Hun verdriet is niet van mij

Charlie Heystek Japan Japanse bezetting header

De Japanse bezetting. Als kind hoorde ik de verhalen over die tijd uit eerste hand. Mijn grootvader was oud-KNILmilitair en had de kampen in Indië overleefd. Mijn grootmoeder was tijdens de oorlog buiten de kampen gebleven, maar had de nodige ervaringen met Japanners gehad. Hun verhalen maakten me woedend op de Japanners.

Charlie met grootvader
Charlie met haar grootvader

Mijn opa kon in geuren en kleuren beschrijven wat hij op zee had zien gebeuren toen hij Java verdedigde, hoe hij de Changi-gevangenis wist te overleven, hoe de mensen eraan toe waren met wie hij de vliegveld in Singapore aanlegde. Ondanks dat mijn grootvader zonder moeite in de Mazda van mijn ouders stapte en mij altijd zei objectief te blijven over het verleden, voelde ik haat tegenover Japanners. Ik was kwaad op ze om wat ze mijn grootouders hadden aangedaan; de pijn, ellende en verdriet die ze hen hadden bezorgd. Misschien werd ik zelfs wel extra boos omdat mijn grootvader dit niet was.

De geschiedenislessen op school over de Tweede Wereldoorlog wakkerden mijn frustratie, en daarmee mijn haat, nog meer aan. De Oorlog werd jaarlijks behandeld en steevast bleef de oorlog in Azië vrijwel onbesproken. Tijdens de lessen riep ik standaard dat ook ik mijn fiets terug wilde om vervolgens de aandacht op de oorlog in voormalig Nederlands-Indië te richten.

De aandacht voor de Duitse bezetting stond in schril contrast met het aantal grootouders van medeleerlingen dat daar direct mee in aanraking was gekomen: vrijwel nul. De oorlog van mijn grootvader, die nota bene de krijgsgevangenekampen had overleefd, kreeg hooguit één alinea in het boek. Sterker nog, hooguit honderd woorden waren gewijd aan de gruwelijkheden in de Jappenkampen. En vaak was dat al veel aandacht: meestal was het een simpele opsomming van feiten.

Ik begreep niet waar mijn grootvader de kracht vandaan haalde om zo sterk en zonder haat door het leven te stappen.  Nadat we samen The Battle of Midway hadden gekeken, begreep ik het nog minder. Tijdens het kijken van de film had mijn opa mooie, spannende en leuke herinneringen opgehaald aan de oorlog, maar ik vermoed dat die herinneringen ook zijn angst uit de oorlog naar boven gehaald heeft. Want die nacht schreeuwde hij me wakker; hij zag Japanners op het behang.

Na die bewuste nacht begon ik na te denken over mijn eigen haat. Ik vroeg me af waar die haat dan vandaan kwam, want het was duidelijk niet mijn grootvader die me die had aangepraat. Ik concludeerde uiteindelijk dat mijn haat er was omdat ik het gevoel had dat ik de Japanners móest haten; uit loyaliteit naar mijn familie.

Een jaar of twee na deze avond met mijn grootvader ging ik voor het cultuur- en kunstvak op school naar een concert van Yamato, The Drummers of Japan. Een avond lang keek ik naar vijftien Japanners met enorme trommels om hun nek, terwijl ze van top tot teen bezweet waren en mij met een warme glimlach toekeken.  Met wrok was ik naar de voorstelling gegaan, eenmaal in de zaal werd ik compleet blanco. Voor het eerst zag ik Japanners gewoon als mensen en niet als de vijanden van mijn familie.

Niet lang na dit concert kreeg de kanker, waar mijn grootvader al dertien jaar aan leed, definitief grip op hem en was hij voorgoed aan Nederland gebonden. Daarvoor had hij altijd de hele wereld over gereisd en had ik hem weinig gezien. Tijdens zijn ziekbed zag ik hem vaker dan ooit en bouwden we een sterke band op. Gek genoeg hebben we het nooit meer over de oorlog gehad.

Mijn haat jegens Japanners werd minder naarmate ik mijn opa beter leerde kennen en toen hij de dag voor de trouwdag van mijn ouders overleed, kwam hij even gedag zeggen, voordat hij de wereld verliet. Ik was er stuk van, maar met het verdriet van het overlijden van mijn opa dat ik langzaam losliet, liet ik ook de haat jegens Japanners steeds meer varen.

Ik besefte me dat ik geen recht heb op de haat, het verdriet, de angst en de pijn van mijn grootouders. Zeker niet als mijn opa dat zelf nooit heeft willen voelen. Ik ga nog jaarlijks met veel plezier naar de concerten van Yamato en ik ben zelfs een keer de artiestenvoyer ingeslopen om in het Japans om handtekeningen te vragen. En toen ik in mei 2006, nog geen jaar na het overlijden van mijn grootvader, het Mutual Understanding Programme van de Japanse overheid ontdekte, dacht ik: ‘Zo opa, dat gaan wij eens even doen.’

Benieuwd naar de ervaringen van Charlie in Japan? Lees dan de Moesson van deze maand.

Charlie tijdens haar reis in Japan
Charlie tijdens haar reis in Japan

Diederik van Vleuten: verfrissend en oprecht

Daar werd wat groots verricht. Afbeelding: www.diederikvanvleuten.nl

Eindelijk: met respect en humor vertellen over Indië

De aankondiging op de website van Diederik van Vleuten (bekend van o.a. tv) liegt er niet om: “Wegens grote belangstelling wordt ‘Daar werd wat groots verricht’ in 2012 hernomen. In de periode januari tot en met maart volgt er een extra tournee.” Na het zien van de voorstelling in een uitverkochte Rijswijkse Schouwburg, ben ik daar blij om: iedereen in Nederland zou dit stuk moeten zien, Indisch of niet.

Diederik van Vleuten vertelde tijdens de Indië-herdenking in 2008 al over de memoires van Jan van Vleuten, zijn oudoom die de Japanse bezetting heeft meegemaakt. Van Vleuten stond toen nog aan de vooravond van ‘Daar werd wat groots verricht’ (DWWGV). En, ik zal eerlijk zijn, toen ik hem deze plannen hoorde aankondigen, dacht ik ‘Waarom moet een Nederlander dit verhaal nou weer vertellen? Dan trekken zij wéér alles naar zich toe, het verhaal van de Indo in de kampen mag onderhand wel eens verteld worden, die groep is al onzichtbaar genoeg.’  Inmiddels zeg ik: ‘I stand corrected’. Dit ís het verhaal van veel van onze grootouders, verteld op een eerlijke, respectvolle manier zonder verwijten.

Op Kerstavond 1982 gaf oudoom Jan het gezin Van Vleuten zijn memoires: vier cahiers over zijn leven in Indië. In de voorstelling van twee keer 67 minuten én een pauze (‘Oom Jan was een ouderwetse man, en ouderwetse mannen verdienen een ouderwetse pauze. O nee. Dat zeg ik niet goed, oom Jan was niet ouderwets, hij was uit een andere tijd.’) namVleuten de -bomvolle- zaal door die memoires mee. Jan van Vleuten is als zoon van een Hollandse tuan besar geboren in Indië, opgegroeid in Nederland (‘zijn ouders waren bang dat hij zou verindischen, hij sprak op zijn vierde beter Maleis dan Nederlands”) en in de jaren ’30 weer teruggekeerd naar zijn ‘land van herkomst’, heeft de archipel na de bezetting als evacué verlaten, is teruggegaan en heeft uiteindelijk, net als al die andere repatrianten, Indonesië in de jaren vijftig definitief verlaten.

Wat Van Vleuten’s performance onderscheidt van eerdere producties (zoals de film Het jaar 2602 en boeken van Hella Haasse, Van Dis, Kousbroek en Brouwers) is zijn humor, het respect voor de keuzes van die generatie (‘oom Jan was geboren in 1906’) en de volledigheid van het verhaal. De cabaretier weet in DWWGV humor feilloos in te zetten. Om geheugensteuntjes in het verhaal in te bouwen zonder langdradig te worden. Om moeilijke momenten te verluchtigen. En om oordelen uit te spreken zonder dat belerende toontje (‘Ja, dat koloniale systeem was natuurlijk hartstikke fout. Maar als ik soms kijk naar de afbeelding van het landhuis van mijn overgrootvader tuan besar Panplieten denk ik, dat kolonialisme heeft niet voor niets 300 jaar stand gehouden!’).

Humor gebruikt hij ook om – herkenbare – verbazing respectvol uit te dragen. Want het respect dat de cabaretier toont aan voor de keuzes van de generatie van onze grootouders, komt oprecht en integer over. Van Vleuten verstaat de kunst om onderscheid te maken tussen de liefde die hij voor de persoon heeft gevoeld en afstand die hij voelt tot de denkbeelden van die persoon. Zo benadrukt de performer dat het niet zijn verhaal is, maar dat van zijn oom. En vertelt hij hoe gek hij was op zijn oma Maggie, die Diederik alleen wel toefluisterde, toen hij met een donker Indisch vriendinnetje thuiskwam, dat zij het landgoed wel in blanke handen wilde houden.

Tot slot: die volledigheid van het verhaal. De buitenkampers. De treinreizigers die in 1945 op Java door peloppers vermoord werden. De aandacht voor de aankomst van repatrianten die na een aantal schepen verwaterde. Zomaar een paar voorbeelden waaruit ik concludeerde dat de cabaretier zich echt verdiept heeft in de Indische geschiedenis en heeft geluisterd naar de commentaren die hij kreeg bij het schrijven en de try-outs.

Mijn vriend en ik, beiden opgegroeid in gemengde Indo-totokfamilies, waren naar deze voorstelling gegaan omdat mijn vader (zoon van een totok en een Indo-Europese, net als mijn vriend) de kaartjes kado had gedaan. Gelukkig maar, gezien mijn wantrouwen was ik er waarschijnlijk niet uit mezelf heengegaan: ik heb mijn portie Adriaan van Dissen en Hella Haasse’s van deze wereld wel gehad.
Diederik van Vleuten laat met ‘Daar werd wat groots verricht’ een nieuw en fris geluid horen in Indisch Nederland: dat van de zichzelf relativerende Hollander die met respect, humor en oprechte interesse de Indische – complexe – geschiedenis toegankelijk maakt voor een breed publiek. Gaat dat zien, gaat dat zien.
Diederik van Vleuten. Daar werd wat groots verricht. Sinds 201o in theaters, nog te zien tot en met mei 2011. Reprise:  januari t/m maart 2012. Nieuwe speeldata in mei 2011 bekend.

Het erfrecht van schuld

Wanneer mag je soeda zeggen?

[box type=”shadow”]Mijn vriend M. en ik hebben erg on-Indisch gedrag vertoond: we zijn de familiedrukte rond de feestdagen ontvlucht door 10 dagen Berlijn te boeken.  Ja, stiekem heb ik de chaos en stress van het Kerstdiner met de familie gemist. Daar staat tegenover dat de vragen die Berlijn bij me oproept, dat gemis meer dan waard zijn geweest.[/box]

Berlijn, oudjaarsavond 2010

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestierde Hitler vanuit zijn in Berlijn gevestigde Reichskanselarei zijn oorlog. De man uit Beieren, die zo’n 10 jaar voor zijn verkiezing tot Reichskanselier gevangen had gezeten voor een poging tot staatsgreep, wilde van Berlijn Germania maken: hoofdstad van het grote Germaanse rijk. Tegenwoordig is het een stad die bulkt van de vragen.

Na toeristische trekpleisters te hebben bezocht, Weihnachtsmarkten te hebben afgestruind en door kleine buurtjes te zijn geslenterd, zou het vreemd zijn om te zeggen dat ik wél de antwoorden heb, waar de Berlijners zelf al decennia over twisten: hoe is het mogelijk geweest dat Hitler aan de macht gekomen is, hoe gaan we om met de tastbare overblijfselen in onze stad uit zowel de nazitijd als de Koude Oorlog, en hoe bouwen we aan een gemeenschappelijke toekomst, terwijl we als stad met een schuld van 80 miljard failliet zijn?

Wat ik wel door heb van de Berlijners? Ze stéllen die vragen, publiekelijk en zorgvuldig, ook als ze pijnlijk zijn. Misschien omdat ze er niet onderuit kunnen, maar ze doen het wel.Een voorbeeld: in het Duits Historisch Museum (Zeughaus) is een tentoonstelling ingericht over hoe het mogelijk is geweest dat Hitler steun had van zowel Duitsers. Hoewel voor mij die vraag vrij logisch is, is het hier onderwerp geweest van een flink publiek debat. Hoewel ik de expositie in Wannsee meer antwoorden vond geven dan de expositie in het Zeughaus, laat de discussie over de tentoonstelling zien dat, ten eerste Hitler en de Tweede Wereldoorlog nog steeds een gevoelig onderwerp zijn, en ten tweede dat de Duitsers, ondanks die pijnlijkheid, de vraag willen beantwoorden.

Misschien denk jij nu ‘Ja, het toch logisch dat ze dat doen? Dat is de enige manier om te voorkomen dat dit ooit weer gebeurt.’ Ik zou dat ook zeggen. Maar als ik zie hoe Nederland omgaat met haar eigen verleden, moet ik constateren dat óf Nederland niet logisch nadenkt, óf pijnlijke vragen over het eigen verleden liever verbergt. Want we weten allemaal dat het koloniale verleden van Nederland, de gruwelijk effectieve Jodenvervolging in ons land tijdens de WOII en de late afschaffing van de slavernij – of onze bijdrage aan de ontwikkeling daarvan – niet meer dan voetnoten zijn in de vaderlandse geschiedenis.

Hoe komt het dat een land als Engeland wel met haar voormalige kolonien in een Commonwealth  zit en goede banden onderhoudt met zowel India als Canada? Vergelijk de relatie van Engeland maar eens met het uitgestelde staatsbezoek van Indonesië, de ophef over Desi Bouterse’s verkiezing tot nieuwe president van Suriname, of de anti-Nederlandse houding op de (voormalige) Antillen? Net als Duitsland, heeft ook Engeland haar fouten uit het verleden benoemd en aangepakt. Op die manier kan het signalen herkennen die duiden op mogelijke herhaling, maar vooral meer toekomstmogelijkheden in de internationale relaties ontwikkelen.

Zou het voor Nederland dan te moeilijk zijn om vragen te stellen over het eigen verleden? Want ik ben geneigd te concluderen dat, als een land zijn verleden onder de loep neemt, het lef nodig heeft om pijnlijke vragen te stellen. Lef, en misschien ook wel een oprecht eergevoel. Of zou er een andere reden zijn voor het Nederlandse gebrek aan durf om pijnlijke vragen en antwoorden uitgebreid in de geschiedenisboekjes op te nemen?

Herdenkingsmonument door heel Berlijn (c) Kirsten Vos Indisch 3.0 2010Maar goed. Dit gaat verder. Een jonge Duitser krijgt, als hij een gesprek is met iemand uit een ander land, gemiddeld binnen half uur een vraag over de oorlog, hoorde ik iemand vertellen. Hoort dit? Of moeten we als buitenland op een gegeven moment ophouden met de vinger wijzen? Wat doe je als nakomelingen van degenen die ‘schuldeiser’ zijn? Blijf je het recht houden op verwijt? En, als de beschuldigde de schuld niet erkent, blijf je dan ook de recht en de plicht hebben die schuld te innen? Hebben wij als nakomelingen van de eerste generatie Indische Nederlanders, die schuldeisers zijn van Nederland als ex-koloniale mogendheid, nog het recht om de nakomelingen van de voormalige koloniale heerser ter verantwoording te roepen? Hebben wij het recht om die schuld te laten gaan? En verzaken wij dan als nakomelingen, of kiezen wij simpelweg voor onze toekomst? Mijn vraag is dus: wat is hierin het erfrecht van schuld? En: wanneer houdt het op?

Aan de vooravond van 2011 zijn dit een paar van die vragen die het verblijf in Berlijn bij me losmaakt. Wie weet vind ik in het komende jaar antwoorden.  Jullie, onze lezers, wens ik namens de hele redactie een prachtig nieuw jaar toe, vol met inspirerende antwoorden en prikkelende vragen.

Achter de kawat – Charles Burki

Over de Japanse bezetting

Veel Indische jongeren die ik spreek, hebben vragen over de Japanse bezetting die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Vaak krijgen zij er niet meer over te horen dan “Het was heel erg.” Gelukkig zijn op enkele plekken in Nederland antwoorden te vinden. Museum Bronbeek biedt de tentoonstelling Het verhaal van Indië, het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft een speciale afdeling Nederlands-Indië. Voor jongeren die liever eerst thuis een en ander doorbladeren, is er het bijzondere en toegankelijke boek Achter de kawat van Charles Burki.

Herziene uitgave van de originele editie (1977)

Charles Burki (1909 – 1994), van als ik goed lees puur Hollandse komaf, werd in 1942 als krijgsgevangene van de Japanners in Bandung geïnterneerd. Burki was opgeleid als tekenaar en heeft het dagelijkse leven in het kamp in beeld te brengen. “De tekeningen die hij in het kamp in Bandung maakte, lagen vier jaar lang midden in de doorgang van een poortje begraven. Ze waren verpakt in hospitaal doek, vervolgens in een zinken bus, en dat weer in een teakhouten kist. Iedereen liep er overheen. In 1946 kreeg hij dankzij een oud-medegevangene zijn tekeningen weer in bezit,” aldus het Museon.

Het Haagse Museon, dat een collectie heeft over Nederlanders in Japanse kampen,  heeft de tekeningen opnieuw uitgegeven in een heruitgave van Achter de kawat, aangevuld met een verslag dat Burki na zijn tijd als krijgsgevangene schreef. Op 24 oktober 2010 sloot het Museon de tijdelijke expositie van de originele tekeningen. Het boek is een aanrader voor jongeren en andere (Indische) Nederlanders die een beeld willen krijgen van dat wat hun grootouders ze niet konden vertellen.

Het zal misschien het oog van de tekenaar zijn, waaraan wij als lezer de vele waardevolle details in zowel de tekeningen als het laagdrempelige, persoonlijke verslag te danken hebben. De heldere tekeningen zijn soms confronterend, dan weer gelardeerd met typisch Indische humor. De scherpte en de details ervan maken van een lezer een ooggetuige van het leven van dag tot dag in een van vele Japanse kampen in Indonesië. Ondanks dat een van mijn grootvaders mij wél een en ander verteld heeft, heeft het werk van Burki die verhalen verrijkt.

Hoe leefden mensen in Japanse kampen, bijvoorbeeld. Opgegroeid met verhalen over de Tweede Wereldoorlog in West-Europa, was mijn beeld van kampen bepaald door Auschwitz  en andere concentratiekampen. Dankzij Burki’s schetsen heb ik nu een indruk van hoe het in ‘de Oost’ was. Verder ben ik blij dat ik van Burki af en toe ook mocht lachen om wat er in het kamp gebeurde. Bijvoorbeeld in de spotprent van de jonkheer die ook in het kamp nog zijn eigen wagen had. De strip over het verspreiden van roddels in het kamp. Of het weekmenu (“Maandag: rijst met soep. Dinsdag: soep met rijst. Woensdag: rijstsoep…”).

Tekening uit Achter de kawat.(c) Erven Charles Burki

De humor staat in ontwapenend contrast met de eerlijkheid en directheid waarmee de tekenaar laat zien hoe geëxecuteerde gevangenen aan de kawat hangen, of een overlevende van Nagasaki in beeld brengt die zijn brandwonden schoongevroten ziet worden door maden. Humor is een manier om te overleven, begrijp ik. Om de boel niet al te serieus te nemen, zelfs wanneer dagelijks mensen voor je ogen overlijden.

Achter de kawat is niet alleen wonderbaarlijk vanwege de goed bewaarde en heldere tekeningen. Charles Burki is na het kamp (nog) twee keer aan de dood ontsnapt: na een torpedering van het schip dat hem op transport naar Japan had gezet, heeft hij tien dagen in open zee rondgedobberd. En in Japan heeft hij het bombardement van Nagasaki zien gebeuren en overleefd. Bovendien is de ex-krijgsgevangene  ook nog eens 85 jaar oud geworden.

Hoewel er in Azië verschillende Jappenkampen waren, waarvan het regime onder meer afhing van het kamphoofd, en er verschillende soorten gevangenen bestonden, geeft Achter de kawat Indische jongeren een kijkje ‘in de keuken’ waar geen geschiedenisboek tegenop kan.

p.s. Het is wat uit de buurt, maar mocht je ooit in Singapore zijn, ga dan eens naar het – kleine maar aangrijpende – Changi War Museum, over de Tweede Wereldoorlog in Azië.

Nationaal geschenk maakt geschiedenis spannend

Fragment uit De Terugkeer (2010)

Scholieren, artiesten en leden van de eerste generatie Indische Nederlanders waren er gisteren bij, bij de feestelijke presentatie van het educatieve stripboek ‘De Terugkeer’ over Nederlands-Indië in Bronbeek. “Ze wilden doorlezen, om te weten hoe het zou aflopen” , vertelde een lerares van de scholieren die de eer hadden gehad het stripboek te testen.

Historisch verantwoord en toch leuk
In de verschillende optredens stond centraal hoe belangrijk het is dat nieuwe generaties weten wat er in de voormalige kolonie is gebeurd. Ernst Jansz nam het eerste exemplaar van het stripboek in ontvangst en gaf een intiem optreden. Initiatiefnemer Erry Stové, voorzitter van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek, Joost van Bodegom, voorzitter Stichting Herdenking 15 augustus 1945, en scenarioschrijver van de strip Ruud van der Rol vertelden over de totstandkoming van het project. Alles in het boek is historisch verantwoord, tot aan de kleinste details aan toe. Ricky Risolles, het alter ego van presentator Jaro Wolff, zorgde voor een luchtig element. Hij was er bij via een ‘live’-verbinding met Bali, of was het toch Tilburg?

Invloed van geschiedenis
De Terugkeer is een educatief stripboek voor jongeren van 13 tot 16 jaar, dat samen met lesmateriaal als Nationaal Geschenk wordt aangeboden aan de middelbare scholen in een oplage van 200.000 stuks. De strip, getekend door Eric Heuvel in opdracht van Indisch Herinneringscentrum Bronbeek, gaat over de geschiedenis van Nederlands-Indië. De jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog komen aan bod, de gebeurtenissen tijdens de oorlog, de onafhankelijkheidsstrijd, de repatriëring en de verschillende manieren waarop de gebeurtenissen van toen nog altijd doorwerken in de huidige tijd. Het stripboek is een vervolg op de educatieve strips ‘de Ontdekking’ over de Tweede Wereldoorlog, en ‘de Zoektocht’ over de Jodenvervolging.

Jappendeken
Mijn opa zou blij geweest zijn met het stripboek ‘De Terugkeer’. Hij zou het gezien hebben als een toegankelijke en mooie manier om de leemte aan kennis over die verzwegen geschiedenis aan te vullen. Hij overleefde de dwangarbeid, maar heeft nooit iets verteld over wat er gebeurd is. Eenmaal in Nederland werd hij soms ’s nachts gillend wakker. Maar de verhalen over de oorlog kon hij niet vertellen, zo pijnlijk waren ze. Het was aan mij, zijn kleindochter, om iets van zijn verhalen over te brengen. Daarom had ik voor mijn eigen optreden, twee nummers uit mijn theatervoorstelling ‘Deze en genen’ uit 2005,  de ‘Jappendeken’ (zo werd hij bij ons thuis genoemd) meegenomen, het enige voorwerp dat mijn opa mee  heeft genomen uit het kamp in Birma. Of er nog mensen van de eerste generatie aanwezig waren? Een stuk of zes mensen staken bibberig hun hand op.