Recensie: Een land met gesloten deuren

Liever heimwee dan Holland: een pijnlijk voelbaar gemis

Een land met gesloten deuren © Peter van Dongen / In de Knipscheer 2012

Midden jaren vijftig arriveerde journalist en schrijver Tjalie Robinson (Jan Boon, 1911-1974) in Nederland, net als tienduizenden andere Indische Nederlanders. Het land van herkomst was voor velen afgesloten, veroordeeld tot een vaderland dat zij alleen van vakantie of uit de geschiedenisboeken kenden. Holland was koud, nat en totaal anders dan verwacht. Bovendien voelden ze zich niet altijd even welkom. Vorig jaar werden de stukken die Tjalie Robinson net na zijn overkomst schreef, voor het eerst gebundeld en zijn deze nu beschikbaar in een paperbackversie. Opnieuw kunnen we met de scherpe blik van Tjalie naar Nederland kijken. Maar hoe geestig en scherp ook, de heimwee snijdt je door je ziel.

Verloren thuis
Veel van de Indische literatuur die ik gelezen heb, verhaalt van het verlangen naar het warme land uit de jeugd, een mystieke plek met mooi weer, heerlijk eten, prachtige natuur, een verloren paradijs. Het gemis is invoelbaar, zeker, maar niet eerder werd de pijn van het verloren thuis voor mij zo invoelbaar gemaakt als in Het land met gesloten deuren van Tjalie Robinson. Ik denk dat dat komt omdat hij deze verhalen net na het vertrek uit Indië schreef, toen de tijd nog niets van het gemis had verzacht. En daarnaast, Tjalie stond erom bekend geen blad voor de mond te nemen, ook niet als hij het moeilijk had.

Meedogenloos en humoristisch beschrijft hij Nederland in al zijn groot- en kleinheid.

Piekerans en gesloten deuren
Tjalie Robinson had jarenlang een krantenrubriek die ‘Piekerans van een straatslijper’ heette en razend populair was onder Indische Nederlanders, omdat hij zo scherp het dagelijks leven in Batavia wist vast te leggen. Met deze Piekerans gaat hij na zijn aankomst in Amsterdam door. Meedogenloos en humoristisch beschrijft hij Nederland in al zijn groot- en kleinheid. Dat levert geestige en herkenbare situaties op, die ook nu, zestig jaar later, nog altijd actueel zijn. Zo heb ik erg moeten lachen om zijn verbazing over onze hang naar regulatie, die zijns inziens veel te ver gaat en daardoor juist tot ongelukken leidt, zoals in het verkeer:

‘In het begin snap je er niets van, want alles rijdt hier netjes op eigen paden: [..] bij drukke verkeerspunten staan agenten of verkeerslichten. Het is, lijkt me toe, technisch onmogelijk om ongelukken te krijgen. Nu begrijp je het beter. Juist deze overdreven zuigelingenzorg maakt dat de gemiddelde weggebruiker in slaap kan vallen op straat. Elk snijpunt waar de tekens niet duidelijk genoeg zijn, moet dus automatisch fataal worden. […] Ik heb zo’n idee dat als je 100 Hollanders met de fiets op Gadjah Mada of Hajam Woeroek zou neerzetten de helft binnen een half uur vermorzeld zou zijn.’

Alles in Nederland is aan regels gebonden en daar wordt Tjalie gek van:

‘Je zou zo zeggen; als ik bakpauw ga verkopen, dan kan daar toch niemand bezwaar tegen hebben. Dat denk je maar. Ik zal middels examens moeten aantonen dat ik a. kan koken en bakken en b. dat ik kooksels en baksels kan en mag verkopen. Niets gaat zomaar in Holland.’

Zo piekert en klaagt Tjalie het hele boek door, over de koude, eindeloze winter, over het gebrek aan goedgeefsheid van de Hollanders, het gebrek aan fatsoen van de jongeren, maar vooral over de gesloten deuren, de Indische gastvrijheid die hij zo mist.

Het gemis dat eraan ten grondslag ligt, voel je tot in je botten.

Rake observaties
Als je wilt weten hoe veel Indische Nederlanders zich destijds gevoeld moeten hebben, lees dan zeker dit boek. De rake observaties zijn nog steeds actueel en het is heerlijk hoe de tekst doorspekt is met Indische termen op plekken waar je ze niet direct verwacht, zoals wanneer Tjalie ‘Joris en de tokeh’ gebeeldhouwd ziet in een Leidse kerk of spreekt over ‘pasar malams aan zee’ en ‘kleine warongs waar je alleen chocola en ijs kunt kopen.’ En zeker ook als je Nederland eens vanuit een ander, nog altijd verrassend perspectief wilt zien.

Kou tot op het bot
Lees dit boek zeker niet als je een hekel hebt aan gemopper, want mopperen kan hij, Tjalie. Natuurlijk zijn er soms lichtpuntjes: de Hollanders die juist ontdooien als ze op de schaats staan, de kruideniers en Sinterklaas, en ook al wordt zijn toon in de loop van het boek berustender, er is veel fout. Maar je vergeeft het hem, want het gemis dat eraan ten grondslag ligt, voel je tot in je botten, net zoals de kou Tjalie tot op het bot ging. In een andere context haalt hij Leo Vroman aan: ‘Heimwee is beter dan Holland.’ Dat gold ook voor hemzelf: tegen alles aanschoppen was minder pijnlijk dan accepteren dat Indië voorbij was.

Tjalie Robinsons – Foto: literairetijdschriften.org

Een land met gesloten deuren. Tjalie Robinson. Uitgeverij In de Knipscheer. Haarlem 2012. € 17,50

Soerabaja: Traag, maar indrukwekkend overlevingsverhaal

Boekrecensie: Soerabaja van Pauline Slot

Soerabaja is een roman gebaseerd op historische feiten. Soerabaja verscheen  op 19 oktober 2012 bij De Arbeiderspers, auteur Pauline Slot debuteerde in 1999 met de roman Zuiderkruis. Reizen en de complexe verhoudingen tussen mensen zijn terugkerende elementen in haar oeuvre, zo ook in SoerabajaEen pasgetrouwd Nederlands stel vertrekt naar Indië, waar ze elkaar door de oorlog kwijtraken. Is dit verhaal – geschreven vanuit de belevingswereld van een ‘oorlogsoverlevende’ – interessant voor 3.0’ers? Soerabaja  vertelt het verhaal van een pasgetrouwd Nederlands stel dat, zonder familie, naar Indië vertrekt, met verstrekkende gevolgen. Het begint in Den Haag, waar Bep en Henk elkaar ontmoeten  in de jaren dertig van de vorige eeuw. Vanuit het perspectief van de jonge vrouw Bep, krijgen we in een briefwisseling  met de familie in Nederland  een gedetailleerd beeld van een andere tijd.

Als Henk Japans krijgsgevangene wordt, wordt Bep een vechter.

Heimwee
Bep wil eigenlijk niet naar Nederlands-Indië vertrekken. Het frustreert haar dat ze als pasgetrouwden nauwelijks van ‘hun huishoudentje’ hebben kunnen genieten.  Toch is het voor Henks carrière het beste en ze gaan. Na een aantal jaar in Indië krijgt het stel kinderen, wat Bep iets te doen geeft. Ze voelt zich vaak eenzaam als Henk van huis is voor zijn werk en hoopt dat ze gauw verlof krijgen om terug  naar Nederland te gaan. Maar dan breekt de oorlog uit en wordt Bep’s verlangen naar Nederland naar de achtergrond verdrongen. Op het moment dat Henk Japans krijgsgevangene wordt, ontpopt Bep zich als vechter. Er volgt een verslag van beiden over de onzekerheid van hun bestaan in kampen, transporten met ‘bestemming onbekend’, en marcherend tot er doden vallen.

Gedateerd taalgebruik
Door het  gedateerde taalgebruik in de brieven vind ik het aanvankelijk lastig om me in Bep te verplaatsen, maar het went wel. Ook  komen er veel namen van familieleden, buren, straten en locaties  voorbij, waardoor het even duurt voordat ik echt in het verhaal zit. Gelukkig blikt Bep in haar eigen commentaar op de brieven  af en toe vooruit, en dit maakt dat je wilt lezen. In het deel van Soerabaja  waarin Bep over de gelukkige tijd in Malang vertelt,  krijgt de lezer subtiele aanwijzingen dat de verhouding tussen de Nederlanders en de Indische bevolking niet onbeladen was: ‘We hadden Beppie een paar centen gegeven om in haar beursje te bewaren en die probeerde ze vaak aan Kokkie te geven, zoals ze mij zag doen. Ook daarover hadden kokkie en Kasan veel plezier, al lette ik er wel op dat Kokkie haar de muntjes weer teruggaf.’ Zonder er veel woorden aan te besteden is het duidelijk dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar in het koloniale Nederlands-Indië niet altijd vertrouwden.

Het  gedateerde taalgebruik maakt Soerabaja aanvankelijk lastig leesbaar.

Leven in twee werelden
Bep schrijft dat ze leefde in twee werelden: een tastbare en een verbeelde, waarbij ze doelt op haar eigen leven in Indië en dat van de familie in Nederland. Maar waar Bep haar best doet met haar brieven in de belevingswereld van haar familie in Nederland aanwezig te zijn, zoekt ze geen toenadering tot de tastbare wereld waarin haar Kokkie, Kasan en de andere personeelsleden leven. Later, in Soerabaja,  wanneer ze de kampong in is gevlucht, zal ze opmerken dat het ‘de enige keer [is] dat we in Indië te midden van Indonesiërs leefden’.

Traag
De neiging van de auteur om correct te zijn in de historische feiten hindert in het begin de vaart van het verhaal. Aan het slot van het boek blijkt pas dat de auteur volledig recht heeft willen doen aan de – waargebeurde – geschiedenis. Ik vind het jammer dat de uitgever voor ‘roman’ op het omslag heeft gekozen, in plaats van ‘historische roman’. Hierdoor moest ik mijn verwachting van het boek al lezend bijstellen en stoorde het mij dat er zoveel met details werd gestrooid. Toch loont het om door te lezen. Veel 3.0’ers zullen hun (groot) ouders herkennen in de passages over dochter Beppie, die als volwassene een dagtaak heeft gemaakt van het hamsteren en opslaan van etenswaar. Maar ook de stilte van oudere familieleden over het kampverleden zal bekend voorkomen.

Soerabaja. Pauline Slot. De Arbeiderspers.  Utrecht, 2012. 18,95 euro. 

Pauline Slot © Erik Smit
Pauline Slot © Erik Smit

Zon

Oma. Foto: Christie Haalboom.

Christie Haalboom won dit voorjaar de verhalenwedstrijd Hier Wordt Wat Groots Verricht van Indisch 3.0. Onderdeel van deze drie prijzen waren publicatie van het verhaal op Indisch 3.0 en een mini-interview in Moesson. Meer weten over deze dame? Lees dan de Indisch 3.0-bijdrage aan de Moesson van augustus. Ook schrijft Christie inmiddels voor Indisch 3.0. Volg haar bij ons.

Oma. Foto: Christie Haalboom.
Oma. Foto: Christie Haalboom.

Mijn immense woede maakt onmiddellijk plaats voor verbazing, gevolgd door een lachbui. Al proestend word ik door de rechterhand van de non aan mijn oor meegetrokken naar moeder-overste, terwijl de linkerhand van de non de kap op haar hoofd weer op zijn plek probeert te duwen.

Ik was woest, maar de aanblik van het kale hoofd van mijn juf doet me meteen vergeten waarom. Ze zijn kaal! Onder die saaie, zwarte kleding, zijn ze ook nog eens kaal! Voor mij, Giok Ho, of op zijn Hollands ‘Anna’, is het de ontdekking van de eeuw. Ik beloof God plechtig dat ik nooit, nooit non zal worden. Mijn haren afscheren. Zijn ze helemaal gek geworden? Geen geloof, God of man zal mij ooit mijn schoonheid ontnemen. Amen.

Huilend haal ik het scheermes van mijn vader over mijn hoofd. Mijn buurmeisje is verkracht door een Jap en om mij hetzelfde lot te besparen moeten er drastische maatregelen worden genomen… Papa heeft uren op me ingepraat, maar ik weigerde. Normaal gesproken doe ik alles wat mijn vader van me vraagt. Maar even wint mijn ijdelheid het van mijn gehoorzaamheid. Papa draagt me trouwens op handen, dus meer dan: ga je mee een ritje maken op de motor, vraagt hij niet van me. Dan zie ik de blik van mijn moeder, starend in het niets, ik schrik, haar ogen vullen zich met tranen. Met mammie’s vooruitziende blik valt niet te spotten en daarom zit ik hier, opgesloten in de badkamer, te doen wat mijn vader me vraagt…

De gedachte aan zijn vrouw houdt hem op de been. De angst die ermee gepaard gaat, bezorgt Leendert verrassend genoeg een vreemdsoortige overlevingsdrang. Zou ze nog leven, zou ze op hem wachten, gaat het goed met haar? Hoe lang is hij nu al van haar gescheiden? Hoe lang zit hij hier nu al te stinken tussen deze mannen, allemaal gebroken en kapot? Hij weet dat hij er net zo uitgemergeld uit ziet als zijn maten, maar van binnen voelt hij zich sterk. Zijn scherpschutters oog, het rechter, vernauwt zich, hij ziet een toekomst voor zich, hij heeft een toekomst, hij voelt het, dit is niet zijn eindstation.

Hetzelfde scherpschutters oog ziet de zon weerkaatsen op de grond. Iets waardevols? Misschien om te ruilen tegen een peuk? De gedachte aan de kruidige geur van een kretek sigaret, brengt hem terug naar zijn veranda, waar ze samen op de schommelstoel genoten van de ondergaande zon die in de zee zakt bij Padang. Hij bukt en op hetzelfde moment vliegt de deur van hun cel open. Hij voelt de knie van zijn celmaat tegen zijn rug drukken. Hij blijft laag. De schelle Japanse kreten worden gevolgd door het scherpe ketsen van een zweep en het gejammer van zijn vrienden. Bloed spettert op de plek waar hij net een knoop opraapte. De knoop die hij net nog vervloekte, omdat het waardeloos leek, redt hem van de zoveelste mishandeling.

Vanachter mijn typemachine laten mijn ogen zijn hart sneller kloppen. Zijn hart! Het blijkt heel te zijn! Het werkt! Hij loopt met zijn ziel onder de arm. Zijn uniform geeft hem status, recht zijn rug, maar de wetenschap dat zijn vrouw door was gegaan, niet op hem had gewacht, doet hem meer pijn dan hij wil. Rationeel gezien begrijpt hij het, ze moet voor zichzelf opkomen, zorgen dat ze de oorlog kan overleven, en hertrouwen is de enige manier. Maar toch… Het breekt zijn hart.

Maar hier ben ik, een jonge vrouw, te jong eigenlijk, en toch, hij bewondert me. Hij geeft me een knipoog. Het minste wat hij kan doen. Hij ziet dat ik mijn ogen neersla. Ik voel dat ik iets bij hem teweeg heb gebracht. Met een schuin hoofd kijk ik hem weer aan, een beetje brutaal dit keer. Hij knippert verschrikt en loopt verder. Maar in gedachten neemt hij me mee.

Ik kijk naar mijn paspoort. Mijn foto. Mijn naam. Giok Ho Van der Weele – Lie. Het jaartal van mijn geboortedatum. Vijf jaar ouder dan ik in werkelijkheid ben. Ondanks dat mijn vader zijn officiële status als Chinese burgemeester in Banjermasin kwijt is, heeft hij nog steeds veel connecties. Als ik opkijk, vind ik de ogen van mijn man. Leendert. Mijn Leendert. Ik ben twintig, hij is achttien jaar ouder, maar jong van geest. Hij is scherp en intelligent, soms wat serieus, maar bovenal heel erg stoer. Zijn uniform staat hem fantastisch, zijn lach is groots en oprecht. Ik pak zijn hand met rechts en met links wrijf ik over mijn bolle buik. We lopen het stadhuis uit. Waar de reis ons ook zal brengen, ik vertrouw hem. Maar eerst zal ik mama worden. Van een nonna, ik weet het zeker. Ik denk nu al aan de verkleedpartijen, de vlechten in haar haar, samen winkelen en naar popmuziek luisteren. Ze zal net zo van dansen houden als haar ouders. Mijn meisje.

Mijn meisje zal nooit haar haren afscheren. Ze zal zich nooit hoeven te verstoppen onder een lelieblad in de vijver. Nooit de angst bevroren in de dode ogen van een afgehakt hoofd zien. Een hoofd dat als een bal naast haar in de vijver rolt. De oorlog is voorbij. Voor mijn meisje zal de zon schijnen. Ik bid, ‘sorry dat ik geen non wilde worden, maar als moeder zal ik alles doen wat ik kan. Ik zal mijn lieve ouders achterlaten en mijn toekomst vinden in dat land ver weg, dat ik ken uit de liedjes van mijn jeugd. Schenkt U mijn kinderen de zon? Amen.’

Ik weet wel. Daar is sneeuw, zo wit als het vel van hun huid. Ik wil het voelen smelten tussen mijn tenen. Zal het voelen als het zachte zand van het strand waar ik zo van houd? Misschien gaan we wel in Scheveningen wonen, dichtbij Den Haag, de stad waar ik een kaart van ontving. De gebouwen zagen er gesloten uit en de zwart witte kaart oogde vooral grauw. Maar daar komt straks verandering in. Want ik zal de zon meenemen.

Ik hoor mijn dochter zeggen, ‘Mam, waar blijft de zon? Normaal gesproken laat je altijd de zon schijnen als we langs komen. Zo staat het toch ook op je grafsteen; Herinner mij, herinner mij in stralende zon?’ Ik kijk naar die volwassen vrouw, die altijd mijn rots was, de eerste van zeven kinderen. Ik ben dankbaar dat ik niet ben verdwenen uit hun gedachten. Misschien was ik niet altijd de moeder die ik wilde zijn, maar ik kan nu wel, wat ik vroeger niet kon: de zon voor hen laten schijnen.

Knock knock

Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.

Shemara van den Heuvel won dit voorjaar de tweede prijs in de verhalenwedstrijd Hier Wordt Wat Groots Verricht van Indisch 3.0. Meer weten over deze dame? Lees dan de Indisch 3.0-bijdrage aan de Moesson van september. Volgende maand publiceren we het laatste verhaal in deze reeks, waarmee Christie Haalboom de derde prijs gewonnen heeft

Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.
Shemara met haar opa Bloem. Foto: Shemara van den Heuvel.

Wat hoor ik nu? Ik sla de deken van mij af en besef dat ik lezend in slaap ben gevallen. Mijn boek ligt half open naast mijn kussen. Stilte. Het zal wel in mijn droom gebeurd zijn. Echt iets voor mij om een thriller te gaan lezen alleen in een hotelkamer op Bali. Niet zo slim als je van nature bang aangelegd bent.

‘Bam, bam.’ Van schrik val ik bijna uit de luxe boxspring. Nu weet ik zeker dat er iemand op de deur heeft geklopt. Zijn het mijn ouders? Ik kijk op de wekker naast me en zie dat het 02.00 in de ochtend is. Er is vast iets gebeurd. Ik loop in de richting van de hoteldeur en kijk door het spionnetje. Niemand. Ik voel een kramp in mijn buik van angst. ‘Kom op, Shemaar,’ zeg ik tegen mezelf. Misschien zijn het mijn neven die in de kamer naast mij zitten? Volgens Nederlandse mensen zijn het technisch gezien niet mijn neven. De ene is een achterneef, de zoon van een neef van mijn moeder. De andere neef is een neef van mijn neef. Heel verwarrend allemaal. Daarom noemen we ze gewoon neven.

Waar haal ik de moed vandaan, denk ik als ik de zware hoteldeur open. De deur maakt een piepend geluid. Met mijn hoofd hang ik angstig tegen de deur, ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. Het chique hotel op Bali waar we verblijven heeft ellenlange gangen en aan beide kanten is er niemand te bekennen. Hoe kan dat nou? Het moeten mijn neven geweest zijn, die waarschijnlijk te diep in het glaasje hebben gekeken en het grappig vonden om mij te laten schrikken. Lekker puberaal. Door de schrik ben ik klaar wakker, de adrenaline giert door mijn lijf. Nu kan ik net zo goed even bij ze aankloppen.

Ik hoor gestommel aan de andere kant van de deur. Mijn neef doet open en het is heel duidelijk dat hij diep in slaap was. ‘Oeps,’ denk ik bij mezelf. Wie heeft er dan bij mij aangeklopt? Mijn angst overvalt me wederom. Of spelen ze een flauw spelletje ‘nichtje pesten’?

‘Wat kom je doen? Het is midden in de nacht.’ Hij is nog slaapdronken en ik zoek naar woorden.

‘Er werd bij op mijn deur geklopt en ik dacht dat jullie het waren,’ stamel ik.

‘Nee, dat waren wij niet.’ Hij maakt aanstalten om de deur voor mijn neus dicht te smijten. Ik kan me dat best voorstellen, maar ik ben nog steeds doodsbang.

‘Hoe kan dat nou,’ hoor ik mezelf zeggen met een hoog piepstemmetje.

Mijn neef is nu iets meer wakker en reageert aardiger. ‘Gaat het wel goed?’

‘Ik wist zeker dat jullie een flauwe grap met mij uithaalden. Er werd op de deur geklopt en toen ik ging kijken stond er niemand,’ ratel ik.

‘Wat gek. Misschien was je te laat met de deur open doen?’ Hij wrijft uitgebreid in zijn rode vermoeide ogen. Ik voel me schuldig dat ik hem wakker heb gemaakt.

‘Ik heb heel snel de deur open gemaakt. Het is onmogelijk,’ zeg ik stellig.

‘Je ziet er geschrokken uit. Ga maar lekker verder slapen, er is niks aan de hand. Er is toch niemand.’

Opeens weet ik als donderslag bij heldere hemel wat het is. Dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. ”Het was een klopgeest,’ roep ik uit.

Mijn neef begint heel hard te lachen. ‘Een klopgeest?’

‘Ik weet het zeker. We zijn in Indonesië, die zijn hier echt,’ zeg ik wanhopig. ‘Echt waar. Ik durf niet terug naar mijn kamer met die klopgeest. Ik vind het doodeng.’

Hij komt niet bij van het lachen. Ik besef dat het best belachelijk klinkt. Aangezien hij niet Indisch is, is zijn reactie best begrijpelijk. Mijn Indische oma heeft het altijd over Hollandse mensen: dit zou ik een typische Hollandse reactie noemen. Hij is niet opgegroeid met de verhalen over Indië, zoals ik.

Mijn andere neef is door ons kabaal wakker geworden. Hij is wel Indisch en lacht me gelukkig niet uit.

‘Gaat het meisie,’ zegt hij lief. ‘Kom maar bij ons slapen vannacht.’

Ik ben heel blij dat hij mij uitnodigt. Opgelucht haal ik adem. ‘Wat fijn, dankjewel.’

 

Ongemakkelijk lig ik tussen mijn twee neven. Ik mocht onder één voorwaarde bij hen logeren: ik moest in het midden van het kingsize bed liggen. Dit was een betere optie dan terug naar mijn eigen kamer. Ik maak me zorgen over de rest van het verblijf. Hoe ga ik deze week alleen in mijn hotelkamer slapen? Ik doe mijn ogen dicht en probeer in slaap te vallen. Opeens springt mijn Hollandse neef als een gillende keukenmeid uit bed. ‘Oh nee een beest,’ is het eerst dat in mij opkomt. Ik spring in paniek achter hem aan.

Verbaasd kijkt hij mij aan, ‘voelde jij dat ook?’

‘Wat voor beest is het?’ gil ik.

‘Het was geen beest, ik voelde een vinger langs mijn blote rug naar beneden glijden.’

Hij sliep met zijn rug naar de buitenkant van het bed. Ik zie de angst in zijn ogen.

‘Dat is de klopgeest,’ reageert mijn Indische neef droog.

‘Het voelde alsof iemand met een vinger van de bovenkant naar de onderkant van mijn rug naar beneden gleed. Ik wil niet op deze kamer blijven,’ zegt hij resoluut.

Mijn opa en oma verblijven ook in dit luxe hotel voor de bruiloft van mijn andere neef, mijn ‘echte’ neef. Mijn neven kennen mijn opa en oma goed genoeg om te weten dat ze het niet erg vinden als we op dit onmogelijke tijdstip bij ze langsgaan.’Laten we naar mijn opa gaan,’ opper ik.

 

We zitten bij mijn opa en oma op de hotelkamer. Mijn opa is altijd in zijn element in Indonesië. Het was niet zijn keuze om Indië te verlaten. Mijn oma wilde naar Holland omdat het beter zou zijn voor de kinderen. Als mijn oma dat niet had gewild, had ik niet bestaan: mijn moeder had dan nooit mijn vader kunnen ontmoeten. We vertellen hen het klopgeest-verhaal.

‘Waar moet ik nu gaan slapen de rest van de week? Ik ga morgen een andere kamer vragen bij de receptie.’

Mijn opa glimlacht geamuseerd. ‘Dat heeft geen zin.’ Hij laat een lange stilte vallen.

‘Vertel het die kinderen maar gewoon,’ reageert mijn oma en verbreekt zijn zwijgen. ‘Je kunt altijd bij ons op de kamer slapen Shemaartje, dat weet je toch.’

‘Het resort is gebouwd op een massagraf,’ vervolgt mijn opa. ‘Dit hotel zit vol met geesten, een andere kamer zal daar niets aan veranderen.’

We zitten in een fantastisch chic hotel direct aan de Balinese zee. Dit kan toch niet waar zijn?

‘Blijkbaar hebben jullie dat gevoeld.’ Ik zie dat hij trots op ons is. Als kind heb ik jaren verhalen gehoord over geesten, het bleef altijd iets abstracts voor mij. Ik had nooit verwacht dat ik zoiets zelf zou meemaken.

‘Wat moeten we nu doen?’ vraagt mijn Hollandse neef. Ik zie aan zijn hoofd dat hij het allemaal maar niks vindt. Hij zal waarschijnlijk nooit meer iemand uitlachen die over een klopgeest vertelt.

‘Ik zal uitleggen hoe jullie hier voortaan mee om kunnen gaan,’ en laat een stilte vallen. Wij hangen vol spanning aan zijn lippen. ‘Niet bang zijn. Vraag de geest om weg te gaan.’

Nu, tien jaar later is mijn opa er niet meer. Hij is 3 jaar geleden overleden. Hij heeft mijn oudste dochtertje nog kunnen ontmoeten, een paar dagen later overleed hij. Als ik geluiden hoor in de nacht, dan denk ik altijd aan zijn wijze woorden. Ik ben niet meer bang voor geesten. Ik prijs me gelukkig met zulke lieve grootouders aan wie ik mijn bestaansrecht dank.

Jepang Babi

Jennifer Valentijn Jepang Babi

Kort verhaal door Jennifer Valentijn

Jennifer Valentijn won dit voorjaar de verhalenwedstrijd Hier Wordt Wat Groots Verricht van Indisch 3.0. Meer weten over deze dame? Lees dan de Indisch 3.0-bijdrage aan de Moesson van augustus. Volgende maand publiceren we het verhaal waarmee Shemara van den Heuvel de tweede prijs gewonnen heeft, en tot slot in oktober het korte verhaal van Christie Haalboom. Onderdeel van deze drie prijzen waren publicatie van het verhaal op Indisch 3.0 en een mini-interview in Moesson. 

Jennifer Valentijn Jepang Babi

 

Jakarta, 1944

‘John, fijn dat je er al bent’, zei mijn oudoom, mijnheer Manis. Zo noemde ik hem soms, want hij at elke dag kue lapis bij zijn thee – waar minstens drie suikerklontjes in gingen -, rookte kretek sigaretjes en zijn kleding was doordrongen van de geur van zoete wierook. Hij brandde die ‘s avonds, voor het slapen gaan, zodat de boze geesten hem niet zouden bezoeken.

‘Heb ik je al verteld van Lida Berbahaya? De oude dame die naast mij woonde?”, vroeg hij steeds als ik er een opmerking over maakte. Ik knikte. Lida Berbahaya was een heks, met lang grijs haar in een knot en een ijzingwekkend hoge stem, volgens sommige verhalen. Als kleine jongen was ik altijd erg bang om haar tegen te komen als ik bij mijnheer Manis op visite ging om viool te leren spelen. Mijn oom was muzikaal aangelegd, één van de weinigen in de familie.

Over Lida Berbahaya werd gezegd dat ze ‘s nachts op straat liep om met de geesten van overledenen te communiceren. Volgens mijnheer Manis nam ze die soms mee naar huis en vervolgens spookten ze ook in zijn huis. Ze verstoorden zijn nachtrust. Lida was al lang geleden overleden, minstens 12 jaar geleden, toch was hij ervan overtuigd dat hij haar nog regelmatig tegenkwam. Ik ging er nu niet op in, want ik wilde vertrekken.

‘Ik ben er klaar voor, laten we gaan’, ik tilde zijn koffer en de mijne. Hij was al oud en zwak, daarom wilde ik hem niet onnodig belasten. ‘De Jappen zitten overal. John, beloof me dat je er alles aan doet om niet in hun handen te vallen, tegen elke prijs’, zei hij. Ik schudde mijn hoofd, ik wilde niets van die negatieve nonsens horen. Ik hield niet van doemdenken, het maakte me onnodig zenuwachtig. ‘Niet zo gek oom, we gaan gewoon naar moeder. Geen zorgen’.

‘Maar Lida waarschuwde me gisteren’, stamelde hij. Ik schudde mijn hoofd. Natuurlijk was ik me ervan bewust dat er meer was tussen hemel en aarde, maar ik had het gevoel dat mijn oom er zoveel mee bezig was dat hij er een beetje paranoïde van werd.

We gingen de straat op, om een bus te nemen naar mijn moeder. Het was nog vroeg, en kraampjes met lekkers werden uitgestald. Sommige kooplieden verkochten allerlei kruiden en specerijen, zoals kruidnagel, ketoembar, kemirinoot, sarré en pepers. Samen met de opkomende warmte van die dag zorgden ze voor een heerlijk geurenboeket.

Verderop stond er een mooie dame die zoete pinda’s verkocht in papieren zakjes. Zelf was ik er niet dol op, maar ik kocht een zakje zodat ik iets tegen haar kon zeggen. Ze had mooie, grote bruine ogen. Europees vond ik ze, qua vorm, ze had een tenger lichaam en droeg een paarse jurk van batik.

‘Goedemorgen jongedame. Heeft u misschien een zakje voor mij? Ik hoop dat de pinda’s net zo zoet zijn als uw uiterlijk’, zei ik tegen haar. Mijn oom wist op het goede moment in te haken op het gesprek dat ik met haar wilde voeren. ‘Hij lust helemaal geen pinda’s’. Door mijn donkere huidskleur verraadden mijn wangen gelukkig niet dat ze volschoten met het warme gevoel van schaamte. Toen ik snel probeerde na te denken over een strategisch antwoord, was zij het die mijn oom antwoord gaf.

‘Dan zijn ze zeker voor u? Wat lief van uw zoon dat hij ze voor u koopt.’ Ze overhandigde hem het zakje en keek mij met haar lachende ogen aan. ‘Ik zal even afrekenen,’ zei ik terwijl ik in mijn portemonnee tevergeefs naar kleingeld zocht. Ook mijn broekzakken lieten het afweten. Ik herinnerde me weer dat ik gisteren mijn laatste geld opgemaakt had aan bamisoep. Biljetten had ik nooit bij me.

‘Heeft u…’, nu stond ik natuurlijk voor aap. Ik kocht de pinda’s zogezegd voor hem, maar moest hem om het geld vragen. ‘Neemt u ze gratis mee’, zei de dame. Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee hoor, we nemen ze nu mee, maar ik kom terug om ze te betalen’, zei ik. We hadden nog maar vijf minuten om de bus te halen. Met het tempo van mijn oom moesten we nu wel vertrekken. ‘Dank u wel’, zei ik tegen de dame, en kuste haar hand. Het minste wat ik op dat moment kon doen. ‘Je kunt goed slijmen, John’, zei hij. Hij kauwde op de pinda’s, waardoor hij minder goed verstaanbaar was. Kon hij niet netjes met zijn mond dicht snoepen?

We konden nog net op tijd instappen, het was overvolle bus. Daar zaten voornamelijk mensen in die naar hun werk moesten, of naar de markt. Er was geen zitplek meer, daarom gaf ik mijn oom mijn arm ter ondersteuning. Naast hem had iemand een mand met kippen bij zich die net zo hard kakelden als de twee dames die achter ons stonden. Ze waren aan het roddelen. ‘Heb je de buurvrouw gisteren gezien, haar haren zijn in één nacht grijs geworden’.

Verderop zat er een keurige dame met een waaier en af en toe sloeg ze er zacht mee op het hoofd van een boerenjongen die om geld bedelde. Gelukkig hoefden we niet al te lang in dit kleurrijke gezelfschap te verkeren, na een klein kwartier was de bus een stuk leger en konden wij eindelijk zitten. Ik nam de bagage op schoot, je kon zomaar bestolen worden. Ik sloot even mijn ogen. De dag was net begonnen, maar de hectiek had me al moe gemaakt.

Al snel viel ik in slaap en droomde over de oceaan. Ik was weer een klein jongetje en sprong over de golven met mijn moeder, zorgeloos en vol vrijheid. Af en toe spetterde het water verfrissend tegen mijn gezicht. Ik reikte mijn hand uit om die van mijn moeder te pakken. Ze trok aan mijn hand en schudde die hard, zodanig dat ik er wakker van schrok.

Ik keek recht in de ogen van een Japanner, hij had een grof gezicht met een varkensneus. Jepang Babi! Hij trok aan mijn hand, zodat ik rechtop ging zitten. Een ander riep dat de bus moest stoppen. Mijn oom zat bevend naast mij. ‘Ik zei het je toch, we hadden thuis moeten blijven’. Jepang Babi pakte mijn gezicht beet tussen zijn duim en wijsvinger en bekeek me alsof hij onderzoek deed. ‘Jij kunt vertrekken. Wat doe jij hier, je bent een Japanner, meng je niet tussen de Indo’s!’, gilde hij.

Wat een belediging! Ik was er trots op Indo te zijn. Hoe durfde hij mij te vergelijken met dat brute volk waar hij toe behoorde. ‘Ik ben geen Japanner, Jepang babi!’, antwoordde ik hem. ‘Ik ben een Indo, zie je niet dat ik niet van die lelijke ogen heb en dat mijn huidskleur een mooier bruin is. Ik weiger te gaan!’

Jepang babi bulderde van het lachen en riep zijn maat erbij. ‘Deze jongeman maakt leuke grappen. Kijk naar zijn Japanse gezicht! Mij houd je niet voor de gek hoor, scheer je weg. We moeten die Indo’s afvoeren’, zei hij, en tilde mij samen met zijn maat uit de stoel. ‘Ik ga niet zonder hem. Hij heeft mij nodig, hij is een oude man’, zei ik. Ze hadden mij zo stevig vast dat ik me niet kon losmaken. Mijn oom keek mij niet aan, maar fluisterde: ‘Ga John, het is goed’.

Voordat ik de bus uitgezet werd, keek ik nog één keer om. Zag ik het goed, zat daar een oude vrouw met grijs haar naast hem?

Jennifer Valentijn.
Jennifer Valentijn.

Win Het Bali van Bloem

24 augustus 2012 viert Marion Bloem haar 60e verjaardag. Indisch 3.0 publiceert die dag een interview met de schrijfster, en mag drie exemplaren van Het Bali van Bloem weggeven. 

Wil jij een exemplaar van Het Bali van Bloem winnen? Geef dan antwoord op de volgende vraag:

2012 is voor Marion Bloem een jubileumjaar. Naast haar 60e verjaardag, viert zij dit jaar ook de publicatie van drie boeken. Weet jij de titels van deze boeken?

Mail je antwoord voor 20 augustus 2012 naar: redactie@indisch3.nl, en vermeld hierin ook je adresgegevens.

 

24 augustus zullen de winnaars bekend gemaakt worden. Over de uitslag is geen correspondentie mogelijk.