Prins Bernhard, onderkoning van Indonesië

Eind november 2009 verscheen ineens het bericht dat Prins Bernhard betrokken was bij een mislukte staatsgreep in Indonesië begin 1950. De handtekening van zijn vrouw onder de soevereiniteitsoverdracht was nog nat, de politionele acties nauwelijks uitgeraasd en ‘de schavuit van Oranje ‘ wilde na de coup de macht grijpen in het verloren paradijs. Waarom? Met het verlies van Indië was “rampspoed geboren” en dat moest rechtgezet worden.

Ondanks dat de soevereiniteit net was overgedragen en de wereld snel dekoloniseerde waren er immers nog steeds genoeg mensen die Indonesië voor Nederland wilden behouden en belang hadden bij een machtsgreep. In de verhalen over de mislukte ‘Putsch’ van Raymond Westerling kwam de naam van de prins tot nu toe echter nog niet voor, maar journalist Jort Kelder en historicus Harry Veenendaal onthullen in het boek ZKH, hoog spel aan het hof van Zijne Koninklijke Hoogheid, dat de prins er nauw bij betrokken was. Toean besar Van Lippe Bisterfeld -rokkenjager, schavuit en notoir brokkenpiloot- had na de coup zelfs viceroy willen worden van Indonesië.

In het mooi vormgegeven “boekazine” (dat precies 19,50 kost -leuk detail) valt veel te lezen en bekijken. Op de groot formaat bladzijden staat veel oorspronkelijk materiaal afgedrukt; zoals brieven uit geheime rapporten en originele aantekeningen uit het dagboek van Gerrie van Maasdijk, een vertrouweling van de Oranjes die hoorde van de plannen voor de coup.

Hoewel het dagboek van Van Maasdijk het uitgangspunt vormt voor de beweringen van de schrijvers baseren ze zich ook op andere bronnen; interviews, geheime rapporten en brieven waaruit blijkt dat Bernhard behoorde tot de groep die van plan was om Soekarno en de zijnen uit de weg te ruimen en de macht in de jonge publiek Indonesië grijpen. Bovendien zou de groep wapens hebben geleverd aan het Islamitisch verzet tegen de regering-Soekarno, onder de naam Darul Islam.

ZKH leest als een thriller en het moet gezegd; hoe ongelooflijk het eerst ook klonk, tijdens het lezen raak ik meer en meer overtuigd van de betrokkenheid van de prins. Die zou altijd in de doofpot zijn gestopt om een koningshuis-crisis te voorkomen. Ook de prins zelf, die nog leefde toen historicus Veenendaal de bewijzen verzamelde, heeft nooit willen ingaan op uitnodigingen om zijn kant van het verhaal te vertellen.

Hoewel de staatsgreep niet gelukt is, kan ik het toch niet laten te denken wat er gebeurd was als de uitkomst anders was geweest. Misschien waren er eerst vrolijke tijden aangebroken en hadden veel Oranjegezinde Indo-Europeanen gekozen te blijven. Had Drees toch nog zijn zin gekregen.

ZKH, hoog spel aan het hof van Zijne Koninklijke Hoogheid – Uitgeverij Gopher (gebonden) – 120 blz.

Bestel het boek

Bekijk ook de uitzendingen van Netwerk en DeWereldDraaitDoor waarin aandacht voor ZKH.

Het lot van de buitenstaander

Op het internationaal literatuurfestival Winternachten in Den Haag was dit jaar één van de thema’s ‘Indonesië, land van buitenstaanders’. De Maleisische schrijver Tash Aw en de Indonesische schrijver-journalist Andreas Harsono vertelden over de positie van de ‘outsider’ als een belangrijk thema in hun werk. Een onderwerp dat ook voor Indische Nederlanders interessant is.

Een gesprek van een uur is wel wat kort om zo’n veelomvattend thema uit te diepen. Dat lukt dan ook niet helemaal, maar wat de twee schrijvers vertellen over hun achtergrond en werk is zeer boeiend. Voor een schrijver is de positie van ‘ buitenstaander’ prima, meent Tash Aw, omdat je daardoor goed kunt observeren. De schrijver, die al twintig jaar woont en werkt in Londen, werd in Maleisië geboren en heeft Chinese voorouders. In Londen voelt hij zich Maleisisch, en in Maleisië voelt hij zich Brits. China beschouwde hij nooit als zijn moederland, als derde generatie Chinees. Als hij in China is wordt hij ook daar in de categorie ‘buitenlander’ geplaatst.

Onzichtbare wereld  
Zijn twee romans zijn vertaald in het Nederlands en waren een groot succes (zo werd hij genomineerd voor de Booker Prize en won hij de Whitbread Best First Novel Award). In zijn werk gebruikt hij de geschiedenis om iets te kunnen vertellen over het nu. Zijn eerste roman, De Zijdehandelaar, draaide om de positie van Chinezen in Zuidoost-Azië. In zijn tweede roman, Kaart van een Onzichtbare Wereld, horen alle personages thuis in Indonesië. Toch zijn ze tegelijkertijd allemaal buitenstaanders op zoek naar hun identiteit. Het verhaal speelt in 1964-1965, een gespannen periode aan het einde van het Sukarno-tijdperk.

Chino
De Indonesische journalist en non-fictieschrijver Andreas Harsono heeft een soortgelijk verhaal als het gaat om de positie van buitenstaander: hij groeide op in Java waar hij door zijn uiterlijk ‘Chino’ werd genoemd, Chinees. Toen hij later naar Zweden ging om daar de leiders van het vrije Atjeh te interviewen, snauwde een van hen hem toe: “You Javanese dog!” En deze week, nu hij in Nederland te gast is bij Winternachten, vraagt iedereen hem wat hij van het Indonesische eten vindt in Nederland. Volgens Harsono is dat dus helemaal geen Indonesisch eten, maar gewoon nasi goreng, héél anders dan hij thuis gewend is.

Gevoeligheden
Harsono werkt nu aan een boek met de titel: A Nation in Name: Debunking the Myth of Indonesian Nationalism. Hij gaat in op gevoelige issues, zoals het onafhankelijkheidstreven van gebieden als Atjeh, Papoea en de Molukken. Terwijl hij hij in Indonesië regelmatig bedreigingen ontvangt, kan en durft hij er hier in het buitenland vrijuit over te spreken. Dan doen beide schrijvers onder leiding Paul van der Gaag, eindredacteur van het VPRO-radioprogramma OVT, nog even een wedstrijdje in ‘welk land is er het ergste aan toe’. Ze worden het niet eens. De Indonesische wet telt 68 artikelen waar de doodstraf op staat, de Maleisische wet maar één, maar die wordt volgens Tash Aw zéér ruim geïnterpreteerd.

‘Thuis’
Als beide schrijvers een fragment uit hun werk voorlezen, denk ik onwillekeurig zelf ook na over het thema. Zoals in veel Indische families, was het ‘je een buitenstaander voelen’ in mijn familie ook aanwezig. Zo was mijn vader, die op zijn twaalfde naar Nederland kwam, teleurgesteld toen hij – eenmaal volwassenen en met een gezin in Nederland – familie in Indonesië ging opzoeken. Hij vond iedereen heel aardig, maar tot een echt gesprek kwam het niet. Hij voelde zich niet meer thuis. Tegelijkertijd weet ik niet of hij zich hier ooit ‘echt’ Nederlander heeft gevoeld.

NB: De roman ‘Kaart van een Onzichtbare Wereld’ van Tash Aw, die in 2009 uitkwam, zal ik binnenkort op deze blog bespreken.

 

Gelderse twisten

Ik zal de laatste zijn die zegt te weten wat er in Culemborg zó mis is gegaan, dat sinds de jaarwisseling de ‘Moluks-Marokkaanse oorlog’ de actualiteiten beheerst. Want ik was er niet bij. Ik zal ook de laatste zijn die weet wat de oplossing is. Want ik heb nul ervaring met dit soort conflicten. Maar ik wil zeker niet de laatste zijn die nadenkt over wat er gebeurt in het oosten van ons land. Waarom hechten leiders uit Nederlandse, Molukse én Marokkaanse kringen er zoveel waarde aan te benadrukken dat dit geen etnisch conflict is?

Fotografie: Ed Caffin

Welkom in Culemborg

Dat is overigens niet het enige dat me opvalt aan deze Nieuw-Gelderse twisten. Het is walgelijk en hypocriet om te zien hoe veel steun de Molukkers krijgen en hoe weinig daarvan de Marokkanen ten deel valt. Gratis krant De Pers vertelt: “Veel Nederlanders kiezen enthousiast de kant van de Molukkers, ‘die als enigen de Marokkanen durven aan te pakken.”

Pakweg veertig jaar geleden kregen Molukkers nog dezelfde behandeling als de Marokkanen nu. Vanuit die parallel verbaast het me daarom niets dat onlangs in de Volkskrant stond dat ‘Marokkanen de nieuwe Molukkers’ zijn. Zo bekeken is de positieve kant wel dat over veertig jaar de Nederlandse bevolking juicht wanneer de Marokkanen slaags raken met een nieuwe bevolkingsgroep – ook al is de historische en culturele band die beide groepen met Nederland hebben natuurlijk niet te vergelijken.

Ik ben niet de enige die de waardering voor het Molukse optreden in Culemborg wantrouwt. De Pers vervolgt: “Veel Molukkers wijzen de ‘steun’ af. ‘Vroeger waren wij de zondebokken, en nu zijn we opeens de helden’, reageert een Molukker. (…)‘Op school leerden jullie niks over ons. En nu willen jullie opeens weten wie we zijn?”

Verbazingwekkend vind ik de moeite die ‘vertegenwoordigers’, zoals onlangs in de Volkskrant, doen om te benadrukken dat de nieuwe variant op taart gooien geen etnisch conflict is. “Het zijn géén Marokkanen tegen Molukkers. Wat je ziet is wat je in elke jeugdcultuur ziet: jongeren die tegenover elkaar staan. (…) In de kern gaat het om rotzakken, toevallig van Molukse afkomst, die vechten met andere rotzakken, toevallig van Marokkaanse afkomst.”

Welkom in Terweijde

Géén Marokkanen tegen Molukkers? Een forumbijdrage uit het begin van het conflict als “Wat komen jullie marokkanen praten man! we moeten die marokkaanse wijk aanvallen met KAPMESSEN EN ZWAARDEN! net zoals toen in leerdam, dan is alles afgelopen…jullie doen stoer met 2000 marokkanen tegen 300 molukkers, ” is volgens mij namelijk best racistisch.

Waarom is het zo belangrijk dat dit geen etnisch conflict is? Omdat Nederlanders er dan niets meer van begrijpen? Ik hoor ze al: “We hebben al genoeg problemen tussen allochtonen en autochtonen. Wat moeten we in vredesnaam doen nu die allochtonen onderling op de vuist gaan?” Of zijn diezelfde vertegenwoordigers bang zijn dat dit incident aanleiding vormt voor kritiek op het immigratiebeleid, zoals Hannes, Den Haag | 12:00 | 05.01.10 doet? In dat geval raad ik ze aan toch maar eens de intro van het boek ‘Alleen maar nette mensen’ van Robbert Vuijsje te lezen.

Indo (21) zoekt maatje die ook erg van de winter houdt

De meeste Indo’s houden niet van sneeuw en winter en al helemaal niet van wintersport. Ik wel. Alles aan wintersport vind ik fantastisch. Ik vind het heerlijk om de hele dag buiten te zijn en geniet van gloeiende wangen als ik na uren in de kou ergens naar binnen stap. Ik kan geen genoeg krijgen van eindeloze uitzichten over witte bergtoppen waarboven de mooiste luchten voorbijtrekken. Met kinderen door de sneeuw rollen om vervolgens mijn handen aan een kop Glühwein te warmen, hmm…

Voor mij, Indo als ik ben, is het de normaalste zaak van de wereld dat ik op wintersport ga. Toen ik twee jaar oud was bonden mijn ouders mij op plastic ski’s van de Intertoys, gooiden mij de berg af en sindsdien ski ik. Ik weet niet beter dan dat ik in de zomer verliefd ben op de stranden van de Middellandse Zee en ik in de winter de bergtoppen van de Alpen voor geen goud zou willen missen.

Toch hoef ik niet lang na te denken bij het maken van een keuze tussen die twee. Als ik een van beide ooit zou moeten opgeven, dan zouden het zonder twijfel de stranden zijn. Ik ski makkelijker dan ik fiets. Ik ski soepeler dan ik loop.  

De combinatie Indo en wintersport lijkt echter een zeldzaamheid. Tenminste, in mijn wijde omgeving kan ik het aantal Indo’s dat wintersport op een hand tellen. ‘Waaaat? Sneeuw? Kou?! Doe mij maar twee weken zon!’ Als ik vervolgens vraag wat dan zo verschrikkelijk is aan wintersport krijg ik te horen dat ‘sneeuw helemaal niet leuk is’ en dat ‘skiën helemaal geen lol is’ maar bovenal dat ‘het zo verschrikkelijk koud is’. ‘Komt door het tropenbloed , he?’.

Indo’s houden dus helemaal niet van kou, sneeuw en winter? Nou, ik kan er geen genoeg van krijgen hoor. Ook de winter in Nederland vind ik heerlijk. Gelukkig kan ik dit jaar mijn lol op! Hoewel ik met deze gladde wegen weiger te fietsen omdat ik doodsangsten uitsta, zou ik ook hier de winter boven de zomer verkiezen. De geur die vlak voor de eerste sneeuw van het seizoen valt, in de lucht hangt, is het mooiste dat er is. Het meest geniet ik van de Oude Gracht als deze met sneeuw bedekt is en ik er wandel terwijl mijn neus steeds roder wordt. Maar met stip op nummer 1 in mijn ”Wat ben ik blij dat ik in Nederland woon”-top tien staat het schaatsen over bevroren rivieren en vaarten waar om de paar kilometer een ‘Koek en Zopie’ tent staat. 

Deze column voelt bijna als ‘uit de kast komen’; een Indo die voor zijn liefde voor de winter uit komt. Ik hoor de reacties al; een echte Indo heeft toch een bloedhekel aan de winter en is daar absoluut niet voor gemaakt! Nou, ik ben er wel voor gemaakt en kan er enorm van genieten. Dat komt dan natuurlijk door mijn Nederlandse genen.

Linggadjati, brug naar de toekomst’ maakt nieuwsgierig naar Soetan Sjahrir

‘Vergeten staatsman’ Soetan Sjahrir was een van de grondleggers van het vrije Indonesië. In het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst’ krijgt hij speciale aandacht. Het is een bescheiden biografische schets over zijn leven, geplaatst binnen de context van de politieke omwentelingen in Indonesië. Het maakt nieuwsgierig naar meer inkijk in het leven van Sjahrir.

Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009) Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009)

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Soetan Sjahrir (1909-1966) gehoord toen ik het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst – Soetan Sjahrir als een van de grondleggers van het vrije Indonesië’ in handen kreeg. Beetje gênant misschien, maar hij wordt niet voor niets de ‘vergeten’ Indonesische staatsman en socialist genoemd. Dit boek is, tegelijk met een DVD en een tentoonstelling, uitgebracht in Sjahrir’s honderdste geboortejaar. In het boek beschrijven Frederik Erens (historicus) en Adrienne Zuiderweg (onderzoekster en publiciste) zijn levensloop, die zij plaatsen in de context van de politieke en sociale ontwikkelingen in het Indonesië van voor en na de Tweede Wereldoorlog. (Waarbij er helaas een fout in de inleiding is geslopen: de Proklamasi was toch in 1945?)

Onoverbrugbare tegenstellingen
Linggadjati gaat over de totstandkoming van het Akkoord van Linggadjati in 1946. Een van de sleutelfiguren was de toenmalige premier Sjahrir, een van de ondertekenaars. Het was een poging tot vreedzame oplossing van het Nederlands-Indonesische conflict. Toch liep het akkoord, dat gesloten werd in een gelijknamig bergdorpje op Java, uit op een fiasco. De Nederlandse regering zag ‘Linggadjati’ als tijdwinst om alsnog grip op de kolonie te krijgen. De Indonesische onderhandelaars zagen het akkoord ook als tijdwinst, maar dan om Indonesiërs ervan te overtuigen dat hun land één republiek moest worden. Deze strijdige belangen bleken een onoverbrugbare tegenstelling te zijn. De achterbannen aan Indonesische en Nederlandse zijde bleven wantrouwig, de Eerste Politionele Actie volgde een jaar later.

Verkeerde been
Toen ik de cover van het boek zag – een tekening van striptekenaar Peter van Dongen – dacht ik: ‘Ha! Een stripversie van de verhalen over het akkoord van Linggadjati, dat is interessant. Een boek om in te bladeren en wat te lezen, met een harde kaft en het formaat van een klein prentenboek!’ Bij het openslaan bleek dat ik op het verkeerde been was gezet. Linggadjati, brug naar de toekomst is een historisch overzicht, toegankelijk vormgegeven, maar serieus van aard met veel feiten, afkortingen en jaartallen. Als je kritisch naar het boek kijkt kun je dus zeggen dat vorm en inhoud niet bepaald op elkaar aansluiten. Bovendien: is het nu een historisch overzicht over de stappen naar het Akkoord van Linggadjati, een biografische schets van leven en werk van Sjahrir of een wetenschappelijk getint boek over de opkomst van het Indonesische nationalisme vol jaartallen?

Meer Sjahrir!
In het laatste hoofdstuk staat dat het Indonesische ministerie voor Buitenlandse Zaken een stripboek heeft uitgegeven voor de jeugd: ‘De strip toont hoe Indonesië en Nederland in Linggadjati op vreedzame wijze hebben geprobeerd een oplossing te vinden, waarbij ze elkaars standpunten en waarden respecteerden.’ Misschien moet ik die ook maar eens gaan lezen. Om te beginnen. Want verdienste van het boek is absoluut dat het interesse wekt voor deze bijzondere figuur, Soetan Sjahrir. Zijn leven en werk waren nauw verweven met Indonesië en met Nederland, waar hij zijn opleiding volgde, en zijn sterke idealen werden hem niet in dank afgenomen. Soetan Sjahrir werd eerst verbannen door de Nederlandse regering en later gevangen gezet door zijn voormalige politieke vriend Soekarno. Toch heeft de in Leiden geschoolde staatsman altijd vastgehouden aan zijn idealen van een democratische, socialistische samenleving. Wrang dat er desondanks nog twee oorlogen en vele slachtoffers nodig waren om daadwerkelijk een vrij Indonesië te krijgen.

Tip: Onlangs wijdde Andere Tijden een uitzending aan Sjahrir en het akkoord van Linggadjati, met historische beelden om van te smullen.

Bestel het boek

Blauwe billen

Spekkoek met muisjesBegin vorige maand werd mijn zoon Reza geboren. Hij brengt de meeste tijd slapend door. De wereld is hem nog volstrekt onbekend. Ook van zijn Indische achtergrond heeft hij nog geen idee. Hij heeft geen weet van de -soms ingewikkelde- geschiedverhalen en eindeloze discussies (al dan niet op deze blog) over wel of niet Indisch zijn. Gelukkig maar. Wat maakt het hem ook uit. Hem interesseert voorlopig alleen melk drinken en slapen. Van beiden het liefst heel veel. Als zijn vader vraag ik me wel af wat zijn Indische wortels zullen gaan betekenen.

Een paar minuten nadat hij geboren was, was ik daar eigenlijk al mee bezig. Gek, maar het ging vanzelf. De arts legde hem in z’n blootje op zijn buik op een kussentje. Klaar om wat testjes met hem te doen. Wacht even, zag ik het nu goed? Zorgvuldig inspecteerde ik zijn rug en billen. Wat mijn Indische oma een-en-dertig jaar geleden bij mij deed (en jaren eerder ook bij mijn broers, neefjes en nichtjes), stond ik nu met hem te doen. De arts liet me mijn gang gaan. Die Apgar-test kan ook wel even wachten. Spotlight er op. Ja hoor, zonder twijfel: blauwe billen!

“Kijk hij heeft blauwe vlekken”, zei ik tenslotte trots tegen de arts, die hem vervolgens achterover liet vallen en liet trappelen boven het kussen. Goede reflexen: Apgar-score 10. Een 10 of niet, mijn Indische oma zou al gerustgesteld zijn geweest; net als mijn broers en ik heeft Reza bij zijn geboorte blauwe vlekken op zijn huid. Volgens haar was dat het teken dat we ‘echte’ indootjes waren. Mooi, dat is dan gelijk duidelijk.

In artsen taal heten het mongolenvlekken. Meestal, zoals ook bij hem, zit het op de rug, net boven het stuitje een klein vlekje, en vaak ook op de billen. Ook de kraamzorg wist me dat later thuis te vertellen. Terwijl ze voordeed hoe ik een poepluier het best te lijf kon gaan zag ze de vlekken. Volgens haar hebben donkere kindjes, vooral uit Azië, meestal een aantal van die vlekken. Het duidt erop dat de huid later donkerder wordt, de vlekken zelf trekken na verloop van tijd weg. Ik glimlachte, maar misschien kwam dat ook wel door de halve liter satésaus in zijn broek.

Wat onze familie-overlevering betreft, is hij dus onmiskenbaar een indo bij geboorte, maar wat krijgt hij nog mee van de Indische cultuur? Wat geef ik hem zelf mee? Hij heeft een Indische opa, verder alleen Hollandse grootouders, een Hollandse moeder en een vader die behoort tot de “volledig geïntegreerde derde generatie Indische Nederlanders” of, zo je wilt, Nederlanders met Indische achtergrond. Voor deze “vierde generatie” staat dat Indische dus zelfs nog meer op de achtergrond.

Tegen de tijd dat het hem wel interesseert zal ik hem in ieder geval vertellen over de geschiedenis en over wat ikzelf door mijn grootouders uit de eerste hand meekreeg. Ook zal ik hem laten proeven van de Indische cultuur zoals die hier in Nederland nog altijd, in allerlei verschijningen, te vinden is. En we nemen hem natuurlijk mee naar Indonesië, waar we een tijdje willen gaan wonen. Uiteindelijk moet hij dan zelf maar beoordelen wat die Indische achtergrond precies voor hem betekent. Als hij straks maar geen weblog gaat beginnen genaamd Indisch 4.0 ofzo.