Foto zoekt verhaal #3: Meisjes met zwarte haren

Een beeld zegt meer dan duizend woorden, zegt men wel. Maar wat als het beeld toch niet genoeg zegt, zoals bij de foto’s uit het Foto zoekt familie-project van het Tropenmuseum? Als niemand iets weet van degene die op de foto staat? In Foto zoekt verhaal, het vervolg op Photofriday, kijken we verder dan het beeld alleen: welke associatie roept de foto op? In de laatste en derde aflevering een geheel fictief verhaal.

Foto uit album 986, Tropenmuseum/KIT.
Foto uit album 986, Tropenmuseum/KIT.

Meisjes met zwarte haren

Als de foto nog in zijn bezit geweest was, had hij het misschien begrepen. Dan had hij begrepen waarom zijn zoektocht naar liefde hem altijd in de handen van Indische vrouwen dreef. Waarom meisjes met zwarte haren steevast een verlangen opriepen, geen seksueel verlangen, maar de sterke wens zijn hoofd in hun schoot te leggen. Zodat hij niet meer hoefde denken aan de zaak van vader, die in minder florissante staat bleek te zijn dan de oude heer hem had voorgespiegeld. Zodat hij zich niet meer druk hoefde maken over zijn zeurende, ziekelijke echtgenote. Het was een verstandshuwelijk, een zakelijke overeenkomst zou je kunnen zeggen, en het was dan ook háár geld dat maakte dat ze het hoofd en dat van hun vijf kinderen boven water konden houden.

Het was rustig in de kapperszaak. Over een half uur had hij een afspraak op kantoor en uit behoefte aan frisse lucht had hij een rondje door de buurt gelopen. Door de grote ruit zag hij het Indische meisje staan, de zwarte haren opgestoken in een hoge wrong. Ze rekende af met een klant. Hij bleef stilstaan voor het raam. Hij zag wel vaker Indische meisjes, maar er was iets in het gezicht van dit meisje dat hem bekend voorkwam. Waren het haar wangen, haar ietwat brede neus? Kende hij haar? Maar waarvan dan? Voor hij er erg in had, stond hij binnen.

Knippen, meneer? Of scheren?’ vroeg ze vriendelijk. Hij kon een knipbeurt gebruiken, maar ook als dat niet zo was geweest, was hij in de stoel gaan zitten. Toen ze hem de kappersmantel omdeed, zag hij haar bruine handen met de lichter gekleurde nagels, ongelakt, maar glanzend opgewreven. Hij huiverde even.

Heeft u het koud? Kan ik u iets warms te drinken aanbieden?’ vroeg het meisje. Hij schudde zijn hoofd en zei nors: ‘Enkel wassen en knippen, alstublieft.’ Ze nam zijn hoofd in haar handen en liet het achterover zakken om te wassen. De aanraking verwarde hem even, maar het warme water deed hem ontspannen. Ze masseerde zijn hoofdhuid langdurig. Het maakte hem loom en hij droomde even weg. Hij lag op droog gras, in een bos van lage kronkelige bomen en struiken. In de verte schemerden bergtoppen, de lucht was zwaar en heiig. Het was warm, maar toch droeg hij een jas over zijn korte broek. Hij voelde de ruwe stof tegen zijn blote benen kriebelen. Met wie was hij daar, of waarom?

Net zoals alle beelden die hij van Indië had, was dit beeld vaag. Ze waren er vertrokken toen hij zeven was en zijn herinneringen waren een mengelmoes van geuren, klanken en gevoelens, aangevuld met foto’s en verhalen van zijn ouders. Het verhaal dat het meest verteld werd, was dat zijn kleine zusje malaria kreeg en zijn ouders dagenlang rond het bed van het kwijnende kind zaten. Gelukkig was er een Indische kindermeid die op de andere kinderen had gepast, vertelde zijn moeder altijd. Hij kon zich de baboe niet meer herinneren. Wel wist hij dat zich hij bij haar prettig voelde, veilig en geliefd. Van later, terug in Nederland, toen het gezin met nog vier kinderen werd aangevuld, herinnerde hij zich vooral zijn moeders harde handen als ze vond dat hij niet hard genoeg zijn best deed.

De kapster duwde zijn hoofd weer omhoog en droogde zijn haar met een zachte handdoek. Ze kamde het en begon te knippen. Steels bekeek hij haar in de spiegel. Ronde heupen, een wat compact postuur, enigszins schuine, dichtbij elkaar staande ogen, lange oorlellen met twee eenvoudige oorbellen. Ze boog zich naast hem voorover om een andere schaar te pakken. Voor hij erg had in wat hij deed, pakte hij haar bij de heupen en drukte zijn hoofd in haar schoot. Een droge snik ontsnapte hem.

De kapster bewoog zich niet. Toen maakte ze zijn handen voorzichtig los. Ze zei niets. Hij sprong van zijn stoel en rende naar de deur. Op het laatste moment bedacht hij zich, trok zijn portemonnee. Hij liep terug, drukte haar enkele bankbiljetten in de hand en verliet het pand zo snel hij kon.

Pas toen hij de verbaasde blikken op kantoor zag, besefte hij dat zijn haar maar half geknipt was.

Elke maand laat Meike Grol haar gedachten de vrije loop, aan de hand van een van fotoʼs uit de verweesde fotoalbums bij het Tropenmuseum. Kent iemand de persoon op deze foto? Klopt er iets in bovenstaand verhaal? Deze foto komt uit het album 0986. Dit en alle andere albums zijn online te bekijken op www.fotozoektfamilie.nl en te downloaden op je tablet.

Foto zoekt verhaal #2 "Teringhollanders!"

Een beeld zegt meer dan duizend woorden, zegt men wel. Maar wat als het beeld toch niet genoeg zegt, zoals bij de foto’s uit het Foto zoekt familie-project van het Tropenmuseum? Als niemand iets weet van degene die op de foto staat? In Foto zoekt verhaal, het vervolg op Photofriday, kijken we verder dan het beeld alleen: welke associatie roept de foto op? Aflevering 2: Koninginnedag in Indië.  

Koninginnedag. Foto: Tropenmuseum/ KIT.
Koninginnedag in Nederlands-Indië. Foto: Tropenmuseum/ KIT.

“Teringhollanders”

‘Wilhelmus van Nassouwe, ben ik, van Duitsen bloed..’ Deze foto, genomen op Flores, laat een optocht zien ter ere van Koninginnedag. De jongens maken muziek, de meisjes zwaaien rood-wit-blauwe vlaggetjes. Hun jurken zijn hagelwit, hun moeders hebben ze die ochtend nog te drogen gehangen in de blekende tropenzon. Onder luid gemopper hebben diezelfde moeders daarna geprobeerd de krul uit hun dikke haar te kammen, om het daarna strak tegen hun schedels te vlechten. Keurig lopen ze in de mars, de Indische jeugd, voor volk en vaderland en die verre Hollandse koningin, wiens gezicht ze alleen van foto’s kennen.

Mijn Indische oudtante Dé heeft vermoedelijk ook ooit in zo’n optocht meegelopen. Jammer genoeg heb ik haar nooit gekend, maar volgens de overlevering was ze een kleurrijk figuur.  Ze overleefde het Jappenkamp en kwam gebroken terug, met falende organen, overal ontstekingen en een snel verergerende reuma. Ook mentaal werd ze nooit meer de oude. Ze was geobsedeerd door vuur en stak in een vlaag van verstandsverbijstering alle belangrijke foto’s van mijn grootouders in de fik. Tweemaal trouwde ze met Hollandse mannen, die haar helaas beiden verlieten. In Nederland zat ze meestal in een hoek van de kamer, een gek oud mens met kromme heksenvingers van de reuma. Te vloeken, met consumptie: ‘Teringhollanders…’. Men zegt dat ze daarmee haar ex-echtgenoten bedoelde, maar misschien was het ook wel algemener bedoeld.

Dé moet heel mooi zijn geweest. Ooit was ze ook zo’n meisje in een stralend witte jurk, die haar best deed haar weerbarstige zwarte haren in de plooi te krijgen voor die verre koningin. Zoals het lange meisje vooraan op de foto, loyaal en vol verwachting. Ik stel me voor dat ze bij het zien van deze foto schamper zou lachen: ‘Ja, zo liep ik toch ook. We hoopten allemaal dat hare majesteit ons een keer op zou zoeken. Maar denk je dat er ooit een Koningin op Koninginnedag naar Nederlands-Indië kwam? Natuurlijk niet, wat dacht jij! Teringhollanders…’

Nee, dan die andere oudtante, mijn tante Rika! Zij had deze foto prachtig gevonden, net zoals ze alles van het Koningshuis prachtig vond. Alhoewel, niet alles, eigenlijk draaide haar koningsgezindheid maar om een persoon: Prins Bernard.

Ook Tante Rika zat altijd als een heks in een hoek van de kamer. Ze was een onooglijk mensje, eeuwig vrijgezel, een echte oude vrijster, onderwijzeres van beroep. Ze ging zodanig op in het interieur dat je je kapot schrok als je de kamer binnenkwam en er ineens uit een hoek klonk: ‘Doe die deur dicht! Wat een ijswind!’. Dat riep ze zelfs als het buiten twintig graden was. Tante Rika had haar kamer volgehangen met afbeeldingen en krantenknipsels van Prins Bernard: de prins in jachttenue, de prins in uniform, de prins voor een vliegtuig, al pijprokend aan de telefoon. Ik vermoed dat ze Juliana zo goed en kwaad als het ging van de foto’s afknipte en haar in reepjes in de prullenbak stopte. Maar misschien is dat mijn fantasie die met me op de loop gaat.

In elk geval, Tante Rika was zeer koningsgezind en zij zal waarschijnlijk gekird hebben bij het zien van deze foto. Ze heeft de vorige troonswisseling niet meegemaakt, maar ik ben er zeker van dat ze verrukt geweest zou zijn te horen dat er ditmaal een koning op de troon komt, de kleinzoon van haar lieve

Wat had ik de twee oude heksen graag horen discussiëren over de aankomende kroning:

‘WimLex,’ zou Rika dromerig uitbrengen bij het zien van het uniform.

‘Net zo’n boef als zijn opa,’ zou Dé mopperen.

Maar Maxima, die zouden ze allebei wel zien zitten. Net als alle andere Nederlanders.

Elke 30e  dag van de maand laat Meike Grol haar gedachten de vrije loop, aan de hand van een van fotoʼs uit de verweesde fotoalbums bij het Tropenmuseum. Vanwege de festiviteiten op 30 april 2013 hebben we deze post een dagje later gepubliceerd. De grote vraag blijft natuurlijk of er een kern van waarheid in haar verzinsels zit. Kent iemand de persoon op deze foto? En wat is er waar van onderstaande interpretatie? Wil jij het Tropenmuseum helpen de foto-albums terug te brengen naar de eigenaren of hun nabestaanden? Alle albums zijn online te bekijken op www.fotozoektfamilie.nl en te downloaden op je tablet.

Naschrift van de redactie: 

Het album waar deze foto uit komt, is inmiddels geclaimd. De familie is gevonden door Bert Immerzeel van Javapost. Het album is van Hajo P. Diepenhuis en zijn vrouw Marie Salteholz; inspecteur van de Staatsspoorwegen Hajo P. Diephuis en zijn vrouw H.C. (Maria). Omdat de oudste dochter problemen had met haar luchtwegen werd voor haar een kostschool gezocht en gevonden buiten Indië, in Perth, Australië. Een van haar zusjes  vergezelde haar. De beide meisjes bleven met enkele tussenpozen van ongeveer 1937 tot 1945 in Australië. In 1944 woonden ze in Melbourne, waar zij (beiden?) een opleiding kregen tot verpleegster. De jongere broer bleef met zijn ouders al deze tijd in Indië. Zij werden – voor zover bekend – tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd. Na de oorlog keerden de meisjes terug naar Nederlands-Indië, en vertrokken later met hun ouders naar Nederland. Weer later verhuisden allen naar Canada, in de omgeving van Toronto. Beide dochters leven nog en zijn 90 en 89 jaar oud.

Foto zoekt verhaal #1 'Eenzaam'

Een beeld zegt meer dan duizend woorden, zegt men wel. Maar wat als het beeld toch niet genoeg zegt, zoals bij de foto’s uit het Foto zoekt familie-project van het Tropenmuseum? Als niemand iets weet van degene die op de foto staat?

In Foto zoekt verhaal, het vervolg op Photofriday, kijken we verder dan het beeld alleen: welke associatie roept de foto op? Elke 30e  dag van de maand laat Meike Grol haar gedachten de vrije loop, aan de hand van een van fotoʼs uit de verweesde fotoalbums bij het Tropenmuseum. De grote vraag blijft natuurlijk of er een kern van waarheid in haar verzinsels zit. Kent iemand de persoon op deze foto? En wat is er waar van onderstaande interpretatie?

Eenzaam

Wat denkt ze, terwijl ze naar buiten staart? Bestudeert ze de tuin? Geniet ze van het groen en de bloeiende bougainville? Of vraagt ze zich juist geërgerd af waarom in hemelsnaam de tuinman die plant daar links niet heeft gesnoeid? Bedenkt ze wat ze vandaag zal gaan doen en vraagt ze zich vervolgens somber af of het allemaal enige zin heeft? Deze tuin, haar leven? Want, hoewel ik vermoed dat de zon daar buiten vrolijk schijnt, heeft deze hele scène iets treurigs. De eenzaamheid lijkt zo van deze vrouw af te stralen dat je bijna vergeet dat ze niet alleen in de ruimte is, dat er een fotograaf achter de camera staat. Door het hoge plafond en de kale muur heeft de veranda iets kils, iets onpersoonlijks. Hoewel de vrouw een fors postuur heeft, maakt ze geen sterke, maar eerder een verloren indruk.

60028876
“Eenzaam.” Foto uit album 0815 uit het depot van het Tropenmuseum.

Deze vrouw, met haar mollige postuur en haar stuurse blik, doet me aan mijn oma denken. In 1946 reisde ze mijn opa achterna naar Nederlands-Indië. Mijn opa was opgegroeid op Java en ging direct na de Tweede Wereldoorlog terug, omdat hij een baan als werktuigbouwkundige kon krijgen. Hij reisde vooruit met een troepentransport. Mijn oma ging hem een jaar later achterna, met mijn moeder, toen anderhalf jaar oud. Ze kon er echter niet aarden. In 1948 keerden ze daarom voor altijd weer terug naar Nederland. Later wilde ze nooit echt praten over haar tijd in Indonesië. Het enige dat ze zei, was dat ze ziek werd van het klimaat.

Toch vermoed ik dat er meer aan de hand was. Mijn oma kreeg haar enige kind in de oorlogswinter in Den Haag. Haar moedermelk was blauw en doorzichtig door het voedseltekort en ze was maandenlang doodsbang de baby te verliezen. Mijn opa overleed bijna aan hongeroedeem. De bevrijding had geen week langer op zich moeten laten wachten. Nauwelijks van dit alles bekomen kwam mijn oma in een Indië aan,  waar een heel andere, maar eveneens hevige strijd losbarstte. Er was de constante dreiging van geweld, van scherpschutters in de bermen, er was een avondklok. De oorlog ging daar voor haar gewoon verder.

Daarnaast was ze een bijgelovig mens. Ze geloofde in geesten, meende dat ze een medium was. Goena-goena jaagde haar de stuipen op het lijf. Vuurbollen voor het raam, kloppende krissen in de kast. Indië was een mooie, maar onbekende wereld waarin er veel was om bang voor te zijn. En met slechts één kind en vele bedienden om ervoor te zorgen, was er weinig omhanden, dus had ze genoeg tijd om te piekeren. Mijn oma was niet een van die optimistische mensen die van die vrijheid genoot en lekker feestjes ging vieren.

Misschien dat ik daarom denk dat de mevrouw op deze foto, ondanks al het moois om haar heen, weinig gelukkig is. Ze kijkt naar de tuin alsof ze het wel ziet, maar het haar niets doet. Alsof ze hier niet thuishoort. Alsof ze de kou van Nederland graag voor lief neemt, als ze maar terug mag naar haar familie, naar de voor haar bekende en veilige wereld.

Maar ja, ik weet het niet, misschien is dit haar huis helemaal niet! Is het een hotel en zit ze gewoon mopperend te wachten op de taxi die veel te laat is…

Wil jij het Tropenmuseum helpen de foto-albums terug te brengen naar de eigenaren of hun nabestaanden? Vanaf aanstaande dinsdag 2 april zijn alle albums online te bekijken op www.fotozoektfamilie.nl of te downloaden op je tablet. Hoe meer mensen de albums doorkijken en met tags becommentariëren, hoe beter. Deze foto komt uit het album 0815. Herken jij deze dame? Of het huis? Ga dan naar http://www.fotozoektfamilie.nl/albums/album-0815 en laat een reactie achter.

Indische mythe

Ken je dat, dat je met hand en tand een stelling hebt staan verdedigen en dat je erachter komt dat je ongelijk hebt? Dat je al die tijd voor de gek bent gehouden? In de maand December zijn er bijvoorbeeld heel wat kindjes voor wie Sinterklaas van zijn voetstuk valt. Ik weet nog goed hoe teleurgesteld ik was, en dat ik me ook een beetje schaamde.

Geloven in Sinterklaas
Het was op een verjaarspartijtje, ik was een jaar of zeven. ‘Geloof jij nog in Sinterklaas?’ zei mijn vriendinnetje Marije smalend. ‘Je weet toch dat hij niet bestaat?’ Geschokt keek ik haar aan, ik kon en wilde het niet geloven. Marijes moeder probeerde de situatie nog te redden, wat haar op een woedende blik kwam te staan: ‘Mam, gisteren zei je nog tegen mij dat hij NIET bestond!’
Toen ik mijn eigen moeder er thuis naar vroeg, gaf ze toe dat Marije gelijk had. Teleurgesteld dat ik was! Niet eens omdat ik genept was, maar vooral omdat ik Sinterklaas met alle overtuiging die ik in me had, had staan verdedigen.

Prinses op de erwt
Veel van mijn herinneringen aan mijn Indische opa stammen uit dezelfde tijd. Had ik iets te piepen, dan riep mijn moeder: ‘Prinses op de erwt!’ Mijn lieve opa begon dan direct een verhaal over het Indische adellijke bloed dat door mijn aderen stroomde. Meestal wist hij op de simpelste vragen over Indië geen antwoord, maar dit verhaal kwam vloeiend over zijn lippen. Toen had ik al iets kunnen vermoeden….

Javaanse prinses
Mijn opa schetste de prachtige kraton in Jogjakarta, de sultan met al zijn vrouwen, de dansen die er werden opgevoerd. Ooit was één van onze voorvaderen naar Indië gekomen, had daar van een sultan één van zijn dochters aangeboden gekregen en omdat hij dat niet af mocht slaan, had hij haar getrouwd. Omdat hij al getrouwd was, konden de kinderen die uit dit tweede huwelijk voortkwamen, niet erkend worden. Dus kregen ze de achternaam van hun vader, achterstevoren gespeld. Mijn moeders familie heet Rhemrev, draai dat maar eens om. Volgens mijn opa stamde ik dus af van een Javaanse prinses. Ik nam het voor kennisgeving aan.

Indische mythe
Nu ik tijdelijk de redactie van Indisch 3.0 kom ondersteunen, heb ik me verdiept in de redactieformule van de site. Daar kwam ik een lijstje van discutabele opvattingen tegen. En wat schetste mijn verbazing: ‘Een gangbare opvatting: je bent speciaal als je Indisch bent (want je stamt af van een Javaanse prinses).’ Wat blijkt: de Javaanse prinses is blijkbaar een Indische mythe, een soort Indisch Sinterklaasverhaal! Ik moest er hard om lachen. Ben je verdorie in de dertig, blijk je alsnog genept!

Recensie: Een land met gesloten deuren

Liever heimwee dan Holland: een pijnlijk voelbaar gemis

Een land met gesloten deuren © Peter van Dongen / In de Knipscheer 2012

Midden jaren vijftig arriveerde journalist en schrijver Tjalie Robinson (Jan Boon, 1911-1974) in Nederland, net als tienduizenden andere Indische Nederlanders. Het land van herkomst was voor velen afgesloten, veroordeeld tot een vaderland dat zij alleen van vakantie of uit de geschiedenisboeken kenden. Holland was koud, nat en totaal anders dan verwacht. Bovendien voelden ze zich niet altijd even welkom. Vorig jaar werden de stukken die Tjalie Robinson net na zijn overkomst schreef, voor het eerst gebundeld en zijn deze nu beschikbaar in een paperbackversie. Opnieuw kunnen we met de scherpe blik van Tjalie naar Nederland kijken. Maar hoe geestig en scherp ook, de heimwee snijdt je door je ziel.

Verloren thuis
Veel van de Indische literatuur die ik gelezen heb, verhaalt van het verlangen naar het warme land uit de jeugd, een mystieke plek met mooi weer, heerlijk eten, prachtige natuur, een verloren paradijs. Het gemis is invoelbaar, zeker, maar niet eerder werd de pijn van het verloren thuis voor mij zo invoelbaar gemaakt als in Het land met gesloten deuren van Tjalie Robinson. Ik denk dat dat komt omdat hij deze verhalen net na het vertrek uit Indië schreef, toen de tijd nog niets van het gemis had verzacht. En daarnaast, Tjalie stond erom bekend geen blad voor de mond te nemen, ook niet als hij het moeilijk had.

Meedogenloos en humoristisch beschrijft hij Nederland in al zijn groot- en kleinheid.

Piekerans en gesloten deuren
Tjalie Robinson had jarenlang een krantenrubriek die ‘Piekerans van een straatslijper’ heette en razend populair was onder Indische Nederlanders, omdat hij zo scherp het dagelijks leven in Batavia wist vast te leggen. Met deze Piekerans gaat hij na zijn aankomst in Amsterdam door. Meedogenloos en humoristisch beschrijft hij Nederland in al zijn groot- en kleinheid. Dat levert geestige en herkenbare situaties op, die ook nu, zestig jaar later, nog altijd actueel zijn. Zo heb ik erg moeten lachen om zijn verbazing over onze hang naar regulatie, die zijns inziens veel te ver gaat en daardoor juist tot ongelukken leidt, zoals in het verkeer:

‘In het begin snap je er niets van, want alles rijdt hier netjes op eigen paden: [..] bij drukke verkeerspunten staan agenten of verkeerslichten. Het is, lijkt me toe, technisch onmogelijk om ongelukken te krijgen. Nu begrijp je het beter. Juist deze overdreven zuigelingenzorg maakt dat de gemiddelde weggebruiker in slaap kan vallen op straat. Elk snijpunt waar de tekens niet duidelijk genoeg zijn, moet dus automatisch fataal worden. […] Ik heb zo’n idee dat als je 100 Hollanders met de fiets op Gadjah Mada of Hajam Woeroek zou neerzetten de helft binnen een half uur vermorzeld zou zijn.’

Alles in Nederland is aan regels gebonden en daar wordt Tjalie gek van:

‘Je zou zo zeggen; als ik bakpauw ga verkopen, dan kan daar toch niemand bezwaar tegen hebben. Dat denk je maar. Ik zal middels examens moeten aantonen dat ik a. kan koken en bakken en b. dat ik kooksels en baksels kan en mag verkopen. Niets gaat zomaar in Holland.’

Zo piekert en klaagt Tjalie het hele boek door, over de koude, eindeloze winter, over het gebrek aan goedgeefsheid van de Hollanders, het gebrek aan fatsoen van de jongeren, maar vooral over de gesloten deuren, de Indische gastvrijheid die hij zo mist.

Het gemis dat eraan ten grondslag ligt, voel je tot in je botten.

Rake observaties
Als je wilt weten hoe veel Indische Nederlanders zich destijds gevoeld moeten hebben, lees dan zeker dit boek. De rake observaties zijn nog steeds actueel en het is heerlijk hoe de tekst doorspekt is met Indische termen op plekken waar je ze niet direct verwacht, zoals wanneer Tjalie ‘Joris en de tokeh’ gebeeldhouwd ziet in een Leidse kerk of spreekt over ‘pasar malams aan zee’ en ‘kleine warongs waar je alleen chocola en ijs kunt kopen.’ En zeker ook als je Nederland eens vanuit een ander, nog altijd verrassend perspectief wilt zien.

Kou tot op het bot
Lees dit boek zeker niet als je een hekel hebt aan gemopper, want mopperen kan hij, Tjalie. Natuurlijk zijn er soms lichtpuntjes: de Hollanders die juist ontdooien als ze op de schaats staan, de kruideniers en Sinterklaas, en ook al wordt zijn toon in de loop van het boek berustender, er is veel fout. Maar je vergeeft het hem, want het gemis dat eraan ten grondslag ligt, voel je tot in je botten, net zoals de kou Tjalie tot op het bot ging. In een andere context haalt hij Leo Vroman aan: ‘Heimwee is beter dan Holland.’ Dat gold ook voor hemzelf: tegen alles aanschoppen was minder pijnlijk dan accepteren dat Indië voorbij was.

Tjalie Robinsons – Foto: literairetijdschriften.org

Een land met gesloten deuren. Tjalie Robinson. Uitgeverij In de Knipscheer. Haarlem 2012. € 17,50

Een halfbakken Indo?

Blauw. Foto: http://www.guardian.co.uk/travel/2011/jun/22/top-10-best-restaurants-amsterdam

Een avondje uit met een Indisch tintje

Meike Grol was een van de vijf genomineerden van de verhalenwedstrijd Hier Wordt Wat Groots Verricht. Net als Romy Luyt won zij een dinerbon van Asia Gastronomica*. Daarmee kon ze met twee personen heerlijk uit eten gaan bij Restaurant Blauw in Utrecht. Meike blikt terug.

Blauw. Foto: http://www.guardian.co.uk/travel/2011/jun/22/top-10-best-restaurants-amsterdam
Blauw. Foto: http://www.guardian.co.uk/travel/2011/jun/22/top-10-best-restaurants-amsterdam

Omdat het een van de eerste zomerse avonden van het jaar is, moeten onze ogen aan het donker wennen als we restaurant Blauw binnenstappen. Hier geen traditioneel houtsnijwerk, landkaarten van de archipel of waaiers met sawahs in losse penseelstreken. Het interieur is modern en voornamelijk donkerrood, op een enorme familiefoto op de wand na. De open keuken doet me denken aan de restaurants op Java waar de kokkin achterin naast een geblakerde wadjan hurkte. De geuren zijn vergelijkbaar. Sinds die reis, vijftien jaar geleden, heb ik er niet meer over nagedacht wat Indisch zijn voor me betekende. Pas toen mijn zoontje tot ieders verbazing met een mongolenvlek geboren werd, besloot ik wat op te schrijven voor het nageslacht. Door een van die verhalen op te sturen naar de verhalenwedstrijd van Indisch 3.0 sta ik hier nu in Blauw. Geen slechte prijs!

Toch koop ik graag de toko leeg.

Terwijl de vriendelijke ober mijn man en mij de tafel wijst, zie ik bij andere gasten allerlei schaaltjes staan: roedjak, acar, pisang, saté en nog veel meer. Het water loopt me in de mond. Zou een voorliefde voor Indisch eten aangeleerd of aangeboren zijn? In mijn geval moet het laatste gelden. Mijn Indische opa kookte niet, zijn moeder overleed jong en heeft het mijn moeder dus niet geleerd, en daar mijn vader zelfs het petieterigste beetje pedis niet kan verdragen, aten we thuis nauwelijks Indisch. Ik ging vaak uit eten met mijn grootouders, maar kan me geen bezoek aan een echt Indisch restaurant herinneren. Toch koop ik graag de toko leeg, ken ik alle gerechten bij naam en grijp ik voor troost liever naar een lemper dan naar een broodje kaas. Helaas heb ik die eerste zelden in huis.

Ik ben een dubieuze Indo 3.0, vind ik. Dat blijkt ook maar weer uit wat ik denk terwijl ik op de menukaart tuur. Niemand heeft ons namelijk uitgelegd wat de bon inhoudt. ‘Mogen we gewoon alles bestellen?’ fluistert mijn man. ‘Ik denk het wel,’ fluister ik terug, uitgaand van de Indische gastvrijheid die ik zelf ook hoog in het vaandel heb. Maar de zuinige Hollander in mij informeert het toch maar. ‘Alles wat jullie willen,’ zegt de vriendelijke bediening, en ik schaam me over mijn onbescheiden vraag. Mijn man kijkt verheugd, hij is dit niet gewend.

De zuinige Hollander in mij informeert het toch maar.

Hij bestelt als voorgerecht saté kambing, ik een loempia pepesan ikan. Met djeroek poeroet en sereh, mmmm! Daarna de rijsttafel. De loempia is heerlijk: boterzachte vis, kruidig en fris met een knapperig laagje. Ik steel ook een stokje saté en die is al even goed, vooral de ketjapsaus. Ik verwachtte dat de rijsttafel meer pedis zou zijn, maar eigenlijk is geen enkel gerecht echt scherp. Toch wat aangepast aan de Hollandse smaak? Heerlijk is het wel.

We hebben zoveel gegeten dat we besluiten te gaan wandelen. Tijdens de wandeling vraag ik mijn man of hij verschil ziet met andere restaurants. Met niet-Indische restaurants, bedoel ik eigenlijk.

‘Ik zag niet zoveel in het donker,’ grapt hij, ‘maar ik vond de bediening super: gastvrij en hartelijk, en toch bescheiden. Zorgzaam zonder opdringerig te zijn.’  Het blijft toch jammer dat hij mijn opa nooit gekend heeft. Want dat is precies wat mijn opa anders maakte dan anderen. Is dat iets Indisch dat ik heb meegekregen? Ik hoop het.

*ASIA GASTRONOMICA is “the first initiative to develop and create an exclusive portal website for Asian restaurants and Asian gastronomy only. ASIA GASTRONOMICA stands for: ‘The preservation of the authentic (original and nowadays) ASIAN gastronomic culture and use of traditional agricultural and horticultural products’. We include and support also initiatives to innovation, if it’s with respect to what is mentioned before.”