Kind van gescheiden ouders. Gedeeld Cultureel Erfgoed (deel 1)

In een serie blogs schrijf ik over ‘gedeeld cultureel erfgoed’ van Nederland en Indonesië; culturele schatten die voortkomen uit het gedeelde verleden van de landen, maar die nu – na hun ‘scheiding’ en nieuwe levensfasen los van elkaar – niet vanzelfsprekend meer onder de zorg van de landen vallen. In dit eerste blog introduceer ik het fenomeen gedeeld cultureel erfgoed en geef ik voorbeelden van omgang met de gedeelde culturele schatten ‘overzee’.

 

Erfenis van een gedeeld verleden

Je hebt het vorig jaar misschien wel meegekregen; het nieuwsbericht dat belangrijke VOC-documenten lagen te verrotten in het Indonesische archief. Kilometers zeventiende en achttiende-eeuwse papieren van de Nederlandse VOC in het Arsip Nasional te Jakarta, zouden beschadigd zijn door inktvraat. Het klimaat binnen het gebouw was de oorzaak. Historicus Hendrik Niemeijer luidde de noodklok en pleitte voor digitalisering. ‘Noch de Indonesische noch de Nederlandse regering kijkt er naar om’, zei Niemeijer in Dagblad Trouw.[1]

De VOC-documenten zijn een voorbeeld van gedeeld cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed omdat het belangrijke culturele en historische objecten zijn die het verdienen bewaard te worden voor volgende generaties. Gedeeld, omdat het niet verbonden is met de geschiedenis van één land, maar met die van meerdere landen. Het VOC-archief is voor Nederland bijvoorbeeld een gigantische bron van handels-, economische en politieke betrekkingen uit die tijd. Voor Indonesië zijn de archieven belangrijk omdat ze onder meer informatie bevatten over oude machtsverhoudingen tussen de sultanaten en vorstendommen.[2]

Het Aziatisch handelsgebied. Nicolaas Visscher, 1681. Afbeelding via wikimedia commons (rechtenvrij)
Het Aziatisch handelsgebied. Nicolaas Visscher, 1681. Afbeelding via wikimedia commons (rechtenvrij)

Kind van gescheiden ouders

Toch kijkt men niet vanzelfsprekend naar deze gezamenlijke erfenis om. Het land waar het cultureel erfgoed zich bevindt, heeft zeggenschap over de objecten, terwijl het andere land net zo goed erfgenaam te noemen is. Net zoals bij een kind van gescheiden ouders, moeten er dus afspraken gemaakt over de taakverdeling. Dat het ‘kind’ soms ook compleet vergeten lijkt te worden of dat geen van de partijen zich verantwoordelijk voelt, is bij de VOC-documenten helaas pijnlijk duidelijk.

Gelukkig zijn er ook voorbeelden van succesvolle samenwerking. In Nederland voeren het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken samen een beleid om gedeeld cultureel erfgoed duurzaam te behouden (het Beleidskader GCE)[3]. De ministeries stellen geld en kennis beschikbaar om zorg te dragen voor archieven, museale collecties, archeologie, gebouwen, landschappen en zelfs gebruiken en verhalen in landen waarmee Nederland een gedeeld verleden heeft. Naast Indonesië zijn dit maar liefst acht andere landen.[4] Met ambassades en publieke en particuliere organisaties in het buitenland worden projecten opgezet om erfgoed in kaart te brengen en te onderhouden.[5]

 

Gezamenlijke inzet in Indonesië

In Indonesië is er bijvoorbeeld in 2008 een netwerk opgericht om conservering van historische gebouwen te stimuleren. De Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Stadsherstel Amsterdam adviseren daarbij. Inmiddels zijn 48 Indonesische steden aangesloten op het netwerk en ligt bij de meeste steden een onderhoudsplan klaar voor de bijzondere panden. Een ander project waarbij Nederlandse kennis beschikbaar stelde, is een onderzoek naar historische stationsgebouwen op Java en het ontwikkelen van restauratie- en toekomstplannen voor dit spoorerfgoed.

Andere samenwerkingsprojecten zijn niet direct verbonden met beheer en behoud, maar vooral gericht op het creëren van bewustzijn. Tentoonstellingen zijn hierbij een geliefde vorm. Zo zijn er bijvoorbeeld tentoonstellingen geweest over het leven van Indonesische en Nederlandse kinderen in Batavia, over twintigste-eeuwse kunstenaars in Bali en over Europa door de ogen van Indonesiërs. Op deze manier werken publieke en particuliere organisaties in beide landen samen aan het creëren van meer draagvlak voor hun gedeelde erfenis.[6]

Stasiun Jakaratakota. Foto: Mas Jati via Flickr
Stasiun Jakarta Kota. Foto: Mas Jati via Flickr

 

Koloniale sporen in Nederland niet gedeeld?

De inspanningen in het buitenland zijn natuurlijk lovenswaardig, maar hoe staat het eigenlijk met gedeeld cultureel erfgoed in Nederland. Wordt daar ook gezamenlijk voor gezorgd? Of is dat er helemaal niet? In Nederland zijn natuurlijk wel koloniale sporen te vinden, maar we noemen deze eigenlijk niet ‘gedeeld’. In mijn tweede blog over gedeeld cultureel erfgoed, buig ik me over deze vraag.

Ngroblog: Vragen stellen…

Mijn moeder overleed in 2011 en had Alzheimer.

Het beste bewijs dat dementie een soort sluipmoordenaar is, wordt geleverd in de bijzondere film ‘The Curious case of Benjamin Button’. De film brengt de gedaanteverandering prachtig in beeld. De ziekte herbergt verschillende thema’s voor mij. Het gaat over verlies, boosheid, onbegrip, verdriet. Daar kan ik een theatervoorstelling overmaken, oh… idee?!!

Op het moment van afscheid nemen, loslaten, zijn er de vragen. De dingen die je graag had willen weten. Ik heb mijn moeder de vragen over vroeger niet meer kunnen stellen.De kloof van generaties? Zij, ouders, deelden weinig, wij, kinderen, vroegen te weinig?

Ik kies ervoor om niet meer in de valkuil van (valse) bescheidenheid te stappen. Dit jaar is mijn jaar van het vragen stellen. Het is een gesprekstechniek, die niet per definitie in mijn DNA zit. Zie mijn vorige blog, over kinderen, die vragen…

In het onderstaande filmpje zit mijn vraag aan jou.


De weg van samen naar Een, zit vol met vragen…

Ik wens je een plezierige dag vol vragen!

Ngroblog: Gandong (Samen zijn wij één)

Een emotioneel lied. Over broederschap, eenheid, gemeenschappelijk. Ik heb het laatst eens vrij vertaald naar het Nederlands. Eén regel in het refrein vind ik wel heel bijzonder… : “Laat mij jou toch dragen… ik draag jou als mijn broeder” 

Voor een ieder de vraag om deze woorden eens voor zichzelf te wegen. Het lijkt een soort appèl om elkaars lasten te dragen. Een meer positievere insteek zou zijn dat door de last samen te dragen, deze als minder zwaar wordt ervaren. Soort gedeelde smart, halve smart.

Ik haal ook een uitdaging uit het lied. Hoe blijf je trouw aan jezelf binnen een dergelijk broederschap, gemeenschap? Is dat een dilemma van een 3.0 generatie?  Indisch, Moluks, Surinaams-Javaans enzovoorts… Een kernwaarde als klaar staan voor elkaar betekent niet jezelf compleet wegcijferen.
Ik voorzie een mooie beweging in het hier en nu:

Vanuit de symbiose van samen, de deur openen naar jezelf.
Gandong-e (liedje start vanaf 4e minuut in het filmpje)

Ngroblog: Erbij horen

De langverwachte bekentenis van wielrenner Michael Boogerd, eindelijk. Bij De Wereld Draait Door sprak één fragment uit het interview mij persoonlijk aan, Boogerd zag tijdens de finale van een van de voorjaarsklassiekers, drie man in een paar trappen bij hem wegrijden. Hij trainde als een bezetene en toch slaagde hij er niet in, om deze renners bij te houden. Zijn stelling vanaf dat moment: “Ik wil naar de top, ik wil er ook bij horen…” Die dag besloot hij onderdeel te zijn van de inmiddels verafschuwde cultuur van doping en bedrog.

Ik wil er ook bij horen. De woorden galmden na in mijn hoofd. Het thema van 3.0 generatiegenoten. Erbij horen. Waar horen wij nou eigenlijk?

In Indonesië? Op de Molukken? Een doordeweekse dag op de markt in Ambon. Mijn neefje wees op een tweetal dames schuin voor ons. “Kijk, kaka (=broer, oudere), die zijn niet van hier”. Niet begrijpend keek ik hem aan, op de vraag hoe hij dat kon zien, klonk nuchter het antwoord, vanwege de lichtere huidskleur en de kleding.

Hoor ik dan hier in Nederland? Ik, 15 juli 1970, geboren en getogen in Woerden, spreek beter Nederlands dan Maleis. Maar ja, als ik ergens binnenkom, dan is de bruine kleur toch het eerste wat men ziet, de lastige achternaam doet de rest. Het fragment van gisteren gaf me een bevestiging.

erbij horen
Erbij willen horen is iets wat bij ons mensen hoort. Ons leven lang zoeken we naar plekken om erbij te horen, er te mogen zijn, zoals we zelf graag willen zijn. Michael Boogerd dacht het gevonden te hebben en het gebruik van doping bracht hem roem en rijkdom. De waarheid heeft hem ingehaald. De bekentenis bracht hem een stapje dichter bij zichzelf. Dat hij weer kan leren leven met zichzelf.

3.0, de weg is gewezen. Stop met ergens bij te willen horen, als je al ergens bij wil horen, zorg dat je dat zelf bent. In verbinding zijn met jezelf is al moeilijk genoeg, daarvoor moet je heel wat tegenstand en onbegrip weerstaan.

De weg naar die plek in onszelf duurt een leven lang.

 

Ngroblog: Uit de comfort zone

Ik hou van n beetje saai, van degelijk, voorspelbaar, vertrouwd, herkenbaar. Ik vind het fijn als de dagelijkse dingen gaan, zoals ik ze verwacht. Vaste routine, dito patronen. Het voelt veilig. Senang. Met andere woorden, alles dat niet aan bovenstaande zaken beantwoordt, verstoort. Handelingen, gebeurtenissen, die afwijken van de dagelijkse routines interrumperen het gelukzalige gevoel van senang zijn.

Waarom zou ik dat doen? Wat zou het me kunnen brengen? Spanning, onzekerheid, kwetsbaar, onveilig, onbekendheid. Allemaal dingen die ik niet prettig vind. Afkeuring, afwijzing, nog meer onzekerheid, weg is het gevoel van senang! Het voelt als vroeger op een Moluks feest, in een grote kring staan. Iedereen die kijkt naar de lege dansvloer en de band speelt toch echt jouw favoriete nummer. Maar… wie durft? Wie stapt die ring in en breekt de ban?

Een usi zus of zo stapt in, trekt giechelend en aarzelend een vriendin mee en samen dansen ze het liedje uit. De rest kijkt toe, wacht af, de één zie je aarzelen, de ander lacht wat schamper voor zich uit. De beweging oogst beurtelings afkeuring, bewondering, een glimlach en soms zelfs een medestander. Vandaag stap ik de kring in.  Het platform Indisch 3.0. Ik zal hetzelfde oogsten als die ene usi die de leegte betrad.

Het verlaten van de comfort zone betekent een belangrijke stap.

Het vergroot de zichtbaarheid. Dat is wat 3.0 voor mij inhoudt. De eerste generatie Molukkers is er nagenoeg niet meer. De tweede generatie nadert het einde. Hoe kunnen 3.0 generatiegenoten hun zichtbaarheid vergroten?
Het verlaten van de comfort zone. Die is voor iedereen anders. Voor de een betekent het begin van een eigen bedrijf, de ander een nieuwe baan, een vertrek uit de wijk, voor mij betekende het recent de moeizame relatie met mijn vader herstellen en vorig jaar het uitbrengen van mijn boek. En nu… bloggen op Indisch 3.0.
Mmm… ik voel me best senang.

En jij?

Kwetsbaarheid als kracht, uit de comfort zone

 

 

 

 

Emo over Indonesië

De toekomst van Indonesië volgens Adriaan van Dis en Ahmad Tohari

Ik vind dat ik als derde generatie Indo maar bar weinig over het huidige Indonesië weet. Ik wil mijn kennis over Indonesië wel vergroten, maar de pogingen die ik tot nu toe heb ondernomen, zijn niet heel succesvol geweest. Ik volg op facebook The Jakarta Post en heb wat boeken over moderne Indonesische kunst aangeschaft. En daar houdt het dan ook wel een beetje op. Adriaan van Dis, ook een Indo, heeft onlangs de documentaire reeks ‘Van Dis in Indonesië’ gemaakt, waarmee hij op een laagdrempelige manier Indonesië de Hollandse huiskamers in probeerde te krijgen. Maar ook die serie sprak me niet aan en heeft me niet veel bijgebracht.  Soms doe ik dus gekke dingen, in de hoop dat ik daarna wat meer snap van het land. Afgelopen zaterdag ging ik bijvoorbeeld naar Writers Unlimited waar de ‘toekomst van Indonesië’ zou worden besproken. 

Emo
Oke toegegeven, soms werd ik om onverklaarbare redenen wel emo door de documentaire ‘Van Dis in Indonesië ‘. Vaak door de gekste dingen. Zoals een misplaatst gevoel van heimwee toen ik een palmboom met zijn palmbladeren over de vensters van de voorbij razende trein zag glijden. Vraag me niet waarom. En ja, ik kreeg– en ik wil dit echt niet, hè – tranen in mijn ogen bij een gamelandeuntje waar iemand in het Indonesisch doorheen praatte. Maar verder vond ik de reeks documentaires gewoon een beetje irritant. Van Dis die als verwonderde Indo-Europeaan op ontdekkingsreis gaat tussen al die wonderlijke Indonesische creatures. Zijn blik is teveel: ‘Kijk eens naar die Ander! Die Ander lijkt op m’n oma! En daar word ik zo lekker melancholisch van.’ Eigenlijk blijft Indonesië ver weg. Ik wil Indonesië dichterbij.

Ahmad Tohari (c) Sarah Klerks / Indisch 3.0 2013
Ahmad Tohari (c) Sarah Klerks / Indisch 3.0 2013

De toekomst van Indonesië
Bij Writers Unlimited gaat dezelfde Van Dis in gesprek met Ahmad Tohari over de toekomst van Indonesie. Tohari is een rebel. Hij schrijft over de misstanden en armoede in Indonesië. Hij heeft branie en zegt over zijn schrijverschap: ‘Ik zal door blijven schrijven zolang als ik me boos kan maken.’ Wie houdt er niet van zo’n man? Het gesprek wordt geleid door correspondent Michel Maas en ze gaan dus niets minder dan de ‘toekomst van Indonesië’ bespreken. Misschien zal ik hierdoor eindelijk meer over het moderne Indonesie te weten komen. Ik vraag me wel af of ze in Indonesië ook discussies organiseren waarin de toekomst van Nederland wordt besproken, maar dat terzijde.

Indonesiërs zijn lief
Indonesië kwam wel een beetje dichterbij tijdens het gesprek; er waren Indonesiërs, het ging over Indonesië, er werd Indonesisch gesproken en Van Dis bekende dat hij Indonesiërs lief vindt. Het ging alleen niet over de toekomst van Indonesië. Althans, alleen Tohari sprak over de toekomst. Hij had hoop. Van Dis en Maas wilden liever over de huidige problematiek praten. Corruptie en Islam, daar moest het gesprek over gaan. Oja, en ook beetje over hen zelf: het Nederlandse koloniale bewind in Indonesië. Van Dis had Tohari’s boek Rad van de Regenboog gelezen en was in shock vanwege het vele geweld dat er in voorkomt. Van Dis, zichtbaar aangedaan: ‘Ik vind Indonesiërs de liefste mensen op de wereld. Ze lachen altijd. En dan opeens, uit het niets, kunnen ze zo gewelddadig zijn! Hoe kan dat?’ Wat dacht je hier van, Adriaan: misschien zijn het net mensen? Heb je niet net wekenlang een documentaire over hen gemaakt? Tohari antwoordde trouwens wijselijk dat de Indonesiërs gewoon een beleefd volk zijn.

Writers Unlimited (c) Sarah Klerks / Indisch 3.0 2013
Writers Unlimited (c) Sarah Klerks / Indisch 3.0 2013

West-Europees doof
Het gesprek ging uiteindelijk weinig over de toekomst. Het was meer een ongemakkelijke ontmoeting tussen Oost en West, waarin Oost graag wilde vertellen over Oost, en Oost ook wat mocht zeggen van West, maar waar er niet echt naar Oost werd geluisterd. West wilde zelf praten. Als Maas vroeg of religie een probleem is in Indonesië, en Tohari antwoordde dat religie voor hem  zijn ‘thuis’ is en Islam liefde, was Maas niet tevreden met een dergelijk antwoord. Religie was namelijk wel een probleem, volgens hem. Hij had het zelf gezien.

Naar huis
Genoeg. Ik loop terug naar het station en het is ijs- en ijskoud. Als ik het station bereik, is er weinig hersenactiviteit meer mogelijk, mijn hersenvocht is bevroren. In de etalageruit van de Starbucks zie ik de weerspiegeling van een Marokkaans meisje met Italiaanse features. Alleen is dit Marokkaans uitziende meisje een Indo. En ze vraagt zich af: wat doe ik in dit fucking koude land? Koffie uit Java schenkt verlichting. En natuurlijk wordt er in de rij van de Starbucks weer voorgedrongen door een lange Nederlandse man. Hij weet niet hoe rijen werken, zegt hij. De Indische barista zegt dat hij achteraan mag aansluiten. De Indische barista blijkt Kaapverdiaans te zijn.

Reportage: Oostwaarts!

Tropenmuseum Amsterdam © Christie Haalboom / Indisch 3.0 2012

Een uitgebreide en informatieve tentoonstelling

Van 13 tot 17 augustus 2012 organiseert magazine Indisch 3.0 een themaweek over het Nederlandse kolonialisme in Indonesië. Deze reportage over de drie tentoonstellingen van ‘Oostwaarts!’ in het Tropenmuseum maakt daar onderdeel van uit. 

Gedeelde roots
Op de website van het Tropenmuseum lees ik dat het in 1871 in Haarlem is geopend als ‘Koloniaal Museum’ met als doel “grondstoffen, natuurvoortbrengselen en volksvlijt uit de Nederlandsche overzeesche bezittingen” te tonen. In 1926 verhuist het museum naar Amsterdam-Oost en na de onafhankelijkheid van Indonesië besluit het museum haar blik te verbreden. De roots van het Tropenmuseum liggen dus, net als die van ons, in Nederlands-Indië. En dat verklaart de enorme schat aan voorwerpen, kunst en verhalen die op de eerste verdieping te bezichtigen is. Het is veel. Voor je het weet ben je alles aan het lezen, laat je de symboliek op je inwerken, leg je allerlei verbanden en ben je 45 minuten verder, terwijl je nog meer dan tweederde van de verdieping moet bekijken.

De roots van het Tropenmuseum liggen in Nederlands-Indië.

Het koloniale theater van 350 jaar Nederlands kolonialisme © Christie Haalboom / Indisch 3.0 2012

Gedeelde symboliek
‘Zuid-Oost Azië, bezielde cultuur’ laat je voorwerpen zien uit Indonesië, maar bijvoorbeeld ook uit Thailand, Vietnam, Maleisië en de Filippijnen. Het leert je over de overeenkomsten in de symboliek die deze culturen rijk is, (draken, vogels, bloemen en hurkende mensen) en her en der zul je een verklaring vinden voor dat vreemde gebruik van je opa of oma. Deze presentatie mag een update krijgen: er missen letters van de teksten en het computerspel is zelfs voor de allerkleinste bezoekers niet ‘cool’ genoeg.

Gedeelde geschiedenis
In het ‘koloniaal theater’ over 350 jaar Nederlands kolonialisme staan verschillende figuren die met hun verhalen inzicht geven in hun leven. De kunstenaar vertelt over zijn fascinatie met Bali, de ‘inlandse’ ambtenaar deelt zijn frustratie met je. De poppen zijn van het niveau ‘Madame Tussaud’, de willekeurige, doorzichtige en oplichtende ledematen verraden dat het hier om poppen gaat. Voor een vrouw op leeftijd zijn ze een kunstwerk op zich, ze vergeet te luisteren naar wat ze te vertellen hebben. De jonge dochter van een andere bezoeker griezelt van een oplichtend oor en wil snel doorlopen.

Het theater wordt omlijst door voorwerpen en schilderijen uit dezelfde tijd. Tevergeefs zoek ik naar werk van Raden Saleh, het tweede doel van mijn bezoek vandaag. Wel ontdek ik prachtige boeken en schoolschriften, die een gevolg waren van de ethische politiek. Ik word heel blij van de typografie, typische illustraties en zorgvuldig handgeschreven bladzijdes. Meer hiervan graag!

Tevergeefs zoek ik naar werk van Raden Saleh, het tweede doel van mijn bezoek vandaag.

Boeken en schriften naar aanleiding van de  ethische politiek © Christie Haalboom / Indisch 3.0 2012

Uit hetzelfde hout gesneden

Eenmaal bij ‘Nieuw-Guinnea’ aangekomen, begroet de airco me. De koloniale geschiedenis is beklemmend, de luchtig opgezette tentoonstelling met houtsnijwerken is een welkome afwisseling. Ook hier veel symboliek en ruimte om gewoon te kijken en te genieten van het handwerk.

Oostwaarts! is een uitgebreide en informatieve tentoonstelling die de moeite waard is om te bekijken als je bereid bent er de tijd voor te nemen. Je zal voorwerpen en verhalen herkennen die, in hun context geplaatst, meer voor je gaan leven. Ga samen met iemand van de eerste of tweede generatie deze tentoonstelling bekijken, dè manier om hierin te duiken. Een kleinzoon die ik aan de lippen van zijn oma zag hangen, bevestigde dit.

Het Tropenmuseum is van dinsdag tot en met zondag open van 10.00 tot 17.00. De entree is €10,00 (zonder audiotour). Er stoppen trams voor de deur en het museum is rolstoelvriendelijk. Meer informatie vind je op hun website. Laat je ons weten wat je ervan vond, als je bent geweest?

Nieuw Guinnea Tropenmuseum Amsterdam © Christie Haalboom / Indisch 3.0 2012

Jam karet, tunggu sebentar, pelan-pelan en santai aja

Santai aja (c) Rennie Roos 2011

Jam karet, tunggu sebentar, pelan-pelan en santai aja: het zijn voor Indonesiërs doodgewone begrippen maar kunnen bij Nederlanders flink wat irritaties opwekken. Hier in Nederland gaat alles zo ontzettend snel! Iedereen heeft haast en moet altijd en overal op tijd zijn zodat ze daarna weer snel doorkunnen naar de volgende afspraak. Alles moet gaan zoals gepland en niks mag daar vanaf wijken.

Santai aja (c) Rennie Roos 2011
Slapende mannen op Midden-Java. Op de muur wordt gevraagd of ze moe zijn. (c) Rennie Roos 2011

Ik kan mij nog goed herinneren dat ik er in mijn eerste collegeweek in Yogyakarta net zo over dacht: “Ik kon van te voren natuurlijk verwachten dat het studeren hier anders zou zijn dan in Leiden maar dit had ik toch echt niet verwacht. Van de 14 colleges die ik tot nu toe zou moeten hebben gehad, heb ik er daadwerkelijk 5 kunnen volgen. De oorzaak daarvan zal ik nader toelichten. Waarbij het in Nederland nog wel eens gebruikelijk is dat een student niet komt opdagen, zijn hier de docenten gewoon afwezig! Wat ook niet geheel ongebruikelijk is, is dat de docenten geen colleges willen geven als er te weinig studenten zijn omdat dat zonde van hun tijd is. Het absolute toppunt vind ik echter de wijzigingen van de colleges hier! Ik kan begrijpen dat collegetijden af en toe gewijzigd worden maar hoe dat hier gebeurd is echt bizar! I.p.v. Een college naar een later tijdstip te verplaatsen kom ik er hier regelmatig achter dat de colleges ineens een dag eerder zijn gegeven!” (21/09/2011 – renenren.waarbenjij.nu)

Als ik het bovenstaande stukje uit mijn blog over mijn eerste week op Universitas Gadjah Mada teruglees, dan lach ik om mijn irritaties. Het is natuurlijk een wereld van verschil met Leiden maar ik maakte hierdoor wel meteen kennis met het begrip santai aja. Mijn Indonesische medestudenten maakten zich niet zo druk en vertelden dat zulke dingen nou eenmaal gebeuren. De eerste week van het semester is vrijwel altijd een chaos. Vaak wordt deze week gebruikt om de roosters te maken en om te kijken of er genoeg animo is voor de colleges. Het klinkt logisch maar als je daar niet van op de hoogte bent, dan wekt het flink wat irritaties op.

Het begrip santai aja kan je vertalen als relax, chill out of simpelweg met: ontspan. Tijdens mijn verblijf in Yogya zou ik dit begrip steeds meer gaan omarmen en afstappen van het westerse snelle leven dat zo vaak irritaties oplevert. In het westen zijn we naar mijn mening zo nu en dan wel erg licht ontvlambaar en maken we ons druk om dingen die er eigenlijk niet toe doen. In Indonesië heb ik geleerd dingen wat positiever te bekijken en niet onnodig moeilijk te doen. Een mooi voorbeeld: ‘Het is vervelend dat je je trein hebt gemist maar je bent nu in elk geval wel op tijd voor de volgende.’

Een Indonesisch fenomeen waarmee ik eigenlijk nog steeds niet mee uit de voeten kan is jam karet. De Nederlandse punctualiteit die ik van mijn ouders heb meegekregen, dat ik altijd en overal op tijd moet zijn, kon ik in Indonesië vrijwel meteen in de tempat sampah gooien. Hoe vervelend ik het ook vond om soms wel een uur op iemand te moeten wachten, ik ben gaan inzien dat wij in Nederland zo nu en dan precies hetzelfde doen. Organiseer maar eens een feest om acht uur ’s avonds. Ik garandeer je dat vrijwel niemand om acht uur precies aanwezig zal zijn!

In het westen noemen wij het te laat komen op feestjes: fashionably late komen. In Indonesië dus: jam karet. Alleen, in Indonesië blijft dat niet beperkt tot feestjes maar wordt het gekoppeld aan alle dagelijkse activiteiten. Een voordeel hiervan is dat je altijd tijd hebt om af te maken waarmee je bezig was, omdat het toch niet uit maakt of je op tijd komt. Een groot nadeel hiervan is, is dat je veel tijd kwijt bent aan het domweg wachten op je afspraak. Gelukkig vinden Indonesiërs dat laatste niet zo heel erg, want met de santai aja mentaliteit maken zij zich er niet zo druk om!

Voor een programma van het Indonesisch ministerie van buitenlandse zaken moet ik uiterlijk op 2 april in Jakarta zijn. Via de Indonesische ambassade heb ik vernomen dat zij zowel mijn ticket als mijn visum zullen regelen. Het is nu 27 maart en tot op heden heb ik nog steeds geen ticket en geen visum ontvangen.Voorheen zou ik enorm gestresst zijn maar nu denk ik: santai aja, het komt allemaal wel goed.

Hoogmoed van een Indosaurus

Dinosaurus. Bron: http://www.sadoradesigns.be/verborgenpaginas/onzeproducten/muurstickersvanwildedieren/tabid/178/CategoryID/43/List/0/Level/a/ProductID/934/Default.aspx?SortField=datecreated+desc%2Cproductname

Alweer een tijd geleden werd mij gevraagd hoe ik de toekomst van de Indo zie. Niet dat ik word gezien als een groot Indisch denker of iets dergelijks, maar desalniettemin werd het mij gevraagd ten overstaan van zo’n honderd (grotendeels Indische) mensen.

Onder luid applaus had ik met een bijna leeg bierglas mijn entree gemaakt. Dat had overigens te maken met de voorstelling (Circus Bronbeek) die ik daarvoor had gespeeld. De interviewer, die inmiddels was begonnen met zijn talkshow, zag mij de foyer betreden en richting bar lopen, noemde mijn naam en men begon spontaan te klappen. Ik knikte vriendelijk, zwaaide even, ging rustig op een barkruk zitten en bestelde heel nonchalant een nieuw biertje. Dat laatste is best moeilijk als je ego wordt gestreeld. Om een lang verhaal kort te maken: Die avond was ik belangrijk.

Geen wonder dus dat ik enkele minuten later door de interviewer werd gevraagd om me bij gasten van de talkshow te voegen. Daar zat ik dan, derde generatie Indo met een mening èn dat nonchalant bestelde biertje. Tegenover een publiek met vooral eerste en tweede generatie. En al had ik nog niets gezegd, elk woord uit mijn mond zou vandaag op een weegschaal worden gelegd. In de wandelgangen had ik die dag gehoord dat er vanuit het publiek commentaar was geweest op het grote Patrick Neumann-interview in de Moesson een paar maanden eerder. Onterecht naar mijn mening, want die mensen hebben het waarschijnlijk niet goed gelezen. Ik besloot geen risico te nemen en mijn woorden zorgvuldig kiezen.

Ineens begon alles te draaien. Ik zag iedereen wel, maar niet helemaal helder. De talkshow kon ik wel volgen, maar het geluid was wel wat dof. “Ik ben toch niet dronken?”, dacht ik. Het kwartje viel. Zwevend op het succes van de gespeelde voorstelling en de daaropvolgende staande ovatie was ik vergeten te eten. Tegelijkertijd had ik dat eerste biertje te snel en gulzig achterover gegooid. “Domme, domme Patrick….”, klonk het in mijn hoofd. “Geen stomme dingen zeggen… focus… concentreer je op de vragen. Pak die Indo-minutes of fame!”

“Patrick”, hoor ik de interviewer zeggen.

In mij begonnen alarmbellen te rinkelen. “Shit, mijn naam… Focus, focus…” Mijn hoofd sloeg op hol. De interviewer vervolgde:

“Jij bent derde generatie. Hoe zie jij de toekomst van de Indische Nederlander?”

Hoewel ik me zo had voorgenomen me in te houden, hoor ik mezelf zeggen: “We sterven uit. En dat is helemaal niet erg.” Ik keek schaapachtig de zaal in en in plaats van boze gezichten, begonnen mensen in het publiek te lachen en een enkeling knikte instemmend. Ik ratelde verder: “De Indo heeft zich bijna altijd en overal gered in de wereld, dus als we uitsterven hebben we ons goed aangepast. Misschien ligt daar onze kracht.”

De twee biertjes op mijn nuchtere maag werden mijn vrienden en werkte als spraakwater. Wat vond ik mezelf belangrijk die avond. Aan het eind kwam er een oudere Indische man naar me toe. Hij zei: “Je hebt een paar leuke dingen gezegd over dat uitsterven. Hussel de letters van Indo maar eens door elkaar.”

Ik keek de man vragend aan.

“Dino.”

Kijken we ook naar de toekomst?

Op veel posts reageren lezers met uittreksels over de geschiedenis – en dat geldt niet alleen voor deze website – in plaats van op het topic zelf. Tot in detail beschrijven sommigen hoeveel procent van de bevolking in Nederlands-Indië Nederlands onderwijs kreeg, of hoe precies de bevolkingsverdeling in jaar x in elkaar stak. Sowieso zouden getallen over Nederlands-Indië per definitie omgeven moeten zijn van de aanduiding “bij benadering”.

Maar waarom voelen sommigen zich zo geroepen bij elke post de geschiedenis in te duiken? Natuurlijk, geschiedenis is heel belangrijk. Maar hoe zit het met het heden, of de toekomst? Daarom vragen wij ons af: kijkt de huidige Indische jongerengemeenschap vooral naar het verleden of de toekomst?