Garuda Indonesia vliegt non-stop naar Indonesië

Garuda Indonesia introduceert eerste non-stop vlucht naar Indonesië met nieuwe Boeing 777-300 ER

Bericht van onze partner

Garuda Indonesia vliegt vanaf 30 mei aanstaande non-stop van Amsterdam naar Jakarta met haar nieuwe Boeing 777-300 ER. Passagiers vanuit Amsterdam genieten voortaan van vele voordelen zoals een slechts 13,5 uur durende vlucht, Wi-Fi aan boord, de beste Economy Class ter wereld en een scala aan persoonlijke services. Met de introductie van de nieuwe vlucht is Garuda Indonesia de eerste en enige luchtvaartmaatschappij die passagiers vanuit Europa een non-stop verbinding aanbiedt met Indonesië.

Er is in Nederland veel vraag naar een non-stop vlucht naar Indonesië. Dit in plaats van de huidige vluchten met overstap of tussenstops, zoals die worden aangeboden door de andere carriers. Garuda Indonesia heeft daarom besloten om haar nieuwe Boeing 777 in te zetten op het traject Jakarta-Amsterdam-London-Amsterdam-Jakarta. De nieuwe, snellere non-stop vlucht zal 5 x per week plaatsvinden.

garuda_banner_990_360

De Beste Economy Class ter wereld

Met de nieuwe vlucht biedt Garuda Indonesia eveneens een ongekend snelle verbinding naar verschillende binnenlandse bestemmingen in Indonesië, waaronder een zeer snelle one-stop verbinding met Bali.

Passagiers van Garuda Indonesia genieten van alle voordelen van het nieuwe Boeing 777 toestel, zoals de onlangs tot World’s Best verkozen Economy Class en Economy Class seats. Deze laatste bieden bijvoorbeeld de meeste beenruimte en breedste zitplekken. In tegenstelling tot andere carriers die producten zoals Economy Plus en Comfort Class aanbieden voor een meerprijs, genieten passagiers van Garuda Indonesia al van deze voordelen in de standaard Economy Class. Ook het vliegen met Garuda Indonesia naar Australië wordt zeer aantrekkelijk met een unieke mogelijkheid voor een inspirerende gratis stop-over in Bali.

First Class

De nieuwe Boeing 777 toestellen bieden ook First Class plaatsen aan waarin passagiers aan boord kunnen genieten van ongekende luxe en privacy. De First Class plaatsen bieden onder andere een groot voordeel aan zakelijke passagiers die nu sneller, comfortabeler en efficiënter kunnen reizen van en naar Indonesië. Ook het onlangs geïntroduceerde vernieuwde Business Class service concept, met onder andere een chef de cuisine aan boord, voorziet hier perfect in.

Garuda Indonesia verheugt zich zeer op de nieuwe vlucht en ziet ernaar uit om zowel bekende als ook nieuwe gezichten aan boord van haar nieuwste toestel te kunnen verwelkomen.

garuda_facebook_806_806

Niet-moslims tijdens Puasa in Yogya

Een lucratieve maand

“Tambah lagi! Tambah lagi!” Regelmatig word ik met dit zinnetje op vriendelijke, doch indringende toon gemaand nog meer eten op te scheppen. Meestal zit ik al vol van het eten van vijf minuten geleden, maar dat mag niet baten. Eten aanbieden is een manier om aan te geven dat je blij bent dat iemand er is. Althans, dat denk ik. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ze hun gasten zo snel mogelijk met buikkrampen weer naar huis willen hebben.

In dat opzicht is de vastenmaand Puasa een hele verandering binnen de Indonesische cultuur. Als ik nu mensen bezoek, krijg ik meestal geen eten of drinken aangeboden. Niet dat mensen verwachten dat ik ook mee doe met vasten, maar een beetje solidariteit met diegenen die vasten wordt er wel gevraagd.

Veel eetstalletjes zijn of helemaal of half gesloten overdag. Foto: Eric Kampherbeek

Verkoop kelapa muda

Bij niet-moslims heerst er een heel andere sfeer. In tegenstelling tot mijn oom en tante, bij wie ik verblijf, is een andere tak van mijn familie protestant. Zij doen niet mee met de vastenmaand. In huis verandert er daar niet veel tijdens deze periode. Wel is voor hen Puasa een lucratieve maand. Elke namiddag verkopen ze verse kelapa muda langs de kant van de weg. Moslims kopen bij hen het verse kokossap om het vasten mee te breken.

Verse kelapa muda voor 7000Rp – €0,52. Foto: Eric Kampherbeek

Vasten met Pasen

Pak Daniel, dominee. Foto: Eric Kamperbeek.

Op de christelijke universiteit ontmoet ik Pak Daniël. Hij is dominee van een protestantse kerk in Yogyakarta. Afgelopen zondag zag ik hem preken. Als een ware cabaretier schudde de dominee de ene grap na de andere uit zijn mouw. Uiteindelijk natuurlijk met een serieuze, aan de bijbel gerelateerde, boodschap. Maar, ondanks dat, best vermakelijk om naar te luisteren.

Pak Daniël vertelt dat zo’n 25% van de bevolking in Yogyakarta christelijk is. Sommige christenen vasten ook. Niet nu, tijdens Puasa, maar rond de periode van Pasen. Anders dan voor moslims, is het vasten voor christenen niet verplicht. Velen kiezen ervoor om niet mee te doen. Een ander verschil is dat het straatbeeld niet verandert als christenen vasten. De rituelen rond Pasen vinden in de kerk plaats, niet erbuiten.

Een bouwvergunning voor een kerk wordt nauwelijks verstrekt.

Als ik weer naar buiten loop zie ik een groot bord voor de christelijke universiteit hangen: “Selamat menunaikan ibadah puasa.” Vrij vertaald staat er: “Fijne vervulling van de maand puasa.” Zouden de islamitische universiteiten ook zo’n spandoek ophangen als christenen aan het vasten zijn?

Spanningen

Zo op het eerste gezicht lijken er geen noemenswaardige spanningen te zijn tussen verschillende geloven. Maar dat schijn kan bedriegen, blijkt als ik een lid van de kerk spreek. Hij doet zijn beklag over de vele moskeeën in Yogyakarta. “Iedereen kan een moskee bouwen hier,” vertelt hij. “Maar een vergunning voor het bouwen van een kerk krijgen is onbegonnen werk. Die wordt zelden tot nooit afgegeven.”

Hier in Yogyakarta is het nog niet tot grote confrontaties gekomen tussen verschillende geloven. De Yogyakartaanse overheid heeft ook verboden zogenaamde ‘sweepings’ te houden. Een groep van hardliners wil tijdens Puasa nog wel eens orde op zaken stellen, door winkels en cafés waar sterke drank verkocht wordt, in brand te steken. In cafés is dan ook geen druppel alcohol te krijgen (en geloof me, ik heb gezocht). Voor alcohol zul je je toevlucht moeten zoeken tot toeristencafés.

‘Sweepings’ zijn verboden in Yogyakarta.

Kejawen en de Islam

Eerder schreef ik over de verschillende geloofsopties die een Indonesiër heeft. Dat mensen uit een lijst moeten kiezen, geeft al aan dat niet elke religie geaccepteerd wordt. Als ik mijn oom en tante vertel dat ik ga fotograferen bij het ritueel kungkum, kijken ze me verschrikt aan. Kungkum is een ritueel waarbij mensen midden in de nacht mediteren in een rivier. Naakt. Om tot zichzelf of tot een hogere macht te komen. Het ritueel kungkum maakt onderdeel uit van kejawen – Javaanse spiritualiteit. Er zijn moslims die hier aan meedoen, maar door de traditionele islam wordt het verboden. Er wordt zelfs een beetje neergekeken op kejawen, omdat het geen echte religie zou zijn.

 

Mijn oom en tante zijn bang dat ik een link tussen hun Muhammadiyah-islam en kungkum ga leggen. Zij willen niet geassocieerd worden met mensen die een eigen islam gemaakt hebben. Ik probeer hen gerust te stellen door uit te leggen dat ik heus de link met de Muhammadiah-gemeenschap niet zal leggen. “Kungkum is niet toegestaan voor moslims,” vertelt mijn oom. “Het ritueel is dat mensen in de rivier mediteren. Sommigen bidden er zelfs bij. Maar bidden doe je tijdens de sholat en niet ‘s nachts in een rivier.” Nog enigszins beduusd vertrekken ze naar de moskee voor de sholat (het gebed).

Altijd eten in huis

Moslim of niet-moslim, je kunt deze maand niet om Puasa heen. Ondanks een paar hardliners in de stad, levert het vasten door moslims niet of nauwelijks problemen op voor mensen die niet vasten. Zo is er hier in huis altijd eten. Mijn tante, die zelf een fervent vastster is, roept me als het middageten klaar staat. Zelf eet ze pas na het openbreken van het vasten.

Reizen organiseren als dagelijkse job

“Warm zakendoen, dat is mijn stijl.”

Frangken Tuhumena (Roermond, 1965) is de zoon van een Molukse vader en een Duitse moeder. Hoewel hij een muzikale jeugd heeft gehad, heeft hij zijn sporen verdiend in de reisbranche. Als mede-eigenaar van het onlangs in de prijzen gevallen reisbureau 333TRAVEL, kan hij terugkijken op een degelijke dosis ervaring. Hij vertelt bevlogen over zijn visie op ondernemen in de keiharde reiswereld.

Familieband
‘Mijn opa en vader zijn in ’51 naar Nederland gekomen en opgevangen in de barakken in Roermond. Daar ben ik geboren. Toen ik een half jaar oud was, zijn mijn ouders verhuisd naar de Molukse wijk in Alphen aan de Rijn. Mijn moeder is een Duitse. Mijn vader was muzikant en had mijn moeder ontmoet tijdens een optreden in Duitsland. Naast mij, hebben mijn ouders nog drie kinderen gekregen. Ja, Danjil Tuhumena (bekend van The Voice of Holland, KV) is mijn jongste broer. Wij traden als familieband op. Toen al was hij de publiekstrekker.’

Frangken Tuhumena (333TRAVEL).
Frangken Tuhumena (333TRAVEL).

Doodstil
‘Ik heb de MAVO gedaan, daarna de MEAO. In de avonduren heb ik deelcertificaten HEAO gehaald en Bedrijfskunde gestudeerd. Op mijn 18e ben ik op mezelf gaan wonen en op mijn 19e begonnen, als boekhouder. Een half jaar lang hield ik dat vol. Elk dag was het zelfde. Op een dag keek ik om me heen. Het was doodstil. Iedereen was alleen maar met cijfers bezig. Ik dacht op dat moment: “Zo wil ik niet doodgaan!” en ben gaan solliciteren bij de ANWB, toen nog een tour operator, een organisatie die reizen inkocht en verkocht. Mijn taak was reizen te verkopen en de reisbescheiden in orde te maken.’

“Zo wil ik niet doodgaan, dacht ik.”

Stoelen inkopen

‘Na twee jaar hield de ANWB op met hun tour operator activiteiten en ik stapte over naar Bex reizen. Daar is het echt begonnen. Ik heb daar alle facetten doorgelopen in de reisbranche, daar heb ik een goede basis gekregen. Met die basis ging ik vervolgens aan de slag bij MartinAir, de luchtvaartmaatschappij. Dat was helemaal nieuw voor mij. Bij reisorganisaties doe je inkoop van stoelen, bij een airline moet je die stoelen verkopen. Daar heb ik geleerd hoe het werkt in de reiswereld: welke toestellen zet een maatschappij in op welke reizen? Welke machine op welke vlucht?’

Prijsbreker
‘De volgende stap in de richting van 333TRAVEL, was de oprichting van Fox vakanties, dat ik samen met de heren Neijenhuis en Broeke heb opgericht. Wij waren de eerste internetreisorganisatie en organiseerden groepsreizen. Wij waren een prijsbreker; wij verkochten als eerste een reis naar Thailand voor 1498 gulden, waar alles in zat. Die club is begonnen met nul euro en heeft nu een jaaromzet van 100 miljoen euro. Wat volgde, was een wat mindere periode in mijn carrière: ik heb kort voor Thomas Cooke gewerkt. Die organisatie en ik pasten niet bij elkaar, om een lang verhaal kort te houden.’

Frangken Tuhumena. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0 2013.
Frangken Tuhumena. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0 2013.

Tientjeswerk
De reiswereld is hard, vertelt Frangken. ‘Reisbureaus zitten in zwaar weer. Internet heeft een ongelooflijke impact gehad op de reisbranche: 60 – 70 % van de mensen boekt zijn reis inmiddels via internet. Nederland loopt daarin wel voor, in België zijn ze nog niet zo ver. Als je naar de Nederlandse markt kijkt is de concurrentie moordend.  Bedrijven als cheaptickets of TIX.nl verdienen uitsluitend aan de reserveringskosten.  Dat is dus tientjeswerk.’

“In de reisbranche in Nederland is de concurrentie moordend.”

Vernieuwen
Hij vervolgt: ‘Als je daarom wilt overleven zul je als bedrijf creatief moeten zijn en producten moeten kunnen aanbieden met verschillende doelgroepen.  Dus niet uitsluitend op prijs werken.  Daarbij moet je de nieuwe economie volgen en zul je continue moeten innoveren.  Om deze reden hebben wij vier reisconcepten bedacht waarmee we ons trachten te onderscheiden. Deze weg zijn we vier jaar geleden ingeslagen en lijkt  ons veel succes te brengen.  We hebben onlangs de ZOOVER award 2013 voor populairste aanbieder van verre reizen gewonnen,  en daar zijn we enorm trots op.’

 

Een lokale markt (pasar) in Indonesië. Foto: Tabitha Lemon.
Een lokale markt (pasar) in Indonesië. Foto: Tabitha Lemon.

Specialisatie op Azië
‘Vier jaar geleden ben ik hier begonnen, bij 333TRAVEL. Ik heb me ingekocht heb in het bedrijf. Als je kijkt naar de individuele verre reizen, dan zijn we momenteel marktleider in Nederland met in eerste instantie specialisatie op Azië. In Australië en Amerika zitten we in een groeimarkt.’ [lacht] Mag ik even reclame maken? Wij bieden vier concepten. Al vanaf 899 euro all-in kunnen wij je een reis naar Bali aanbieden, bijvoorbeeld, met onze bestsellers reizen. Maar je kan ook een exorbitant luxe reis boeken via 333TRENDY, waarbij een privéchauffeur je opwacht en je een privébutler hebt in je resort. Ga je liever de diepte in en wil je overnachten bij de lokale bevolking, of in een Shaolin-klooster? Dan hebben we 333PURE. En een combinatie van maatwerk en tickets bieden we in 333FLEXIBLE.’

“Ik sla niet met mijn vuist op tafel.”

Respect
‘De invloed van mijn roots op mijn werk? Die zijn groot. We doen veel Azië-reizen. Van mijn Molukse vader heb ik de Aziatische manier van zakendoen geleerd; warm, persoonlijk en indirect. Ik ga niet met mijn vuist op tafel slaan, ik behandel mensen met respect en ik lach veel met de mensen waarmee ik werk.  Daardoor gunnen mensen je veel meer. Daarbij realiseer ik elke dag waar ik vandaan kom en zal ik altijd met beide benen op de grond blijven staan. De warme manier van zakendoen is mijn persoonlijke succesfactor. En van mijn moeder heb ik het organiseren, doorzetten, nooit opgeven, blijven knallen. De Duitse degelijkheid, ja.’

Ga jij een reis boeken bij 333TRAVEL? Maak dan gebruik van de Fancard-deal en krijg je boekingskosten terug!

Het ritme van Puasa

Vastenmaand in Yogyakarta

Het is rond 4:45 ‘s ochtends als ik weer eens wakker schrik door een oorverdovend ‘Allahu akbar. Ash-hadu an-la ilaha illa llah’ ( ‘Allah is de grootse. Ik getuig dat er geen God is dan Allah’). Het lijkt alsof het geluid uit de speaker van de moskee precies in mijn richting gestuurd wordt. De Azan, die oproept tot gebed, houdt meestal na een paar minuten wel weer op, zodat ik verder kan slapen. Maar deze maand is anders. Het is Ramadan en tijdens deze maand volgt er op de Azan meestal nog een preek van de Imam. Inmiddels heb ik geleerd ook hier doorheen te slapen.

Ik ben in Yogyakarta. Ook deze stad staat deze maand in het teken van Puasa, zoals de Ramadan hier heet. Deze maand mogen moslims tussen zonsopgang en zonsondergang niet eten, drinken of consumeren in de breedste zin van het woord. Tijdens deze maand volg ik voor een fotodocumentaire mensen uit verschillende groepen en probeer door hun ogen te laten zien wat Puasa voor hen betekent. Is voor alle mensen Puasa een maand van bezinning? Of zien bijvoorbeeld Christenen in Yogyakarta dat toch anders?

Yogyakarta

130705_008

De Sholat (het gebed) kan zowel thuis als in de moskee plaatsvinden. Foto: Eric Kampherbeek

Punten scoren
In Indonesië verblijf ik meestal in het huis van mijn oom, waar hij samen met mijn tante woont. Een klein huisje midden in één van de kampongs in Yogyakarta. Vlak bij het huisje staat de Masjid Gede (Grote Moskee). Vijf keer per dag gaan mijn oom en tante daar naartoe om te bidden. Mijn oom heeft wel eens uitgelegd dat het bidden in de moskee de meeste punten oplevert, namelijk 27. In huis bidden daarentegen levert maar één punt op. Hoe meer er dus in de moskee gebeden wordt hoe meer punten er aan het einde van het leven gespaard zijn en hoe beter het hiernamaals er uit komt te zien. Tijdens Puasa is het helemaal verdienstelijk om in de moskee te bidden, vertelt mijn oom. De 27 punten die je normaal krijgt worden in de vastenmaand met 700 vermenigvuldigd!

‘In huis bidden levert maar één punt op.’

Zoveel mogelijk slapen
Vandaag stonden mijn oom en tante om 3:00 ‘s ochtends op om te eten. Het is de eerste dag van Puasa en vanaf 5:00 mag er niet meer geconsumeerd worden. Als ik zelf om 7:00 wakker wordt, slaapt mijn oom alweer. Zoveel mogelijk slapen zodat het ‘niet eten’ niet zo lang lijkt te duren, is zijn motto. Als er gebeden moet worden, staat hij weer op.

130709_040

Mijn oom en tante op weg naar de moskee tijdens de eerste dag van Puasa. Een kleine 30 seconden lopen. Foto: Eric Kampherbeek

Wolk voor de maan
Veel mensen in Yogyakarta zijn afgelopen 9 juli begonnen met vasten. Net als mijn oom, is een grote groep volger van Muhammadiyah: één van de grote Islamitische stromingen in Indonesië. Een andere grote is Nahdlatul Ulama (NU). Die laatste groep bepaalt het begin van Puasa door te kijken naar de stand van de maan, in tegenstelling tot Muhammadiyah, die het begin van Puasa berekent. Wanneer de maan in een rechte lijn met de aarde en de zon staat, begint de maand Puasa. 8 Juli jl. werd op TV bekend gemaakt dat het begin van Puasa op 10 juli valt voor volgers van NU, een dag later dus dan Muhammadiyah. De presentatrice van het televisieprogramma voegde eraan toe vooral niet cynisch te doen over de meetmethode van de NU. Er wordt namelijk nogal eens lacherig gedaan over die meetmethode, omdat er soms een wolk voor de maan hangt ten tijde van het kijken.

‘Soms hangt er een wolk voor de maan tijdens het bepalen van de stand van de maan.’

“Puasa hoort er nu eenmaal bij”
Voor mijn oom is het de normaalste zaak van de wereld om te vasten tijdens Puasa. Sinds hij op de lagere school zit vast hij al tijdens deze maand. Wat het doel van de vastenmaand precies is, weet hij nu nog niet. Het is ook niet de bedoeling dat ter discussie te stellen, vertelt hij. Uiteindelijk zal het doel van het vasten wel duidelijk worden. Het vasten is één van de vijf pijlers van de Islam en dat is genoeg reden om deze maand de beproeving van het vasten aan te gaan.

Selamat berbuka puasa
Als de eerste dag van Puasa er bijna opzit komt de Muhammadiyah gemeenschap samen in de moskee om het vasten te breken. Iedereen krijgt een pakketje met eten van de moskee. Geduldig zitten zo’n 600 mensen te wachten totdat ze hun pakketje open mogen maken waarna het vasten voor deze dag echt voorbij is. ‘Selamat berbuka puasa’ – ‘Veel plezier met het breken van het vasten’, klinkt het door de speakers.

130709_156

Na het breken van het vasten zijn de pakketjes eten binnen een paar minuten leeg. Foto: Eric Kampherbeek

Elke dag een hoofdstuk
Na het laatste gebed van de dag blijven een aantal mensen in de moskee om gezamenlijk te lezen uit de Koran. Ik schrijf nu Koran, maar eigenlijk moet ik Al-Quran schrijven. Ik wil me daar nogal eens in vergissen. Mensen wijzen me er dan vriendelijk, maar hoofdschuddend, op dat de koran de krant is en Al-Quran het heilige boek. Maar goed, dat terzijde. Elke dag lezen ze dus na het laatste gebed een hoofdstuk uit de Al-Quran. Na 30 dagen is het heilige boek uit en de vastenmaand voorbij. Later die avond legt mijn oom uit de de mensen in de moskee eigenlijk niet weten wat ze lezen en alleen weten hoe ze de Arabische teksten uit moeten spreken. Als het voorlezen voorbij is, wordt er dan ook een uitleg in het Indonesisch gegeven, zodat iedereen de betekenis van de tekst meekrijgt.

‘Eigenlijk moet ik “Al-Quran” schrijven. Koran is de krant.’

Eenmaal thuis wordt er voor een tweede maal gegeten waarna mijn oom weer gaat slapen rond een uur of 23:00. Om 3:00 ‘s ochtends gaat de wekker namelijk weer.

130709_261

Vrouwen lezen, gescheiden van de mannen, het eerste hoofdstuk uit de Al-Quran. Foto: Eric Kampherbeek

Documentair fotojournalist Eric Kampherbeek blogt deze maand over het vasten in Yogyakarta, de stad van zijn teruggevonden familie.

Ngroblog: een rondleiding in het verleden

Inmiddels zit ik weer op kantoor en lijkt het alsof ik niet ben weggeweest.  Toch ben ik net drie weken terug van een reis die mij voor de tweede keer en mijn vriendin voor de eerste liet kennis maken met Java en Lombok.

Uiteraard hebben we de Higlights van Java bekeken; Borobudur, Cafe Batavia in Jakarta, Theeplantages en steden als Bandung, Malang, Yogjakarta. Maar dit keer zouden we ook naar plekken op Java gaan die voor de “gewone” toerist zeker niet als Highlight bestempeld zullen worden.

“Op zoek naar de Suikerfabriek”
Nadat wij een groot deel van West-Java achter ons hadden gelaten en inmiddels een groot deel van Oost-Java gezien hadden, zijn wij verder gereden via Bondowoso naar Kraksaan. Kraksaan is een klein plaatsje in Oost-Java, niet ver van de kust. In de koloniale wijk van dit stadje, rondom de suikerfabriek Kandangjati, is mijn Opa geboren. Ik wilde graag een bezoek brengen aan deze plek omdat de fabriek er nog zou staan, zo had ik begrepen. Onze chauffeur (we hadden een klein 6-persoons toeristenbusje waarmee we over Java rondreden), Kurnia, had al een beetje geïnformeerd waar het zou moeten zijn maar hij wist het niet helemaal zeker.

“Padjarakan”
De naam van de fabriek; Kandangjati kwam niet overeen met de naam van de fabriek die nu in de omgeving van Kraksaan staat.  Dus zijn we er maar op de bonnefooi heen gereden om ter plaatse meer informatie te krijgen. Eenmaal daar aan gekomen bleek de betreffende fabriek uit 1885 te komen. Dus dat klonk hoopvol.  Nadat Kurnia uit de bus was gestapt en ons gesommeerd had even te blijven zitten, zodat hij bij de administratieafdeling van de fabriek navraag kon doen, keken mijn vriendin en ik eens goed om ons heen.

De straat waar de bus geparkeerd stond bestond, naast de gebruikelijke verkeerschaos, vooral uit oude koloniale huizen. Een paar minuten later kwam Kurnia terug. We moesten even met hem meelopen naar het kantoortje van de “Security”.  Daar kwamen we er achter dat de fabriek de naam “Padjarakan” droeg. De fabriek was opgericht in 1885. Men kon ons helaas niet vertellen of deze fabriek vroeger Kandangjati geheten had. Wel kregen we te horen dat deze fabriek de enige fabriek in de omgeving van Kraksaan was en voor zover men kon achterhalen had er geen andere fabriek bestaan.

Rondleiding
We moesten onze namen opschrijven op een formulier dat voor ons op de tafel lag. Wat bleek, Kurnia had het voor elkaar gekregen dat wij een rondleiding in de fabriek kregen. Daarna zouden we ook een rondje kunnen lopen in de wijk rondom de fabriek, omdat dit voor het grootste deel bestond uit koloniale huizen. Uiteraard moesten we wel wat betalen;  60.000 Roepia.

Nadat we een mooie helm op ons hoofd gezet hadden konden we de fabriek in.  En gelijk werd duidelijk dat de machines van vroeger nog altijd gebruikt werden. Amsterdam 1924, Firma Stork en Hengelo stond op diverse machines te lezen. Het leek alsof we terug in de tijd waren. Binnen een paar minuten stonden er diverse medewerkers van de fabriek om ons heen. Wij waren de bezienswaardigheid van de dag geworden.  Nadat we met een aantal van de werknemers op de foto waren geweest liepen verder door de fabriek. Overal waren de Nederlandse sporen nog duidelijk zichtbaar.

We volgden een oud treinspoor dat door de fabriek liep en ons naar buiten bracht. Om de hoek van de fabriek lag een oude begraafplaats. Een oude Nederlandse begraafplaats. Slechts op een van de grafstenen was nog te lezen wie er lag, bij de rest waren de marmeren platen al lang verdwenen.  Toen we verder het fabrieksterrein afliepen en de weg overstaken kwamen we in een oud koloniaal wijkje terecht. Sommige panden waren nog redelijk onderhouden, anderen volledig vervallen.  Het grootste huis was, hoe kan het ook anders, van de directeur van de fabriek.

fabriek 2

Na ons bezoek aan Kraksaan reden we door naar Maron. Daar heeft mijn opa een groot deel van zijn jeugd doorgebracht. Ook rondom een suikerfabriek. Zijn vader was namelijk opzichter van de spoorbaan. Ook in Maron reden we een woonwijk binnen waar overal oude koloniale huizen te zien waren. Toen ik naar de weg keek waarop we met de bus reden, lag daar nog oude treinrails die niet meer gebruikt werden. Ook hier ging Kurnia informeren maar hij kwam al vrij snel terug. Wat bleek, de oude fabriek was na nationalisering vrij snel failliet gegaan.  De fabriek en de huizen op het fabrieksterrein zijn afgebroken en men is elders in Maron een nieuwe suikerfabriek begonnen.  Helaas.

“Het Indië van vroeger”
Ondanks dat ik nu niet weet of de suikerfabriek in Kraksaan dé fabriek is waarover mijn opa in zijn memoires schrijft en ik ook niet weet of de huizen die ik in Maron heb gezien de huizen uit zijn jeugd zijn geweest, heb ik een glimp kunnen opvangen van hoe het Nederlands-Indië van zijn jeugd eruit heeft gezien. Er is uiteraard ongelofelijk veel veranderd. En door de verkeerschaos, de rommel, viezigheid en het feit dat iedereen maar overal iets tegenaan bouwt is het soms moeilijk om je voor te kunnen stellen hoe het er vroeger uitgezien heeft. Maar met wat moeite, inlevingsvermogen en een goede gids is het mogelijk het Indië van vroeger, terug te zien in het hedendaagse Indonesië.

Achtergebleven Indo's in Yogyakartaanse kampong

‘Ik dacht, ik ga gewoon eens kijken op dat adres.’

Eric Kampherbeek is 33 jaar, fotograaf en gaat in Indonesië een fotodocumentaire maken over Puasa, de vastenmaand. Daarover gaat hij bloggen op onze Ngroblog. Terwijl ik hem hierover interview, vertelt deze derde generatie Indo en passant een aangrijpend verhaal over achtergebleven Indo’s in een kampong in Yogyakarta: zijn achtergelaten ooms.

Eric en ik ontmoeten elkaar in het Kicking Horse café van Boekhandel Paagman, het officieuze meeting point in het Haagse Statenkwartier. Rechts van ons zit een oudere Indischman de krant te lezen. Tijdens het interview zal hij een keer opkijken naar Eric, als die vertelt over zijn ontmoeting met zijn tante. Achter Eric zie ik een jongere Indischman met zijn zwangere vrouw. Nog even en we zijn hier in de meerderheid.

Ansichtkaart dieEric bij zijn oma in huis vond met daarop het adres in Yogyakarta - "Fijne kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar 1957". Archief Eric Kampherbeek.
Ansichtkaart die Eric bij zijn oma in huis vond met daarop het adres in Yogyakarta – “Fijne kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar 1957”. Archief Eric Kampherbeek.

Ansichtkaart uit 1960

‘Voordat ik in Indonesië was geweest, had ik er niets mee, met mijn Indische achtergrond. Mijn oma vertelde er nooit over. Ik noemde mezelf ook geen derde generatie, ik wist niet dat dat zo heette. Op een dag vroeg ik mijn oma of ik haar archief mocht bekijken. Het was niet echt een archief hoor, het waren allerlei documenten bij elkaar, onder meer over mijn opa’s KNIL-verleden. Het mocht. Ik kwam een ansichtkaart tegen uit 1960, uit Yogyakarta, waar mijn oma vandaan kwam. Ik heb die kaart ingescand en op mijn laptop gezet. Toen ik in 2011 voor het eerst op vakantie was in Indonesië, dacht ik: ‘Ik ga gewoon eens kijken op dat adres, misschien weten die mensen wel meer over onze familie.’

Misschien weten die mensen wel meer over onze familie, dacht ik.

Nichtje van mijn opa

‘Daar stond ik dan, met aantekeningen van die kaart en mijn familienaam. Ik klopte aan en vertelde dat ik uit Nederland kwam. Eerst leidde het gesprek nergens toe. Een jongen kwam naar buiten, maar kon me niet helpen. Zij haalde iemand erbij, een vrouw. En zij zag wel wat. Ze vroeg me om mijn naam, keek naar mijn gezicht en staarde naar mijn aantekeningen. Toen zag ik dat ze begon te huilen. Zij bleek het nichtje van mijn opa te zijn en vertelde me voor het eerst het verhaal van mijn oma.’

Achtergelaten kinderen

‘Mijn oma bleek nog meer kinderen te hebben dan wij in Nederland wisten. Ze bleek twee kinderen achter te hebben gelaten toen ze naar Nederland vertrok. Daar wisten wij niets van. Wij wisten alleen dat ze nog familie in Yogyakarta had en dat mijn oma het contact had verbroken, omdat zij te vaak om geld en kleren begonnen te vragen. Deze tante vertelde me een andere versie. Dat één van de twee achtergelaten kinderen weer contact met haar wilden en dat mijn oma daarom het contact had verbroken.’

Middenin de kampong

‘Eén van die twee kinderen woonde 300 meter verder en ze gaf me het adres. Via de smalle gangen van de kampong kwam ik bij het kleine huisje. Daar zat een jongen koffie te drinken en kretek te roken. We kwamen samen al snel tot de conclusie dat we dezelfde oma hadden en dus neven waren. Mijn oom Sukardi zou later arriveren.’

Sukardi (l) en zijn zoon Brian (r) vlak nadat Eric hen voor het eerst ontmoette. Foto: Eric Kampherbeek.
Sukardi (l) en zijn zoon Brian (r) vlak nadat Eric hen voor het eerst ontmoette. Foto: Eric Kampherbeek.

“Onbekend!”

‘Terug in Nederland vertelde ik mijn moeder over mijn ontmoetingen. Ze vond dat ik de schone taak op me mocht nemen, om mijn oma erover te vertellen. Mijn oma hoorde dat ik in Yogyakarta geweest was. “Wie heb je daar allemaal ontmoet,” vroeg ze meteen, alsof ze het aanvoelde. Ik liet haar foto’s zien van haar twee zoons, kleinkinderen en van mijn tante, de nicht van mijn opa. “Onbekend! Onbekend! Onbekend!” zei ze bij elke foto. Ze ontkende alles. Ik wist niet wat ik meemaakte. Naderhand begon ze mijn oom, die dus twee volle broers in Indonesië had, maar ons daar nooit over had verteld, en mijn moeder en mijn tantes er meer over te vertellen. Ook over het huwelijk met haar eerste man, die ze in Indonesië had verlaten. Met mijn opa was ze in 1950 naar Nederland gekomen.’

Mijn oma ontkende alles. Ik wist niet wat ik meemaakte.

Dezelfde kansen

‘Sukardi en de rest van de familie daar hebben we naar Nederland laten overkomen, om mijn oma te ontmoeten. Dat was erg emotioneel. Bijzonder was de communicatie; mijn oma sprak geen Bahasa Indonesia, alleen een mondje Pasar Maleis. Toch verstonden ze elkaar prima. Op dat moment realiseerde ik me wat de impact van haar keuze was geweest. Stel je voor dat zij de twee oudste kinderen uit haar eerste huwelijk wel mee naar Nederland had gebracht. Zij hadden dan dezelfde kansen gehad als bijvoorbeeld mijn moeder en waren ze niet in de kampong terechtgekomen.’

Geen antwoord

‘En natuurlijk wilde Sukardi weten waarom ze haar kinderen daar had achtergelaten. Ze gaf er geen antwoord op. Kort na het bezoek van onze familie is mijn oma overleden. We zullen het antwoord nooit krijgen. Het enige wat we erover weten, is dat ze gevlucht is van haar eerste man en in Surabaya getrouwd is met mijn opa. De rest blijft fantaseren en speculeren.’

‘Landa, de Hollander’

‘In het contact met mijn familie daar, ben ik gefascineerd geraakt door de Indonesische cultuur. Als ik er ben, slaap ik bij ze, in de kampong. Compleet met kakkerlakken en cicaks. Ik voel me daar een enorme Hollander, terwijl ik me in Nederland echt een Indo voel. ‘Landa’ noemen ze me daar, Hollander. Mijn oom noemden ze Pak Landa, omdat hij blauwe ogen had.’

 

 

Het huis waar Eric's oma vroeger woonde en Sukardi nu al zijn hele leven woont.  Foto: Eric Kampherbeek
Het huis waar Eric’s oma vroeger woonde en Sukardi nu al zijn hele leven woont. Foto: Eric Kampherbeek

Afwijkende gebruiken tijdens Puasa

‘Puasa in Yogyakarta is anders dan in de meeste steden op Java. In Jakarta bijvoorbeeld, is het nogal modern. In Yogyakarta is het traditioneler. Bovenden zijn er gebruiken die nergens anders in Indonesië voor schijnen te komen, zoals het Padusan en het Gunungan. Padusan is een massale rituele wassing aan het strand. [lachend] De vorige keer is dat nog helemaal misgelopen, omdat er een kwallenplaag was en tientallen mensen gebeten waren.’

 Ik ben beleefder sinds ik met mijn Indonesische familie omga.

Onafhankelijke journalistiek

‘In de ngroblog ga ik om de week portretten plaatsen van mensen uit verschillende bevolkingsgropepen. Hoe ervaren zij die weken? Het principe van onafhankelijke journalistiek kennen ze nog niet echt daar. Als ik vertel dat ik mee wil met de FPI, Front Pembela Islam (Front ter Verdediging van de Islam), dan krijg ik te horen: “Maar waarom? Je bent het niet met ze eens?”

Fascinerende beleefdheidsvormen

‘Tja, wat is het in de Indonesische cultuur dat me zo fascineert. In de eerste plaats dat ik er zelf familie heb, en dat ik dingen van ze leer die ik nooit geleerd heb. De beleefdheidsvormen daar vind ik fascinerend. Hoe begin je een gesprek, hoe maak je kennis? Ik ben minder direct geworden en beleefder sinds ik met mijn Indonesische familie omga. Tot slot is Indonesië een jong land. Zeventig jaar na de onafhankelijkheid in 1945 – want 1949 zegt ze niets – gaat er veel niet goed en toch klagen Indonesiërs niet meer dan Nederlanders. Ze klagen niet over hun armoede. Ze schamen er vooral voor.’

Eric Kampherbeek (Enschede, 1979) is freelance fotojournalist en zet voornamelijk zijn eigen projecten op. Zijn fascinatie voor andere landen beperkt zich niet tot Indonesië  Hij is ook in Libië en Zuid-Soedan geweest, bijvoorbeeld. Op www.lacouleur kan je zijn werk bekijken. In juli publiceert Eric in de ngroblog op Indisch3.nl.

Eric Kampherbeek portret
Foto: Eric Kampherbeek

 

Ngroblog: 3.0 terug naar de oorsprong

Molukken, jullie zijn toch Indisch? Hoe is het gekomen… Begin september brachten we een bezoek aan het MHM, het Moluks Historisch Museum. We hadden namelijk gehoord dat het museum twee weken later zijn deuren zou sluiten in verband met een subsidiestop. In het museum zou ook een vergadering plaatsvinden met allemaal Molukkers, reden te meer om eens te kijken naar die tak.

Kijkend naar een film over de overtocht van de Molukkers van Java naar Rotterdam.
Kijkend naar een film over de overtocht van de Molukkers van Java naar Rotterdam.

En wat wil het geval, bij de koffie vraagt een vrouw ons naar de achternamen van deze overgrootouders. Nou, de moeder van opa Scholten heet Pattynama en de vader van oma Scholten is een Pattypeilohy. Ze pakt vervolgens een atlas van de Molukken en wijst 2 eilanden aan: “hier, van het eiland Haruku, en dan het plaatsje Oma, komen de Pattynama’s vandaan!” “En de andere tak?” “Die komen van het eiland Saparua, specifiek het plaatsje Ulat!”

En zie, de basis van onze rootsreis is gelegd. We gaan deze zomer op zoek naar de oorsprong van onze Indische familie.

Koloniale sporen in India: Fort Cochin

Het Nederlands kolonialisme liet niet alleen in Indonesië, maar ook op andere plekken in de wereld zijn sporen na. Eerder vond ik Indische sporen in Zuid-Afrika en schreef ik over verrassende parallellen tussen de koloniale geschiedenis van Sri Lanka en Indonesië. Deze keer ga ik, op reis door het bijzonder mooie zuiden van India, op zoek naar erfstukken uit de Hollandse koloniale nalatenschap in Kochi.

Bazaar Road

Naast een overweldigende cultuur, duizelingwekkend mooie oude architectuur en goddelijk eten, stroomt India over van koloniaal erfgoed. Vooral uit de Britse tijd natuurlijk, maar ook uit de tijd daarvoor. In Fort Cochin, een wijk in de stad Kochi in Kerala, is het oudste koloniale erfgoed van India te vinden. Vóór de Engelsen waren het de Arabieren en de Chinezen die hier hun stempel drukten en de Portugezen en Hollanders die er – meer kwaadschiks dan goedschiks – handel kwamen drijven in vooral specerijen. Door het erfgoed uit al die windstreken is Fort Cochin een fascinerende curry van invloeden.

Fort Cochin is een fascinerende curry van invloeden

Sponzig
Het resterende koloniale erfgoed kraakt onder het gewicht van het genadeloze klimaat. Door de extreem hoge luchtvochtigheid zijn de muren van de meeste gebouwen sponzig en bedekt onder een laag mos. Er zijn oude statige huizen, waarvan alleen de gevel overeind staat, vervallen kerkjes met overgroeide begraafplaatsen en tochtige pakhuizen met namen uit lang vervlogen tijden. Maar ook al is de tijd dat de Portugezen, Hollanders en Engelsen hier heersten allang voorbij, de gebouwen ademen van onder het mosgroen nog steeds hun koloniale grandeur uit.

The Dutch Cemetery

Overwoekerde tombes
De bekendste Hollandse sporen zijn The Dutch Cemetery en The Indo-Dutch Palace. Als eerste ga ik langs het kerkhof. Om het te kunnen bezoeken moet je de sleutel vragen bij de beheerders van de St. Francis Church, iets verderop. Als de norse beheerder me het terrein op heeft gelaten speur ik langs tientallen overwoekerde tombes, maar of er inderdaad alleen maar Nederlanders liggen kan ik niet zien. De naamstenen liggen in St. Francis.

St. Francis Church
Terug naar de kerk dus, op zichzelf ook een mooi voorbeeld van koloniale grandeur. Het is de oudste Europese kerk in India en werd in 1503 door de Portugezen gebouwd als katholieke kerk. Toen de protestantse Hollanders in 1653 de macht overnamen sloopten ze gelijk maar alle katholieke kerken in Cochin. Behalve St. Francis Church, die werd tot een protestantse kerk omgedoopt.

Vasco da Gama ligt er al lang niet meer

Vasco da Gama
Bij de ingang staan de naamstenen van de tombes van de Dutch Cemetery, de namen nog maar net leesbaar. Op de vloer van de kerk liggen ook nog een aantal grafstenen, waaronder een met de naam van de bekendste zeevaarder van Portugal: Vasco da Gama. Hij stierf in 1524 in Cochin aan een ziekte en werd hier begraven. Maar hij ligt er al lang niet meer. Na een paar jaar werd hij naar Portugal gebracht.

St. Francis Church anno 1503

Houten stalletjes
De volgende ochtend ga ik al vroeg op pad naar Matancherry, de oude specerijenwijk. In deze wijk staat het Matancherry palace, beter bekend als The Indo-Dutch palace. Net na zonsopgang heeft Fort Cochin het decor van een spookstad. Maar even later bruist het met leven als de kleurrijke bevolking aan de dag begint. Slagers hangen grote hompen vlees aan roestige haken en fruitverkopers stapelen hun waar in krakkemikkige houten stalletjes. Ook zie ik tapijtknopers, automonteurs, kokosnoot-verkopers, bakkers, schroothoutverkopers en ga zo maar door.

Vervallen warenhuizen
De weg loopt via Bazaar Road. Op deze smalle, drukke straat staan oude, vervallen warenhuizen die aan de achterkant aan het water grenzen. Aan de voorkant lopen mannen in en uit oude om vrachtwagens en houten karren in- en uit te laden met juten zakken vol specerijen. Zo gaat dat hier al eeuwenlang. Vanaf de oude stenen kade, achter een van de oude pakhuizen, is het alsof er elk moment een houten zeilschip kan aanmeren vol uitgemergelde Europese zeelui met scheurbuik.

De Hollanders Waren Hier

The Indo Dutch Palace in Matancherry

Indo Dutch Palace
Het Indo Dutch Palace is helaas geen megalomaan paleis van een oude verdwaalde Indo, maar een oud en qua afmeting vrij bescheiden paleis van de Maharaja van Kochin. Als daad van goede wil werd het paleis in 1663 door de Hollandse kolonisten gerenoveerd en verfraaid. Vandaar de naam. Het is nu een museum en de uitstekende tentoonstelling over de turbulente relatie van het vorstenhuis van Kochi met achtereenvolgens de Portugese, Hollandse en Britse overheersers is een bezoek meer dan waard.

Verweerde VOC-wapens
En dat geldt voor heel Fort Cochin. Hoewel elke riksjasrijder wil je wel in een dag langs alle bekende plekken rijden, is het Fort een plek waar je het beste te voet en zonder kaart in kan verdwalen om je dagenlang te vergapen aan de koloniale erfstukken die hier letterlijk voor het oprapen liggen. En voor de speurneuzen onder ons: in het fort zijn ook nog allerlei koloniale sporen verborgen, zoals bijna verweerde VOC-wapens op groen bemoste muren. De Hollanders Waren Hier. Dat is zeker.

Dewi in Jakarta #3: 'Selamat datang'

Dewi Reijs (29 jaar) is actrice en theatermaakster en gaat voor enige tijd naar Jakarta op zoek naar werk in de filmindustrie. Voor Indisch 3.0 houdt ze tijdelijk een dagboek bij. Dit is de derde van acht afleveringen.

Vrijdag 29 juni.
Mijn eerste 2 weken

HUIS = RUMAH
Het huis van mijn oom waar ik verblijf is het beste te omschrijven als de villa uit de jaren ‘90 hitserie; “The Fresh Prince of Bel-Air”. Met niet één maar twee bedienden. Op mijn tweede avond heb ik een etentje in de stad. Ik weet dat het netjes is om op tijd terug te zijn, maar wat is dat hier eigenlijk? Iets voor 12-en? Ik ben natuurlijk later. Voorzichtig doe ik het hek open en loop naar de zijdeur: dicht. Dan naar de deur van de bedienden: dicht. Ik loop drie keer hetzelfde rondje en begin zachtjes met kloppen, dan bons ik iets harder: geen gehoor.

Het is beter dat ik niemand in het huis wakker maak. Mijn familie hier is moslim en ze staan elke ochtend héél vroeg op om te bidden. Ik inspecteer de zijkant van het huis. Ik trap mijn hakken uit en klim in mijn maagdelijk witte jurkje naar boven, het eerste balkon op. Daar is de deur óók dicht. Ik zie een klein raampje openstaan en wurm mijzelf naar binnen. Mijn handen zijn zwart van het vuil. Even later lig ik met bonzend hart eindelijk in bed. Plotseling gaat de deur met een zwaai open. Mijn oom en tante zijn wakker geworden, ze dachten dat er ingebroken werd.

SCHOOL = SEKOLAH
Voor alle duidelijkheid: mijn basiskennis van het Indonesisch bestaat uit woordjes die met eten te maken hebben en wat Javaanse scheldwoordjes. Ik ga naar UNIVERSITAS ATMA JAYA waar ik drie keer in de week privélessen volg. Mijn guru Ima is erg leuk en knijpt mij in mijn bovenarm wanneer ik een goed antwoord geef. Jawel, de persoonlijke benadering. Ik maak braaf mijn huiswerk en probeer zoveel mogelijk woordjes te leren. Woordjes die ik niet ken, compenseer ik met halve toneelstukjes om duidelijk te maken wat ik wil – succes is niet altijd verzekerd.

VRIENDEN = TEMAN
Ik leer al snel de ideale mensen kennen. D., mijn achterneef, een moderne jongen van begin twintig met precies hetzelfde gevoel voor humor. T. is een razend vrolijke Hollander die voor het Ritz Carlton Hotel werkt, met hem ga ik naar een expatfeestje en drink ik bier – dàt mag “thuis” niet. Daar kom ik M. tegen, een bekende presentatrice te zijn. Hopelijk kan zij mij aan een paar interessante castingbureaus helpen.

WERK = BEKERJA
Ik gooi al mijn hengels uit om contacten te leggen. Ik heb contact met een bekende regisseur. Ze wil mij ontmoeten, maar haar agenda zit propvol. Afwachten dus. Na twee weken doe ik een test als presentatrice voor een pilot-programma over de geschiedenis van Indonesië met Nederland. Ik krijg een dag van tevoren mijn tekst binnen. VIER pagina’s in het “Bahasa Indonesia”. Mijn god. Ik schakel neef D. in om mij te helpen. Tot laat in de avond oefenen we samen. Onzeker vraag ik hoe ik klink.

‘Honestly, Dewi?’
‘Yes?’
‘Like a bule’ (Lees: een illegale NL-er die net een paar woordjes uit een boekje heeft geleerd.)
Ik lach.
“Just keep on smiling, that will help you.”

Dewi in Jakarta #2: Blue Bird

Dewi Reijs (29 jaar) is actrice en theatermaakster en gaat voor enige tijd naar Jakarta op zoek naar werk in de filmindustrie. Voor Indisch 3.0 houdt ze een tijdelijk dagboek bij. Dit is de tweede van acht afleveringen van deze serieblog.

Dinsdag 12 juni.

“BLUE BIRD”

Ik voel altijd een licht positieve spanning wanneer ik op reis ga. Een tintelend gevoel in mijn onderbuik, dat verhoogd wordt door het afscheidscomité van mijn familie in de vertrekhal van Schiphol.

Wat in hemelsnaam mee te nemen? Bizar dat ik altijd de avond voordat ik vertrek begin met inpakken. Het maakt niet uit of ik voor een korte of lange tijd weg ben. En mijn ervaring leert dat ik aan zoveel moet denken dat ik meestal de helft vergeet. Toch is het weer zover. Het is genetisch bepaald dat het zo moet gaan denk ik. De vloer ligt bezaaid met kledingstukken, schoenen, medicijnen en boeken.

Mijn moeder belt. Ik moet verder met pakken, daar heb ik serieus geen tijd voor. Of ik al online heb ingecheckt? Nee, omdat ik tijdelijk geen printer heb. ‘Maar dan kan je morgen niet weg?’ Ik beweer van wel. Mijn stress is na dit gesprek verdubbeld. Als ik midden in de nacht doodmoe in bed lig en nog even mijn telefoon check, zie ik dat ik nog drie oproepen van mijn moeder heb gemist. Ze maakt zich zorgen over god weet wat. En toch ben ik al bijna 30.

De volgende dag, wanneer ik aankom, zit heel de familie al een halfuur aan de koffie bij de vertrekhal. Mijn moeder tilt mijn handbagage op. ‘Deze is toch véél te zwaar? Moeten we niet wat overladen?’ Ik rits mijn tas open, maar bedenk me: het komt wel goed. Chagrijnig doe ik de rits weer dicht.

Na het inchecken werk ik een vettige kaas croissantje naar binnen. ‘Je tas staat open! Altijd dichtritsen hè?!’ gilt iemand in mijn oor. Ik krijg een klein flesje in mijn handen gedrukt met een goudkleurige Maria op de voorkant: Lourdes. Heilig water, altijd handig.‘Mag niet, geen vloeistoffen!!’ roept een andere familielid over mijn hoofd.

Mijn kleine broertje grinnikt, en zegt ‘Ik kan ook mee naar Jakarta, dan lever ik haar voor de deur af bij Oom Pierre. Is dat geen beter idee?’ Voor een seconde lijken ze dat nog te overwegen als ultieme oplossing voor al hun zorgen. Ik piep dat ik geen 16 meer ben en heus wel weet wat ik doe, maar ze luisteren totaal niet en zijn al druk aan het volgende onderwerp begonnen. Welke taximaatschappij ik het beste kan nemen.‘BLUE BIRD!’ tettert iemand. De naam wordt herhaaldelijk genoemd, alsof ik doof ben. Het afscheid breekt aan en ik word door iedereen platgedrukt. Als ik door de douane ga zwaai ik nog één keer. Heerlijk, eindelijk ben ik met niemand anders dan mezelf.

Midden in de nacht kom ik aan op het vliegveld in Jakarta. Vanuit de lucht is de stad een oceaan vol met knipperende lichtjes. Ik maak een vaste prijsafspraak met een taxi en plof tevreden neer. Alles loopt op rolletjes. Ik ben moe en ik ruik naar oude mannenzweet, maar ach… dat heurt erbij hè. Even later gaat het mis.

Ik laat het adres voor de VIJFDE keer zien. We tijden rondjes, de chauffeur stapt in en uit om de weg te vragen. Het zuiden van Jakarta is even groot als heel Amsterdam e.o. Inmiddels zijn we een uur verder. Bah. De positieve tinteling in mijn onderbuik is langzaam opgedroogd. Door een godswonder (heilig water vermoed ik) vinden we uiteindelijk het huis. Ik wordt platgedrukt door Oom Pierre. Selamat Malam! Wat voor chauffeur was dat? Welk bedrijf? Always take BLUE BIRD.’