Indisch3 favo recept 4: Rendang van oma Katy

In het kader van het tweejarig bestaan in april staat deze week in het thema van: eten! Elke dag vind je op de blog een nieuw recept van de gerechten die we als redacteuren gemaakt hebben voor onze kumpulan op 23 april. Alle gerechten die we daar gemaakt hebben, zijn onze favoriete Indische gerechten. Hierbij recept4: Rendang!

Rendang pittig en zoet voor 8 personen

 

Rendang. Foto: www.meltingwok.com

Ingrediënten
1 kg runderlappen
3 kopjes klapper (droge klapper)
20 middelgrote sjalotten
6 knoflooktenen
2 sereh (klein)
10 djeroekpoeroet
6 salam (of 4 grote)
trassi (4cm)
6 eierlepels ketoembar
3 eetlepels tamarinde
sambal, 3 flinke lepels of meer

Bereidingswijze
Bak op matig vuur in een braadpan de klapper tot ze lichtbruin zijn. Blijf ze steeds omscheppen. Haal de pan van het vuur en blijf de klapper omscheppen tot de pan iets afgekoeld is. Nu moet de klapper geperst worden. Verwarm water en voeg dit beetje bij beetje bij de klapper tot het goed ingetrokken is. Knijp vervolgens de klapper weer uit. Stamp de klapper daarna in de oelekan tot het ‘suiker’ is. Bak de redang in dezelfde pan als waarin de klapper geroosterd is en maak deze alleen schoon met wat keukenpapier.

Bak de uien in de braadpan van de klapper. Voeg de knoflook, trassi, laos, ketoembar en tamarinde toe. Bak het vlees mee. Doe dit even op hoog vuur en zet het later laag. Voeg nu een flinke schep suiker toe. Doe nu de salam, djeroekpoeroet, sereh en santen erbij. Voeg santen toe tot het vlees helemaal onder staat. Breng het nu zachtjes aan de kook en voeg als laatst de klapper toe. Laat het vlees nu zeker 2,5 uur zachtjes sudderen.

Dien het op met wat saus. Het is goed te combineren met witte rijst maar ook met gele rijst, hiermee wordt het een zeer machtig gerecht. Serveer kool, sajoer of boontjes als groente erbij.

Indo (21) zoekt maatje die ook erg van de winter houdt

De meeste Indo’s houden niet van sneeuw en winter en al helemaal niet van wintersport. Ik wel. Alles aan wintersport vind ik fantastisch. Ik vind het heerlijk om de hele dag buiten te zijn en geniet van gloeiende wangen als ik na uren in de kou ergens naar binnen stap. Ik kan geen genoeg krijgen van eindeloze uitzichten over witte bergtoppen waarboven de mooiste luchten voorbijtrekken. Met kinderen door de sneeuw rollen om vervolgens mijn handen aan een kop Glühwein te warmen, hmm…

Voor mij, Indo als ik ben, is het de normaalste zaak van de wereld dat ik op wintersport ga. Toen ik twee jaar oud was bonden mijn ouders mij op plastic ski’s van de Intertoys, gooiden mij de berg af en sindsdien ski ik. Ik weet niet beter dan dat ik in de zomer verliefd ben op de stranden van de Middellandse Zee en ik in de winter de bergtoppen van de Alpen voor geen goud zou willen missen.

Toch hoef ik niet lang na te denken bij het maken van een keuze tussen die twee. Als ik een van beide ooit zou moeten opgeven, dan zouden het zonder twijfel de stranden zijn. Ik ski makkelijker dan ik fiets. Ik ski soepeler dan ik loop.  

De combinatie Indo en wintersport lijkt echter een zeldzaamheid. Tenminste, in mijn wijde omgeving kan ik het aantal Indo’s dat wintersport op een hand tellen. ‘Waaaat? Sneeuw? Kou?! Doe mij maar twee weken zon!’ Als ik vervolgens vraag wat dan zo verschrikkelijk is aan wintersport krijg ik te horen dat ‘sneeuw helemaal niet leuk is’ en dat ‘skiën helemaal geen lol is’ maar bovenal dat ‘het zo verschrikkelijk koud is’. ‘Komt door het tropenbloed , he?’.

Indo’s houden dus helemaal niet van kou, sneeuw en winter? Nou, ik kan er geen genoeg van krijgen hoor. Ook de winter in Nederland vind ik heerlijk. Gelukkig kan ik dit jaar mijn lol op! Hoewel ik met deze gladde wegen weiger te fietsen omdat ik doodsangsten uitsta, zou ik ook hier de winter boven de zomer verkiezen. De geur die vlak voor de eerste sneeuw van het seizoen valt, in de lucht hangt, is het mooiste dat er is. Het meest geniet ik van de Oude Gracht als deze met sneeuw bedekt is en ik er wandel terwijl mijn neus steeds roder wordt. Maar met stip op nummer 1 in mijn ”Wat ben ik blij dat ik in Nederland woon”-top tien staat het schaatsen over bevroren rivieren en vaarten waar om de paar kilometer een ‘Koek en Zopie’ tent staat. 

Deze column voelt bijna als ‘uit de kast komen’; een Indo die voor zijn liefde voor de winter uit komt. Ik hoor de reacties al; een echte Indo heeft toch een bloedhekel aan de winter en is daar absoluut niet voor gemaakt! Nou, ik ben er wel voor gemaakt en kan er enorm van genieten. Dat komt dan natuurlijk door mijn Nederlandse genen.

Nederlands Nieuw-Guinea, laatste thuisland van de Indo

Nederlands Nieuw-Guinea was onderdeel van Nederlands-Indië en bleef na de onafhankelijkheid van Indonesië nog tot 1962 een overzees gebiedsdeel van Nederland. Totdat Nederland ook dit laatste deel van haar voormalige kolonie opgaf, woonde er een vrij grote Indische gemeenschap. Na 1949 zou het nog onontwikkelde gebied ten oosten van Java de plek worden voor, onder andere, Indo-Europeanen.

Nederlands Nieuw-Guinea
Nederlands Nieuw-Guinea

door Willem-Jan Brederode en Charlie Heystek

Steden als Hollandia, Sorong, Manokwari en Biak werden de nieuwe thuishavens waar het Indische leven haar toekomst moest vinden. De gemeenschap leefde er in andere omstandigheden dan de meesten gewend waren, maar was niettemin -of misschien juist daardoor- hecht.
Toen de eersten na de onafhankelijkheid voet aan wal zetten op Nederlands Nieuw-Guinea, was het complete eiland zo goed als onherbergzaam. Voor de primaire levensbehoeften begonnen mensen met het ontwikkelen van landbouw en veeteelt. Ook moesten er wegen worden aangelegd en huizen gebouwd. Handel kwam pas op gang nadat Chinezen in Nieuw-Guinea waren aangekomen en her en der toko’s openden.

Over de begintijd vertelt de moeder van Willem-Jan: “Het eerste half jaar hebben we alleen sardines uit blik gegeten. Mijn vader joeg soms op herten, tjeleng en wilde kippen waarvan de grote eieren uitstekend waren voor het maken van struif (omelet). Ons huis was zeer primitief gebouwd; dunne houten muren, steunend op palen en afgedekt met golfplaat. Het gerieflijk bestaan in Soerabaja veranderde in werken om te kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften.”

Wat Charlie’s moeder zich herinnert uit de tijd in Nieuw-Guinea is ‘vlinders’. “Er waren enorme vlinders! We moesten altijd oppassen voor insecten, in je bed en in je schoenen. Er was fruit in overvloed. We hadden veel pisangbomen en mangabomen. De pisangs werden niet meer door ons gegeten, de Papoea’s kapten uiteindelijk de trossen. En we hadden ook papaja. Papaja in overvloed! Altijd papaja, elke dag papaja. Op een gegeven moment konden we het niet meer zien.”

Net als vele andere Indische Nederlanders die in Nieuw-Guinea gewoond hebben, zijn de herinneringen van Charlie’s moeder die van een kind. Ze vertrok toen ze acht was naar Nederland, tienduizenden anderen volgden of waren haar al voorgegaan. Het was het gevolg van het hoog opgelaaide conflict tussen Indonesië en Nederland. Al in de jaren ’50 van de vorige eeuw verslechterden de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië.

In 1959 verbrak Indonesië alle banden met Nederland en nam de geschiedenis van Nieuw-Guinea en van de Indo-Europeanen in Indonesië en Nederlands Nieuw-Guinea een laatste radicale wending. Er dreigde oorlog: terwijl Nederland zijn laatste territorium in de voormalige kolonie probeerde te behouden, wilde Indonesië het gebied inlijven in de Republiek. In 1962 stond Nederland uiteindelijk onder grote internationale druk Nieuw-Guinea af.

Het is het definitieve einde van het zogenaamde nieuwe thuisland van de Indische Nederlanders. De hechte gemeenschap vormde, met de spijtoptanten uit Indonesië, de laatste groep Indische immigranten die hun weg vonden naar Nederland en hier wederom vanuit het niets een bestaan hebben opgebouwd.

Wat onze ouders nu nog rest zijn hun verhalen, die zich laten typeren door die enorme drang naar overleven, en de hechte band met de ander mensen die op Nieuw-Guinea hebben geprobeerd een nieuw thuis te creëren in de zoektocht naar een eigen plek binnen de grenzen van de voormalige kolonie Nederlands-Indië.

Disclaimer

Laatst stond ik met een van de redacteuren van Indisch 3.0 te praten toen er ineens een stilte in het gesprek viel. Plots barstte mijn gesprekspartner in lachen uit. Het gelach ging de hele Utrechtse grachtengordel over. “Wat is dit dan nu weer?” dacht ik bij mezelf en ik keek hem vragend aan. “Hihihi! Charlie, meisje toch,” “Ja wat?!” riep ik nu hardop

 “Oh meisje, jij houdt je zo bezig met het feit dat ‘je er niet Indisch uitziet’. In mijn ogen zie je er hartstikke Indisch uit. Je hebt écht wel een Indisch uiterlijk.”  Compleet verrast door deze opmerking –ik had alles verwacht, behalve dit- stond ik met mijn mond vol tanden, en dat gebeurt niet vaak als ik eerlijk ben. ”Daar ben ik helemaal niet mee bezig,” antwoordde ik. “Jawel, dat ben je wel. Je zegt vaak ‘ik zie er dan wel niet Indisch uit’ of ‘iedereen zegt altijd dat je aan mij niet kunt zien dat ik Indisch ben’ maar je ziet het wel degelijk!” Ik realiseerde me dat ik dat inderdaad al een aantal keren heb gezegd. 

disclaimerHet punt is ook dat als ik zeg dat ik Indisch ben, ik er standaard achteraan zeg: ‘ik weet dat je het niet ziet’. Het is een soort disclaimer geworden, die je na verkooppraatjes hoort. Zoiets als ‘dit gesprek kost 40 cent per minuut, plus de kosten voor gebruik van uw mobiele telefoon’. Als mensen bij het horen over mijn Indische afkomst ineens scheef en verbaasd gaan kijken, haal ik het verleden er vaak nog even bij. Zeker als er ook nog naar mijn haar gekeken wordt. ‘Mijn Indische oma was blond,’ volgt dan als tweede disclaimer. 

Misschien stom dat ik die zinnen standaard afdraai, maar zo is het nu eenmaal ontstaan. De keren dat iemand instemmend of niet verbaasd reageerde zijn op een hand te tellen. Zoveel verbaasde en vragende blikken en opmerkingen als ‘oh, dat zou je ook niet zeggen’ of ‘dat zie je helemaal niet aan je’ veroorzaken irritatie, maar zijn intussen ook een gewoonte geworden. 

Tegenwoordig laat ik daarom vaak zitten of zeg iets als: ‘kun jij dan wel een Turk of Marokkaan uit elkaar houden? Nee? Nou, hou dan op.’ Er is echter een moment geweest waarop de discussie over mijn al dan niet Indische uiterlijk bij mij zijn kookpunt bereikte. Zoals een tijd geleden in een kroeg in het dorp waar ik vandaan kom.

Ik zit aan tafel met wat vrienden en er een andere vriend bij komt zitten, samen met een voor mij onbekend persoon, die zich voorstelt als Mike. We praten wat en na een tijdje spreekt een vriend me aan met ‘hee pinda’. Als ik daarop reageer zie ik dat Mike verbaasd naar me kijkt.  Hij zegt niets en ik negeer zijn verbaasde blik. Als ik wat later voor de tweede maal met ‘pinda’ wordt aangesproken vliegt Mike er echter bovenop. “Ben jij pinda? Ben jij een Indo?” roept hij hysterisch. Ondertussen kijkt hij me aan aan alsof hij water ziet branden. “Nee joh, dat bestaat niet. Onmogelijk,” zegt Mike stellig. 

Dit keer ben ik verbaasd. “Ja, is echt waar.” “Nee, je ziet er helemaal niet uit als een Indo, joh! ”schreeuwt hij bijna. “Dat zie je zo!” Ik weet ik niet hoe ik moet reageren op Mike, die zich zo opwindt over mijn ‘wel-Indisch-zijn-zonder-Indisch-uiterlijk’. “Het is niet raar dat je het niet ziet, weinig Nederlanders zien het, veel Indische mensen zien het echter wel,” zeg ik tenslotte. 

“Nee, absoluut niet,” begint Mike weer, “jij hebt een puur Nederlands uiterlijk.” Ik raak geïrriteerd: “Wat weet jij nou van Indo’s man?” “Nou,” gaat hij verder, “ik heb veel Indo-vrienden, en jij komt qua uiterlijk niet bij hen in de buurt! Je hebt te licht haar, bent te blank en je neus is niet plat genoeg. Ik weet zeker dat geen van mijn Indo vrienden jou herkent als Indo.”

Nu Mike kwalificaties van haar- en huidskleur er bij haalt, heb ik mijn kookpunt bereikt. Rood aangelopen sta ik kwaad op. “Spreek eens wat Bahasa dan!” roept Mike in een poging me erbij te houden. “Ja, snel weg gaan he! Zie je, je bent helemaal geen Indo. Je spreekt niet eens Maleis. Je bent ontmaskerd! Ha!” 

Ik draai me om en ga aan de bar zitten, ‘krijg de klere’ denk ik in perfect Nederlands. Wat ben ik die verbaasde blikken en rotopmerkingen over mijn uiterlijk beu. Ik verzin toch niet dat ik Indisch ben? Waarom zou ik daar over liegen? Als ik zeg dat ik Indisch ben, dan ben ik verdomme Indisch!

Indische buurten: ‘Lombok’ in Utrecht (a.k.a. ‘Klein Alanya’)

Voor het derde deel van de serie Indische buurten’ trekken Charlie Heystek (tekst) en Valérie Harmanus (foto’s) de Indische buurt van Utrecht in.

Lombok, zo heet de Indische buurt hier. Mijn beste vriendin, die aan de rand van de buurt woont, noemt het altijd gekscherend ‘Klein Alanya’. En dat is het ook: op elke hoek van de straat zit wel een Turkse groetenboer, bakker of een lamachun (Turkse pizza) tent.

kanaalweg
De Kanaalstraat die midden door Lombok loopt en waar straten met bekende namen als Balistraat, Javastraat en Sumatrastraat op uitkomen

Toen ik de vraag kreeg of ik voor mijn eerste bijdrage aan Indisch 3.0 een verhaal wilde schrijven over de Indische buurt van Utrecht, vroeg ik me dan ook sterk af wat ik over deze buurt moest vertellen. Ik kom er niet veel, maar wel altijd graag. Omdat ik me thuis voel tussen de Turken, niet vanwege iets Indisch. Ik vond het dan ook moeilijk te bedenken wat ik over Lombok moest schrijven als Indische buurt. Welke link zou ik kunnen leggen met het Indische, behalve de straatnaambordjes die aan onze koloniale geschiedenis herinneren?

Nieuwsgierig lopen Valérie en ik de wijk in. Zij gewapend met haar fotocamera, ik met een schrijfblok en een pen. Lombok is een wijk met een grote islamitische populatie. Vandaag is de eerste dag van drie dagen Eid-ul-Fitr, het einde van de vastenmaand Ramadan, het Suikerfeest is vanavond. Op mijn werk zal het vanavond een komen en gaan worden van Turkse familieleden van mijn baas, een keuken vol baklava en Turkse thee. Ik bedenk me dat het juist vandaag misschien wel leuk even langs de moskee om de hoek te gaan. Maar helaas: hij is dicht. De twee heren die er voor staan fluiten Valérie en mij na.

We besluiten door te lopen en ik krijg het idee om verschillende winkels binnen te gaan om te vragen hoe zij vanavond in Lombok Suikerfeest vieren. Nog geen tien meter verder worden we weer nagefloten. Een man roept naar Valérie: ‘Hey, maak een mooie foto van mij!’. Aan de overkant hangen wat groepjes Turkse jongeren op straat. ’Hoe maak ik dit aantrekkelijk voor Indisch 3.0?’ spookt er door mijn hoofd. Ineens zie ik aan de overkant ‘Kopi Susu’ op het raam staan.

Museumcafé Kopi Susu op de J.P. Coenstraat
Museumcafé Kopi Susu op de J.P. Coenstraat

Die naam herken ik. Voordat ik Lombok ging verkennen, had ik al het een en ander aan research gedaan naar achtergronden van de wijk. Kopi Susu is een cultureel café in Lombok dat samenwerkt met het project ‘Linken Leggen Lombok’. Dit project probeert door middel van verschillende activiteiten de naamgeving van Lombok uit te leggen en op die manier de koloniale geschiedenis levend te houden. Ook proberen ze de eerste groepen migranten (Indische Nederlanders, Molukkers en Papoea’s) in contact te brengen met de latere groepen migranten (Marokkanen en Turken).

Als Valérie en ik het café binnen lopen herkennen we achter de bar direct twee Indische dames. We vragen of ze ons kunnen helpen en leggen uit waar wij mee bezig zijn. ‘Willen jullie wat drinken? Kopi susu?’ Onmiddellijk begint Micky, een van de twee bardames, enthousiast te vertellen. Het doel van Kopi Susu is om mensen met verschillende culturele achtergronden bij elkaar te brengen: ‘niet alleen Indische mensen, maar mensen van alle culturen.’ Het culturele café ontvangt geen subsidie en is daarom maar vier dagen per week geopend. ‘We hebben er simpelweg het geld niet voor vaker open te zijn.’ We hebben dus geluk dat ze net vandaag wel open zijn. Ik vraag of er nog iets ‘echt Indisch’ in de buurt te vinden is. Micky kijkt me aan, denkt even en zegt dan ferm: ‘Nee, eigenlijk niet echt.’ We praten verder, honderduit over Indische dingen, de geschiedenis, de Indische ‘klik’ die ik niet kan uitleggen is er.

In gesprek met Micky
In gesprek met Micky

Achterin zie ik een kamer met knalroze wanden. ‘Wat dachten jullie? Deze kamer geven we de kleur van stroop susu?’ vraag ik lachend. Dan stapt er een Nederlandse dame binnen: ‘Heb jij die flyer voor de krontjongmiddag nog opgehangen?’ Micky haakt er direct op in en stelt ons voor: ‘Dit zijn Valérie en Charlie, derde generatie Indo’s. Ze zijn met een verhaal bezig voor een Indische weblog.’ De dame nodigt ons uit om dezelfde middag nog langs te komen bij de krontjongmiddag: ‘Het wordt georganiseerd door Nusantara Indah. Er zijn veel Indische en Nederlandse mensen, maar ook mensen van andere culturele achtergronden. We spelen en zingen samen krontjong, jullie zijn meer dan welkom.’ Direct besluiten we: dat moeten we doen.

Als de koffie met melk op is, hobbelen we in de richting van het buurthuis waar de krontjongmiddag plaats vindt. We raken de weg al snel kwijt,en als we twijfelen of we wel bij het juiste adres zijn, verschijnt gelukkig de dame van het café. ‘Wat leuk dat jullie er zijn! Ik heb het al even over jullie gehad. Kom binnen, kom binnen!’ We worden warm onthaald door de aanwezigen. Er wordt ons kort uitgelegd dat ze deze middagen organiseren om de buurtbewoners dichter bij elkaar te brengen en hoe de uitspraak van het Maleis te leren. Minuten later zing ik uit volle borst zing ik mee met ‘Ayun ayun’ en ‘Nina bobo’. Een van de Nederlandse aanwezigen lacht breeduit naar me.

Krontjong spelen en elkaars cultuur leren kennen
Krontjong spelen en zingen en elkaars cultuur leren kennen

Ik verbaas me over het feit dat, terwijl verwachtte alleen Turkse Nederlanders te vinden, ik in deze wijk ineens krontjong aan het zingen ben. Dan spelen ze ‘Terang Bulan’. Ik krijg tranen in m’n ogen: op dit liedje ging mijn opa tijdens zijn begrafenis min of meer ‘swingend’ te kerk uit.

Tot zover de bijnaam ‘Klein Alanya’. Ik besluit de Indische buurt voortaan weer Lombok te noemen.

 

Klik hier voor meer achtergronden over de wijk Lombok en bezoek ook de site van het leuke initiatief Linken Leggen Lombok.