Bloedstollende memoires van een Indische oma

Flyer Deze en Genen

‘Memoires van een vrouw van 74 jaar wat ze zich vanaf haar 5de jaar herinneren kon.’ Zo beginnen de verhalen die mijn oma (1905 – 1989) in de jaren tachtig optekende op verzoek van mijn altijd alerte moeder. Ze zijn een van de inspiratiebronnen voor mijn theatervoorstelling ‘Deze en Genen Speciaal‘, die ik vanaf mei ga spelen.

In het kader van Theater Na de Dam op 4 mei maak ik momenteel een nieuwe versie van mijn voorstelling over de zoektocht naar mijn Indische roots. Dolblij was ik toen ik achter in de kast een schrift vond met daarin de memoires van mijn oma. Ik wist dat ik het had, maar waar? In een kriebelig oudedameshandschrift heeft ze een twintigtal pagina’s volgeschreven – helaas niet meer – van een grijs schrift met harde kaft.

Op pagina 1 begint het al goed: ‘Het was in 1910 toen we in Poerworedjo zaten, een plaatsje ergens op Java. Mijn vader was er toen griffier van de landraad. Ik herinner me nog, dat mijn ouders met hun tien kinderen daar een heel groot huis bewoonden met een heel grote tuin eromheen, waar in de hoek een enorm grote waringin groeide. Onder deze boom mochten we nooit spelen, want anders zouden we ziek worden, vertelde één van onze baboes ons. Op een dag speelde één van mijn broers, Eddy er en prompt na een week of wat stierf hij na 4 dagen dysenterie gehad te hebben. Hij was pas 7 jaar en een heel groot verlies voor mijn ouders en ons allen, want hij was een schattig jongetje en anders heel gehoorzaam. Onze baboe zei direct, dat het door die boom kwam, want daarin huisde een boze geest. Nu, mijn ouders waren niet zo bijgelovig hoor. Hij zou wel buiten hun medeweten wat gegeten hebben, dat niet goed voor zijn darmen was.’

Het verhaal biedt een prachtig inkijkje in geloof en bijgeloof in Nederlands-Indië aan het begin van de vorige eeuw. Dat mijn oma zeker gevoel voor drama had (van wie zou ik dat toch hebben?)  bewijst het volgende bloedstollende fragment.

“In de tijd dat we in Soemenep (Madura) zaten hebben we iets heel ergs meegemaakt. We waren op een zondag allemaal, echtparen met kinderen en al, bij de familie van Duin op bezoek, toen de ouderen na het eten zaten te bridgen en wij kinderen, het waren er heel wat, de tuin inliepen om te spelen. Er werden allerlei spelletjes gedaan en toen we moe waren, zei één van mijn vriendinnen, ze heette Eppy Roset: ‘Claartje kom je even mee naar huis, dan zal ik je mijn nieuwe pop laten zien.’ Eppy was toen pas zes jaar en ik zeven.

Het was ons streng verboden het erf af te gaan, maar omdat hun huis dichtbij was, dacht ik dat het geen kwaad kon. Eppy’s zus Willy waarschuwde dat het niet mocht, maar toen we toch wilden gaan is ze met ons meegegaan, net als Mies haar oudste zuster. De heer Roset was die middag net thuisgekomen van de jacht en gaf zijn geladen geweer aan de huisjongen, om het schoon te maken. Deze had het druk met andere dingen en gaf het geweer toen over aan klein Inlandsch jongetje van een jaar of zes, niet wetende dat de kogels er nog niet uit waren. Anders deed meneer Roset het altijd zelf.

We waren alle vier naast elkaar op de divan gekropen, toen het jongetje in het Maleisch zei: ‘Meisjes, meisjes, ik schiet hoor’. Ik was dadelijk van de divan afgegaan, maar de andere drie bleven rustig zitten. Eerst richtte hij het geweer op het oudste meisje, het ketste af, toen op Willy en de 2e kogel ketste ook af. Maar de derde kogel was goed raak. Het was een springkogel, gericht op Eppy, die eerst door haar arm ging, daarna door de borst en via het hoofd naar het plafond. Het plafond zat vol met hersenresten. Ze was onmiddellijk dood.”

Die oma van mij, niets geen lieflijke memoires. Een horrorfilm is er niets bij. Dit verhaal komt niet in ‘Deze en Genen Speciaal’, maar andere familieverhalen wel. Ook nooit vertelde verhalen, van mijn opa die aan de Birmaspoorlijn moest werken en altijd gezwegen heeft over wat hij daar heeft meegemaakt. Met zang, tekst en spel en begeleid door de oer-Hollandse pianist Paul Maassen ga ik op zoek naar wat het nou eigenlijk betekent om tot de derde generatie Indische Nederlanders te behoren. Net als op deze blog gebeurt, maar dan in 3D. En mijn beide grootouders van Indische kant gaan – in hun verhalen – mee op tournee!

Poppie roept!

Als vriendinnetjes van mij het vroeger weleens over hun (Nederlandse) oma hadden, merkte ik dat het bij mij anders was. Soms kon ik merken dat mijn oma vroeger in Indonesië, het voor mij toen nog onbekende land, veel had meegemaakt. Vele vragen waren voor mij onbeantwoord. Nu, na haar dood zijn er nog steeds vele dingen waar ik geen weet van heb. Maar wat er precies zo anders aan haar was, en waarom dat was? Dat kon ik eigenlijk nooit onder woorden brengen.

Toen mijn Indische oma nog leefde, belde ze om de zoveel tijd even op, om te vragen hoe het met ons allemaal ging. Wanneer mijn vader dan opnam, riep hij vol enthousiasme: ‘Poppie roepttt!’ Hierna volgde gekwebbel in Maleis en Nederlands door elkaar. Wanneer ik dit hoorde, luisterde ik altijd met een glimlach op mijn gezicht mee. Wanneer ik zelf opnam als mijn oma belde, zei ze altijd: ‘Daaaagg Stéphanieeeee, hoe is het met jouuuu?’ Dat typische, oh zo herkenbare accent zal ik nooit meer vergeten. Net zoals de standaard vraag tijdens het eten: ‘Is het lekkerrrr?’ Zo cliché, maar wat vond ik het heerlijk om die ‘r’ te horen rollen.

Wanneer ik nu een ouder iemand zie van Indische afkomst, denk ik aan mijn oma. Hoe ze lachte, hoe ze danste, met haar vuistjes in de lucht en haar ogen gesloten. Hoe ze heerlijk kon genieten van haar bord met eten en dit dan ook heel langzaam opat. Haar vingers vol mooie gouden ringen, haar lange nagels, waar ik altijd vol bewondering naar keek, en haar altijd perfect zwarte haar, want grijs zijn op haar tachtigste, oh nee, dat wilde mijn oma absoluut niet.

Mijn oma woonde in een dorpje in Noord Holland. Haar huis leek net een klein rommelmarktje, of nog toepasselijker: een mini Pasar Malam. Van de gekste spullen kon ze geen afstand doen en ook dieren kregen altijd een plekje bij haar in huis. Ik daarentegen woonde in het oosten van het land. Vaak zag ik mijn oma dus niet, maar als ik haar zag, gaf het me altijd een warm gevoel van binnen. Lange gesprekken hadden we niet, maar het goedkeurende glimlachje wat ik altijd van haar kreeg, zei genoeg.

Toen mijn oma was overleden, hoorde ik van mijn tante dat ze altijd zo trots op mij was geweest. Toen ik dat hoorde, overspoelde mij opnieuw datzelfde warme, onbeschrijfelijke  gevoel wat ik altijd kreeg wanneer ik haar zag. Wat mijn oma anders maakte, blijft moeilijk te omschrijven, misschien is het enkel een gevoel. Een herkenbaar gevoel?