde over de ervaringen van mijn grootvader in het KNIL. ‘Huh, maar Boet was een blauwe. Hij kan niet in het KNIL hebben gezeten!’ Van verbijstering kon ik even niets uitbrengen. ‘Ja, Boet was een Indonesiër, die stond aan de andere kant,’ ging mijn neef verder. Ik ging van rustig naar furieus in een nanoseconde.. ‘Mijn opa was Indo, geen Indonesiër! We zijn allemaal Blauwen! Mijn oma is even blauw als de jouwe, het zijn zussen! Jij bent slechts één grootouder ‘minder’ Indisch dan ik!’

Witheet van woede stond ik midden op straat in de Utrechtse Binennstad te briesen als een wild paard. Het fenomeen ‘zwart worden voor de ogen’ onderging ik op dat moment aan den lijfe. ‘Indo is geen synoniem voor Indonesiër. Blauwe is een scheldwoord voor Indo, niet voor Indonesiër.’ Mijn neef was het hier niet mee eens. Dat het geen kwestie van meningen maar van feiten was en dat hij z’n eigen geschiedenis betrof, kreeg ik hem niet aan het verstand. Ik stelde voor mijn moeder even te bellen, ‘de feiten checken’. Hij diende van repliek: ‘Als je dat maar uit je hoofd laat! Ik weet zeker dat mijn oma niet wil dat we hier over praten.’ Zijn oma die hem dag daarvoor nog ‘gaaaado-gaaado’ had voorgeschoteld. Dit was geen onwetendheid.. Dit was ontkenning.

Jaren heb ik gewerkt met tweede en derde generatie Turkse en Marokkaanse jongeren. Ik kon me met hen identificeren, ik snapte tegen welke problemen ze aanliepen, begreep hoe ze zich ‘net nergens thuis’ voelden. Net geen Turk of Marokkaan, net geen Nederlander. Wat ik in al die jaren niet ben tegengekomen, zijn jongeren die hun Turkse of Marokkaanse achtergrond ontkennen. Is dit fenomeen van ontkenning iets wat alleen veelvuldig bij Indo’s voorkomt? En komt het voort uit schaamte of ontwetendheid?

Bijgeloof, hoop en liefde

Indisch in een studentenhuis

Indisch in een studentenhuis (4)

Ik vind mezelf een nuchtere meid. Met de ‘niet lullen, maar poetsen’-houding en de lijfspreuk ‘rug recht en doorgaan’ stap ik door het leven. Ik zweef alleen in uiterst noodzakelijke gevallen. Ben ik bijgelovig? Een beetje. Spiritueel ingesteld? Af en toen. Zweefie-zweefie? Alleen in uiterste gevallen van nood. Ja, een nuchtere (Hollandse) meid. Vind ik zelf.

Dit zelfbeeld werd toch enigszins teniet gedaan toen ik van mijn huisgenoten een aantal keer de vraag kreeg of ik ‘bijgelovig’, ‘spiritueel ingesteld’ of ‘zweefie-zweefie’ was. Nog altijd sta ik met mijn mond vol tanden –dat is een unicum- als me dit gevraagd wordt. Ik weet na zo veel keer nog niet hoe ik moet reageren op dergelijke vragen die altijd vergezeld worden met een blik van verbijstering.

Het gebeurde ooit dat een huisgenoot voorstelde mijn Buddha te verplaatsen naar de plank recht tegenover het raam zodat ik mijn plant op de plek van de wijze man kon plaatsen. Ik deed de mededeling dat daar niets van inkwam en mijn huisgenoot vroeg waarom niet, dat was tenslotte in zijn optiek de beste oplossing. ‘Dan kijkt ‘ie naar buiten, dan kijkt ‘ie t geluk naar buiten,’ deelde ik hem stellig mede. Met grote ogen werd ik aangekeken en kreeg te horen: ‘Jezus Char, niet zo zweefie-zweefie hoor.’

Meest recent overkwam het mij dat ik in een discussie verwikkeld raakte met mijn nieuwe huisgenoot. Na drie dagen verhuizen en klussen was ze geïnstalleerd en vroeg me of ik zin had in een roseetje op haar kamer. Nu ging ik uiteindelijk voor een biertje, maar ik ging enthousiast op haar aanbod in. Toen ik haar vers ingerichte kamer binnenstapte verstijfde ik vrijwel onmiddellijk. ‘Pauwenveren,’ zei ik hard op. Niets vermoedend, reageerde mijn kersverse huisgenoot: ‘Ja, mooi he? Heb ik ooit gekregen van iemand.’ Ik stond nog steeds stokstijf midden in haar kamer en niet begrijpend vroeg ze: ‘Hoezo? Is er iets mee?’ Mijn antwoord was resoluut: ‘Die brengen ongeluk, die moet je weghalen.’ Of ik soms zwaar bijgelovig was en of ze de veren voor mij moest weghalen, omdat ik boven die pauwenveren sliep?,  kreeg ik als antwoord.

Drie dagen later kwam ze mijn kamer binnen en zag daar op een van mijn planken ‘De Gouden Driehoek’ liggen. In haar ogen niets meer dan drie gekleurde steentjes. Ze informeerde of ik die stenen soms op vakantie had gevonden. ‘Nee, dat is De Gouden Driehoek, die zorgt voor goede energie en een harmonische sfeer in huis,’ luidde mijn antwoord. ‘Geloof je nou echt in dat soort dingen?’ vroeg ze me. Ik reageerde met de mededeling dat het geen kwestie van geloof was. ‘Jawel..’ zei ze ‘van bijgeloof.’

Tuinafval – Indisch in een studentenhuis (3)

Als je me ergens ’s nachts voor mag wakker maken is het wel eten. En in het bijzonder rendang. Het recept van mijn oma’s rendang is dan ook een mijn bezittingen waar ik het meest trots op ben. Wanneer ik weer eens besluit twee dagen in de studentenkeuken met zeer beperkte middelen door te brengen om dit heerlijke recept werkelijkheid te laten worden, heb ik gegarandeerd de volledige aandacht van mijn huisgenoten.

Indisch in een studentenhuis (foto: HH/ edit Kirsten Vos)

Deze aandacht heb ik pas op het punt dat alle ingrediënten zich in de pan bevinden. Als ik nog de klapper sta te roosteren of het vlees aan het snijden ben maken mijn huisgenoten zich met een rotgang uit de voeten. Ze hebben totaal geen idee wat voor arbeid er vooraf gaat aan het maaltje dat ze twee dagen later met reuzenhappen verorberen.

Als het pruttelstadium dan eindelijk bereikt is, wordt met regelmaat de deksel van de pan gelicht om het huis te vullen met de heerlijk geur en de neus eraan tegoed te doen. Mijn huisgenoten willen allemaal even een hapje proeven, als is het maar ‘de marinade’. Met Indisch temperament geef ik ze dan een tik op de vingers en beveel ze te wachten tot ik groen licht geef.

Eenmaal is het mij overkomen dat ik niet alle ingrediënten in huis had. Even wilde ik mijn schouders ophalen, maar mijn oma gaf mij post mortem te verstaan dat alle bestanddelen even belangrijk waren. Ik moest er dus aan geloven. Voor de time being plaatste ik alle benodigdheden in de koelkast. Behalve de daun salam. Die liet ik op de snijplank op het aanrecht liggen. Ik stormde het huis uit en racete op mijn fiets naar de binnenstad.

‘Zo zeg, ben je weer bezig?’ vroeg mijn huisgenoot met een veelbetekenende glinstering in zijn ogen. Ik knikte glimlachend en liep de keuken in met mijn plastic tokotasje. Mijn huisgenoot verdween en ik ging aan de slag. Niets vermoedend zong ik met de radio mee, het ging goed en dit zou mijn lekkerste rendang tot nu toe worden. Ik voelde het.

Tot: ‘Máááááárk!!!!’

Mijn salam ontbrak, ik was mijn salam kwijt, het was de laatste die ik in huis had. Vragend keek ik mijn in allerijl toegesnelde huisgenoot aan.

‘Sorry, heb ik weggegooid. Ik dacht dat het tuinafval was. Ik begreep al niet waarom het op de snijplank lag.’ Met hangende schouders trok ik mijn jas weer aan en fietste weg.

Indisch in een studentenhuis deel 2: volle flessen

Tot het moment dat ik op kamers ging, twee jaar geleden, had ik me nooit gerealiseerd hoe zichtbaar het Indische in mijn leven kan zijn. Ik had dan ook nooit gedacht dat sommige mensen stijl achterover zouden slaan van mijn dagelijkse gewoonten en gebruiken. Totdat ik mijn huisgenoten ontmoette. En zij mij… In deze miniserie een greep uit de confrontaties tussen Indisch en Nederlands in een studentenhuis.

Ik grijp. Mis. Ik grijp nog een keer. Weer mis. Ik ben in het kleinste kamertje van het huis. Vertwijfeld kijk ik om mij heen. Ik vind een oude Playboy, wat Volkskrant Magazines en een voorraad toiletrollen. Mijn botol cebok is echter nergens te bekennen.

Van pure verbazing weet ik even niet wat ik moet doen. WC-papier dan? Nee, alsjeblieft! Woedend storm ik het toilet af en speur rond naar “mijn botol”. Niet op de gang, niet in de keuken. Uiteindelijk vind ik hem onder een laag drek van peuken en modder op het balkon. Ik sta perplex. Waarom zomaar spullen van een ander bij het oud vuil zetten?

Op dat moment komt een van mijn huisgenoten thuis. Hij loopt de keuken binnen. Net als ik hem onder vuur wil nemen vraagt hij aan mij: “”Hee, had jij die fles op het toilet gezet?” Ik knik, op de fles in mijn hand wijzend. “Dat is mijn botol cebok, oen!” , zeg ik kortaf. Niet begrijpend kijkt hij me aan. “Ben je bang om dorst te krijgen op het toilet, ofzo?”

Ik zucht. Mijn Indische gebruiken worden weer eens onbegrepen. Hoofdschuddend wil ik de keuken uitlopen als ik me bedenk dat zijn vriendin Moluks is. De kans is aanwezig dat zij wel bekend is met het fenomeen. Ik waag de gok. “Is het jou nooit opgevallen dat die fles ook bij jouw schoonouders op het toilet staat?”

Zijn gezichtsuitdrukking verandert. Voor hij weer iets kan zeggen vraag ik hem of hij het normaal zou vinden als ik zijn tandenborstel zou weggooien. “Ja, maar dat is anders,’ vindt hij. Ik vind van niet. “Je zal het wel niet begrijpen, maar die fles wordt in ieder geval niet gebruikt om uit te drinken”, besluit ik de discussie verontwaardigd.

Zwijgend was ik de fles af en vul hem met water. Ik zet hem terug in de hoek van de toilet. Het stickertje met mijn naam en de korte toelichting ziet er wat knullig uit, maar het is blijkbaar nodig. Als ik even later mijn huisgenoot weer hoor, praat hij met iemand aan de telefoon. Nu is hij degene die verontwaardigd klinkt. “Weet ik dat!” roept hij. ”Had je dat  dan niet even kunnen zeggen?” Ik kan alleen maar grinniken.

Belandabarbie op vakantie

Al eerder schreef ik op Indisch 3.0 over mijn grootste ergernis: “Jij Indisch? Goh, dat zou je niet zeggen!’ Zelfs op onze kumpulan en de TongTongFair overkwam het me. Ik ben toch echt Indisch, maar zie er blijkbaar heel Hollands uit. Tenminste, dat vinden de meeste Indo’s en zo ongeveer alle Nederlanders die ik tegenkom. Maar gek genoeg, hier in Spanje denken ze van niet.

Nu in het hoogseizoen de Costa Brava is veranderd in Klein Holland vullen Nederlandse toeristen de straten, restaurants en de winkels. Voor de willekeurige voorbijganger die mij voorbij ziet komen is de kans is groot dat ook ik Nederlands ben. Toch twijfelen veel spanjaarden als ze me voor het eerst zien

Veel winkel- en restaurantbediendes veronderstellen dat ik ‘een local’ ben, totdat ik in een langer gesprek in het Catalaans of Spaans wordt verraden door mijn accent. Als ik dan vertel dat ik uit Nederland kom wordt vaak tegen me gezegd: ‘Maar toch is er iets aan je dat niet Nederlands is’.

Als ik hen vraag wat dat ‘iets’ dan precies is, kunnen ze het niet uitleggen. Mijn gedrag wijkt af van de ‘gemiddelde’ Nederlandse toerist, zeggen ze, en ook mijn lichaamsbouw is in hun ogen niet Nederlands. Te fragiel. Bovendien word ik de zon vele malen donkerder dan andere Nederlanders. Dat past blijkbaar niet helemaal in hun beeld van de Hollander.

Maar gek genoeg zien veel Nederlandse toeristen me ook vaak aan voor een ‘local’. Het overkomt me regelmatig dat door een landgenoot met een ‘Hoe & Wat in het Spaans’ in de hand, naar de weg word gevraagd. Als ik vervolgens in het Nederlands antwoord, volgt een verraste blik.

Rare jongens die Hollanders. In Nederland vinden ze altijd dat ik er ‘gewoon Nederlands’ uitzie maar zodra de setting verandert denken ze spontaan dat ik ‘van daar’ ben! Kwetsend is niet het goede woord, maar ik zie natuurlijk veel liever dat ik in Nederland voor Indo wordt aangezien dan in Spanje voor Spaanse.

Uit zoete wraak laat ik tegenwoordig veel Nederlanders in de waan dat ik inderdaad Spaanse ben. Ik begin dan een uitgebreid verhaal in het Spaans of Catalaans en laat ze lekker zweten met hun woordenboekje…

“I am Indisch, I-n-d-i-s-c-h”

Je kent het wel, je bent in het buitenland en er wordt aan je gevraagd waar je vandaan komt. “Nederland” is natuurlijk het eerste antwoord. Daar kom je tenslotte vandaan.  “Ja, inderdaad, geboren en getogen in het land  van tulpen, molens, wiet, klompen en kaas”. Maar toch is Nederland niet helemáál het precieze antwoord. Je bent namelijk van gemengd bloed, bent tussen twee culturen opgegroeid en dus geen échte kaaskop.

Wat zeg je dan precies tegen die Spanjaard, Ier of Turk die net vroeg waar je vandaan komt? Vertel je hem alleen dat je uit dat kleine, koude kikkerlandje komt, waarvan bijna de helft onder de zeespiegel ligt en waar bijna alles mag? En zeg je, om het makkelijk te houden, er dan misschien ook nog even bij dat een deel van je familie uit Indonesië komt? Of geef je direct een korte les over de Nederlandse koloniale geschiedenis?

“I’m Dutch”, dat opent deuren. Voor veel buitenlanders is Nederland namelijk nog steeds het land van de onbegrensde vrijheden, en terecht. Met regelmaat schiet ik dan ook in de chauvinistische versnelling. “Ja! Ik kom uit het land van de coffeeshops, Johan Cruijff, de Wallen, Nijntje en hoge noren. Het land waar abortus geen misdaad is, waar euthanasie niet als een zonde wordt gezien en waar het eerste homohuwelijk ter wereld plaatsvond”. Ik ben dan ook echt wel trots op mijn Nederlandse paspoort.

“I am Indisch”, zegt bijna niemand iets. Het verhaal van De Indo ende hoe hij in Holland terecht kwam voert dan ook vaak te ver en te diep om uit de doeken te doen aan de eerste de beste persoon die een gezellig praatje komt maken. Toch heb ik door de jaren heen in in het buitenland regelmatig verteld over mijn afkomst en hoe de bijbehorende geschiedenis zo ongeveer in elkaar zit.

In plaats van slechts te zeggen dat ik uit Nederland kom, plaats ik tegenwoordig al snel een Indische voetnoot. En als ik dat niet zou doen voelt het bijna alsof ik m’n Indische achtergrond verloochen. En het is ook niet een kwestie van het één of het ander. Ik ben Indisch én Nederlands. Ik ben hier geboren, opgegroeid en heb een Nederlandse vader.

Degenen die ik de uitgebreide versie heb verteld, en zeker de vrienden die ik op vakantie maakte, vonden het allemaal een bijzonder verhaal. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ze tot op de dag van vandaag hebben onthouden dat er zoiets bestaat als Indisch en dat dat toch net even iets anders is dan Dutch. Alleen dat woord. Wel een beetje lastig te onthouden hoor. Indies?

Indisch in een studentenhuis: schone moeders

Tot het moment dat ik op kamers ging, twee jaar geleden, had ik me nooit gerealiseerd hoe zichtbaar het Indische in mijn leven kan zijn. Ik had dan ook nooit gedacht dat sommige mensen stijl achterover zouden slaan van mijn dagelijkse gewoonten en gebruiken. Totdat ik mijn huisgenoten ontmoette. En zij mij… In deze miniserie een greep uit de confrontaties tussen Indisch en Nederlands in een studentenhuis in Utrecht.

Het studentenhuis waar ik een kamer in had bemachtigd, kwam met alles er op en eraan: een smerige en onbegaanbare keuken, een met haren verstopt doucheputje en een al maanden niet schoongemaakt toilet. Ik dacht dat ik in de zevende hemel was beland.

Mijn ouders waren al voor ik mijn diploma had akkoord gegaan met mijn vertrek. Onmiddellijk na mijn laatste examen begon ik enthousiast te klussen in mijn nieuwe stek. Ondertussen verzamelde ik meubilair bij familie en verpakte ik thuis al mijn bezittingen in een paar stevige dozen. Ik stond te popelen, was klaar om weg te gaan. Maar drie dagen voor ik mijn vrijheid tegemoet ging trok mijn moeder mij om middernacht uit bed: ze was woedend.

‘Het gebeurt niet! Je gaat daar niet wonen!’ Compleet verslagen stond ik slaapdronken in de deurpost van de slaapkamer van mijn ouders. ‘Als jij in dat huis gaat wonen ben je binnen een week ziek thuis met allerlei bacteriën en virussen. Het gebeurt niet!’

Ik zag mijn droom in een ondraaglijke damp van schoonmaakmiddelen opgaan. ‘Mam, dat doe ik wel als ik eenmaal daar woon.’ probeerde ik nog. ‘Absoluut niet! Over mijn lijk dat mijn dochter in dat smerige hol gaat wonen!’

Een dag later stormden mijn moeder en ik een van mijn toekomstige huisgenoten omver met tassen vol bijtende middeltjes. Volslagen perplex bleef hij achter bij de voordeur. Bij elkaar kostte het ons achttien manuren om het huis te ontsmetten. Zo schoon was het nog nooit geweest!

Drie dagen na de schoonmaakingreep betrok ik mijn nieuwe en brandschone woonplek. Mijn moeder leverde mij af met twee boodschappentassen vol heerlijk eten. Weer reageerde mijn huisgenoot vol verbazing. Ik vroeg hem of zijn moeder hem ook wel eens wat gaf.

Eigenlijk niet, zei hij. Sterker nog, zijn moeder kwam bijna nooit langs en al helemaal niet om schoon te maken. Nu was ik degene die verbaasd was. Indische moeders mogen misschien streng zijn, ze verwennen je wel en zijn brandschoon!

Marlon Robert, Jonge Indo in de muziek

Voor de eerste aflevering van de nieuwe serie ‘Jonge Indo’s in de muziek’ ga ik in gesprek met Marlon Robert. We spreken af in Den Haag, rock capital van Nederland. ‘Blauwe cowboylaarzen en rood leren jack,’ had ik hem meegedeeld. ‘Zwart leren jack en zilveren sneakers,’ diende hij mij van repliek. Alvoor we een warme, droge plek gevonden hebben in het centrum van Den Haag in, begint Marlon over muziek. Zijn enthousiasme steekt me aan.

Gek van muziek
Marlon Robert, 38 jaar en Hagenaar (of moet ik Hagenees zeggen?), is drummer van de band A Minor Crisis en Everlight for Hawaiians, freelance tekstschrijver, vrijwilliger en werkzaam in de verslavingszorg.

On drums: Marlon Roberts. Foto: Ron van Varik

“Wat leuk dat je me gaat interviewen! Ik ben geen pro hoor, maar wel he-le-maal gek van muziek. Met A Minor Crisis spelen we alternatieve rock. De zanger/gitarist komt meestal met een idee voor een liedje. Als band jammen wij vervolgens gewoon wat er in ons opkomt en vervolgens ontstaat er iets. Met Everlight heb ik net vijf nummers opgenomen in de studio.”

Mensen achter de muziek
“Ik begon laat met muziek maken. Pas na mijn twintigste begon ik met drumles, maar ik was er al jong helemaal gek van. Het begon met de klassieke muziek waar mijn Nederlandse stiefopa altijd naar luisterde. Door mijn oom kwam ik aanraking met drums, hij had een drumstel thuis en zo is het balletje gaan rollen.” Ineens vliegen de bandnamen en de bekende drummers en gitaristen me om de oren. Enigszins uit het veld geslagen door mijn gebrek aan kennis op dat gebied pen ik driftig alle namen op papier. Jeff Porcaro is natuurlijk wel een bekende naam, de drummer van Toto, die Marlon als zijn voorbeeld ziet. “Ik weet niet meer wat mijn eerste plaat was, maar ik weet wel dat ik geïnteresseerd raakte in de mensen achter de muziek.”

“Als je het mij vraagt was mijn opa Japans”
De familie van Marlon heeft dus een grote invloed gehad op zijn liefde voor muziek. Beide ouders van Marlon zijn Indisch. Allebei komen ze van Java, vader uit Banyuwangi en moeder uit Surabaya. Als ik doorvraag naar zijn grootouders en de oorlog wordt het verhaal een beetje onduidelijk. Het woord troostmeisje valt even en uiteindelijk komt Marlon met de mededeling: “Volgens mij heb ik een Japanse opa. Niets is zeker, niemand schijnt het te weten, maar als je het mij vraagt was mijn opa Japans.” Marlon wil en kan er niet meer over vertellen, ik laat het. Er zijn wel meer familiegeschiedenissen onduidelijk.

“Stilte kan namelijk ook muziek zijn”
In zijn Indische achtergrond is hij zich pas ver na zijn pubertijd gaan verdiepen. “Ik leerde pas na mijn twaalfde rijst eten, daarvoor waren het enkel aardappelen.” In 1992 is hij voor het eerst naar Indonesië gegaan met zijn ouders en andere familieleden. ‘Hoe ongelooflijk cliché het wellicht ook klinkt, ik had de ‘aha-erlebnis’ en het voelde inderdaad als thuiskomen.’ In 1995 keerde hij nog een keer terug. Zijn beste herinnering aan Indonesië is de zonsopgang bij de Bromo. “We moesten midden in de nacht ons bed uit en een drie uur durende trektocht ondernemen om amper vijf minuten van het weidse uitzicht te kunnen genieten. Wat ik me vooral herinner is dat ik even van heel dichtbij meemaakte hoe nietig de mens wel niet is. En die stilte, heerlijk. Even geen muziek. Stilte kan namelijk ook muziek zijn.”

Indorock is niet helemaal mijn ding
In het verleden speelde Roberts Indorock met Dislocation en de Bibit Rockers. “Met Dislocation speelde ik voornamelijk softe evergreens en natuurlijk deed ik ook mijn stinkende best om zo lekker mogelijk te spelen. Later bij de Bibit Rockers zat ik veel meer op mijn plek. Daar kon ik echt rocken. We waren allemaal jong, we speelden Indorock en traden op op de Pasar Malam Besar. Helemaal kicken. Maar om je eerlijk te zeggen. Indorock is niet helemaal mijn ding.”

Drummer zoekt vrouw
Ik vraag hem drie inspiratiebronnen voor zijn muziek te noemen. Marlon kijkt me een beetje nijdig aan. Drie inspiratiebronnen noemen vindt hij lastig. Toch komt hij op een aantal bekende artiesten. Met stip op één: Jeff Porcaro. Ook de naam Kevin Gilbert valt. “En uiteraard het publiek. De mensen die de moeite nemen om naar jouw optreden te komen kijken en luisteren. Daar doe je het voor. De laatste jaren haal ik vooral mijn inspiratie vandaan bij het meest avontuurlijke muziekfestival dat er is: State X New Forms. En nog een allerlaatste ding dan. Natuurlijk haal ik  ook heel veel inspiratie uit een heerlijke Indische maaltijd. Nasi Goreng Djawa bij Sarinah.”Als er dan nog eens (mooie) vrouwen in het publiek staan, ga ik daar niet slechter van spelen. Natuurlijk ben ik geen muziek gaan maken om contact te krijgen met vrouwen. Alhoewel. Ben wel vrijgezel. Dus kan ik nu een oproep doen…?”