Indische verhalen in Nederlandse stenen. Gedeeld cultureel erfgoed (deel 3)

In drie blogs schrijf ik over ‘gedeeld cultureel erfgoed’ van Nederland en Indonesië; culturele schatten die voortkomen uit het gedeelde verleden van de landen, maar die nu – na een ‘scheiding’ en nieuwe levensfasen los van elkaar – niet vanzelfsprekend meer onder de zorg van de landen vallen. In de vorige twee blogs schreef ik dat het vast nog even duurt voordat de Indische invloeden in eigen land door een breed publiek worden beschouwd als gedeeld erfgoed met Indonesië. Het symposium ‘Gedeeld cultureel erfgoed’ dat dit jaar tijdens de Tong Tong Fair plaatsvond, laat zien dat er wel al een kentering gaande is. Hoewel het zeker niet een eerste bijeenkomst is over Indisch erfgoed, toont de naam dat de insteek anders is. Het legt nadruk op een veelzijdige herkomst en brengt de Indische sporen in Nederland direct in verband met de koloniale sporen in Indonesië, die we doorgaans wel als gedeeld erfgoed zien.

 

Vergetelheid voorkomen

Het symposium kwam voort uit het Haagse project ‘Sporen van Smaragd’, waarin Haagse gebouwen met een ‘Indische link’ zijn geïnventariseerd. Den Haag wilde voorkomen dat het Indisch erfgoed in vergetelheid raakte en gaf daarom kunsthistorisch bureau Kroon & Wagtberg Hansen opdracht een overzicht te maken. Het project liep van 2010 tot 2012 en resulteerde in een database die de gemeentelijke monumentenzorg gebruikt. Dit jaar verscheen er een uitgebreide publiekspublicatie. Het onderzoeksbureau presenteerde op het symposium de belangrijkste bevindingen en plaatste deze met bijdrage van andere sprekers (namelijk: Ulbe Bosma, Frans Leidelmeijer, Vilan van de Loo, Marty Bax, Henk Mak van Dijk en Ben de Vries) in een bredere context over culturele wisselwerking tussen Nederland en Indië.

 

Het uiterlijk én het verhaal

Uit de lezingen bleek dat de inventarisatie naar Indische gebouwen, niet alleen om zeldzaamheid van uiterlijk ging (de materiële waarde) maar veel meer om het verhaal en de historische waarde erachter (de immateriële waarde). Er zijn daarom niet enkel gebouwen gedocumenteerd met Indische decoraties of Indische namen op de gevel, maar ook gebouwen die van de buitenkant helemaal geen Sporen van Smaragd laten zien. Zoals bijvoorbeeld één van de eerste toko’s in Den Haag, Toko Betawie (Heemskerkstraat 29), dat nu als woonhuis niets meer laat zien van het Indische verhaal. Dit gebouw is echter wel cultuurhistorisch waardevol omdat het te verbinden is met het begin van de Indische eetcultuur in Nederland. Ook woonhuizen van bijvoorbeeld Indische journalisten en musici die als ontmoetingsplekken fungeerden voor culturele Indische bijeenkomsten kregen een plaats in de databank.

 

Villa Heimo Nia aan de Parkweg, gebouwd voor een uit Nederlands-Indie teruggekeerde suikerplantage-eigenaar,  1908. Foto: Roel Wijnants via Flickr
Villa Heimo Nia aan de Parkweg, gebouwd voor een uit Nederlands-Indie teruggekeerde suikerplantage-eigenaar,
1908. Foto: Roel Wijnants via Flickr
Toko Betawie advertentie De Amsterdammer : dagblad voor Nederland, 02-02-1883. Afb. via Koninklijke Bibliotheek Den Haag
Toko Betawie advertentie De Amsterdammer : dagblad voor Nederland, 02-02-1883. Afb. via Koninklijke Bibliotheek Den Haag

Subtiele vermenging van oost en west

Overigens zijn de materiële Indische sporen in gebouwen, interieurs en meubels die je dus wel kan zien, soms nog best onzichtbaar voor het ongetrainde oog. De Haags-Indische gebouwen zijn bijvoorbeeld niet in oosterse stijl gebouwd, maar hebben in hoofdzaak een westers voorkomen met verwijzingen naar Indië in de decoraties. Zo is het wapen van Batavia vaak op gevels te vinden bij op panden van voormalige handelmaatschappijen met Indische banden en zijn Indische figuren terug te zien in gevelstenen of glas-in-lood bij voormalige woon- en werkvertrekken van Indiëgangers.

Bij de Bijenkorf werden diverse gevelstenen aangebracht om te laten zien waar de te kopen producten vandaan kwamen. In deze gevelsteen zijn rechts van het midden zijn De Indische Olifant en 'een Inlander' te zien . Foto: Roel Wijnants via Flickr
Bij de Bijenkorf werden diverse gevelstenen aangebracht om te laten zien waar de te kopen producten vandaan kwamen. In deze gevelsteen zijn rechts van het midden zijn De Indische Olifant en ‘een Inlander’ te zien . Foto: Roel Wijnants via Flickr

Frans Leidelmeijer vertelde een vergelijkbaar verhaal over de Indische invloed op interieur en meubels. Rond 1900 was batik bijvoorbeeld erg populair, maar de toepassing was niet vergelijkbaar met die in Indië. De batikstoffen werden bijvoorbeeld gebruikt voor boekomslagen, meubelbekleding of textielbehang en de patronen werden ontworpen door Westerse kunstenaars. In Apeldoorn was zelfs een batikatelier gevestigd waar Nederlandse vrouwen werkten.

Kunsthistorica Marty Bax liet zien dat het Indische nog meer voor het oog verborgen kan zijn. Gebouwen die ontworpen zijn door Indische architecten of architecten die in Nederlands-Indië zijn geweest, maar in hun decoratie niet verwijzen naar Indië, kunnen toch wel degelijk ontworpen zijn onder grote invloed van de Oost. Veel architecten rond 1900 ontwierpen bijvoorbeeld gebouwen op basis van geometrische patronen, zoals aaneengeschakelde vierkanten of driehoeken. Een aantal architecten baseerden deze patronen op oosterse filosofieën of voorbeelden uit boeddhistische en hindoeïstische tempels. Marty Bax liet bijvoorbeeld zien dat Berlages schetsontwerpen voor het Gemeentemuseum in Den Haag in opzet van het gebouw overeenkomsten vertoont met de opbouw van boeddhistische tempelcomplexen. Aan de buitenkant dus niets te zien, maar Indische invloed is er all over.

Gemeentemuseum Den Haag. Foto: Georges Jansoone via wikimedia
Gemeentemuseum Den Haag. Foto: Georges Jansoone via wikimedia

 

Het verleden als rijkdom

Met het delen van deze (en nog veel meer) kennis is met het symposium een begin gemaakt het Indisch erfgoed breder bekend te maken. Als erfgoedprofessional met Indische achtergrond kan ik het Haagse initiatief alleen maar toejuichen en hopen op vergelijkbare initiatieven in andere steden. Het is duidelijk dat het Indische soms moeilijk zichtbaar is, maar dat er een rijkdom aan sporen te vinden is. Het is afwachten of het in de toekomst door de Indonesiër ervaren wordt als ‘gedeeld cultureel erfgoed’ maar het is belangrijk dat Nederland dat in ieder geval doet. Het erkennen en aanwijzen van de culturele wisselwerking doet niet alleen recht aan het verleden, maar geeft ook een positieve inslag voor omgaan met het verleden in het heden.

Wat niet is, kan nog komen. Gedeeld Cultureel Erfgoed (deel 2)

In een serie blogs schrijf ik over ‘gedeeld cultureel erfgoed’ van Nederland en Indonesië; culturele schatten die voortkomen uit het gedeelde verleden van de landen, maar die nu – na een ‘scheiding’ en nieuwe levensfasen los van elkaar – niet vanzelfsprekend meer onder de zorg van de landen vallen. ‘Net zoals een kind van gescheiden ouders, moeten er afspraken gemaakt worden over zorgtaken’, schreef in mijn eerste blog, waar ik inging op het fenomeen gedeeld cultureel erfgoed en voorbeelden gaf van gedeelde culturele schatten ‘overzee’. In dit tweede blog mijmer ik over de vraag waarom Indische sporen in Nederland niet aangeduid worden als ‘gedeeld cultureel erfgoed’.

Sporen van Smaragd in een kikkerland

Van voormalig ‘Nederlands-Indië zijn nog genoeg sporen te vinden in huidig Nederland. De Indische Nederlanders wordt beschouwd als de grootste groep immigranten in Nederland en bijna iedereen kent iemand van Indische afkomst of heeft familieleden die zelf in Nederlands-Indië hebben gewoond of gewerkt. Ook is bijna elke Nederlander bekend met de Indische keuken, hoewel vaak in een vorm ver verwijderd van het oorspronkelijke gerecht (denk aan alle de verhollandste saté of nasi). Misschien kan een deel van de Nederlanders daarnaast nog gebouwen en plekken aanwijzen die herinneren aan Nederlandse gedeelde verleden met Indonesië. Bijvoorbeeld een voormalig VOC-gebouw, een Indische buurt of een monument waar aandacht is voor de meer recente, vaak nog pijnlijke geschiedenis tussen de twee landen.

De Indische keuken. Eén van de bekendste sporen van een gedeeld verleden met Indonesië. Foto: Jago via wikimedia (cc by sa 3.0)
De Indische keuken. Eén van de bekendste sporen van een gedeeld verleden met Indonesië. Foto: Jago via wikimedia

 

Geschiedenis, maar ook erfgoed?

Als je bedenkt hoeveel er nog te zien en te ervaren is van Nederlands en Indonesisch gezamenlijke historie, en je de definitie leest van ‘gedeeld cultureel erfgoed’, vraag je je af waarom we deze term niet gebruiken van de hierboven genoemde voorbeelden. De tradities of plekken met ‘Indische link’ in Nederland zijn toch evengoed ‘culturele en historische producten van een gedeeld verleden, die het waard zijn behouden te blijven voor volgende generaties’?
Toch is dit schijnbaar nog niet algemeen aanvaard. Ja, het zijn ‘cultuurhistorische restanten van het gedeelde verleden tussen Nederland en Indonesië’, maar het tweede deel van de zin – die het waard zijn behouden te blijven voor volgende generaties – is eigenlijk nog nooit hardop uitgesproken door Nederland of Indonesië. Er is weinig omzien naar het kind van gescheiden ouders in Nederland. Gek eigenlijk, omdat broer of zus overzee wel de verdiende aandacht krijgt.


Eerst aandacht voor het zorgenkindje

Vaak is afstand nodig, voor iets toegeëigend wordt als erfgoed. Wat verder weg is, is al bijzonder en het behouden waard. De Indische sporen in Nederland zijn dichtbij en relatief bekend. Hierdoor ervaren we ze als vanzelfsprekend en denken we minder na over de toekomst ervan.
Daarbij moet iets vaak eerst bijna verdwijnen, voordat we de waarde ervan in zien. De historische stationsgebouwen op Java verpauperde ook eerst, voordat Nederlandse en Indonesische overheden zich er om bekommerden (zie eerste blog). De metafoor van het gezin doortrekkend, is dit erfgoed in feite het zorgenkindje die het enkel redt met extra aandacht. Wat dat betreft is het natuurlijk goed te constateren dat Indische sporen in Nederland nog ‘normaal’ zijn en geen erfgoed.

 

Ongelijkwaardig verleden

Van gedeeld cultureel erfgoed is natuurlijk ook geen sprake, zolang Indonesië de restanten in Nederland niet zo beschouwd. De ongelijkwaardigheid van de gedeelde geschiedenis – die ik in het eerste blog ook al kort noemde – maakt dat de koloniale overblijfselen in Nederland niet vanzelfsprekend gevoeld worden als onderdeel van de eigen geschiedenis. Nederland heeft een – zacht uitgedrukt – dominantere rol over Indonesisch verleden gehad dan andersom. Daarnaast zijn de sporen die wel in Nederland aan te treffen zijn, voornamelijk achtergelaten door Nederlanders en Indo-Europeanen, en niet door de ‘gewone’ Indonesiër. Het is dan ook niet te verwijten als de huidige Indonesiër zich niet echt een erfgenaam voelt.

 

Wat niet is, kan nog komen

Toch kan het toe-eigenen met de tijd nog komen. Afstand in tijd is een andere voorwaarde voor erfgoed . De scheiding van de gedeelde geschiedenis is nog jong. De afgelopen decennia was vooruit kijken belangrijker dan terugkijken, omdat het verleden vaak pijnlijk was. Daar komt nu langzaam verandering in. In Nederland en in Indonesië gaat de derde generatie anders met de geschiedenis om dan hun ouders en grootouders. Zij hebben geen persoonlijke herinneringen aan de tijd. Culturele sporen lijken hun negatieve connotatie te verliezen en blijken juist een punt van herkenning en zelfs houvast voor de zoektocht naar een eigen identiteit.

De huidige generaties gaat anders met het verleden om dan haar ouders of grootouders. Lees bijvoorbeeld het Interview met fotografe Anouk Steketee, NRC Handelsblad 29 april 2013
De huidige generaties gaat anders met het verleden om dan haar ouders of grootouders. Lees bijvoorbeeld het interview met fotografe Anouk Steketee over haar project ‘Vroeger is een ver land’ (NRC Handelsblad 29 april 2013)

In het derde deel van deze serie blogs komen minder bekende voorbeelden van Indisch erfgoed in eigen land aan bod, die zijn besproken bij het symposium ‘Gedeeld Cultureel Erfgoed’ tijdens de Tong Tong Fair 2013.

Kind van gescheiden ouders. Gedeeld Cultureel Erfgoed (deel 1)

In een serie blogs schrijf ik over ‘gedeeld cultureel erfgoed’ van Nederland en Indonesië; culturele schatten die voortkomen uit het gedeelde verleden van de landen, maar die nu – na hun ‘scheiding’ en nieuwe levensfasen los van elkaar – niet vanzelfsprekend meer onder de zorg van de landen vallen. In dit eerste blog introduceer ik het fenomeen gedeeld cultureel erfgoed en geef ik voorbeelden van omgang met de gedeelde culturele schatten ‘overzee’.

 

Erfenis van een gedeeld verleden

Je hebt het vorig jaar misschien wel meegekregen; het nieuwsbericht dat belangrijke VOC-documenten lagen te verrotten in het Indonesische archief. Kilometers zeventiende en achttiende-eeuwse papieren van de Nederlandse VOC in het Arsip Nasional te Jakarta, zouden beschadigd zijn door inktvraat. Het klimaat binnen het gebouw was de oorzaak. Historicus Hendrik Niemeijer luidde de noodklok en pleitte voor digitalisering. ‘Noch de Indonesische noch de Nederlandse regering kijkt er naar om’, zei Niemeijer in Dagblad Trouw.[1]

De VOC-documenten zijn een voorbeeld van gedeeld cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed omdat het belangrijke culturele en historische objecten zijn die het verdienen bewaard te worden voor volgende generaties. Gedeeld, omdat het niet verbonden is met de geschiedenis van één land, maar met die van meerdere landen. Het VOC-archief is voor Nederland bijvoorbeeld een gigantische bron van handels-, economische en politieke betrekkingen uit die tijd. Voor Indonesië zijn de archieven belangrijk omdat ze onder meer informatie bevatten over oude machtsverhoudingen tussen de sultanaten en vorstendommen.[2]

Het Aziatisch handelsgebied. Nicolaas Visscher, 1681. Afbeelding via wikimedia commons (rechtenvrij)
Het Aziatisch handelsgebied. Nicolaas Visscher, 1681. Afbeelding via wikimedia commons (rechtenvrij)

Kind van gescheiden ouders

Toch kijkt men niet vanzelfsprekend naar deze gezamenlijke erfenis om. Het land waar het cultureel erfgoed zich bevindt, heeft zeggenschap over de objecten, terwijl het andere land net zo goed erfgenaam te noemen is. Net zoals bij een kind van gescheiden ouders, moeten er dus afspraken gemaakt over de taakverdeling. Dat het ‘kind’ soms ook compleet vergeten lijkt te worden of dat geen van de partijen zich verantwoordelijk voelt, is bij de VOC-documenten helaas pijnlijk duidelijk.

Gelukkig zijn er ook voorbeelden van succesvolle samenwerking. In Nederland voeren het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Buitenlandse Zaken samen een beleid om gedeeld cultureel erfgoed duurzaam te behouden (het Beleidskader GCE)[3]. De ministeries stellen geld en kennis beschikbaar om zorg te dragen voor archieven, museale collecties, archeologie, gebouwen, landschappen en zelfs gebruiken en verhalen in landen waarmee Nederland een gedeeld verleden heeft. Naast Indonesië zijn dit maar liefst acht andere landen.[4] Met ambassades en publieke en particuliere organisaties in het buitenland worden projecten opgezet om erfgoed in kaart te brengen en te onderhouden.[5]

 

Gezamenlijke inzet in Indonesië

In Indonesië is er bijvoorbeeld in 2008 een netwerk opgericht om conservering van historische gebouwen te stimuleren. De Nederlandse Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Stadsherstel Amsterdam adviseren daarbij. Inmiddels zijn 48 Indonesische steden aangesloten op het netwerk en ligt bij de meeste steden een onderhoudsplan klaar voor de bijzondere panden. Een ander project waarbij Nederlandse kennis beschikbaar stelde, is een onderzoek naar historische stationsgebouwen op Java en het ontwikkelen van restauratie- en toekomstplannen voor dit spoorerfgoed.

Andere samenwerkingsprojecten zijn niet direct verbonden met beheer en behoud, maar vooral gericht op het creëren van bewustzijn. Tentoonstellingen zijn hierbij een geliefde vorm. Zo zijn er bijvoorbeeld tentoonstellingen geweest over het leven van Indonesische en Nederlandse kinderen in Batavia, over twintigste-eeuwse kunstenaars in Bali en over Europa door de ogen van Indonesiërs. Op deze manier werken publieke en particuliere organisaties in beide landen samen aan het creëren van meer draagvlak voor hun gedeelde erfenis.[6]

Stasiun Jakaratakota. Foto: Mas Jati via Flickr
Stasiun Jakarta Kota. Foto: Mas Jati via Flickr

 

Koloniale sporen in Nederland niet gedeeld?

De inspanningen in het buitenland zijn natuurlijk lovenswaardig, maar hoe staat het eigenlijk met gedeeld cultureel erfgoed in Nederland. Wordt daar ook gezamenlijk voor gezorgd? Of is dat er helemaal niet? In Nederland zijn natuurlijk wel koloniale sporen te vinden, maar we noemen deze eigenlijk niet ‘gedeeld’. In mijn tweede blog over gedeeld cultureel erfgoed, buig ik me over deze vraag.

Een middagje Gordel van Smaragd

Varen op de Amsterdamse grachtengordel

Den Haag kennen we allemaal als Indische stad, maar ook Amsterdam is een stad met belangrijke ‘Indische link’. Stichting Cerita Fakta organiseert daarom sinds 2012 rondvaarten door de Amsterdamse grachtengordel waarbij de Indische geschiedenis van de stad aan bod komt. Zaterdag 20 april nam ik deel aan de eerste boottocht van het nieuwe seizoen. Op 1 juni en 20 juli a.s. vaart Cerita Fakta nogmaals uit. Benieuwd of deze rondvaart ook iets voor jou, als Indisch 3.0’er, is? Lees dan mijn korte impressie van de middag.

Gidsen Peter Bouman (l) en Frans Leidelmeijer (r) met de schipper (m). Eigen foto.
Gidsen Peter Bouman (l) en Frans Leidelmeijer (r) met de schipper (m). Foto: Maria Lamslag/ Indisch 3.0 2013.

Perfect weer
Rond half één begaf ik mij naar de opstapplaats voor de Stopera. De plek was makkelijk te herkennen aangezien er al heel wat Indische luitjes op de wal stonden. Natuurlijk arriveerden een paar gasten wat later (jam karet, toch?) maar al snel kon de boot vertrekken voor de 2,5 uur durende rondvaart. Met een stralende zon en een helder blauwe lucht was het perfect weer voor een boottochtje.

Die andere gordel
Peter Bouman en Frans Leidelmeijer stapten als gidsen aan boord. Peter werkt voor Pelita en Frans ken je waarschijnlijk als kunstexpert van Tussen Kunst & Kitsch. Tijdens de rondvaart door de grachtengordel legden zij het verband met de andere gordel; de Gordel van Smaragd oftewel Nederlands-Indië. Om de beurt vertelden zij historische achtergronden, feitjes en anekdotes over de gebouwen, kunst, bruggen en andere plekken met Indische link waar we langs voeren.

De bijnaam van het gebouw is de Spekkoek.

Spekkoek
Zo passeerde de boot onder de replica van het VOC-schip De Amsterdam, voormalige kantoren van handelsmaatschappijen met Indische banden, het geboortehuis van Edouard Douwes Dekker (nu het Multatuli Museum), straten waar veel Indonesische geneeskundestudenten gestudeerd hebben, het verzetsmuseum en het NIOD waar aandacht is voor het oorlogsverleden. Uiteraard werd er ook verteld over panden, bruggen en kunstwerken die qua ontwerp geïnspireerd waren op Nederlands-Indië. Het gebouw De Bazel – vanwege de kleuren ook wel de spekkoek genoemd – is hiervan misschien wel het mooiste voorbeeld. In de decoratie zijn talloze verwijzingen naar Indië te vinden.

De Bazel aka De Spekkoek. Voormalig hoofdkantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. In het ontwerp zijn veel verwijzingen naar Nederlands-Indië te vinden. Foto: Jane023 via wikimedia
De Bazel aka De Spekkoek. Voormalig hoofdkantoor van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. In het ontwerp zijn veel verwijzingen naar Nederlands-Indië te vinden. Foto: Jane023 via wikimedia

Culinaire Indische hotspots
De gidsen deelden hand-outs uit, zodat we het één en ander konden meelezen en details nog eens op foto’s konden bekijken. Bij de rondvaart waren lekkernijen en een warme maaltijd inbegrepen, waardoor er nagenoeg de hele rondvaart eten op tafel stond. Dit weerhield de gidsen er niet van ons ook op wat culinaire Indische hotspots te wijzen. Zo zie ik in mijn aantekeningen Café Kadijk aan het Kadijksplein en Hofje van Wijs aan de Zeedijk genoteerd.

Als 3.0’er kon ik het niet allemaal volgen.

De jongste
Omdat een boottocht toch een boottocht blijft en deze een niet al te hip imago hebben, had ik er rekening mee gehouden dat ik wel eens de jongste deelnemer zou kunnen zijn. En waarschijnlijk was dit ook het geval. Er waren wel meer 3.0’ers aan boord, maar de 2.0’ers waren duidelijk in de meerderheid. De gidsen, zelf ook van de tweede generatie, refereerden regelmatig naar feitjes die deze generatie goed kent.  Wanneer het iets van doen had met Indorockers kon ik als (jonge) 3.0’er bijvoorbeeld niet alle feitjes volgen – al zegt dat misschien meer iets over mijn muziekkennis.

Bij de rondvaart zaten snoeperijen, drinken en een warme maaltijd inbegrepen. Het eten en de service waren top. Eigen foto.
Bij de rondvaart zaten snoeperijen, drinken en een warme maaltijd inbegrepen. Het eten en de service waren top.  Foto: Maria Lamslag/ Indisch 3.0 2013

Verhalen
Deze en andere ‘insiders’-anekdotes van de 2.0’ers, deden me wel bedenken hoe leuk mijn vader en mijn tante het boottochtje zouden vinden, en hoe leuk het zou zijn om samen met hen de rondvaart te maken. Behalve de verhalen van de gidsen, zou ik misschien ook wel meer van hun Indische verhalen horen.

Herkenning en nieuwe blikken
Hierin ligt denk ik ook het grootste verschil in de beleving van de middag voor de 2.0’ers en 3.0’ers. Voor de tweede generatie was het volgens mij vooral een middag van herkenning en weerzien, voor mij was het vooral een middag van nieuwe verhalen en een nieuwe blik op plekken in de stad. Mocht je ook aan de rondvaart willen deelnemen, dan is dit wellicht iets om rekening mee te houden. Al deed het af en toe iets niet kunnen volgen, zeker niet af aan de sfeer.

Dit was ongetwijfeld de gezelligste boot op de grachten.

Bekijks
Want ondanks het brave imago van de rondvaarttocht, was dit ongetwijfeld de gezelligste boot die die zaterdag op de grachten te vinden was. Het was soms zo gezellig aan boord, dat de gidsen zelfs met microfoon het geklets amper konden overstemmen. Het gekwebbel, gelach en ge-makan trok ook bekijks van andere (vergeleken met ons opvallende stille) rondvaartboten en mensen langs de grachten. In dat opzicht voelde het al alsof ik de boottocht met mijn familie maakte. De verhalen waren misschien grotendeels nieuw, de gezelligheid was één en al herkenning.

Prachtig weer en uitzicht op het replica VOC-schip De Amsterdam. Eigen foto.
Prachtig weer en uitzicht op het replica VOC-schip De Amsterdam. Foto: Maria Lamslag/ Indisch 3.0 2013.

De geschiedenis ligt op straat

‘Indische buurten in Nederland’

In 2009 plaatste Indisch 3.0 een oproep aan haar lezers om een Indische buurt in hun plaats te beschrijven. Aanleiding voor deze uitnodiging was een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam naar buurten in Nederland met Indische straatnamen (1). In dit artikel wil ik graag terug gaan naar het onderzoek en in hoofdlijnen de bevindingen met jullie delen. Vanuit mijn interesse in (koloniale) geschiedenis en ontwikkeling van steden, vond ik de resultaten erg interessant en het delen waard.
De bijdragen op Indisch 3.0 vertellen over de Indische buurten in Den Haag, Amsterdam en Utrecht, maar er zijn maar liefst nog 43 andere Indische buurten in Nederland (2). Anders dan de naamgeving doet vermoeden, hebben de meeste Indische buurten niets te maken met de vestigingsplaatsen van Indische Nederlanders na de repatriëring. De buurten zijn vooral ontstaan uit een gevoel van ‘nationale trots’.

Indische buurt Enschede - Bron:  commons.wikimedia.org
Indische buurt Enschede – Bron: commons.wikimedia.org

Trots op Nederlands-Indië
De meeste Indische buurten zijn ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw, toen het benamen van straten een officiële aangelegenheid werd. Er werden namen gekozen waaruit de trots op het land naar voren kwam. Men vernoemde naar beroemde dichters, wetenschappers of bestuurders. Verwijzingen naar de – destijds als succesvol beschouwde – kolonie mochten daarbij niet ontbreken.
De meeste Indische buurten kwamen op tussen 1870 en 1950. Er werd in die tijd meer gebouwd en meer straten betekende automatisch nieuwe namen. De groei van de Indische buurten liep dus parallel aan de groei van de woningvoorraad. Plaatsen waar voormalige kolonieondernemers woonden of waar een andere ‘persoonlijke’ band was met Nederlands-Indië, liepen voorop in het oprichten van Indische buurten. Daardoor verschenen deze buurten aanvankelijk vooral in Noord-Nederland. Door de kleine katholieke elite in Nederlands-Indië, hadden de zuidelijke Nederlandse provincies namelijk minder directe banden met de kolonie dan de liberalen en protestanten in de noordelijke provincies.

Toenames en afnames
In twee periodes was het benoemen van straten naar plaatsen in Nederlands-Indië opvallend meer populair dan anders. Dat kwam door wijzigingen in het koloniale beleid. Zo nam van 1870 tot 1880 de interesse in Nederlands-Indië sterk toe, omdat voortaan ook particulieren mochten investeren de kolonie. Tussen 1900 en 1910 werd de band tussen Indië en het ‘moederland’ sterker vanwege politieke moderniseringen in het land (3). Dit zie je terug in een toename van Indische straatnamen.
Daarentegen werd het vernoemen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog minder populair. Ook de oorlog zorgde voor een verandering in de manier waarop vanuit Nederland over Nederlands-Indië werd gedacht. De kolonie riep niet automatisch meer een positief gevoelen op en de groei van Indische buurten nam duidelijk af. Toch zijn er ook in deze periode Indische buurten ontstaan vanuit een gevoel van trots. In het onderzoek wordt bijvoorbeeld beschreven dat de namen in de Indische buurt in Maastricht vooral zijn ingegeven ‘door steun voor en medeleven met de plaatsgenoten die deelnamen aan de politionele acties’. Blijkbaar was hier veel vertrouwen in het behouden van Nederlands-Indië als kolonie.

Sumatraplein Amsterdam - Bron: beeldbank.amsterdam.nl
Sumatraplein Amsterdam – Bron: beeldbank.amsterdam.nl

Na de oorlog
Naast een blijvend geloof in de kolonie, hebben op kleine schaal ook andere overwegingen meegespeeld in het oprichten van Indische buurten in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. In sommige gevallen is een buurt vernoemd naar de aanwezigheid van repatrianten. De opvanglocaties van Molukkers (die zichzelf overigens niet als repatrianten zagen) hebben in Capelle aan den IJssel en in Huizen in de jaren vijftig bijvoorbeeld gezorgd voor het (her)noemen van straten naar eilanden uit de Indische archipel.
Een ander voorbeeld van een ‘jonge’ Indische buurt vind je in new town Almere. Het bestaan van deze Indische buurt (bedacht in de jaren ’80, opgeleverd in 2003) is opmerkelijk te noemen, omdat de oprichting geen verband houdt met de vestiging van repatrianten of voortkomt uit nationale trots op de voormalige kolonie. Het is de vraag waarom de destijds nationale stemming over voormalig Nederlands-Indië, die eerder gekenmerkt wordt door schaamtegevoel dan door trots, niet in beschouwing is genomen bij het oprichten van de Almeerse Indische buurt.
Het antwoord is te vinden in het verkiezen van de Indische schrijfwijze van de plaatsnamen boven de Indonesische schrijfwijze (zoals men aanvankelijk van plan was). Dit laat zien dat Almere de Indische buurt niet direct associeerde met Indische Nederlanders of gevoelens van trots of schaamte, maar met de geschiedenis van stedenbouw in Nederland. Door ook een Indische buurt te bouwen, deed de jonge stad een poging zich aan te sluiten bij oudere steden in het land.

Het onderzoek laat op deze manier zien dat Indische buurten in Nederland allemaal een verhaal te vertellen hebben. De verhalen hebben alleen niet zozeer te maken met geschiedenis van Nederlands-Indië, maar vertellen vooral hoe Nederland de afgelopen eeuw aankeek tegen haar (voormalige) kolonie.

Bronvermelding

  1. Onderzoek: H.H. van der Wusten, S. De Vos, M.C. Deurloo, ‘Indische buurten. Aardrijkskundige bijdragen aan het Nederlandse zelfbeeld’, in: Tijdschrift Geografie 2006 (15), pp. 24 – 28.
  2. Straatnamen met personen die verbonden zijn geweest met Nederlands-Indië, zijn in het onderzoek door H.H. van der Wusten, S. De Vos, M.C. Deurloo buiten beschouwing gelaten. In het onderzoek is voor het begrip ‘buurt’ als ondergrens een reeks van drie aaneenliggende straten met Indische, aardrijkskundige namen genomen. Volgens deze definitie telt Nederland nu 46 Indische buurten. Gemiddeld heeft zo’n buurt 16 straten; de spreiding is echter aanzienlijk, van Wageningen met drie straten tot Amsterdam met 63. Zie voor een overzicht deze kaart.
  3. Deze politieke moderniseringen worden vaak omschreven als ‘ethische politiek’ zie bijvoorbeeld uitleg ‘ethische politiek’ op wikipedia.