Knock knock

Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.

Shemara van den Heuvel won dit voorjaar de tweede prijs in de verhalenwedstrijd Hier Wordt Wat Groots Verricht van Indisch 3.0. Meer weten over deze dame? Lees dan de Indisch 3.0-bijdrage aan de Moesson van september. Volgende maand publiceren we het laatste verhaal in deze reeks, waarmee Christie Haalboom de derde prijs gewonnen heeft

Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.
Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.

Wat hoor ik nu? Ik sla de deken van mij af en besef dat ik lezend in slaap ben gevallen. Mijn boek ligt half open naast mijn kussen. Stilte. Het zal wel in mijn droom gebeurd zijn. Echt iets voor mij om een thriller te gaan lezen alleen in een hotelkamer op Bali. Niet zo slim als je van nature bang aangelegd bent.

‘Bam, bam.’ Van schrik val ik bijna uit de luxe boxspring. Nu weet ik zeker dat er iemand op de deur heeft geklopt. Zijn het mijn ouders? Ik kijk op de wekker naast me en zie dat het 02.00 in de ochtend is. Er is vast iets gebeurd. Ik loop in de richting van de hoteldeur en kijk door het spionnetje. Niemand. Ik voel een kramp in mijn buik van angst. ‘Kom op, Shemaar,’ zeg ik tegen mezelf. Misschien zijn het mijn neven die in de kamer naast mij zitten? Volgens Nederlandse mensen zijn het technisch gezien niet mijn neven. De ene is een achterneef, de zoon van een neef van mijn moeder. De andere neef is een neef van mijn neef. Heel verwarrend allemaal. Daarom noemen we ze gewoon neven.

Waar haal ik de moed vandaan, denk ik als ik de zware hoteldeur open. De deur maakt een piepend geluid. Met mijn hoofd hang ik angstig tegen de deur, ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. Het chique hotel op Bali waar we verblijven heeft ellenlange gangen en aan beide kanten is er niemand te bekennen. Hoe kan dat nou? Het moeten mijn neven geweest zijn, die waarschijnlijk te diep in het glaasje hebben gekeken en het grappig vonden om mij te laten schrikken. Lekker puberaal. Door de schrik ben ik klaar wakker, de adrenaline giert door mijn lijf. Nu kan ik net zo goed even bij ze aankloppen.

Ik hoor gestommel aan de andere kant van de deur. Mijn neef doet open en het is heel duidelijk dat hij diep in slaap was. ‘Oeps,’ denk ik bij mezelf. Wie heeft er dan bij mij aangeklopt? Mijn angst overvalt me wederom. Of spelen ze een flauw spelletje ‘nichtje pesten’?

‘Wat kom je doen? Het is midden in de nacht.’ Hij is nog slaapdronken en ik zoek naar woorden.

‘Er werd bij op mijn deur geklopt en ik dacht dat jullie het waren,’ stamel ik.

‘Nee, dat waren wij niet.’ Hij maakt aanstalten om de deur voor mijn neus dicht te smijten. Ik kan me dat best voorstellen, maar ik ben nog steeds doodsbang.

‘Hoe kan dat nou,’ hoor ik mezelf zeggen met een hoog piepstemmetje.

Mijn neef is nu iets meer wakker en reageert aardiger. ‘Gaat het wel goed?’

‘Ik wist zeker dat jullie een flauwe grap met mij uithaalden. Er werd op de deur geklopt en toen ik ging kijken stond er niemand,’ ratel ik.

‘Wat gek. Misschien was je te laat met de deur open doen?’ Hij wrijft uitgebreid in zijn rode vermoeide ogen. Ik voel me schuldig dat ik hem wakker heb gemaakt.

‘Ik heb heel snel de deur open gemaakt. Het is onmogelijk,’ zeg ik stellig.

‘Je ziet er geschrokken uit. Ga maar lekker verder slapen, er is niks aan de hand. Er is toch niemand.’

Opeens weet ik als donderslag bij heldere hemel wat het is. Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. ”Het was een klopgeest,’ roep ik uit.

Mijn neef begint heel hard te lachen. ‘Een klopgeest?’

‘Ik weet het zeker. We zijn in Indonesië, die zijn hier echt,’ zeg ik wanhopig. ‘Echt waar. Ik durf niet terug naar mijn kamer met die klopgeest. Ik vind het doodeng.’

Hij komt niet bij van het lachen. Ik besef dat het best belachelijk klinkt. Aangezien hij niet Indisch is, is zijn reactie best begrijpelijk. Mijn Indische oma heeft het altijd over Hollandse mensen: dit zou ik een typische Hollandse reactie noemen. Hij is niet opgegroeid met de verhalen over Indië, zoals ik.

Mijn andere neef is door ons kabaal wakker geworden. Hij is wel Indisch en lacht me gelukkig niet uit.

‘Gaat het meisie,’ zegt hij lief. ‘Kom maar bij ons slapen vannacht.’

Ik ben heel blij dat hij mij uitnodigt. Opgelucht haal ik adem. ‘Wat fijn, dankjewel.’

 

Ongemakkelijk lig ik tussen mijn twee neven. Ik mocht onder één voorwaarde bij hen logeren: ik moest in het midden van het kingsize bed liggen. Dit was een betere optie dan terug naar mijn eigen kamer. Ik maak me zorgen over de rest van het verblijf. Hoe ga ik deze week alleen in mijn hotelkamer slapen? Ik doe mijn ogen dicht en probeer in slaap te vallen. Opeens springt mijn Hollandse neef als een gillende keukenmeid uit bed. ‘Oh nee een beest,’ is het eerst dat in mij opkomt. Ik spring in paniek achter hem aan.

Verbaasd kijkt hij mij aan, ‘voelde jij dat ook?’

‘Wat voor beest is het?’ gil ik.

‘Het was geen beest, ik voelde een vinger langs mijn blote rug naar beneden glijden.’

Hij sliep met zijn rug naar de buitenkant van het bed. Ik zie de angst in zijn ogen.

‘Dat is de klopgeest,’ reageert mijn Indische neef droog.

‘Het voelde alsof iemand met een vinger van de bovenkant naar de onderkant van mijn rug naar beneden gleed. Ik wil niet op deze kamer blijven,’ zegt hij resoluut.

Mijn opa en oma verblijven ook in dit luxe hotel voor de bruiloft van mijn andere neef, mijn ‘echte’ neef. Mijn neven kennen mijn opa en oma goed genoeg om te weten dat ze het niet erg vinden als we op dit onmogelijke tijdstip bij ze langsgaan.’Laten we naar mijn opa gaan,’ opper ik.

 

We zitten bij mijn opa en oma op de hotelkamer. Mijn opa is altijd in zijn element in Indonesië. Het was niet zijn keuze om Indië te verlaten. Mijn oma wilde naar Holland omdat het beter zou zijn voor de kinderen. Als mijn oma dat niet had gewild, had ik niet bestaan: mijn moeder had dan nooit mijn vader kunnen ontmoeten. We vertellen hen het klopgeest-verhaal.

‘Waar moet ik nu gaan slapen de rest van de week? Ik ga morgen een andere kamer vragen bij de receptie.’

Mijn opa glimlacht geamuseerd. ‘Dat heeft geen zin.’ Hij laat een lange stilte vallen.

‘Vertel het die kinderen maar gewoon,’ reageert mijn oma en verbreekt zijn zwijgen. ‘Je kunt altijd bij ons op de kamer slapen Shemaartje, dat weet je toch.’

‘Het resort is gebouwd op een massagraf,’ vervolgt mijn opa. ‘Dit hotel zit vol met geesten, een andere kamer zal daar niets aan veranderen.’

We zitten in een fantastisch chic hotel direct aan de Balinese zee. Dit kan toch niet waar zijn?

‘Blijkbaar hebben jullie dat gevoeld.’ Ik zie dat hij trots op ons is. Als kind heb ik jaren verhalen gehoord over geesten, het bleef altijd iets abstracts voor mij. Ik had nooit verwacht dat ik zoiets zelf zou meemaken.

‘Wat moeten we nu doen?’ vraagt mijn Hollandse neef. Ik zie aan zijn hoofd dat hij het allemaal maar niks vindt. Hij zal waarschijnlijk nooit meer iemand uitlachen die over een klopgeest vertelt.

‘Ik zal uitleggen hoe jullie hier voortaan mee om kunnen gaan,’ en laat een stilte vallen. Wij hangen vol spanning aan zijn lippen. ‘Niet bang zijn. Vraag de geest om weg te gaan.’

Nu, tien jaar later is mijn opa er niet meer. Hij is 3 jaar geleden overleden. Hij heeft mijn oudste dochtertje nog kunnen ontmoeten, een paar dagen later overleed hij. Als ik geluiden hoor in de nacht, dan denk ik altijd aan zijn wijze woorden. Ik ben niet meer bang voor geesten. Ik prijs me gelukkig met zulke lieve grootouders aan wie ik mijn bestaansrecht dank.

Jill Stolk – Ademtocht #indischeboekenweek

ademtocht jill stolk De Witte Uitgeverij 2011

Monoloog van grote zus & enig kind

Week van het Indische boek 2011

Haar indrukwekkende Scherven van smaragd kwam uit tijdens de ‘Indische lente’ in de jaren ’80, haar laatste boek is uitgekomen in het jaar dat veel van onze lezers nog op de kleuterschool zaten: Jill Stolk publiceerde in 1996 Indië was alles. Alles. Daarna begaf deze veelzijdige Indische zich op andere terreinen. Tot dit jaar. Want sinds mei 2011 ligt haar nieuwste boek Ademtocht (De Witte Uitgeverij) in de boekhandels.

In Ademtocht vertelt Zenadine Sandt hoe zij de dood van haar jongere broer Beer verwerkt heeft. Dit vertelt zij aan de geestverschijning van Beer zelf, twintig jaar na zijn overlijden. Binnen deze verhaallijn leidt de schrijfster de lezer vakkundig rond in de zieleroerselen van Zenadine: Indisch kind, Haags meisje, grote zus, enig kind. Dat Stolk kan schrijven, daar is geen twijfel over. Waar ik wel over twijfel, is of ik dit boek zou aanbevelen aan anderen.

Het boek is een monoloog en doet denken aan een dagboek, waarin Zenadine optekent hoe ze van grote zus enig kind werd. Ze beschrijft aan haar broer hoe zij de relatie met hem ervaren heeft en hoe zij en haar ouders geleefd hebben na zijn overlijden. De geestverschijning van haar broer praat niet terug en ook de gedragingen haar ouders & echtgenoot, de andere karakters, beschrijft zij aan haar broer. Als lezer begeef je je daardoor grotendeels in de gedachtespinsels van Zenadine Sandt; alle gebeurtenissen zie je door haar ogen, de discussies lees je in haar woorden. Het gevaar van monotonie ligt dus op de loer.

Voeg hieraan toe dat je het boek alleen kan lezen zonder vragen te stellen over de ‘echtheid’ van geestverschijningen, itjing en andere aanverwante niet-waarneembare fenomenen. De inhoudelijke verhaalllijn is daar namelijk sterk op gebaseerd. De hoofdpersoon wordt net zo ziek als haar broer en laat ik zeggen, om de clou niet weg te geven, dat Zenadine het over de oorzaak daarvoor niet eens is met de conclusies van de westerse medici.

Wat mij als lezer geboeid heeft, is de overkoepelende vraag: hoe verwerk je het verlies van een broer (of zus)? Zeker als de achterblijver geen warme relatie met de overledene had? Die spanning, tussen de intimiteit van de persoonlijke rouwverwerking en de afstandelijkheid van de broer-zus relatie, hield me tot aan het einde toe nieuwsgierig. Daarnaast heb ik met bewondering gelezen hoe Zenadine, indirect maar bewust en openhartig, haar mooie en minder mooie eigenschappen aan haar broer beschrijft.

Toch werd mijn bewondering op het laatst flink om zeep geholpen. Het intieme karakter van Ademtocht maakt de laatste paar bladzijden ruimte voor een korte lezing over Indische repatrianten en de parallel met het verhaal van Beer. Of het nou de keuze van de schrijfster of van de uitgever is geweest, ik weet het niet. Hoe dan ook, het is best zorgwekkend dat beiden het er uiteindelijk over eens geworden zijn dat het lezend publiek blijkbaar niet intelligent genoeg is om zelf na te denken.

Ademtocht is een eerlijk en oprecht boek. Maar onverdeeld enthousiast ben ik er niet over. Ik kan me voorstellen dat dit boek boeiend en herkenbaar is voor mensen die een broer of zus verloren hebben. En ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die dit boek na een paar pagina’s wegleggen.

Wil jij zelf bepalen wat je van dit boek vindt? Share dit artikel op Twitter met #indischeboekenweek en maak kans op een van de geschenk-exemplaren! Geen Twitter, wel winnen? Mail dan vijf vrienden de link naar de recensie vh boek dat jij wil winnen en zet redactie@indisch3.nl in de CC! Let op: sharen op Facebook kunnen we niet tracken, alleen RT’s of Tweets #indischeboekenweek komen voor een gratis exemplaar in aanmerking.

Week van het Indische boek 2011 jill stolk

4.0 op komst (2)

echo baby Kirsten feb 2011

Liefde uit het hiernamaals

Net terug uit Berlijn, hadden we de koffers de portiektrap omhoog gezeuld. Bij de voordeur stampten we de sneeuwresten uit onze schoenen, toen ik giechelende kinderen hoorde juichen: “Ze zijn er, ze zijn er!” Verbaasd duwde ik de deur open.

In de gang liepen drie katten en drie kinderen, die mijn vriend M. niet zag. In dit huis was al eens eerder een kindergeest op bezoek geweest. Die had heel anders aangevoeld dan deze drie: deze kinderen voelden eigen, als familie. Wie waren dit? En waarom waren ze er opeens?

Ik was erg moe en alvast in bed in gaan liggen. Daar besloot ik, zolang M. nog in de woonkamer zat, contact met ze te maken. Twee van de drie kinderen hoorden duidelijk bij elkaar. Sterker nog, ze leken op mij en mijn broer. Het ene kind was een meisje en was erg beschermend naar het andere kind toe; een verlegen jongetje. Ik wist dat mijn moeder twee kinderen had gehad die nooit geboren waren. Zouden ze dit zijn?

Aan het meisje vroeg ik wie ze was. Ze boog voorover en fluisterde met kinderlijk enthousiasme iets in mijn oor. ‘Ik ben Suzie!’, meende ik te horen. Die naam kwam in mijn familie niet voor. ‘En hoe heet hij?’ Het leek alsof ze zei dat het jongetje naast haar Paul heette. Onmiddellijk wees ik dat af. Die naam was zo voor de hand liggend, dat moest ik wel zelf verzonnen hebben; in mijn moeders familie kwam die naam erg veel voor. Ik had het vast allemaal verkeerd verstaan. Verwonderd keek ‘Suzie’ me aan.

Het derde kind, een meisje, leek niet op het broertje en zusje. Ze was groter, had een andere huidskleur, stond wat verder bij me vandaan en was lang niet zo vrolijk als het andere meisje. Diep van binnen wist ik wie ze was. Zeven jaar eerder was ik in verwachting geweest, heel kort. De relatie waar zij het product van was, was niet stabiel genoeg geweest om een basis te vormen voor een kind. Dus erg dat die zwangerschap zich niet ontwikkeld had, heb ik dat nooit gevonden.

‘Ben je mijn dochter?’ Het meisje knikte. Eindelijk. Ik had al eerder gehoopt contact met haar te krijgen. ‘Waarom ben jij nu hier?’ Daar hoorde ik niet direct een antwoord op. Wel hoorde ik haar zeggen: ‘Mama, je weet toch dat ik weggegaan ben omdat het tussen jou en papa niet klopte?’ Dat wist ik. Ik vertelde haar dat ik daar vrede mee had. Blijkbaar was ze naar me toegekomen om dat te vertellen: in tegenstelling tot de andere twee kinderen, nam ze afscheid van me. Haar zou ik nooit meer zien. De andere twee wel: ze vonden het gezellig en bleven, alsof ze ergens op wachtten.

Een paar dagen later waren ook mijn – levende – broer en zus bij ons. Zonder iets te zeggen over de namen, vertelde ik dit verhaal, wees aan waar de twee op dat moment zaten en vroeg ze of ze onze ongeboren broertje en zusje konden zijn. Mijn zus reageerde en zei: ‘Mama heeft me wel eens verteld dat ze het jongetje de naam Paul zou hebben gegeven. Het andere kind heeft ze nooit een naam gegeven.’ Opeens realiseerde ik me wat het meisje me die avond toegefluisterd had: ‘Ik ben je zusje!’

‘Iets Indisch’ (2)

Daar stond ik dan. Midden in de nacht. Oog in oog met mijn overleden oma. Heel ontspannen zat ze daar. Al rokend aan de keukentafel. Ik moet bekennen dat ik in redelijke staat van paniek verkeerde. Zoals ik de vorige keer schreef, was ik wel wat gewend in mijn dromen, maar dit was andere koek. Dit was oma.

Afbeelding: lekkerding1967.spaces.live.com

Gelukkig had ik ooit eens had gelezen of gehoord dat je dit soort ongenode gasten het best kan wegsturen door hardop te vragen of ze weg willen gaan. Daarom bedacht ik me geen moment, deed het licht aan, pakte de tafel beet, concentreerde me en zei: “Oma, leuk dat je mij komt opzoeken, maar ik word er bang van. Ga alsjeblieft weg, ga weg alsjeblieft…”

Een geest wil ik haar niet noemen. Eerder een afdruk. Immers, ik weet tot op de dag van vandaag niet of ik haar die nacht echt heb gezien. Misschien wilde ik het zien of was het een keiharde mindf*ck. In ieder geval was ik niet blij met haar bezoek. Bovendien leek ze niet op de oma die we hadden gecremeerd. Een uitgeteerd hoopje mens na ruim drie weken ziekbed. Meer was er niet over van die ooit zo grote vrouw (in de lengte overigens). Haar afdruk was simpelweg te perfect.

Deze ervaring heb ik een paar jaar geleden gebruikt tijdens een huiskamertournee. Door heel Nederland speelde ik bij mensen thuis mijn liedjes en vertelde o.a. dit verhaal. Een aantal keer kwam het voor dat er voor of na dit verhaal iets vreemds gebeurde; een kaars begon plots te branden, een schilderij kwam naar beneden en het klassieke klapperen van ramen en deuren.

In de loop der jaren heb ik het allemaal geaccepteerd. Af en toe gebeurde er wel iets, maar zocht het nooit op. Hoopte nooit op een nieuwe droom of verschijning van opa, oma’s of andere dierbaren. Tot eind mei dit jaar.

Mijn allerlaatste en vooral allerliefste opa ging dood. Als kind heb ik dikwijls gewenst dat hij als laatste van mijn opa’s en oma’s mocht sterven. Niet dat de anderen dood moesten, maar hij was mijn grote vriend. Onze band was ijzersterk. Onze humor dodelijk. Positief en negatief.

Toen hij stierf voelde het alsof ik werd overreden door een trein en alsof iemand de hele tijd citroensap in de wonden spoot. Intense pijn. Uiteraard had ik een maand eerder al gedroomd over zijn naderend afscheid, maar ik had er geen waarde aan gehecht. Of geen waarde aan willen hechten.

Vlak na zijn dood constateerde ik dat ik hem niet meer kon bedanken voor alles. Maar wederom geschiedde het. Per droom. Tweemaal. De eerste keer wilde ik hem alsnog mijn dankbaarheid tonen, maar ging hij liever samen foto’s van vroeger bekijken. In de tweede droom kreeg ik een dikke knuffel. Zo onwaarschijnlijk mooi en liefdevol dat ik nog steeds elke avond voor het slapengaan denk: “Misschien komt opa wel langs!”

Maffe Indo die ik ben.

‘Iets Indisch’ (1)

Soms droom ik heftig. Niet eng, maar wel dat ik met terugwerkende kracht bang word. Want heel soms zie ik dingen die ik liever niet zie. Dat is wel eng. Laat ik voorop stellen dat ik absoluut niet (bij-)gelovig ben. Ik geloof niet in leven na de dood en denk niet dat er meer is tussen hemel en aarde, maar ik weet wel dat ik alles uit deze column niet heb verzonnen. Hoe nuchter ik ook ben, ik ben niet blind.

Dromen

Iets Indisch, zo noemt mijn moeder het. Ze zegt dat ik het van oma Neumann heb geërfd.

Mijn ouders wonen in een fijn huis, maar toch is het geen plek waar ik graag ’s avonds laat als laatste naar bed ga. Als ik alleen ben lijkt het net of er een koud briesje langs mijn lichaam waait. Die sfeer zorgt ervoor dat ik op mijn hoede ben, alhoewel ik me er niet onveilig voel. Afgelopen weekend sliep ik er voor het eerst sinds maanden weer eens en het was in de nacht van zaterdag op zondag meteen mis in mijn dromen.

Ik droomde dat een vriendin van mij ging bevallen. Geen gekke gedachte, want ze was zwanger. Normaal gesproken houd ik zoiets voor mezelf en wil ik achteraf weleens zeggen dat ik het allemaal al wist omdat ik erover had gedroomd. Borstklopperij van het zweverigste soort. Dit keer besloot ik het mijn vrouw van tevoren te vertellen. ,, Puntje, puntje is vannacht bevallen of gaat dat vandaag doen!’’, zei ik lacherig. Dat lachen verging mij snel maandagochtend toen ik een sms ontving dat die vriendin inderdaad de dag daarvoor was bevallen. Om 23:37 uur, dus weliswaar op de valreep, maar wel precies binnen het tijdskader van mijn voorgevoel. Natuurlijk was ik blij, maar de bewuste vriendin had van mij wel een dag eerder of later mogen baren.

Misschien is mijn ouderlijk huis een ideale plek voor dit soort dromen. De allereerste droom die ik me herinner heb daar ook gedroomd. In 2003 ga ik een avond naar schouwburg. Die nacht droom ik mij op het herentoilet van datzelfde theater. De deur gaat op en mijn Indische opa komt binnen. ,,Ben je ons vergeten?”, vraagt hij. ,,Hoezo”, antwoord ik. ,,Jullie zijn toch dood?” Op dat moment zwaait nogmaals de deur open en staat ook oma in de ruimte. Einde droom. De dag daarna bleek het precies een jaar geleden te zijn dat oma overleed. Opa stierf kort na haar dood van verdriet.

Op één of andere manier heb ik dit soort dromen/ervaringen alleen met mijn opa’s en oma’s. Neem bijvoorbeeld mijn Hollandse oma. Een paar weken na haar overlijden overkwam mij, wederom bij mijn ouders, het volgende:

Het was bijna Kerst. Omdat ik nog genoeg werk te verzetten had voor de laatste loodjes van mijn studie, was ik ’s nachts nog aan het typen op de bovenverdieping. Opeens hoorde ik iemand mijn naam roepen. Heel zacht. ,,Patrick… Patrick…” Misschien is het van belang te zeggen dat ik in die tijd geen druppel alcohol dronk, dus daar lag het niet aan. Toen ik het roepen bleef horen ben ik in het donker de trap afgelopen. Iets wat ik in dat huis niet graag doe, maar het was een soort trance. Ik deed het gewoon. Wat ik toen zag kan ik nog steeds niet verklaren. En wat mij betreft hoeft dat ook niet. Noem het de kracht van de geest of desnoods vermoeidheid, maar ik was nog niet beneden of daar zat ze. Aan de keukentafel, met een sigaret in haar hand: mijn oma.

(Wordt vervolgd)

Geestige oma

Oma Neumann schijnt met de helm op te zijn geboren. Dat wil zeggen dat ze bij haar geboorte een deel van de vruchtvliezen om het hoofd heeft gehad. Er zijn mensen die geloven dat, wanneer je ter wereld wordt gebracht met zo’n helm, je over paranormale gaven beschikt. Mijn oma was zelf een van die (bij-)gelovigen. Zo voelde zij al dagen van te voren aan dat er een familielid in Indonesië zou sterven. De cynicus zal zeggen: ,,Da’s de goden verzoeken!” Ik houd het voorlopig op mijn oma als een overgevoelig type.

'Geesten kwamen gewoon via de voordeur' Foto: www.spiritwhitelight.nl

Overgevoelig of niet, wat heb ik veel van haar gehouden. En ik was ontroostbaar toen ze in 2003 overleed. Om even snel een beeld te schetsen: Oma was een klein Indootje met spleetogen. Hield van gezelligheid, gokken (dat zal het Chinese bloed zijn…) en van spelletjes doen. Bij dat laatste moet ik even een kanttekening maken. Van diverse bronnen in de familie heb ik namelijk vernomen dat zij een handje had van valsspelen. Over de doden uiteraard niets dan goeds, maar dit puntje maakt haar menselijk daardoor iets minder de ideale oma. Bovendien heeft ze er niets aan wanneer ik haar de hemel in prijs, want daar is ze immers al.

Omdat ik niet zit te wachten op reacties als: “Je maakt je oma belachelijk, schavuit! Hoe durf je, schobbejak!”, voor alle zekerheid nog één positief punt: mijn oma was altijd gastvrij. Behalve op oudejaarsavond. Alhoewel, dan was ze ook gastvrij, maar niet voor levende wezens. Rond 31 december hing een mysterieus sfeertje. Het schijnt dat oma de hele avond bad. En dat ze geesten op bezoek kreeg. Ik weet er het fijne niet van, maar oma vertelde er op nieuwjaarsdag altijd over alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Waarschijnlijk heb ik daarom nooit naar details durven vragen, want niets is zo eng als iemand die op zo’n gezellig toontje over geesten praat. Alsof ze elk moment van de dag een kopje suiker kunnen vragen.

Volgens mijn oma kwamen de ‘gasten’ gewoon via de voordeur. Zij liet ze dan netjes binnen door ook echt de deur even open te doen. Nadat ze met opa verhuisde naar een flat en ze tevens minder goed ter been werd, vertelde ze dat de geesten met de lift kwamen. Op de tweede verdieping wachtte zij ze op en nam ze ze meer naar huis.

Speciaal voor hen had ze allemaal lekkere dingen (spekkoek enz.) in huis gehaald. Er werden sigaren gerookt. Oma was er heilig van overtuigd dat de gasten aten, dronken en rookten. Uiteraard bleef er altijd eten over en dat was dan voor ons als we op 1 januari op bezoek kwamen. Ik heb echter jarenlang niets lekkers durven eten op nieuwjaarsdag, omdat ik me er te bewust van was dat ik iets van een schaal moest pakken waar de avond daarvoor een geest met zijn vingers aan had gezeten. Welke rol opa Neumann tijdens de jaarwisselingen speelde is mij overigens niet duidelijk. Hij kon er het ene jaar serieus over vertellen om het een jaar later weer belachelijk te maken. Helaas kan ik het ook hem niet meer vragen.

De rillingen lopen nu alweer over mijn rug. Geen idee waarom ik over dit onderwerp schrijf. Wellicht omdat ik net 27 ben geworden en me steeds bewuster ben van de volwassen man die mij aankijkt ik in de spiegel. Of het is die Indotiteitscrisis van mij. Toch is vreemd. Het is nu ruim zeven jaar geleden dat ze overleed en het is al die jaren nooit in me opgekomen om haar op te voeren als dankbaar onderwerp voor mijn werk. Behalve vlak naar haar overlijden, maar dat is een soort therapie ten behoeve van het verwerkingsproces (en dat telt niet). Misschien bestaat er rondom de dood ook een seven year itch. Net als in relaties. Alleen klopt, in plaats van de sleur, oma op de deur. In mijn geval letterlijk en figuurlijk.

Ter afsluiting nog één creepy wijsheid van oma voor het slapengaan: Na een begrafenis nooit achterom kijken naar het graf van de overledene…