Jonge Indo in de Keuken: Enzo Schatz

Normaal gesproken interviewen we in deze rubriek kokende Indo’s, maar dit keer doen we het net even anders. Ik interview Enzo Schatz (27), fulltime bedieningsmedewerker bij en binnenkort bedrijfsleider van Indisch restaurant Blauw in Utrecht. 

Manusje van alles
Onderweg naar het cafeetje waar ik Enzo zal ontmoeten, bedenk ik mij dat wij als twee Indische horecadieren wel ontzettend veel met elkaar te bespreken moeten hebben. En ik heb gelijk, we hebben nog geen koffie of we praten al honderduit. Ik moet mijzelf zelfs tot de orde roepen om Enzo te interviewen en vraag hem als eerste hoe lang hij al werkzaam is in de horeca. ‘Pas anderhalf jaar,’ vertelt Enzo. ‘Blauw is het eerste restaurant waar ik werk.’

Na de middelbare school heeft Enzo eerst een tijd in het leger gezeten. Waarop hij nog drie seizoenen heeft gezeild en uiteindelijk anderhalf jaar geleden via zijn vader in de horeca terecht kwam. Enzo’s vader is Indisch en stelde, nadat die bij Blauw had gegeten, zijn zoon voor bij Blauw te gaan werken. En zo geschiedde. Ik informeer of het werken in een Indische restaurant een bewuste keuze was. ‘Nou, ja en nee, denk ik,’ antwoordt Enzo. ‘De link tussen mij en Blauw is natuurlijk het Indische, maar werk moet ook leuk zijn. Bij Blauw werken is heel leuk, maar of dat nou door het Indische komt?’

Het Indische zorgde er bij Enzo thuis in ieder geval wel voor een hechte gezinssituatie. De band met zijn broer en zussen is ontzettend sterk, maar ook met de rest van de familie is hij close. ‘Ik merk dat de familieband bij ons sterker is dan die bij familie van niet-Indische vrienden. Wij zijn veel closer. Mijn oma speelt ook een belangrijke rol in die hechtheid.’ Ook het overbekende ‘Indische zwijgen’ heeft een plekje in de familie van Enzo: ‘Mijn opa heeft aan het spoor gewerkt, maar welk spoor weten we niet. Hij wilde er nooit over praten. Ik zou mijn opa typeren als ‘temperamentvol.’ Ik zie dat dit effect heeft gehad op onze familie, vooral op mijn ooms en tantes.’ Als ik Enzo vraag hoe dit dan effect had, weet hij hier geen concreet antwoord op te geven: ‘Ja, moeilijk.’

Restaurant Blauw in Utrecht

Op de werkvloer en in de keuken
Enzo is ondanks zijn korte tijd in de horeca wel een echte horecajongen. Althans, dat baseer ik op gevoel, net zoiets als dat ‘Indische gevoel’. Hij heeft hart voor de zaak en weet van aanpakken.  ‘Binnen Blauw heerst een Indische, ontspannen en sociale sfeer.’ Vertelt Enzo. ‘De hiërarchie die de Franse keuken typeert zul je hier niet tegenkomen.’ Enzo vertelt verder: ‘Onze chef en koks komen allemaal uit Indonesië en spreken niet allemaal Nederlands. Maar soms is het niet nodig om met woorden te communiceren. Dat heeft met aanvoelen te maken, open staan voor elkaar, en er open voor staan om als een team te kunnen werken. Misschien is dat wel een beetje Indisch… Maar het kan ook de teambuilding zijn.’ Hierop vraag ik of de band met Indische collega’s anders is dan met zijn Nederlandse collega’s. Enzo: ‘Nou, met mijn Indische collega Saar ben ik twee handen op een buik. We zijn op elkaar ingespeeld, voelen elkaar aan en het klikt heel goed tussen ons. Die band heb ik niet met mijn Nederlandse collega’s, maar misschien zit dat verschil ook meer in parttime en fulltime medewerkers. Des te vaker je met iemand werkt, hoe beter je samenwerkt. Dat hoeft volgens mij niet per sé aan het Indische te liggen.’

Restaurant Blauw. Foto: http://www.flickr.com/photos/one-thirteen/

Wel of niet door het Indische, Enzo merkt toch een verschil tussen Nederlandse en Indische gasten. ‘Het contact met Indische gasten loopt lekker, er is een soort klik. ’ Die klik heeft hij niet met Nederlandse gasten, althans: ‘Ik vang wel eens een discussie tussen Nederlandse en Indische gasten op over mijn afkomst. Indische mensen zien het meteen dat ik Indo ben. Soms vermoeden Nederlandse gasten ‘iets’,  maar meestal hebben ze er geen flauw benul van dat ik Indisch ben.’ Als ik vraag wat die klik met Indische gasten dan precies is, zegt Enzo: ‘Ik denk dat het te maken heeft met de onderlinge herkenning. Vaak registreer ik dat niet eens bewust.’

Na het interview verzanden Enzo en ik in allerhande gespreksonderwerpen, en zijn we voor ik het weet drie uur verder. ‘Ja,’ zegt Enzo, ‘met sommige mensen heb je een klik. Misschien is dat dan toch het Indische.’

 

P.S. Ken/ben jij een Jonge Indo die graag in de keuken staat, en die mee zou willen werken aan een aflevering van “Jonge Indo in de Keuken”? Laat het ons weten via liselore@indisch3.nl 

Danjil Tuhumena – "Het enige doel was dat ze zouden 'draaien'"

Danjil Tuhumena logo

Enigszins gespannen zit ik met Tabitha Lemon in de donkere lobby van het hotel in Hilversum wanneer Danjil binnenloopt. ‘Sorry dat ik te laat ben!’ is het eerste wat hij zegt. Zijn sympathieke voorkomen zorgt ervoor dat mijn zenuwen binnen twee tellen weg zijn en lachen we met z’n drieën om het chaotisch drukke schema dat The Voice-kandidaat er tegenwoordig op nahoudt.

Foto’s: Tabitha Lemon

Duits-Moluks-Nederlands
Hij werkt als muziekdocent in een jeugdgevangenis, heeft een dochter van 11 en is het kind van een Molukse vader en een Duitse moeder, ‘Daarom ook het lichte kleurtje!’ Met zoveel verschillende culturen opgroeien in Nederland zou elk ander mens een identiteitscrisis bezorgen, maar Danjil niet. Vroeger voelde hij zich vooral Molukker. Danjil groeide op in de Molukse wijk in Alphen aan de Rijn en had vooral zijn Molukse familie om zich heen. ‘Thuis spraken we Nederlands, het Maleis kwam pas toen ik 15 of 16 was en dat met vrienden onderling groeide. Maar ik spreek natuurlijk ook Duits, want ja, ik heb Duitse familie.’

Danjil Tuhumena Music
Danjil van The Voice door Tabitha Lemon (c)
 “Ik wil iets positiefs doen voor de Molukken” 
 
Tegenwoordig ziet Danjil zich vooral als wereldburger en daarna pas als Molukker. ‘Ik voel me nog steeds Molukker hoor! Alleen is het baldadige van vroeger er wel vanaf.’ Danjil draagt uiteraard de Molukse geschiedenis met zich mee maar hij staat er positiever tegenover dan toen. ‘Vroeger was het vooral je overal tegen afzetten en vooral schijt hebben aan dingen. Ik wil graag wat voor de Molukken doen, maar op een positieve manier.’
 
The Voice-kandidaat
‘Mijn enige doel was dat de jury van The Voice tijdens zijn auditie zouden ‘draaien’. Wanneer ze dat doen krijg je bevestiging van mensen die echt al hun sporen hebben verdiend in de muziekbusiness. Het feit dat ze draaien betekent dat ze iets in je horen wat hen aanspreekt.’ Voor de live show vanavond is hij niet zenuwachtig, maar de spanning was er wel even na de Battle. ‘De Battle ging gewoon niet goed. Het niveau ligt enorm hoog en als ik op het podium sta moet het gewoon perfect zijn.’

Zijn The Voice-coaches Nick en Simon ziet hij niet veel maar wanneer ze samen zijn is het koek en ei. ‘Ik zie Gordon, de man achter Nick en Simon, wel heel erg veel en dat is erg leuk.’ Op mijn verbaasde aanname dat het wel over dé Gordon zal gaan, barst Danjil in lachen uit: ‘Nee alsjeblieft niet zeg! Ik heb het over Gordon Groothedde, een hartstikke leuke gast!’

Danjil Tuhumena van The Vocie of Holland
Danjil en zijn gitaar door Tabitha Lemon (c)

Connecten
Bevestiging van Neerlands muzikale grootheden of niet, Danjil is niet helemaal, of eigenlijk helemaal niet, nieuw in het muziekwereldje. Met Djanecy lanceerde hij twee albums. Vooral in de Molukse scène lieten ze hun sporen na, maar ook daar buiten verwierven ze bekendheid. Een liedje blijft hem nog altijd achtervolgen: ‘Oh, mensen beginnen nog altijd ‘Zo  mooi’ te zingen als ik me voorstel.’

“Met de familie gaat het om de gezelligheid”
 
De muziek kreeg Danjil als kind thuis de muziek met de paplepel ingegoten door zijn vader die met de kinderen, drie broers en een zus, een familieband formeerde. Als hij muziek maakt met familie draait het vooral om de gezelligheid, het gevoel dat bij familie hoort. Met andere muzikanten werken is dan ook heel anders, vooral professioneel. ‘Met sommige mensen heb je een klik, met anderen niet.’ Toch is  die klik er sneller met Molukse artiesten. Een tijd terug werd Danjil door Joany Hitiaubessy, de bassiste van Foco, met Maurice Matiruty, in contact werd gebracht. ‘De klik was er en binnen een paar uur stond het muziek. We hadden in korte tijd iets staan waar je normaal een week over doet.’
 
Help Danjil naar de Molukken
Dit jaar stonden Danjil&Friends op het Java Jazz Festival in Jakarta. De band was ontstaan naar aanleiding van Danjils deelname aan het festival. ‘Ik heb gewoon aan vrienden gevraagd of ze zin hadden om mee te gaan en zo ontstond de formatie.’ De band bestaat geheel uit Molukse muziekanten en het was een hele ervaring om in Jakarta op het podium te staan. ‘Alle grote namen uit de jazzwereld waren er en om er tussen te mogen staan was een hele ervaring.’ In deze omgeving performen was geweldig, maar het was backstage dat de mooiste momenten plaatsvonden. ‘Backstage bij Santana, geweldig!  En dan loop je Dennis Chambers even tegen het lijf.’ Er werd wat afgejamd, tot in de vroege uurtjes. ‘Er werd tot 7uur ’s ochtends met mekaar muziek gemaakt en dan ’s middags weer gewoon optreden hè!’
 

The Voice Danjil Tuhumena
Danjil tijdens het interview door Tabitha Lemon (c)

“Ik heb de grootheden tot vroeg in de ochtend zien jammen”

‘Jakarta voelde bijna als thuis, maar het waren natuurlijk nog niet de Molukken.’ Danjil koos er bewust voor tijdens zijn reis naar Indonesië voor het Jazz Festival niet naar de Molukken door te reizen. ‘Ik wilde tijdens het Jazz Festival me ook kunnen focussen op de muziek. Bovendien ben ik nog nooit op de Molukken geweest dus wanneer ik daar heen ga wil ik ook niet nog met andere dingen bezig moeten zijn.’ Op de vraag waarom hij nog nooit naar de Molukken is geweest, antwoordt hij verlegen: ‘Ja, geld hè?’

Wil je nog meer weten over Danjil? Kijk dan op zijn website http://www.danjilmusic.nl/. Vanavond is Danjil te zien en te horen tijdens de Live Show van The Voice of Holland op RTL4.  Vergeet niet op ‘m te stemmen!

Pardon, wat zegt u?!

No U-turn

Met moeite verberg ik mijn verontwaardiging als ik de vraag ‘Hoe is het met jou?’ gesteld hoor worden aan mijn moeder. Het meisje dat zo ontzettend attent naar mijn moeders welzijn vraagt heeft de stemgerechtigde leeftijd nog niet bereikt maar meent wel in de positie te zijn (een van) mijn ouders te kunnen tutoyeren. Mijn moeder vertrekt geen spier en antwoordt: ‘Goed hoor!’ gevolgd door de vraag: ‘En hoe is het met jóu?’

Nu behoor ik ook tot de generatie die haar ouders tutoyeert, maar persoonlijk vind ik het niet meer dan normaal dat je mensen die buiten je eigen ‘leeftijdscategorie’ vallen of als jij je in een bepaalde situatie bevindt, aanspreekt met ‘u’. Dat doe je een beetje op gevoel en een beetje op basis van kennis van gedragsregels. En een beetje op basis van,  je weet wel, respect -al gebruik ik die term liever niet sinds die dermate verkracht is door alles en iedereen.

Wellicht heeft het ook met mijn werk in de horeca te maken dat ik ‘je’ haast mijn strot niet uit tegen mensen die van voor 1970 zijn -nu niet verontwaardigd stoppen met lezen omdat ik je zojuist indirect voor ouwe lul heb uitgemaakt- maar ik verbaas me steeds vaker over de lompheid van mijn leeftijdsgenoten in gesprekken. Als ik de positief verbaasde blikken van ouderen zie wanneer ik hen met twee woorden antwoord, moet geloven, is deze beleefdheidsvorm helemaal een fenomeen van ver uit de vorige eeuw. Ik heb geleerd mensen met ‘u’ aan te spreken tot zij je vragen hen te tutoyeren. En ook al drijf ik het soms op de spits door mensen drie maal te laten vragen hen aan te spreken met ‘je’, eerder voelt het gewoon niet goed om te tutoyeren.

Vaak voel ik me dan ook een beetje te kakken gezet door (overwegend Nederlandse) mensen die me semiverontwaardigd vragen: ‘Zeg je nou u tegen mij?’ Alsof ik sta te schelden in de kerk.. Gelukkig vind ik medestanders in Indische of Molukse leeftijdsgenoten die niet raar opkijken als ik, bij het voorgeschoteld krijgen van een bord eten, tegen hun moeder zeg: ‘Dankuwel mevrouw’.

Hun verdriet is niet van mij

Charlie Heystek Japan Japanse bezetting header

De Japanse bezetting. Als kind hoorde ik de verhalen over die tijd uit eerste hand. Mijn grootvader was oud-KNILmilitair en had de kampen in Indië overleefd. Mijn grootmoeder was tijdens de oorlog buiten de kampen gebleven, maar had de nodige ervaringen met Japanners gehad. Hun verhalen maakten me woedend op de Japanners.

Charlie met grootvader
Charlie met haar grootvader

Mijn opa kon in geuren en kleuren beschrijven wat hij op zee had zien gebeuren toen hij Java verdedigde, hoe hij de Changi-gevangenis wist te overleven, hoe de mensen eraan toe waren met wie hij de vliegveld in Singapore aanlegde. Ondanks dat mijn grootvader zonder moeite in de Mazda van mijn ouders stapte en mij altijd zei objectief te blijven over het verleden, voelde ik haat tegenover Japanners. Ik was kwaad op ze om wat ze mijn grootouders hadden aangedaan; de pijn, ellende en verdriet die ze hen hadden bezorgd. Misschien werd ik zelfs wel extra boos omdat mijn grootvader dit niet was.

De geschiedenislessen op school over de Tweede Wereldoorlog wakkerden mijn frustratie, en daarmee mijn haat, nog meer aan. De Oorlog werd jaarlijks behandeld en steevast bleef de oorlog in Azië vrijwel onbesproken. Tijdens de lessen riep ik standaard dat ook ik mijn fiets terug wilde om vervolgens de aandacht op de oorlog in voormalig Nederlands-Indië te richten.

De aandacht voor de Duitse bezetting stond in schril contrast met het aantal grootouders van medeleerlingen dat daar direct mee in aanraking was gekomen: vrijwel nul. De oorlog van mijn grootvader, die nota bene de krijgsgevangenekampen had overleefd, kreeg hooguit één alinea in het boek. Sterker nog, hooguit honderd woorden waren gewijd aan de gruwelijkheden in de Jappenkampen. En vaak was dat al veel aandacht: meestal was het een simpele opsomming van feiten.

Ik begreep niet waar mijn grootvader de kracht vandaan haalde om zo sterk en zonder haat door het leven te stappen.  Nadat we samen The Battle of Midway hadden gekeken, begreep ik het nog minder. Tijdens het kijken van de film had mijn opa mooie, spannende en leuke herinneringen opgehaald aan de oorlog, maar ik vermoed dat die herinneringen ook zijn angst uit de oorlog naar boven gehaald heeft. Want die nacht schreeuwde hij me wakker; hij zag Japanners op het behang.

Na die bewuste nacht begon ik na te denken over mijn eigen haat. Ik vroeg me af waar die haat dan vandaan kwam, want het was duidelijk niet mijn grootvader die me die had aangepraat. Ik concludeerde uiteindelijk dat mijn haat er was omdat ik het gevoel had dat ik de Japanners móest haten; uit loyaliteit naar mijn familie.

Een jaar of twee na deze avond met mijn grootvader ging ik voor het cultuur- en kunstvak op school naar een concert van Yamato, The Drummers of Japan. Een avond lang keek ik naar vijftien Japanners met enorme trommels om hun nek, terwijl ze van top tot teen bezweet waren en mij met een warme glimlach toekeken.  Met wrok was ik naar de voorstelling gegaan, eenmaal in de zaal werd ik compleet blanco. Voor het eerst zag ik Japanners gewoon als mensen en niet als de vijanden van mijn familie.

Niet lang na dit concert kreeg de kanker, waar mijn grootvader al dertien jaar aan leed, definitief grip op hem en was hij voorgoed aan Nederland gebonden. Daarvoor had hij altijd de hele wereld over gereisd en had ik hem weinig gezien. Tijdens zijn ziekbed zag ik hem vaker dan ooit en bouwden we een sterke band op. Gek genoeg hebben we het nooit meer over de oorlog gehad.

Mijn haat jegens Japanners werd minder naarmate ik mijn opa beter leerde kennen en toen hij de dag voor de trouwdag van mijn ouders overleed, kwam hij even gedag zeggen, voordat hij de wereld verliet. Ik was er stuk van, maar met het verdriet van het overlijden van mijn opa dat ik langzaam losliet, liet ik ook de haat jegens Japanners steeds meer varen.

Ik besefte me dat ik geen recht heb op de haat, het verdriet, de angst en de pijn van mijn grootouders. Zeker niet als mijn opa dat zelf nooit heeft willen voelen. Ik ga nog jaarlijks met veel plezier naar de concerten van Yamato en ik ben zelfs een keer de artiestenvoyer ingeslopen om in het Japans om handtekeningen te vragen. En toen ik in mei 2006, nog geen jaar na het overlijden van mijn grootvader, het Mutual Understanding Programme van de Japanse overheid ontdekte, dacht ik: ‘Zo opa, dat gaan wij eens even doen.’

Benieuwd naar de ervaringen van Charlie in Japan? Lees dan de Moesson van deze maand.

Charlie tijdens haar reis in Japan
Charlie tijdens haar reis in Japan

Jonge Indo's in de Liefde: Kirsten & Maas

Kirsten en Maas Goote Vos 21 juni 2011 strand (c) Armando Ello/ Kirsten Vos
Ze was adembenemend mooi, Indisch3-hoofdredacteur Kirsten Vos (34), op de langste dag van het jaar: 21 juni 2011, haar trouwdag. Precies een week voor de grote dag sprak ik met Kirsten over de liefde van haar en haar toen aanstaande, nu kersverse, echtgenoot Maas (43). Ik vroeg welke rol de I-factor speelt in de relatie tussen haar, product van twee Indische ouders, en hem, dito.

fotografie: Armando Ello

Onwijze Indo

‘Rood’ is hoe Kirsten haar eerste ontmoeting met Maas omschrijft. ‘Ik werd gewoon knalrood!’ vertelt ze over de eerste keer dat ze bij Maas zijn kantoor binnenstapte bij Internationale Zaken op het ministerie van VROM, waar zij destijds allebei werkten. ‘En hij was helemaal mijn type niet!’ Een direct vervolg kregen de rode koontjes niet. Sterker nog, het zou nog 1,5 jaar duren voordat de twee tortelduifjes hun eerste date zouden hebben.

Daarvoor, maanden na die eerste ontmoeting, deed zich een dineetje van het werk voor. Maas belandde op tactische wijze alleen met Kirsten aan een tafeltje. ‘Ik wist helemaal niet dat jij zo’n onwijze Indo bent,’ zei Maas tegen Kirsten, die zich daarop afvroeg wat hij dan met Indisch had. Maas bleek ouders te hebben met een Indische achtergrond. Direct vroeg Kirsten zich af of de aantrekkingskracht die ze had gevoeld, daar iets mee te maken had.

Kirsten en Maas Goote Vos 21 juni 2011 (c) Armando Ello/ Kirsten VosVan boemeltrein naar sneltrein
Pas maanden later vroeg Maas via een e-mail Kirsten mee uit. En weer maanden later, Maas had ondertussen een wereldreis voor z’n werk gemaakt, kwam het eindelijk tot een eerste date. Het was direct dikke mik en toen Maas bij de tweede date met wadjan en messen bij Kirsten op de stoep stond, heeft ze hem vastgepakt en nooit meer laten gaan. De relatie begon dus als een boemeltreintje, dat zich tot hogesnelheidstrein ontpopte: nauwelijks een jaar later was Kirsten in verwachting van hun eerste kind en gingen ze trouwen. ‘Ik ben heel benieuwd wanneer de snelheid afneemt!’ vertelt Kirsten lachend.

Exotisch
Kirsten hoeft Maas niet uit te leggen wat Indisch-zijn voor haar betekent en waarom ze de dingen doet, die ze doet, zoals voor Indisch3.0. ‘Maas vindt het gewoon ontzettend leuk en heel belangrijk. Je hoeft natuurlijk geen Indische achtergrond te hebben om dat te waarderen en te begrijpen, maar Maas kan net even wat meer meedenken met dat soort zaken dan de gemiddelde Nederlander.’ En: de Indische afkomst is gewoon. Het lot wil ook nog eens dat hun ouders in dezelfde steden in Indië zijn geboren: de moeders in Jakarta, de vaders in Bandung. En dat zorgt toch weer voor een extra band, voor het jonge stel, maar ook voor hun ouders. ‘Veel Nederlanders maken er zo’n exotisch gedoe van, als je ouders uit Indonesië of Nederlands-Indië komen,’ verzucht Kirsten.

Hollandse kant
‘Ik heb wel gedate hoor, met jongens die – veel meer dan Maas – die Indo-Europese inslag hadden, maar, hoe leuk ze ook waren, elke keer voelde ik: “Jij kunt mijn broertje of neef zijn.” Dat heb ik, gelukkig, met Maas niet. Misschien doordat hij meer Hollands bloed heeft dan bij de meeste Indische jongens die ik over de jaren heb leren kennen.’ Die tweedeling van Indisch en Hollands kwam in de trouwvoorbereidingen in de gastenlijst tot uiting. Kirsten’s uitgebreide familie met tantes, ooms, neven en nichten domineerde de lijst. De I-factor is dus absoluut aanwezig in hun relatie. Maas is zich bovendien meer voor zijn Indische achtergrond gaan interesseren. ‘Als onze ouders bij elkaar zijn, komen de verhalen over vroeger los. Maas stelt vragen en leert zo van alles over zijn ouders, dat hij nog niet wist.’

De mooiste dag van je leven
‘Iedereen zegt dat onze trouwdag de mooiste dag van ons leven zal zijn, maar ik vermoed dat die in september komt,’ vertelt Kirsten. Dan zal namelijk hun eerste kind geboren worden, die ongetwijfeld veel van het Indische van Kirsten en Maas mee zal krijgen. ‘Begrijp me niet verkeerd, tegen iemand zeggen dat je de rest van je leven met hem wilt delen is heftig. Maar volgens mij is vader of moeder worden zo’n intense belevenis, dat de dag dat onze zoon geboren wordt vast de allermooiste dag van ons leven zal worden.’

Kirsten en Maas Goote Vos 21 juni 2011 patrick sietze (c) Armando Ello/ Kirsten Vos

Indisch in een studentenhuis (7)

tupperware

Het academisch jaar is vrijwel ten einde, de zon schijnt weer volop en dat betekent voor studenten de nodige  picknicks en barbecues in het park. Omdat iedereen wel wat eten meebrengt, leiden dergelijke outdoor eetfestijnen er steevast toe dat er aan het eind van de avond bergen vlees, stokbroden, sausjes en salades overblijven. Goed voorbereid open ik dan mijn tas en tover daar een uiteenlopend assortiment plastic bakjes uit. ‘Daar heb je onze afhaalchinees in eigen persoon weer!’ hoor ik dan met regelmaat.

‘Opruimen, weggooien’ is het motto dat bij mijn ouderlijk huis hoog in het vaandel staat. Geen verzamelboeken vol flippo’s of door wuppies verzwolgen vensterbanken. ‘Spaar ze allemaal’ is een doodzonde bij mijn ouders thuis. Zodra er bij mij als kind een verzamelwoede dreigde de kop op te steken, bijvoorbeeld postzegels of gekleurde labels van theezakjes, drukte mijn moeder dit met een hoop verbaal geweld de kop in. Begrijp me niet verkeerd, achteraf ben ik haar meer dan dankbaar. Wat moet je met al die zooi? Maar er waren momenten dat ik dacht: ja nou, jij spaart ook Shellzegels!

Toch kende het opruimmotto een uitzondering: eten werd niet weggegooid. Deed je dat wel, dan beging je ook een doodzonde. Een principe dat ik met genoegen overnam en uitdraag. Maar wil je geen eten weggooien, dan heb je iets nodig om het in te bewaren. Bakjes van de afhaalchinees tot voormalig chocoladeijsschalen, en kuipen waar huzarensalade in is verkocht tot sausemmers, ik bewaar ze allemaal. Met de jaren heb een heel keukenkastje geconfisqueerd met mijn goedkope variant van een tupperwareservies dat nu zo enorm is, dat het deurtje tegenwoordig niet meer dicht wil.

Vrienden en studiegenoten die mijn verzameling voor het eerst aanschouwen vragen zich af waarom ik dan niet een echt Tupperwareversies aanschaf. ‘Dit kan ik weggeven en hoef ik niet terug te hebben,’ luidt mijn antwoord dan en onmiddellijk stel ik de tegenvraag welke restanten van het eten ze willen meenemen. In het begin hoorde ik nog wel eens: ‘Niets hoor, zo karig ben ik nou ook weer niet.’

Maar gaandeweg begrepen ze dat het niet om zuinigheid, maar om bewustheid gaat. Huisgenoten die eerst gallisch werden van die zooi, maken nu dankbaar gebruik van het plastic servies. En inmiddels neemt ook een groot deel van mijn vrienden blij bakjes eten aan en is iedereen meer dan tevreden als het overgebleven vlees van de stadsbarbeques eerlijk onder iedereen verdeeld kan worden.

En ik vraag me af: is dat niet weggooien van eten iets cultureels? Indo’s houden heel erg van eten en gooien daarom nooit de restjes weg. Dat dragen generaties aan elkaar over. Of zou het een historische achtergrond hebben? Horen we onze grootouders, waarvan er velen in het kamp hebben gezeten, nog zeggen: ‘Nee! Je gooit geen eten weg!’

Jonge Indo's in de Liefde: Maya & Johnny

In de eerste aflevering van de nieuwe serie ‘Jonge Indo’s in de Liefde’, waarbij we op zoek gaan naar de plek die het Indische inneemt in een relatie, het verhaal van de Indische Johnny (30) en de Javaanse Maya (24).

In september 2009 begon hun liefdesverhaal toen Johnny naar Java vertrok om “zijn” Maya op te zoeken. Een half jaar daarvoor hadden ze elkaar leren kennen via de Cinta Manis-hyve voor Indische en Indonesische online-daters.

Serieus

Maya had Johnny meegedeeld dat als hij serieus was, hij naar Indonesië moest komen. Johnny besloot na een paar maanden z’n koffers te pakken. Maya was verbaasd maar blij: ”Ook mijn ouders moesten zeker weten dat hij serieus was,’ vertelt Maya. ‘Ze waren zeer beschermend met betrekking tot het contact tussen Johnny en mij’.

Dat de liefde echt was bleek wel toen hij zich bekeerde tot de Islam om met Maya te kunnen trouwen. Had Maya’s  moeder in eerste instantie nog gezegd dat haar grootvader zich zou omrollen in zijn graf nu zij zou trouwen met een Nederlander, toen ze elkaar op 31 juli 2010 op Bali het ja-woord gaven, waren beide families blij.

In de Liefde jonnhy&mayaHerkenning

Vanaf het begin zorgde de gedeelde Indisch-Indonesische achtergrond voor herkenning. Johnnys grootouders kwamen eind jaren ’50 van de vorige eeuw vanuit Indonesie naar Nederland. Maya’s studeerde Nederlands aan de Universitas Indonesia en werkte bij de Nederlandse ambassade in Jakarta.

‘Johnny trok onmiddellijk zijn schoenen uit toen hij voor het eerst bij ons thuis kwam’, herrinert Maya zich. ‘Dat was een eerste teken van herkenning.’ Naar mate ze elkaar beter leerde kennen groeide die herkenning alleen maar. ‘Het is ontzettend fijn dat Johnny een Indische achtergrond heeft, er zijn veel dingen die ik aan Johnny niet hoef uit te leggen. Hij begreep dat wij thuis met de hand eten, een Hollander had ik dat ongetwijfeld moeten toelichten.’

In de Liefde Johnny&MayaFamilie

Het Indische speelde echter niet altijd een rol in Johnny’s leven. Hij bracht elf jaar van zijn jeugd door in een Nederlands pleeggezin. Nu ze getrouwd zijn en in Nederland wonen, reikt Maya hem de ontbrekende puzzelstukjes aan. ‘Het is net of Maya de leegte van de afwezigheid van mijn Indische familie in mijn jeugd opvult.’

Inmiddels heeft Johnny met zijn beide families goed contact. Maya heeft een goede band met Johnny’s pleegmoeder en stimuleert hem contact te zoeken met zijn Indische vader. ‘Familie is heel belangrijk voor ons allebei, en dat begrijpen we van elkaar.’

Maya spreekt Indonesisch met de Indische grootvaders van Johnny, die apetrots zijn op hun kleinzoon die met een Indonesische getrouwd is. Het voelt op die manier een beetje als thuis voor Maya. ‘Ik mis mijn familie in Indonesië, maar de Indische familie van Johnny zorgt er voor dat ik me ook hier thuis voel.’

In de Liefde Johhny en Maya

Eten

Ondanks zijn tijd in zijn Nederlandse pleeggezin is Indisch eten voor Johnny heel gewoon. Op zijn 17de keerde hij terug bij zijn Indische moeder en leerde hij het eten van zijn grootmoeder kennen. Toch moet hij eerlijk bekennen het eten van Maya lekkerder te vinden: ‘Ze kookt traditioneler, vind hij.’

Het eten zorgt af en toe ook voor verrassingen in de dagelijkse omgang. Zo verschillen de momenten waarop wordt gegeten. Johnny is gewend dat op gezette tijden te doen, Maya eet de hele dag door. En ook bepaald etenswaar roept bij de een of de ander verbazing op.

‘Kaas..’ zo verzucht Maya, ‘wat vind ik dat stinken! Ik snap niet dat jullie dat eten.’ Andersom heeft Johnny niets met durian: ‘Ik weet niet waar ik kijken moet als ik dat ruik.’ En dan is er nog ‘de kwestie pedis’. Daarin zoeken ze de middenweg. ‘Het eten is helemaal niet pittig!’ roept Maya uit. ‘Elke week maak ik het eten een beetje pittiger, we komen in de buurt maar het is nog lang niet pittig genoeg!’ Johnny begint te grinniken en vertelt: ‘Ik weet dat ze het eten langzaamaan steeds pittiger maakt, maar een paar weken terug zat ik flink te zweten aan tafel, toen was het echt even te veel.’

Nieuw leven

Inmiddels is Maya in verwachting van hun eerste kindje. Beiden stralen als ze er over praten. ‘Onze dochter krijgt twee paspoorten en mag op haar 18de kiezen welke nationaliteit ze aanneemt.’ En zij zal een kind van twee werelden worden die haar ouders op een mooie manier laten samensmelten.



De I-radar

Radar

Zaterdagochtend 02.30uur, Club Lux, Utrecht. Tien minuten ken ik Philip, de beste vriend van een collega, als we op de dansvloer met een biertje in onze handen staan en hij ineens vraagt: ‘Ben je Indisch?’ Omdat ik niet kan geloven dat hij zelf tot deze conclusie is gekomen reageer ik verontwaardigd: wat een bijzonder slechte poging om iemand mee naar huis te krijgen.  Ik vraag of beste-vriend-en-collega-Koen hem dat net heeft verteld. Verward kijkt Philip me aan. ‘Nee, ik zie het aan je.’

De I-factor. In maart vorig jaar schreven Merah en ik er al over. Die bekende link tussen Indo’s die zorgt voor herkenning en gevoel van verbondheid. Voor de I-factor in werking treedt moet een van beiden de ander als Indo herkennen, oftewel de I-radar moet af gaan… Nu functioneert mijn eigen I-radar zonder problemen, maar door mijn weinig Indische uiterlijk gaat de I-radar van de ander zelden af. Dit leidt nogal eens tot frustratie. Nog nooit ging de I-radar van een derdegeneratiegenoot loeien toen die mij zag.

Tot die bewuste zaterdagmorgen dus. Compleet uit het veld geslagen staar ik Philip aan: ‘Je ziet het aan me?’ Hij kijkt me onderzoekend aan, ik kijk terug en herken de Indische trekken in zijn gezicht. Het kan niet waar zijn dat ik zijn I-radar heb laten afgaan, denk ik bij mezelf. ‘Natuurlijk zie ik het aan je, je huidskleur, je ogen, je neus, je jukbeenderen, je lichaamsbouw… En je handen.’ Nog steeds vol ongeloof antwoord ik: ‘Je bent zelf dus ook Indisch. En je herkent mij als Indo?’ ‘Ja, dat zie je op een kilometer afstand! Daar hebben wij Indo’s toch een mechanisme voor?’ zegt hij, nog altijd mijn verbazing niet begrijpend.

Philip dirigeert me de dansvloer af, positioneert mij op een lounchbank, haalt twee biertjes en vraagt me waarom ik zo van de kook ben. ‘Het is me nog nooit overkomen dat de I-radar van de ander eerder afgaat dan de mijne. Je bent überhaupt de eerste Indo die mij als Indo herkent. ‘ Philip kijkt een beetje verbaasd en zegt dat voor alles een eerste keer is. We kijken elkaar aan en schateren het uit van het lachen. Ja, onmiddellijk is hij er: de I-factor.

Indisch in een studentenhuis (6)

Letterenbibliotheek Universiteit Utrecht

Het Middagdutje

Ik ben een voorstander, aanhanger en overtuigd beoefenaar van het middagdutje. Zodra mijn collegerooster het ook maar enigszins toelaat, zorg ik dat het uiltje geknapt wordt. Ben ik thuis, dan ga ik even dwars over het voeteneind van mijn bed liggen, zit ik in de bibliotheek, dan knal ik mijn hoofd  op mijn boeken. Twintig minuten lang begeef ik me net onder de oppervlakte van wakkere mentale status.

Voorzover ik mij kan herinneren zonk mijn grootvader midden op de dag twintig minuten lang weg, lag mijn Japanse leraar Engels tijdens de korte pauze achterin het computerlokaal op de grond, ging mijn moeder met regelmaat een klein half uur gestrekt op de bank en plofte ik mezelf in vol ornaat een kwartier lang neer op bed zodra ik uit school kwam. Even slapen om korte tijd later vol energie overeind te schieten. Wekker niet nodig.

Wanneer ik mijn mini-siësta thuis hou en mijn huisgenoten om mijn aandacht roepen krijgen ze geen antwoord. Dit heeft steevast tot gevolg dat er nog harder gegild wordt, want ik ben thuis en dan kan ik toch wel antwoord geven? Als ze bij nul op rekest uiteindelijk mijn kamer binnen stormen -wat ik overigens allerminst waardeer, slapend of niet- puilen ogen vaak uit kassen van verbazing. Ik ben toch niet ziek? Waarom lig ik dan op bed?

Wanneer ik mijn slaappauze in de bibliotheek geniet, stuit ik op twee soorten reacties. Internationale studenten uit Midden- en Zuidoost-Azië  knikken me glimlachend toe en beginnen soms met hun eigen middagslaapje. Echter, de meeste medestudenten -lees: blank en westers- kijken verbaasd naar het meisje dat voorovergebogen in haar stoel zit met het hoofd midden op tafel, boeken, readers en schriften vol aantekeningen daar omheen gedrapeerd.  Een foto van dit tafereel kan zo bij het artikel ‘Studenten bezwijken onder druk’ in reactie op de Kabinetsplannen.

Ondanks de vragende blikken, schijnt het middagdutje tegenwoordig bij een breder publiek bekend te zijn onder het pseudoniem ‘power nap‘. Ik hoor geregeld mensen naar aanleiding van mijn sluimermomentje praten over onderzoeken die bewijzen dat een power nap goed is vóór het hart en tégen stress. Ik kijk die mensen dan graag glazig aan en denk: ga jij maar even lekker opnieuw het wiel uitvinden.

Tokotest #7: Toko Mitra in Utrecht

toko mitra banner

Testteam: Nina Schreefel, Liselore Rugebregt, Stéphanie Bloemers, Nora Iburg en Charlie Heystek A.K.A. The Utrecht-Crew

Met vijf vrouwen drommen wij rond de toonbank van Toko Mitra waarachter de schalen met gerechten staan uitgestald. Verlekkerd staren we naar het eten en roepen af en toe uit herkenning: ‘Oh, dat moeten we nemen!’ We besluiten van-alles-wat te bestellen zodat iedereen overal van kan proeven, een soort Indische tapas.

Het meisje van de toko probeert kaas te maken van ons gekakel als tijdens het bestellen onze ogen steeds op andere lekkernijen vallen. ‘Ohh, ze hebben ook nog hapjes!’ Als we de zeven gerechten en vijf hapjes afrekenen komen we tot de ontdekking dat we helemaal geen nasi hebben.. ‘Eh, mogen we nog vijf porties nasi?’ vraagt een van ons. Charlie draait zich van schaamte om, Nora geeft haar van repliek: ‘Ik denk niet dat ze het erg vindt hoor, ze verdient aan ons!’

Charlie trekt het antieke servies van haar oma uit de kast en dekt de tafel terwijl NinToko Mitra Utrecht @ Charlie Heysteka Chef Magnetron is en de hapjes opwarmt. Ondanks het iets hogeren slapheidsgehalte, als gevolg van het gebrek aan een frituurpan, smult Charlie van de martabak met een heerlijke zachte, goed gegekruide en rijke vulling. Bij Nina en Stephanie gaan de risolles er in als zoete koek, ‘Ja, gewoon lekker’ luidt het commentaar. Het enige commentaar op de frikadel djagung van Nora en Liselore betreft het ontbreken van hele maiskorrels, ‘Ja, dat is toch niet helemaal zoals oma ze maakt.’

Als we tot de hoofddis over gaan zegt Nina ineens: ‘Ja, maar ik heb het allang opgegeven te zoeken naar een toko die net zo kookt als oma, die bestaat gewoon niet.’ Tot we de rendang proeven. Heerlijk mals vlees, die precies goed gekruid is en verrassend blijft. Zoals rendang hoort, je moet blijven proeven en de kelapa is nog terug te vinden. Een absolute top dus.

De eerste nop die we tegenkomen is de saté. Hij is niet gemarineerd waardoor de satésaus moet het doen. En dat is mooi balen voor Liselore, want die heeft een pinda-allergie. Enigszins beteutert kijkt ze naar het stokje met kippenblokjes die zelfs geen sporen van een koolvuurtje bevatten. Hiervoor hoef je niet terug te komen.

De sajoer lodeh, sambal goreng boontjes worden zonder al te veel commentaar naar binnen geschoven. Charlie vraagt hoe de rest van de dames het vindt. ‘Wel aardig,’ definieert Nina het als eerste redelijk neutraal. ‘Ja,’ zegt Nora, ‘het is wel okay, maar niet zo bijzonder?’ Waarop Stéphanie zegt: ‘Het is niet heel erg spannend, nee.’

Wel erg lekker is de nasi kuning die zacht van smaak is en daardoor de gerechten goed begeleid. De ajam ritja ritja blijft het langst onaangeroerd staan. We hebben allemaal ervaring met ritja-gerechten die zo heet zijn dat je niet meer uit je ogen kunt kijken en die andere gerechten als een soort alles verzengende meester overheersen. Vaak om de slechte kwaliteit van het vlees te verbergen. Maar, bij Toko Mitra is dat niet het geval. De kip is -verrassend- mals en hij is goed pittig, maar de tranen springen ons absoluut niet in de ogen. We kunnen zelfs concluderen dat er redelijk smaak aan zit. Ook niet erg bijzonder of verrassend, maar zeker niet slecht.

Ineens komt naar aanleiding van oma’s kookkunsten ook de blauwe vlek boven de billen ter sprake. Stéphanie vraagt of een van on die nog heeft. Niemand, zij wel. ‘Broek uit!’ roept Liselore, ‘dat wil ik zien!’ Stéphanie neemt nog een hap van haar sajoer, staat op en zegt: ‘Maar niet op mijn vetjes letten’ en laat een bijzondere blauwe vlek op haar heup zien. ‘Ajooh!’ roepen we allemaal uit. Grinnikend eten we verder. Alles gaat op, er wordt niets weggegooid. Tijdens de koffie komen we tot de conclusie dat we lekker hebben gegeten, dat de rendang om je vingers bij af te likken, maar dat de saté toch wel een teleurstelling was. Onze beoordeling:

 

 

 

 

 

Toko Mitra, Lange Viestraat 2, Utrecht. www.tokomitra.nl