Oproep om erkenning 17 augustus overbodig?

Het is vandaag 60 jaar geleden dat de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië plaatsvond. Een recente oproep in de aanloop hiernaartoe, in NRC, is op het eerste gezicht helder: “Regering! Erken 17 augustus 1945 als de datum van de Indonesische onafhankelijkheid!” Na de brief beter gelezen te hebben, van Peter de Reuver, Nico Schulte Nordholt, Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis, Joty ter Kulve, Claudine Helleman, Norbert van den Berg en Jan Hendrik Peters aan de Nederlandse regering, blijf ik echter met één grote vraag zitten. Wat vragen de briefschrijvers precies aan de Nederlandse regering?

17aug45De uitgebreidere oproep in de op 21 december 2009 gepubliceerde brief is “om 27 december 1949 voortaan te zien als de datum waarop de soevereiniteit haar juridisch beslag kreeg, daarbij volledig erkennend dat de onafhankelijkheid al vanaf 17 augustus 1945 een politiek feit is.” Naar aanleiding daarvan, ben ik op zoek gegaan naar de speech die Ben Bot heeft uitgesproken bij de viering van 60 jaar onafhankelijkheid in Indonesië. Het resultaat: volgens mij heeft Nederland allang gezegd dat de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 een politiek feit is.

Natuurlijk, ik was en ben het grondig eens met de briefschrijvers. Nederland hoort de datum waarop Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard heeft, volledig te erkennen. Nederland heeft Indonesië verloren, erkenning van 17 augustus 1945 is niet meer dan een politieke, morele en historische rechtvaardigheid. Ik had de indruk dat die omarming niet had plaatsgevonden. Voor zover ik weet staat in de geschiedenisboekjes nog steeds dat Nederland het tot 27 december 1949 in Ind(ones)ie voor het zeggen had, terwijl daar eigenlijk de datum van de Proklamasi zou moeten staan. Daarnaast meende ik me te herinneren dat Ben Bot in 2005 als minister van Buitenlandse Zaken in 2005 alleen impliciet gezegd had dat de Nederlandse regering 17 augustus 1945 accepteert.

Die herinnering leek niet te kloppen, althans niet helemaal. ‘Nederland accepteert onafhankelijkheidsdatum Indonesië‘, meldde NOVA op 15 augustus 2005. Dit blijkt uit een passage uit de op 15 augustus 2005 uitgesproken speech van ex-minister Bot (Buitenlandse Zaken) en in de uitzending te zien is: “Ik zal met steun van het kabinet aan de mensen in Indonesië duidelijk maken dat in Nederland het besef bestaat dat de onafhankelijkheid van de republiek Indonesië de facto al begon op 17 augustus 1945 en dat wij – zestig jaar na dato – dit feit in politieke en morele zin aanvaarden.” Ook andere politici zagen deze uitspraak als erkenning. Natuurlijk, ‘het besef bestaat’ en ‘de facto’ klinken als een juridische slag-om-de-arm. Maar toch – ik krijg de indruk dat de Nederlandse regering al in 2005 voldaan heeft aan de oproep om erkenning. Waar komt dan de behoefte bij zoveel prominenten vandaan om alsnog deze oproep te doen?

Lezing van de Nederlandse versie op regering.nl, gaf mij daar een eerste hint voor en verklaart mijn herinnering van een impliciete in plaats van een expliciete erkenning. De uitgeschreven versie laat een subtiel, maar opvallend verschil zien met de uitgesproken tekst: “dat wij – zestig jaar na dato – dit feit in politieke en morele zin ruimhartig aanvaarden”. Ruimhartig. Zou dit betekenen dat de Nederlandse regering hiermee geen volledige erkenning wilde geven, maar minister Bot anders gekozen heeft? De speech die uitgesproken wordt, is de officiële versie, weet ik beroepshalve. Zou Ben Bot er bewust voor gekozen af te wijken van de officiële tekst en zonder steun van het kabinet gezegd hebben 17 augustus te willen aanvaarden als de datum van onafhankelijkheid?

Die redenering wordt nog eens onderstreept als ik de Engelse speech lees die hij in Indonesië uitgesproken zou hebben op 17 augustus 2005: “This is the first time since Indonesia declared its independence that a member of the Dutch government will attend the celebrations. Through my presence the Dutch government expresses its political and moral acceptance of the Proklamasi, the date the Republic of Indonesia declared independence.” Helaas kan ik niet checken of hij deze tekst ook daadwerkelijk uitgesproken heeft, gezien de inhoud van die toespraak vind ik het redelijk om te geloven dat dit het verhaal is dat het Indonesische volk in 2005 heeft gehoord.

Toch denk ik dat dat ene woordje niet zo heel veel uitmaakt, want in het persbericht van 15 augustus staat te lezen: “Minister Bot zal in Jakarta de viering van de onafhankelijkheidsverklaring door Indonesië op 17 augustus 1945 bijwonen. Zijn aanwezigheid daar mag worden gezien ‘als een politieke en morele aanvaarding van die datum‘. Dit zei minister Bot (Buitenlandse Zaken) ter gelegenheid van de herdenking van 15 augustus 1945 bij het Indië-monument in Den Haag. Minister-president Balkenende legde een krans bij het monument.”

Terug naar de oproep. Zeker nu ik opnieuw gehoord, gezien en gelezen heb wat er in 2005 gezegd is, vraag ik me af wat de briefschrijvers van de Nederlandse regering vragen dat zij niet al in 2005 heeft gedaan bij monde van Ben Bot. Is er iemand die me dat kan vertellen? Gaat het inderdaad om de volledigheid van die erkenning? En – wat voor verschil maakt die volledigheid dan? Zal de datum van onafhankelijkheid van Indonesië in de geschiedenisboekjes en het collectieve geheugen van Nederland dan eindelijk veranderen?

Overigens, ter geruststelling van Van Dis, Ter Kulve en de anderen, een zorg die zij uitspreken blijkt ongegrond: “De gevoeligheid van de veteranen voor deze kwestie is zeer begrijpelijk; zij hebben zware offers gebracht in opdracht van de toenmalige Nederlandse regering.” In de NOVA-uitzending vertelde Minne Vis, voorzitter van de Indië-veteranen (VOMI), dat die gevoeligheden in 2005 al niet meer bestonden. “[Voor erkenning van 17 augustus] heb ik volledig begrip. (…) Is het niet veel beter om maar gewoon te zeggen, Indonesiërs hebben hun eigen dag van 17 augustus? Dat is een Indonesische zaak, niet van Nederlanders. En Nederlanders geloven dat ze juridisch het pas overgedragen hebben op 27 december. Dat zijn de feiten.”

Tip: Volg de reacties op de oproep op NRC.nl.

Nederlands Nieuw-Guinea, laatste thuisland van de Indo

Nederlands Nieuw-Guinea was onderdeel van Nederlands-Indië en bleef na de onafhankelijkheid van Indonesië nog tot 1962 een overzees gebiedsdeel van Nederland. Totdat Nederland ook dit laatste deel van haar voormalige kolonie opgaf, woonde er een vrij grote Indische gemeenschap. Na 1949 zou het nog onontwikkelde gebied ten oosten van Java de plek worden voor, onder andere, Indo-Europeanen.

Nederlands Nieuw-Guinea
Nederlands Nieuw-Guinea

door Willem-Jan Brederode en Charlie Heystek

Steden als Hollandia, Sorong, Manokwari en Biak werden de nieuwe thuishavens waar het Indische leven haar toekomst moest vinden. De gemeenschap leefde er in andere omstandigheden dan de meesten gewend waren, maar was niettemin -of misschien juist daardoor- hecht.
Toen de eersten na de onafhankelijkheid voet aan wal zetten op Nederlands Nieuw-Guinea, was het complete eiland zo goed als onherbergzaam. Voor de primaire levensbehoeften begonnen mensen met het ontwikkelen van landbouw en veeteelt. Ook moesten er wegen worden aangelegd en huizen gebouwd. Handel kwam pas op gang nadat Chinezen in Nieuw-Guinea waren aangekomen en her en der toko’s openden.

Over de begintijd vertelt de moeder van Willem-Jan: “Het eerste half jaar hebben we alleen sardines uit blik gegeten. Mijn vader joeg soms op herten, tjeleng en wilde kippen waarvan de grote eieren uitstekend waren voor het maken van struif (omelet). Ons huis was zeer primitief gebouwd; dunne houten muren, steunend op palen en afgedekt met golfplaat. Het gerieflijk bestaan in Soerabaja veranderde in werken om te kunnen voorzien in de eerste levensbehoeften.”

Wat Charlie’s moeder zich herinnert uit de tijd in Nieuw-Guinea is ‘vlinders’. “Er waren enorme vlinders! We moesten altijd oppassen voor insecten, in je bed en in je schoenen. Er was fruit in overvloed. We hadden veel pisangbomen en mangabomen. De pisangs werden niet meer door ons gegeten, de Papoea’s kapten uiteindelijk de trossen. En we hadden ook papaja. Papaja in overvloed! Altijd papaja, elke dag papaja. Op een gegeven moment konden we het niet meer zien.”

Net als vele andere Indische Nederlanders die in Nieuw-Guinea gewoond hebben, zijn de herinneringen van Charlie’s moeder die van een kind. Ze vertrok toen ze acht was naar Nederland, tienduizenden anderen volgden of waren haar al voorgegaan. Het was het gevolg van het hoog opgelaaide conflict tussen Indonesië en Nederland. Al in de jaren ’50 van de vorige eeuw verslechterden de betrekkingen tussen Nederland en Indonesië.

In 1959 verbrak Indonesië alle banden met Nederland en nam de geschiedenis van Nieuw-Guinea en van de Indo-Europeanen in Indonesië en Nederlands Nieuw-Guinea een laatste radicale wending. Er dreigde oorlog: terwijl Nederland zijn laatste territorium in de voormalige kolonie probeerde te behouden, wilde Indonesië het gebied inlijven in de Republiek. In 1962 stond Nederland uiteindelijk onder grote internationale druk Nieuw-Guinea af.

Het is het definitieve einde van het zogenaamde nieuwe thuisland van de Indische Nederlanders. De hechte gemeenschap vormde, met de spijtoptanten uit Indonesië, de laatste groep Indische immigranten die hun weg vonden naar Nederland en hier wederom vanuit het niets een bestaan hebben opgebouwd.

Wat onze ouders nu nog rest zijn hun verhalen, die zich laten typeren door die enorme drang naar overleven, en de hechte band met de ander mensen die op Nieuw-Guinea hebben geprobeerd een nieuw thuis te creëren in de zoektocht naar een eigen plek binnen de grenzen van de voormalige kolonie Nederlands-Indië.

Jonge Indo’s in de provincie… Noord-Holland

David1

Voor het negende interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie hoef ik niet ver van huis. Een paar straten van waar ik woon in de Indische buurt in Amsterdam ontmoet ik David Cohen (34). In de knusse keuken van zijn appartement schuif ik aan de keukentafel aan voor een gesprek dat vooral zou gaan over “Indische dingen”.

Direct in het zicht, aan de muur boven de tafel hangt een grote plaat met een gedetailleerd uitgewerkte stamboom. Terwijl ik de plaat uitvoerig bestudeer, begint David direct enthousiast te praten. Hij is, zo blijkt al snel, de genealoog van de familie Cohen. Op basis van informatie uit boeken, van familieleden of van internet, zocht hij de familie-stamboom helemaal uit tot aan de Groningse stamvader Abraham Izaak Cohen, die halverwege de19e eeuw als KNIL-soldaat naar Nederlands-Indië werd gestuurd en zich daar uiteindelijk blijvend vestigde.

“De geschiedenis fascineert me enorm. De Indische kant van mijn familie; vooral mijn oma en mijn vader, maar ook ooms en tantes, heeft altijd enorm veel verhalen verteld. Geen zwijgende Indische familie dus in mijn geval. Ik ben met name opgegroeid met tempo doeloe verhalen. Dat verklaart mijn fascinatie voor Nederlands-Indië en mijn eigen familiegeschiedenis denk ik wel. Ja, dat heb ik eigenlijk altijd wel gehad”.

Vanaf stamvader Cohen speur ik de stamboom van links naar rechts af langs steeds breder wordende vertakkingen. Vier generaties verder vind ik de naam van David zelf. Een van de tientallen “derde generatie Indische Cohens” in Nederland. Ik vraag hem wanneer hij begonnen is de informatie te verzamelen.

“Een aantal jaren geleden eigenlijk pas. Nadat mijn oma in 2004 overleed besloten mijn vader en ik samen naar Indonesië te gaan. Hij was er nooit terug geweest, maar had altijd gezegd dat hij dat na zijn pensioen graag een keer wilde. Dat we dat samen deden was heel bijzonder. Ik had ook een hele sterke band met mijn oma en het voelde goed om, weliswaar na haar dood maar samen met mijn vader, eindelijk te zien waar zij het grootste deel van haar leven had doorgebracht”.

David2In Jakarta bezochten ze onder andere Jatinegara, het oude Meester Cornelis, waar zijn oma werd geboren en ze keken rond in Bandung, daar waar zijn vader opgroeide. Veel van wat zijn oma hem had verteld, viel die reis op zijn plek. Eenmaal terug in Nederland was een nog grotere nieuwsgierigheid geboren: hoe zat de familie precies in elkaar en welke verhalen had hij nog niet gehoord? Er kwam nog een tweede reis naar Indonesië, maar vooral in Nederland ging David op zoek naar familieverhalen.

“Ik was net gestopt met het vervolg van mijn muziekopleiding en had ineens veel tijd. Ik ben letterlijk het hele land doorgegaan om familie te interviewen. Mijn criterium was dat de geïnterviewde Indië nog bewust meegemaakt moest hebben, de tempo doeloe tijd dus nog moest hebben gekend. Ik begon bij Tante Titi, toen net in de tachtig, een fantastisch mens die geweldige verhalen kan vertellen. Ze spreekt ook nog het Petjoh, en als ‘talen-freak’ vond ik dat natuurlijk fantastisch. Ook bleken zij en andere familieleden die ik door haar leerde kennen enorm muzikaal. Door mijn eigen muziek achtergrond klikte dat meteen.”

Muziek blijkt te werken als lijm voor het contact dat hij met dit deel van de familie krijgt. De bezoekjes beginnen en eindigen met Tante Titi achter de piano en David zingend ernaast. Tussendoor vloeien de verhalen die David zorgvuldig op band opneemt. Naast Tante Titi interviewt hij uiteindelijk in een aantal maanden tijd een tiental andere familieleden.

“Ik wilde alle familieverhalen die ik te horen kreeg vastleggen en bewaren voor volgende generaties. In onze familie, net als in heel veel andere natuurlijk, zit zo’n enorme schat aan ontroerende verhalen, sterke verhalen en ook historische verhalen. Dat moest toch eens worden vastgelegd! Op de site Gang Cohen, heb ik een deel van wat ik vond online gezet”.

Terwijl David verder praat en ik noteer, pakt hij een van de CD’s van het stapeltje voor ons op tafel. Even later hoor ik een Indische tante praten in onmiskenbaar Petjoh. David reageert glimlachend op de rappe Indische tongval van zijn oude tante Titi.

David3“Ik werd zo enthousiast door alles wat ik hoorde dat ik in 2007 een Cohen-reünie heb georganiseerd. De familie reageerde enthousiast en het werd een groot succes. Er waren zoveel mensen die elkaar al heel lang niet hadden gezien. Soms wel 30 of 40 jaar. Het was geweldig zoveel familie bij elkaar te zien, oudjes die de hele dag met elkaar zaten bij te praten. De stamboom die ik toen had gemaakt heb ik daar opgehangen. Hij is toen ook weer aangevuld door mensen die weer namen wisten van familie die er nog niet opstond. Mooi he?”

Een jaar later volgde een tweede editie. Dit jaar echter besloot David geen reünie te organiseren.

“Het is fantastisch om te doen, maar wel ontzettend veel werk. Misschien in de toekomst weer een keer. Dit jaar heb ik me even geconcentreerd op het afronden van de muziekopleiding, die ik weer heb opgepakt. Binnenkort begin ik met een nieuwe baan: het geven van Algemene Muzikale Vorming op een school in Amsterdam Zuidoost”.

Daarnaast is David professioneel zanger en rondleider bij het Muziektheater in de binnenstad. Een volgende reis naar Indonesië gaat er misschien ooit nog eens van komen. Hij zou de taal wat beter willen leren en best nog meer plekken willen zien waar zijn Indische familie sporen heeft achtergelaten. Tot die tijd moet hij zich maar troosten met de interviews die hij opnam en de nostalgische straatnamen van de Indische buurt.

Volgende maand gaat Kirsten voor het tiende interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie naar Gelderland!

Guna Guna en Klazien uit Zalk

Onze voorouders in Nederlands-Indië leefden in een betoverde wereld. Guna Guna, oftewel Stille kracht, was onderdeel van het dagelijks leven. Wij moeten het in Nederland doen met Sinterklaas, en ook daar mogen we niet eens écht in geloven. Is magie gedoemd?

De kris. Bron: www.indoshop.nl
De kris.

Moralisme
Zwarte Pieten mogen niet zwart zijn, want dat is discriminerend. Er moeten ook groene, gele en blauwe pieten over de daken lopen. Sint mag geen christelijk kruis op zijn mijter dragen, want dat beledigt moslims. Maar.. is het geloof in het mysterie van Sint en Piet niet genoeg? Wie wil niet dat er een vriendelijke, oude baas bestaat met een lange baard die cadeautjes in je schoen stopt? Geloven in dit fenomeen is toch een verrijking van het leven?

Hel
In dit moderne tijdperk is het gewoon geworden om overal vraagtekens bij te zetten. Natuurlijk, we leven in een seculiere wereld, waarin het geloof geen invloed mag uitoefenen op de maatschappij. De scheiding van kerk en staat is sinds 1795 in Nederland ingevoerd. Ik ben blij toe, want we zijn ontsnapt aan de ketenen van (bij-)geloof en angst voor de hel. Vroeger was het geloof een rotsvast gegeven in een mensenleven, met alle geboden en verboden, rituelen en symbolen van dien. Nu kijken we op een meer wetenschappelijke manier tegen het leven aan. Dat heeft veel voordelen, maar hierdoor zijn we ook iets kwijt geraakt.

Harry Potter
Ratio regeert. Iets is pas waar als het, liefst wetenschappelijk, is bewezen. Door altijd de nadruk te leggen op economie, technologie en wetenschap dreigt de magie te verdwijnen uit de samenleving. En de mens heeft nou eenmaal behoefte aan magie in het leven, nu de gang naar de kerk niet meer vanzelfsprekend is. Kijk maar naar al die speelfilms die gemaakt worden over heksen en tovenaars. Lord of the Rings, Harry Potter, het kan ons niet magisch en betoverend genoeg zijn. Stripfiguren die in parallelle werelden terecht komen, computergames in eigenhandig geschapen fantasiewerelden: de vraag ernaar is onverzadigbaar.

Guna Guna
Hoe deden ze dat in Nederlands-Indië eigenlijk? Daar speelde de Stille Kracht, Zwarte Magie oftewel Guna Guna toch zo’n grote rol? Onze voorouders vonden de aanwezigheid van geesten en van verschillende vormen van bezetenheid vanzelfsprekend. Stille Kracht, toverkunst uit Indonesië en de Molukken, was iets waar je niet mee moest spotten. Je kon namelijk onder invloed raken van deze magie, en die bezwering was heel moeilijk weer op te heffen. Rampen en tegenspoed lagen op de loer. Er was gelukkig ook een witte variant van Guna Guna, waar juist de goede krachten aan het werk zijn. Niet alleen mensen konden drager worden van de negatieve of positieve krachten van Guna Guna, ook voorwerpen. Zoals de kris, wajang poppen, kleden en kleine afgodsbeeldjes uit Indonesië.

Voorwerpen
Het geloof in Stille Kracht heeft de overtocht naar Nederland niet helemaal overleefd, volgens mij, maar toch zijn vooral bij oudere Indische mensen nog veel verhalen hierover te vinden. En ook bijgeloof en de vermeende magische werking van bepaalde voorwerpen speelt nog steeds een rol. Ik vraag me af of de derde generatie Indische Nederlanders hier ook nog mee bezig is. Eerlijk gezegd geloof ik zelf ook dat er magie kan zitten in voorwerpen. Wajangpoppen benader ik altijd met het grootste respect. En ik zet kleine ‘afgodsbeeldjes’ in de kleedkamer voordat ik ga optreden. Het zijn dan wel plastic figuurtjes van Schleich en geen traditionele Indonesische beeldjes, maar toch. In de theaterwereld speelt magie zeker een rol, sterker nog, bij een goed theaterstuk is de magie voelbaar.

Cocktail
Gelukkig is in Nederland een vermenging gaande van allerlei rassen en geloven. Daar wordt altijd een hoop op gescholden, maar de pluspunten worden zelden benoemd. Namelijk: de betovering krijgt weer de ruimte. Het wordt het steeds normaler om, naast het laten lakken van je nagels, ook je hand te laten lezen. Om te bidden tijdens het werk. Of om even te mediteren in de lunchpauze. Om op een alternatieve manier stil te staan bij ziekte en dood, voorbij het witte kadetje na afloop van een crematie. Ik zie wel een cocktail voor me van magische elementen uit alle windstreken: Winti uit Suriname, Guna Guna uit Indonesië, Klazien uit Zalk en daarbij elementen uit Christendom en Islam met een vleugje Boeddisme. Laat de magie maar komen, we kunnen hem hard gebruiken in deze donkere decemberdagen.