Toko Test #3: Warung Pojok in Garden Grove

Speciaal voor lekkerbekken, culi-freaks en Indo’s die op zoek zijn naar de authentieke Indische smaak onderzoekt Indisch 3.0 in deze nieuwe serie de ‘I-factor’ van toko’s in Nederland. Bij welke toko moet je volgens ons wél eten of afhalen, en bij welke juist níet? De beoordeling wordt weergegeven in een score van 1 tot maximaal 5 lombok merah’s. In deze derde aflevering: Warung Pojok in Garden Grove (Orange County, California) in de Verenigde Staten.

Testteam: Willem-Jan Brederode en familie

Omdat mijn vlucht vanuit Schiphol naar Los Angeles rond het middaguur arriveert, stelt mijn familie voor om eerst gezamenlijk te lunchen alvorens naar huis te rijden. Op de weg erheen komen we langs de stad Garden Grove in Orange County, gelegen tussen de agglomeraties van Los Angeles en San Diego. In Garden Grove bevindt zich Wajung Pojok, een Indonesisch eetgelegenheid gesitueerd in een van de vele stripmalls die Californie telt.

In Amerikaanse termen hanteert Warung Pojok de fastfood methode; alle gerechten zijn kant en klaar te bezichtigen via de vitrines en het enige aanwezige menu is in koeienletters te lezen hoog achter de balie. Echter on-Amerikaans en zelfs on-Indonesisch, is de afwezigheid van een airconditioning. In combinatie met de zomerhitte worden op deze manier de tropische sferen die bij zo’n maaltijd passen perfect nagebootst.

De eigenaren en tevens personeelsleden komen uit Jakarta en lijken me van Chinese komaf, zoals bij veel Indonesische Amerikanen het geval is. Ook de gerechtnamen eindigen vaak op “Betawi” dat op de Jakartaanse oorsprong van het menu duidt. De hoofdkeuze bestaat uit een menu met nasi uduk of mie goreng, aangevuld met één, twee of drie vlees- en/ of groentegerechten. Nadat mijn vrouwelijke familieleden al kwetterend de serveerster de meest uiteenlopende bestellingen hebben gegeven, is het mijn beurt. Na wat vluchtig gegluur over de gerechtbakken, kies ik voor een combinatie van nasi uduk, ayam pangang, rendang en een groentegerecht waarvan ik de naam direct vergeet. Het is een soort sajur van telor en tahu. Een aparte combinatie die desondanks best lekker is.

Ook de andere gerechten die ik heb besteld zijn goed. De nasi uduk is lekker zoet en de ayam pangang is goed knapperig, maar niet te droog. Ook de rendang is erg lekker. Bij het bereiden is het altijd de kunst om het rundvlees niet als rubber te laten smaken, hetgeen bij deze rendang best goed gelukt is. Hij is lekker mals maar ook weer niet te sappig. Ook de sate is vrij lekker, temeer omdat je proeft dat deze echt geroosterd is en niet uit een koekenpan komt.

Mindere punten van zijn de cendol (mierzoet) en de ketan hitam (vrij smakeloos). Het grootste minpunt betreft echter de beperkte voorraad van zo ongeveer alles wat lekker is. Toch jammer. Ondanks dat wij vrij vroeg in de middag arriveren, zijn veel gerechten (met name de sate) namelijk al bijna op. Er wordt maar één keer per dag gekookt en “op is op”. Bovendien worden er iedere dag andere gerechten klaargemaakt, dus je moet maar net geluk hebben dat jouw smaak aanwezig is.

Voor een fastfoodgelegenheid is de kwaliteit van het eten van Warung Projok echter verrassend goed. Ben je een keer op bezoek bij je familie in California en heb je zin in lekkere Indonesische fastfood, ga dan zeker langs. Ben je echter alleen te porren voor een uitgebreide rijsttafel met een invulling naar keuze, rijd Garden Grove dan maar voorbij.

Onze beoordeling:

Mocht je een keer in de buurt zijn, oordeel dan zelf: Warung Pojok – 13113 Harbor Blvd. – Garden Grove – California – www.warungpojokindo.com

Belandabarbie op vakantie

Al eerder schreef ik op Indisch 3.0 over mijn grootste ergernis: “Jij Indisch? Goh, dat zou je niet zeggen!’ Zelfs op onze kumpulan en de TongTongFair overkwam het me. Ik ben toch echt Indisch, maar zie er blijkbaar heel Hollands uit. Tenminste, dat vinden de meeste Indo’s en zo ongeveer alle Nederlanders die ik tegenkom. Maar gek genoeg, hier in Spanje denken ze van niet.

Nu in het hoogseizoen de Costa Brava is veranderd in Klein Holland vullen Nederlandse toeristen de straten, restaurants en de winkels. Voor de willekeurige voorbijganger die mij voorbij ziet komen is de kans is groot dat ook ik Nederlands ben. Toch twijfelen veel spanjaarden als ze me voor het eerst zien

Veel winkel- en restaurantbediendes veronderstellen dat ik ‘een local’ ben, totdat ik in een langer gesprek in het Catalaans of Spaans wordt verraden door mijn accent. Als ik dan vertel dat ik uit Nederland kom wordt vaak tegen me gezegd: ‘Maar toch is er iets aan je dat niet Nederlands is’.

Als ik hen vraag wat dat ‘iets’ dan precies is, kunnen ze het niet uitleggen. Mijn gedrag wijkt af van de ‘gemiddelde’ Nederlandse toerist, zeggen ze, en ook mijn lichaamsbouw is in hun ogen niet Nederlands. Te fragiel. Bovendien word ik de zon vele malen donkerder dan andere Nederlanders. Dat past blijkbaar niet helemaal in hun beeld van de Hollander.

Maar gek genoeg zien veel Nederlandse toeristen me ook vaak aan voor een ‘local’. Het overkomt me regelmatig dat door een landgenoot met een ‘Hoe & Wat in het Spaans’ in de hand, naar de weg word gevraagd. Als ik vervolgens in het Nederlands antwoord, volgt een verraste blik.

Rare jongens die Hollanders. In Nederland vinden ze altijd dat ik er ‘gewoon Nederlands’ uitzie maar zodra de setting verandert denken ze spontaan dat ik ‘van daar’ ben! Kwetsend is niet het goede woord, maar ik zie natuurlijk veel liever dat ik in Nederland voor Indo wordt aangezien dan in Spanje voor Spaanse.

Uit zoete wraak laat ik tegenwoordig veel Nederlanders in de waan dat ik inderdaad Spaanse ben. Ik begin dan een uitgebreid verhaal in het Spaans of Catalaans en laat ze lekker zweten met hun woordenboekje…

Kijken we ook naar de toekomst?

Op veel posts reageren lezers met uittreksels over de geschiedenis – en dat geldt niet alleen voor deze website – in plaats van op het topic zelf. Tot in detail beschrijven sommigen hoeveel procent van de bevolking in Nederlands-Indië Nederlands onderwijs kreeg, of hoe precies de bevolkingsverdeling in jaar x in elkaar stak. Sowieso zouden getallen over Nederlands-Indië per definitie omgeven moeten zijn van de aanduiding “bij benadering”.

Maar waarom voelen sommigen zich zo geroepen bij elke post de geschiedenis in te duiken? Natuurlijk, geschiedenis is heel belangrijk. Maar hoe zit het met het heden, of de toekomst? Daarom vragen wij ons af: kijkt de huidige Indische jongerengemeenschap vooral naar het verleden of de toekomst?

Integratiedebat en identiteit bij Indische jongeren

Als jongen met een Indische moeder en Nederlandse vader heb ik wat je zou kunnen noemen een “lichtgetint uiterlijk”. Zoals dat wel vaker gebeurt bij 3e generatie Indo’s leidt mijn uiterlijk vaak tot vragen over mijn afkomst. Deze vragen en het feit dat “het Indische” een weinig besproken onderwerp was bij ons thuis, zorgde ervoor dat ik me als puber ging afvragen wat mijn afkomst precies inhield en wat het voor me betekende. Tijdens mijn studies Culturele Antropologie en Sociologie deed ik verschillende projecten met een Indisch getint onderwerp en ook in mijn master thesis stond het Indische centraal.

Aanleiding voor het onderzoek

In het onderzoek dat tot deze thesis moest leiden wilde ik twee voor mij relevante onderwerpen combineren: de Indische identeit van jongeren en de verharde toon in het politieke en publieke debat omtrent integratie en multiculturaliteit. Een van de redenen hiervoor was dat mijn eigen vragen over mijn Indische identiteit vaak in relatie stonden tot de toon van dat debat. Steeds vaker realiseerde ik me dat culturele verschillen voor sommigen blijkbaar een probleem zijn. Wat betekent dit dan voor mij en mijn eigen gemengde achtergrond? Versterkt dit mijn culturele identiteit? Ik besloot mijn onderzoek te richten op de vraag Wat is de invloed van het integratiedebat op de manier waarop Indische jongeren betekenis geven aan hun culturele achtergrond?

Diepte-interviews

Bij mijn onderzoek betrok ik 21 jongeren behorend tot de derde generatie Indische Nederlanders. Om met hen in contact te komen begon ik in mijn eigen netwerk en paste zogenaamde snowball-sampling toe. Simpel gezegd hield dat in dat ik de mensen die ik interviewde vroeg om andere geïnteresseerden aan te dragen. Bij het benaderen van respondenten probeerde ik voor zo veel mogelijk variatie te zorgen in opleidingsniveau, uiterlijk en de mate waarin er interesse is in de Indische achtergrond.

Van iedere respondent nam ik vervolgens een face-to-face diepte interview af. Hierbij lette ik op de manier waarop de respondent over diens Indische achtergrond sprak nadat het integratiedebat ter sprake was gekomen. Daarnaast probeerde ik er achter te komen of het  niveau van interesse in “het Indische”,  het verschil in opleidingsniveau en en het wel of niet hebben van een “Indisch uiterlijk” (dit laatste baseerde ik op hoe mensen aangaven door anderen te worden gezien) invloed heeft op de posities die de geïnterviewde inneemt in het  integratiedebat.

Aan de hand hiervan kon ik de respondenten opdelen in drie categorieën die aangeven in welke mate zij beinvloed worden door het integratiedebat in de manier waarop zij zich verbonden voelen met hun Indische achtergrond: 1) niet beïnvloed (10 respondenten), 2) subtiel beïnvloed (5 respondenten) en 3) bewust beïnvloed (6 respondenten). Binnen elk van deze drie categorieën zijn vervolgens ook nog  3 profielen te onderscheiden. De verschillende profielen zijn gebaseerd op verschillen in interesse in de Indische achtergrond en manier van beïnvloeding door het integratiedebat. In totaal kwam ik op 9 profielen. Dit geeft aan dat de groep geïnterviewden zeer heterogeen was.

Opvallende resultaten

De resultaten laten een aantal opvallende dingen zien. Allereerst is het zo dat mensen die door het integratiedebat niet beïnvloed worden in de manier waarop zij betekenis geven aan hun Indische achtergrond, sterk van elkaar verschillen in de mate waarin zij met die achtergrond bezig zijn. Sommigen zijn hier niet mee bezig, anderen het ene moment wel en op andere momenten minder en voor weer anderen heeft een Indisch-zijn juist een sterke betekenis. De respondenten die niet worden beinvloed, lopen wat hun indische identiteitsbeleving betreft dus zeer uiteen.

Ditzelfde geldt voor de subtiel en bewust beïnvloede categorieën, die samen ongeveer de helft van mijn sample vormen. Opvallend is wel dat zij over het geheel genomen wel meer interesse in hun Indische achtergrond hebben. Opvallend is verder dat veel jongeren uit deze groep opgegroeid zijn met vragen over wat hun Indische achtergrond precies voor hen betekent. Een ander interessant punt is dat de mate waarin iemand wel of niet als Indo, allochtoon of buitenlander wordt bestempeld door anderen, samenhangt met de mate van interesse in de eigen Indische achtergrond en de mate waarin diegene wordt beïnvloed door het integratiedebat. Kort gezegd: hoe meer iemand als anders gezien wordt, hoe meer diegene interesse heeft in zijn/haar achtergrond en hoe eerder diegene beïnvloed wordt door het huidige integratiedebat.

Tot slot bleek dat er sprake is van een zogenaamde ruimere identificatie. Het blijkt dat bij het grootste deel van de jongeren die subtiel of bewust beïnvloed worden door het integratiedebat, de identificatie met de Indische achtergrond als het ware voorbij de grens van het Indische reikt. Deze jongeren voelen zich niet alleen verbonden met andere Indische mensen maar ook met andere mensen met een migrantenachtergrond en niet-westerse allochtonen. Sommigen van hen voelen zich zelfs deel uitmaken van een soort groter allochtoon geheel. In die zin is het misschien ook niet vreemd dat de manier waarop zij betekenis geven aan hun Indisch-zijn beïnvloed wordt door de harde toon van het integratiedebat, ook al zijn Indische Nederlanders hierin geen onderwerp van discussie.

Belangrijkste conclusies

Er zijn naar mijn idee twee hoofdbevindingen die uit mijn onderzoek naar voren komen. Allereerst is dat de bevinding dat de helft van de respondenten zich meer met het Indische (en minder met het Nederlandse) identificeert naarmate de toon van het integratiedebat verhard. In de tweede plaats is dit de ruimere identificatie van veel Indische jongeren met andere migrantengroepen en niet-westerse allochtonen.

Beide bevindingen hebben niet alleen betrekking op Indische jongeren, maar ook op het integratiedebat in zijn geheel. Gezien het feit dat een deel van de respondenten zich gedeeltelijk “afkeren” van het Nederlands-zijn, is het wellicht zo dat de toon van het huidige integratiedebat een negatieve rol speelt bij de integratieproblematiek van verschillende migrantengroepen. Juist doordat de toon verhard, voelen migranten zich wellicht eerder aangetrokken tot hun migrantenachtergrond en meer uitgesloten van de Nederlandse maatschappij. Eens te meer blijkt dat inzicht in de positie van de Indo binnen de nederlandse samenleving een belangrijke rol zou kunnen spelen in het integratiedebat en de toekomst van multicultureel Nederland.

Het volledige onderzoek, geschreven in het engels, is hieronder te downloaden in PDF-formaat:

Affected Ethnic Identities (ctrl-klik/rechtermuisklik op de link om te downloaden)

Recensie – de Pasar Malam van Tong Tong

In het in 2009 uitgekomen boek ‘De Pasar Malam van Tong  Tong, een Indische Onderneming‘ doet Florine Koning verslag van 50 jaar PMB in Den Haag. De historicus Koning, momenteel verantwoordelijk voor de PR van de Tong-Tong Fair, werkte er vier jaar aan. Het resultaat is een tijdsbeeld van de Indische gemeenschap die op zoek is naar erkenning. Maar bovenal leest het als het antwoord van de organisatie op de vele kritieken die het in de loop der jaren heeft gekregen.

Florine Koning (2009)

Bij het schrijven van deze recensie flitsen vele gedachten door mijn hoofd. “Benader ik het boek als objectief recensent, of neem ik alle kritiek mee die ik gehoord heb?” “Als Indisch3 treden wij op op de Tong-Tong Fair. Kan ik dan nog wel een recensie schrijven?” En: “De Pasar Malam Besar, euh, Tong-Tong Fair, is een instituut. Mogen wij daar wel kritisch op zijn?” Tijdens het lezen komen al deze gedachten regelmatig voorbij. Ik heb de verhalen gehoord over een zwarte lijst met mensen die kritiek hebben op de organisatie en realiseer me desalniettemin dat een onafhankelijke mening voor onze lezers zwaarder weegt dan elke andere overweging.

Bij het lezen van het boek denk ik bij vrijwel elke foto: dit kan een familielid zijn. De prachtige, grote foto’s maken het lijvige boek tot een persoonlijk naslagwerk. Ook het ontstaan van de Pasar, ooit begonnen als fancy fair voor een goed doel, ontroert. Maar wat me het meeste raakt, is de parallel tussen de erkenning die de Pasar Malam Besar zocht, en de niet ophoudende zoektocht naar erkenning van de Indische gemeenschap.

Koning geeft aan dat voor de Pasar in 2007 die zoektocht eindigde: het jaar waarin de Pasar de Grand Prix van de Nationale Evenementprijzen uitgereikt kreeg. Ik voel een parallel met het commentaar van mijn opa, toen hij een lintje kreeg voor 40 jaar trouwe dienst bij de KLM – die hij ook nog eens ontving van zijn grote idool Nelie Kroes: “Hoe vind je dat Kirst? Niet slecht hè, voor een Indo?”

Tong Tong Fair (bron:www.tongtongfair.nl)

Twee jaar later veranderde het bekroonde evenement zijn naam in de – veel bekritiseerde –  Tong-Tong Fair. In het boek is die kritiek opgenomen. De historicus en pr-functionaris Koning neemt enkele passages op, waaruit alleen maar blijkt dat mensen aangeven dat de Pasar Malam tot hun identiteit behoort. Het veranderen van de naam voelt als het weg gummen van een stuk geschiedenis. De uitleg voor de naamswijziging? Te veel nostalgie, te veel een soortnaam (de Spa Blauw onder de festivals) en op internationaal vlak te weinig positionerend.

Op dat moment verliest Koning zichzelf in onderbouwingen en theoretische discussies. Zelfs de Van Dale haalt ze erbij om aan te tonen dat het begrip Pasar Malam synoniem staat aan exotisch en nostalgisch. Hierdoor gaat het boek voorbij aan de kern van die kritiek: het veranderen van de naam is te vergelijken met het doorhakken van een navelstreng: nooit meer zal de vanzelfsprekende verbinding tussen Indie en Nederland een plek hebben in Den Haag. De Pasar Malam Besar is (van) de Indische Gemeenschap – een feit dat een paar pagina’s later onderstreept wordt, door te beschrijven  dat de TTF te vergelijken is met een tijdelijke Indische stad.

Het evenement, dat uitgroeide van een – in het boek treffend beschreven- familiebedrijf tot een serieuze speler, heeft het zeker niet makkelijk gehad. Door het tijdelijke karakter waren banken niet erg happig op het verlenen van financiering. In de loop van de tijd besteedde de organisatie steeds meer aandacht aan stylering en vormgeving, waardoor mensen dachten dat er geld in overvloed was. De auteur benadrukt bovendien dat de entreeprijzen aanzienlijk lagen zijn dan die van andere Nederlandse evenementen. Dit argument, hoe begrijpelijk ook vanuit zakelijk perspectief, verliest aan kracht doordat vele bezoekers de entree van de Pasar vooral vergeleken met die van andere pasars. Misschien dat hierbij die naamsverandering wel helpt.

Een evenement dat ooit idealistisch begonnen is, kreeg na een kleine 50 jaar eindelijk erkenning. De naamsverandering die erop volgde maakte een hoop los: dat liet zien hoezeer de Pasar Malam Besar eigendom geworden was van de Indische gemeenschap. Sinds die verandering boet het evenement alleen maar in aan naamsbekendheid, zeker met de komst van de Pasar Malam Indonesia van de Indonesische ambassade. En toch – het in 2009 uitgekomen boek geeft zeker veel meer kleur aan die grote Indische avondmarkt, die voor velen verworden is tot een jaarlijks Indisch familiefeest, of je nou tevreden bent met de manier waarop ze deze onderneming drijven, of niet.

Saudara4Life

Het groepje echte vrienden dat ik heb, kent elkaar al jaren. Bijna allemaal zijn we Indisch. Toegegeven, het lijkt haast alsof we elkaar hierop hebben geselecteerd. In werkelijkheid is het echter anders gelopen. De Indische vriendengroep was er ineens, en heeft ons de jaren erna gevormd. Vanaf het eerste moment zijn we als broers voor elkaar geweest; “saudara” voor het leven.

Op sociaal vlak was ik vroeger een laatbloeier. Pas na mijn 18e leerde ik vrienden kennen met wie ik een diepere band ontwikkelde. In de nadagen van mijn middelbare schooltijd vormden wij een klein Indische subgroepje binnen al de subgroepen die je had in de jaren ’90.De gemeenschappelijke interesse in onze culturele achtergrond werd de basis van onze vriendschap. Samen ontdekten we de pasar malams, Indo parties en de vele Indische afslagen op de snel opkomende digitale snelweg.

Gaandeweg leerde ik steeds meer Indische jongens kennen met dezelfde hunkering naar culturele ontplooiing als die ik voelde. Buiten het praten over en samen beleven van de Indische cultuur voelden we een hechte band die al snel zorgde voor een diepe verbroedering. We hoefden elkaar niet echt te leren kennen; het was of wij al vanaf geboorte uit hetzelfde hout gesneden waren.

Bij de eerste ontmoeting merkten we al dat we elkaar feilloos aanvoelden. Er was geen miscommunicatie, er waren geen misverstanden over geld, tijd of meisjes. We vulden elkaar aan, hielpen elkaar wanneer het moest. We zwegen als het moment daarom vroeg en spraken als er iets gezegd moest worden. Wij waren meer dan vrienden van elkaar. We waren broeders. Wij zagen onszelf als de hoop voor en beschermers van de Indische cultuur in de 21e eeuw en noemden elkaar respectvol “saudara”, vrij vertaald “broeder”. Later kortten we dit af naar “sau”.

Ik vroeg me vaak af of wat wij hadden echt nieuw was of alleen nieuw leven ingeblazen had gekregen. Waren de Indische vrienden van mijn opa ook als broeders voor hem? Hadden mijn oudere neven alleen Indische vrienden omdat zij toen de eerste gekleurde jongeren in Nederland waren? Had mijn broer op mijn leeftijd met zijn Indische vrienden ook zo’n diepe band? Iedere tijd heeft waarschijnlijk wel zo z’n eigen magie, maar voor ons luidde de tijd zo vanaf het begin van de jaren negentig een periode van Indische verbroedering in die nooit meer weg zou gaan.

Nu ik begin dertig ben, zie ik mijn Indische broeders steeds minder. Logisch, iedereen heeft zo langzamerhand zijn eigen leven en eigen gezin. Maar zoals al zo vaak is gebleken, maakt het niet uit hoelang we elkaar niet zien. Iedere keer is het weer als die eerste keer. Onze broederschap bevat een onvoorwaardelijke gehechtheid die voor mij zo kenmerkend is voor de Indische cultuur.

Of, zoals mijn sau Claude al sinds die tijd citeert uit de film Bad Boys; “Ride together, die together!’

Wilhelmus van Nassaue, ben ik van gemengd bloed

Nu het Nederlands elftal gewonnen heeft van Brazilie neemt de oranjekoorts overal in Nederland ongekende vormen aan. Zelfs de meest nuchtere Hollander gaat in Oranje gehuld over straat. Na deze overwinning gelooft bijna iedereen in het wereldkampioenschap. Dat zou een geweldige prestatie zijn van een team waarbij eenheid al weken het toverwoord is. Maar de stille kracht van dit Oranje? Juist, dat is de Indo…

Het huidige team heeft met Giovanni van Bronckhorst, Robin van Persie en John Heitinga drie spelers met een Indische en Molukse achtergrond in de basis. En niet de minste! Van Bronckhorst is zelfs de aanvoerder. Dat is nog eens postkoloniale revanche!

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=bYrJpSwu3GA]

Wie de Nederlandse voetbalgeschiedenis goed leest, ziet met grote regelmaat Indo’s opduiken in Oranje. Indo’s zijn dan ook een onmisbaar onderdeel van het Nederlands elftal. Niet toevallig zijn het meestal ‘stille krachten’. Bescheiden jongens, maar o zo belangrijk. Zoals Gerald Vanenburg die, het mag wel eens gezegd, het Oranje van 1988 toch eigenhandig Europees kampioen maakte. Ja, je moet het wel willen zien he? Het Indische trio van nu zou ons weleens wereldkampioen kunnen gaan maken. Als dat onverhoopt niet gebeurt, ligt dat in ieder geval niet aan hen. En al helemaal niet aan van Persie, oke?

Wat waarschijnlijk maar weinig mensen weten is dat Nederlands-Indië ooit een keer als apart land heeft meegedaan aan een WK voetbal. In 1938 kwalificeerde het Nederlands-Indisch voetbalelftal zich als eerste “Aziatische land” ooit voor een WK. Japan, de andere kandidaat-deelnemer uit Azië, trok zich terug uit de kwalificatie waarmee het Nederlands-Indische elftal rechtstreeks was geplaatst voor de eindronde in Frankrijk.

Het was een legendarisch team, de koloniale maatschappij op z’n kop! Het team werd gedragen door indo’s, waaronder de illustere Frans Meeng. Er speelden ook zogenaamde ‘inlanders’ mee, en niet onverdienstelijk. Zo was Achmad Nawir, de aanvoerder, een Javaan.  De Molukkers Isaak Pattiwael en Hans Tahitu waren geweldige, levensgevaarlijke spelers. Dat waren nog eens tijden. Er deden natuurlijk ook een of twee totoks mee. Voor de vorm waarschijnlijk. Dat ging toen zo.

Op het toernooi speelde Nederlands-Indië in de eerste ronde tegen Hongarije. Na een zwaar geflatteerde 6-0 nederlaag tegen de latere finalist, was het helaas al voorbij. Wie weet hoe het had gelopen als ze gewonnen hadden? Ook Nederland was op dat WK actief, maar deed het aanzienlijk slechter: een terechte 3-0 nederlaag tegen Tjecho-Slowakije, die er zelf een ronde later alweer uitvloog… Tja.

Door deelname van beide teams aan het WK was toen overigens twee keer het Wilhelmus te horen. Een unicum in het internationale voetbal. Zouden de spelers toen wel uit volle borst hebben meegezongen? Vast niet. Hun eer te na!