Over huizen en verhuizen

Uit je comfort zone stappen, ik lees het net op Indisch 3.0. Ik hoor het anderen ook regelmatig zeggen. Op tv zie je dan dat mensen een huis (lees: lap grond met wat bakstenen erop) gaan kopen in Spanje en verbaasd zijn dat de aannemers ook manana niets doen. Het kan ook anders.

In de afgelopen drie jaar heb ik

  1. mijn vrijgezellenbestaan aan de klapperboom gehangen;
  2. mijn vaste baan opgezegd (een betrekking bij het gouvernement ja);
  3. mijn eenmanszaak ingeschreven bij de KvK;
  4. mijn ambities voor mijn eenmanszaak op een laag pitje gezet omdat ik zwanger was;
  5. de vader van ons toen nog aanstaande eerste kind op mijn adres ingeschreven omdat we elkaar pas 1,5 jaar kenden toen ik zwanger bleek te zijn en we nog niet officieel samenwoonden;
  6. ‘ja’ gezegd toen diezelfde vader me ten huwelijk vroeg;
  7. een geweldige bruiloft gehad;
  8. een heerlijk kind (ja, ik ben zo’n irritant trotse moeder) op de wereld gezet;
  9. om nog steeds onverklaarbare redenen mijn krullen moeten inleveren tegen stijl haar;
  10. een business plan opgesteld voor Indisch 3.0;
  11. datzelfde business plan in de koelkast gezet omdat ik in verwachting was;
  12. mijn huis te koop gezet;
  13. een retefijne compagnon voor Indisch 3.0 gevonden;
  14. een heerlijk kind (ja, ook de tweede) op de wereld gezet;
  15. een heerlijk neefje gekregen (ja, ook nog eens een irritant trotse tante)
  16. een paar pondjes erbij gekregen..

Als je dit zo leest, kan je het idee krijgen dat ik geen enkele comfort zone meer over heb. Niets is minder waar. Ik ben namelijk vreselijk honkvast. Ik kan de wereld aan als ik maar een veilige basis heb: mijn thuis. Zo veranderlijk als ik ben, zo saai ben ik als het op wonen aankomt. Daarvan wil ik graag meer van hetzelfde en zo lang mogelijk. Aan mijn inrichting wil ik nog best wel eens wat veranderen, maar verhuizen? Wat een nachtmerrie.

Als student heb ik op kamers gezeten. De tijd van mijn leven, heerlijk. En ik ben op uitwisseling geweest naar het buitenland, zeker. Het waren geweldige avonturen en ik kon ze aangaan omdat ik wist dat ik nog een ‘thuis’ had (ook al eindigde mijn eerste exchange program er in dat ik na afloop weer bij mijn moeder introk, want naar het buitenland gaan kan ook een killing avontuur zijn voor je relatie).

Alle veranderingen van de afgelopen drie jaar heb ik meegemaakt in de veiligheid van mijn eigen huis. Maar ook daar komt dit jaar een einde aan. We gaan het namelijk doen: verhuizen. En niet alleen uit dit huis. Ook uit deze stad. Ik ga weg uit Den Haag. En ik vind het eng. Oke, ik ga weliswaar niet heul ver weg (oké, ik blijf eigenlijk heul dichtbij want ‘zeg nou zelf, Voorburg Is toch bijna Den Haag?’). Maar dichtbij of niet, ik zal toch mijn oude, vertrouwde huisarts vaarwel gaan zeggen. De heerlijke speeltuintjes hier voor onze oudste. De fijne koffie- en lunchzaakjes. En niet te vergeten mijn moeder, zus en broer vrijwel om de hoek.

Ik geef dat alles niet zomaar op. Ik krijg een tuin. Geen auto’s in de straat. En ruimte. Dus ik weet waar ik t voor doe, mijn ultieme comfort zone verlaten. In de woorden van Bastiaan Ragas: ‘maar je krijgt er wel heel veel voor terug’ (sorry, inside joke voor net-mama’s en -papa’s).

Op niveau

Sinds de geboorte van onze tweede zoon Valentijn, in december vorig jaar, ben ik met bevallingsverlof. Met onze oudste zoon van net een jaar en de kleine Valentijn voer ik dagelijks gelukkig nog wel gesprekken op niveau. Met ‘zo…’, ‘ we gaan even..’ en ‘heel goed’ als nieuwe vaste uitdrukkingen.

‘Leander? Leander! Kom maar, we gaan eten. Ja, mama zet Bumba op. Goed zo. Lekker hè, pindakaas? Nee, niet op de grond gooien. O, wacht, ik hoor Valentijn. Blijf je zitten? Dan haal ik de baby. Hapje voor mama? O ja dat is lief, nou nou, hmmm hmmm, lekker hoor. Nu gaat mama echt de baby halen. Leuk hè Leander, komt de baby erbij! O ga je dansen op de muziek? Heel goed. Nog even en je danst de poco2, net als je moeder.”

“Nog even en je danst de poco2, net als je moeder.”

‘Dag lieverdje! Heb je zo goed geslapen? Kom maar mee met mama, dan krijg je lekker een flesje. En ik geloof dat ik je daarvoor ga verschonen, ook al zal jij het daar niet mee eens zijn. We lopen wel meteen door naar de commode. Even ruiken.. O ja, geen overbodige luxe hè, een schone luier. Zo, ga maar liggen. Ja, dat is de cicak, die is mooi hè? Zo hé, hallo schat! Je hebt je best weer gedaan. Beentjes stil! Stil.. Oke, nu is je voetje ook vies. Waar zijn die doekjes?’

‘Zo, ben je lekker schoon. Mag jij gaan trappelen in het wipstoeltje terwijl ik je flesje maak. En ik zal Leander weer even wat brood geven. Leander ventje, ja, Bumba lijkt afgelopen maar komt zo weer terug. Heus waar, je hoeft niet te huilen. Hier schat, neem een hapje. Goed zo. Nog eentje en dan mag je weer spelen. Mondje open? Goed zo! Valentijn, mama komt eraan hoor. Ik ga NU je flesje maken.’

‘Zo, lekker hè kereltje, je flesje? Die Pepti-melk* ruikt maar raar, maar ja, een beetje Indo kan niet tegen gewone melk. Jij en je broer doen die naam eer aan. Leander, hi schat, kom je erbij? Wat gezellig. Ja, jij hebt goed gegeten. Ah, een kusje voor je broer? Dat is lief. Zachtjes hè? Zachtjes, Leander. Niet in zijn oog prikken. Heel goed. Ga je de bal geven aan mama? Waar is de bal?’

“Een beetje Indo kan niet tegen melk.”

‘Heb je de bal gevonden? O. Dat is geen bal. Dat is mama’s iPad. Wil je die? Zet maar neer, dan zet mama een filmpje op. Pingu? Ga maar rustig zitten. Nee, niet doen! O. Daar kan ‘ie gelukkig tegen, steviger dan ik had gedacht, dat apparaat. Een keer gooien is genoeg schat, anders kan mama je geen filmpje meer laten zien. Dan is ‘ie stuk. Stuk ja. Heel goed. Dank je wel. Daar is Pingu!’

‘Lekker flesje? Kom maar hier lieverdje. Goed zo, laat mama maar horen hoe goed jij kan boeren. Heel goed. Dat zo’n geluid uit zo’n klein lijfje kan komen, ongelooflijk. Maar zo knap ben jij wel hè, lieve Valentijn? Ga maar lekker trappelen in het wipstoeltje. Weten jullie wie er straks komt? Tante Tabitha! Leander, weet je nog wie dat is? Kan jij het Indo Baby- shirt laten zien dat je van haar gekregen hebt. Als je dat lang genoeg schoon kan houden. En kan ik nóg een gesprek op niveau voeren.’

*opvolgmelk voor baby’s met een koemelkeiwitallergie

Typische Indo-namen anno 2012

Dewi Pechler. Afbeelding: http://www.mediatrack.nl/dewi/dewiDPK.html
Dewi Pechler. Afbeelding: http://www.mediatrack.nl/dewi/dewiDPK.html
Dewi Pechler. Afbeelding: http://www.mediatrack.nl/dewi/dewiDPK.html

Dewi, Nina, Jeffrey, Patrick,…?

Bij mijn eerste 4.0 heeft onze Indische afkomst geen invloed gehad op zijn naam. Wat telde was hoe dit kindje in de buik aanvoelde en hoe de naam klonk. Daarom heet hij Leander.

De tweede heeft zich inmiddels aangediend. Nu ik opnieuw bezig ben met kindernamen, vraag ik me af: wat zijn veel voorkomende namen onder Indo’s 3.0 en 4.0? Deze blog is dus vooral een vraag aan alle 3.0’s, 4.0’s en 3.0’s met kids: hoe heten jullie, jullie Indische vrienden, broers, zussen en kinderen?

Veel van jullie zullen weten dat Indo’s 1.0 en 2.0 vaak Engelse namen hebben, onder invloed van de populariteit van Hollywood in Indië, later Indonesië: George, Edward en Reggy bijvoorbeeld. Mijn naam, Kirsten, is dus niet bepaald Indisch. Pas bij mijn moeders’ naam openbaren de Indische roots zich: Peggy. Peggy Maureen.

Maureen is een populaire Indische meisjesnaam geworden door de populariteit van de actrice Maureen O’Hara in de jaren 50. Peggy, dacht ik, zou ook zo’n actrice kunnen zijn. Navraag leerde dat mijn moeder vernoemd is naar het eerste vriendinnetje van haar vader. Nooit geweten dat mijn oma zo ruimdenkend was. Maar Peggy komt bij meer Indische vrouwen van mijn moeders generatie voor. En die hadden vast niet hetzelfde vriendinnetje als mijn opa. Iemand enig idee waar de populariteit van Peggy naar te herleiden is?

Maureen O'Hara. Bron: http://www.kerrfect.com/2011/06/dames-maureen-ohara/
Maureen O'Hara. Bron: http://www.kerrfect.com/2011/06/dames-maureen-ohara/

Daarnaast komen onder de eerste en tweede generatie, in elk geval onder de mensen die ik ken, vrij vaak oer-Hollandse namen voor, zoals Fred, Ruud, Frank en, simpelweg, Jan. Opvallend trouwens is hoe de huidige klassieke of Oranjekoorts  in namenland (Sofie, Emma, Francine, Max, Philip, Maurits, Eduard) lijkt op de namen die vooral onder de eerste generatie veel voorkwamen. Een teken van het huidige sociaal-maatschappelijke behoefte aan nostalgie en het Hollandse gevoel?

Inmiddels komt er bij ons thuis een tweede 4.0 (4.2?) aan en is er in huize Goote -Vos kort, maar intensief overleg geweest over nieuwe namen.  Ook bij deze is het Indische niet terug te zien in de naam. Al zou je kunnen zeggen dat.. Nee, nee, daar hou ik mijn mond over.

Als ik naar mijn Indische vrienden kijk, valt het me op dat er onder de derde generatie best veel jonge vrouwen  zijn die Jasmin, Dewi en Nina heten. Ook heb ik de indruk dat er meer Jeffrey’s en Patricks rondlopen dan onder de tweede en eerste generatie. Welke namen zie jij veel voorkomen?

4.0 geboren: Leander

Sinds 21 september is hij er, Leander, onze 4.0 en Indo in de dop. Ons leven is niet meer hetzelfde. Tussen het wassen, strijken, koken, voeden en verschonen in, ben ik bijvoorbeeld weinig bezig met ‘de Indische zaak’. Desondanks krijgen dagelijkse babybeslommeringen regelmatig een onmiskenbaar Indisch tintje. Hierbij een paar flarden.

In de keuken staat een pan met kokend water op het vuur. Er dobberen tien flesjes en spenen in om uitgekookt te worden. De laatste keer dat ik die pan gebruikte, maakte ik er sajoer in. In de achterbak van onze Peugeot 307, waar eerst mijn camera-apparatuur lag, ligt de reiswieg, zodat we die niet elke keer op en neer de steile portiektrap hoeven sjouwen. En aan mijn bureau zit ik alleen nog om ’s ochtends melk af te kolven.

Leander lijkt qua temperament op zijn moeder – alles nu, snel én het liefst meteen in een keer goed. Het is een veeleisend, maar tegelijkertijd ontwapenend ventje en lijkt erg op de baby die hij in de buik was: druk. Ons codenaampje voor hem, Doerak, is dus niet eens zo slecht gekozen.

Qua uiterlijk lijkt Leander sprekend op zijn vader. En die was tot zijn puberteit hoogblond, dus we zijn erg benieuwd welke haarkleur onze doerak krijgt. Maar zijn neusje, dat konden we niet meteen plaatsen. Leander heeft toch echt een onmiskenbaar Indische neus – dat kan je over de neuzen van zijn ouders niet zeggen.

Leander twee weken oud (c) Kirsten Vos 2011
Leander, twee weken oud (c) Kirsten Vos 2011

Totdat mijn schoonouders afgelopen zondag op bezoek waren. Ik kon voor mijn gevoel mijn ogen niet van de neus van mijn Indische schoonmoeder afhouden, al had ik niet de indruk dat ze dat doorhad. De volgende dag vroeg ik aan mijn man of Leander misschien de neus van zijn moeder had. Die kreeg spontaan een opleving: ‘Ja zeg, inderdaad! Ik wist dat ik die neus eerder gezien had!’

Gisteravond kon Leander niet slapen. Of beter gezegd, hij wilde niet slapen. Overdag had hij zoveel geslapen, dat hij om 22.30 uur klaarwakker was – tot groot verdriet van zijn ouders. Ik zat met hem op schoot in zijn kamertje en probeerde me te herinneren welke slaapliedjes ik kende. Glimlachend realiseerde ik me dat ik er maar een kende: Nina Bobo.

Waarschijnlijk klopte er weinig van de tekst die ik een half uur lang herhaald heb, maar de melodie deed haar werk: na tientallen versies van deze Indonesische lullaby, knikkebolde mijn doerakje in slaap. Terwijl ik de deur achter me dicht trok, genoot ik van de vanzelfsprekendheid waarmee ik terug was gevallen op mijn Indische roots, toen mijn pasgeboren zoon troost nodig had.

Dat hij vijf minuten later alweer wakker was, deed daar weinig aan af.

4.0 op komst (4)

4.0 op komst - de verbouwing (c) Kirsten Vos 2011

Voorbereiden op onze doerak kecil

Precies twee weken voor de uitgerekende bevaldatum, ziet ons huis er nog niet bepaald babyproof uit. Dus als 3.0’er van het eerste uur hoop ik op een jam karet baby – of in elk geval eentje die op zijn minst enigszins rekening houdt met de Uitgerekende Datum. De papa en mama zijn er onderhand mentaal wel aan toe, al hebben we natuurlijk in de verste verte geen flauw benul van wat ons allemaal te wachten staat.

Terwijl de verflucht van de nieuwe kozijnen door het huis kringelt, staat de kinderwagen (Maxi Cosi Elea intense red) verdwaald in de woonkamer. De kinderkleertjes (eerste en tweede handsjes, van Hema tot Tommy Hilfiger) liggen in opgestapelde Ikea-opbergdozen in de woonkamerdeur, inclusief enkele items uit de “blije” doos van Prenatal (merendeel viel tegen, blij werd ik er niet van). Daarop ligt het kraampakket en de light-versie van het vluchttasje (Peter Rabbit). Die had ik ingepakt voor onze reis naar Umbrië, Italië (heerlijk!). De definitieve ‘vluchtkoffer’ is nog niet klaar.

4.0 op komst - de verbouwing (c) Kirsten Vos 2011
Reiswieg, kinderbadje, kleertjes, kraampakket en vluchttas. Het ligt allemaal bij elkaar. Dat dan weer wel.

Toch ben ik er inmiddels mentaal al wel aan toe, de komst van onze 4.0. De natuur heeft dat uitermate slim gedaan, die negen maanden draagtijd. Je groeit écht naar de geboorte toe. Dat alle kwaaltjes naar het einde toe steeds hardnekkiger worden, en dat je steeds vaker snakt naar een nachtje normaal slapen (zonder tintelende vingers en slapende armen, wie weet zelfs weer eens op je buik), helpt ook hoor, om af en toe te denken: “Oké, kom er nu maar uit. NU is het mooi geweest.” Niet dat ik verwacht na zijn geboorte meteen weer als een roosje te kunnen slapen. Maar dat is een ander verhaal.

Wat ik mentaal gezien het lastigste vond, was het naast me neerleggen van de plannen voor Indisch 3.0. Accepteren dat ik die plannen niet weggooide, maar ze alleen even opzij legde, voelde als kiezen voor iets onnatuurlijks. Hoewel ik altijd graag kinderen heb gewild, voelde het als het opgeven van een andere droom zonder zeker te weten of, hoe en wanneer ik die weer kon gaan oppakken.

Het zal daarom zijn, dat ik die rare droom had, een paar weken terug. Ik was met mijn kersverse echtgenoot buiten en voelde aan mijn buik. Want er klopte iets niet. Naast ons kindje, voelde ik er iets hards en scherps in zitten. Met beide handen ging ik over mijn buik en opeens herkende ik het voorwerp: het was het statief van de videocamera die ik voor Indisch3 gebruik. Onmiddellijk realiseerde ik me dat dat object gevaarlijk kon zijn voor onze kleine doerak en ben met manlief naar het ziekenhuis gegaan om het eruit te laten halen: de gezondheid van ons kindje ging voor.

Ik kijk inmiddels enorm uit naar het moment waarop onze zoon op mijn buik ligt, in plaats van erin. Zeker als zijn wiegje thuis klaar staat. Tot in september!

4.0 op komst - de verbouwing (c) Kirsten Vos 2011
Van kantoor 3.0 naar ouderlijke slaapkamer

4.0 op komst (3)

doerak 20 weken baby Kirsten 29 april 2011

Zwanger op de werkvloer

Ik mag echt in mijn handjes knijpen met deze zwangerschap. De misselijkheid is straal aan me voorbij gegaan en een paar weken terug zagen we op de echo dat we een zoon mogen verwachten, die zich vooralsnog goed ontwikkelt. Toch bereikten onlangs , in het pannenkoekenhuis van het Malieveld, mijn zwangerschapskwaaltjes een genant dieptepunt.

Ter voorbereiding op het interview met Siem Boon (deel 1 & deel 2), was ik in het pannenkoekenhuis op het Malieveld gaan zitten. Onder het genot van een serieuze portie poffertjes had ik het TTF-programma doorgespit, mijn jas aangetrokken en was ik weggelopen, naar de witte tenten op het Malieveld.

Nog maar net buiten, hoorde ik ‘Mevrouw, mevrouw!’ Ik draaide me om en zag de serveerster staan. Ik wist dat ik de laatste dagen erg vergeetachtig was, dus ik controleerde: tas, jas, sleutels, telefoon. Ja, alles was er. Verbaasd liep ik naar haar toe. Wat was er aan de hand? En toen zag ik het, het witte briefje in haar hand. De rekening.  Ik was weggelopen zonder te betalen, wat ik nog nooit in mijn leven gedaan had. Ik kon wel door de grond zakken.

Op zich was er geen man overboord. Ik heb de rekening betaald, 1000 excuses gemaakt, de serveerster heeft me vergeven en ik mocht zelfs terugkomen om het interview met Siem Boon te doen (ik kreeg een dikke knipoog van dezelfde serveerster). Maar dat mijn zwangerschap op de raarste manieren inmiddels invloed heeft op mijn zakelijke ‘optredens’, was weer extra onderstreept.

Zwanger zijn op de werkvloer is apart. Een paar maanden geleden, in een gezelschap van alleen maar mannen, stelde ik me voor. Tijdens die introductie was ik bijna in huilen uitgebarsten. Ja, uit ontroering om wat ik zélf vertelde, ja. Ik vraag me nog steeds af of ze hebben gehoord dat mijn stem ging trillen, toen ik vertelde over mijn persoonlijke passie. En tijdens het diner met diezelfde groep kwam, naar aanleiding van mijn verzoek om biefstuk well done , mijn zwangerschap op tafel te liggen. Op zich, alle aanwezigen hadden zelf kinderen en kenden het hele gebeuren. Het ongemak dat ik voelde, kwam echt door mezelf.

Ik voelde me opeens een ‘prototype’ vrouw op de werkvloer. Sterker nog, mijn vrouw-zijn werd onderwerp van een gesprek met zakenrelaties die ik net had leren kennen. Het was een ongebruikelijke situatie. In mijn IT-tijd was ik een van de jongens geweest. In latere functies was ik uiterlijk een vrouw, maar in karakter zo eentje die niet was zoals al die andere vrouwen: uitermate zakelijk, logisch  redenerend en competitief. Een beetje een man in een vrouwelijk jasje, zeg maar. En nu was ik een vrouw geworden die emotioneel kon worden om niets.

Inmiddels ben ik er aan gewend om zwanger en zakelijk tegelijk te zijn. Maar dat is een heel proces geweest; fysiek, mentaal én emotioneel. Ik ben blij dat ik dat proces hier af en toe kan beschrijven. Want, al die uitingen van de veranderingen die ik nu doormaak, ik gok dat ik die straks straal vergeten ben. Gemakshalve.

4.0 op komst (2)

echo baby Kirsten feb 2011

Liefde uit het hiernamaals

Net terug uit Berlijn, hadden we de koffers de portiektrap omhoog gezeuld. Bij de voordeur stampten we de sneeuwresten uit onze schoenen, toen ik giechelende kinderen hoorde juichen: “Ze zijn er, ze zijn er!” Verbaasd duwde ik de deur open.

In de gang liepen drie katten en drie kinderen, die mijn vriend M. niet zag. In dit huis was al eens eerder een kindergeest op bezoek geweest. Die had heel anders aangevoeld dan deze drie: deze kinderen voelden eigen, als familie. Wie waren dit? En waarom waren ze er opeens?

Ik was erg moe en alvast in bed in gaan liggen. Daar besloot ik, zolang M. nog in de woonkamer zat, contact met ze te maken. Twee van de drie kinderen hoorden duidelijk bij elkaar. Sterker nog, ze leken op mij en mijn broer. Het ene kind was een meisje en was erg beschermend naar het andere kind toe; een verlegen jongetje. Ik wist dat mijn moeder twee kinderen had gehad die nooit geboren waren. Zouden ze dit zijn?

Aan het meisje vroeg ik wie ze was. Ze boog voorover en fluisterde met kinderlijk enthousiasme iets in mijn oor. ‘Ik ben Suzie!’, meende ik te horen. Die naam kwam in mijn familie niet voor. ‘En hoe heet hij?’ Het leek alsof ze zei dat het jongetje naast haar Paul heette. Onmiddellijk wees ik dat af. Die naam was zo voor de hand liggend, dat moest ik wel zelf verzonnen hebben; in mijn moeders familie kwam die naam erg veel voor. Ik had het vast allemaal verkeerd verstaan. Verwonderd keek ‘Suzie’ me aan.

Het derde kind, een meisje, leek niet op het broertje en zusje. Ze was groter, had een andere huidskleur, stond wat verder bij me vandaan en was lang niet zo vrolijk als het andere meisje. Diep van binnen wist ik wie ze was. Zeven jaar eerder was ik in verwachting geweest, heel kort. De relatie waar zij het product van was, was niet stabiel genoeg geweest om een basis te vormen voor een kind. Dus erg dat die zwangerschap zich niet ontwikkeld had, heb ik dat nooit gevonden.

‘Ben je mijn dochter?’ Het meisje knikte. Eindelijk. Ik had al eerder gehoopt contact met haar te krijgen. ‘Waarom ben jij nu hier?’ Daar hoorde ik niet direct een antwoord op. Wel hoorde ik haar zeggen: ‘Mama, je weet toch dat ik weggegaan ben omdat het tussen jou en papa niet klopte?’ Dat wist ik. Ik vertelde haar dat ik daar vrede mee had. Blijkbaar was ze naar me toegekomen om dat te vertellen: in tegenstelling tot de andere twee kinderen, nam ze afscheid van me. Haar zou ik nooit meer zien. De andere twee wel: ze vonden het gezellig en bleven, alsof ze ergens op wachtten.

Een paar dagen later waren ook mijn – levende – broer en zus bij ons. Zonder iets te zeggen over de namen, vertelde ik dit verhaal, wees aan waar de twee op dat moment zaten en vroeg ze of ze onze ongeboren broertje en zusje konden zijn. Mijn zus reageerde en zei: ‘Mama heeft me wel eens verteld dat ze het jongetje de naam Paul zou hebben gegeven. Het andere kind heeft ze nooit een naam gegeven.’ Opeens realiseerde ik me wat het meisje me die avond toegefluisterd had: ‘Ik ben je zusje!’

4.0 op komst (1)

zwangerschapstest (c) Kirsten Vos/ Indisch3.0 2011

‘Kirsten, je krijgt een kind. Een KIND!’

Als alles goed blijft gaan, word ik rond 15 september mama van een 4.0-etje. Het is mijn eerste, maar als ik iets nu al weet, is dat deze doerak gek is op Indisch eten. Dat het zich beschermd weet door liefhebbende familieleden, levend en otherwise. En dat de zwangerschapshormonen zich in elke vezel van mijn lijf genesteld hebben. In dit eerste deel: De Ontdekking.

Die tweede dinsdag in januari lagen de stukken ter voorbereiding op een gesprek de volgende dag, over investeringen in Indisch3.0, uitgespreid over mijn bureau. Tegelijkertijd hoorde ik ergens een zeurend stemmetje herhaaldelijk tegen me zeggen : ‘Kirsten, ga een zwangerschapstest doen. Twee, als je je daar beter bij voelt. Maar doe het vandaag nog.’ Ik probeerde het een tijdje te negeren, door stug door te typen aan mijn ondernemingsplan. Maar er kwam geen letter meer uit het toetsenbord.

Thuis aangekomen van de drogist, besloot ik de tests meteen te doen. Het was het eind van de middag, mijn vriend zou elk moment thuiskomen, ik kon het maar beter voor die tijd weten. Dan kon ik tegen mezelf zeggen dat ik het allemaal in mijn hoofd gehaald had én hoefde ik het hoofd van mijn vriend niet op hol te brengen.

De Predictor en Kruidvat-test waren het daar niet mee eens. Binnen een minuut lieten ze allebei dat symbooltje zien dat ik nog niet eerder zien verschijnen op een zwangerschapstest: positief.

Daar zat ik dan, op de rand van het bad, starend naar die twee tests waarvan zowel het plusje als het verticale streepje me bijna triomfantelijk leken aan te kijken. Elke paar minuten controleerde ik de display – ze bleven onveranderd. Mijn hart klopte in mijn keel: ik was in verwachting. In verwachting! Nog los van wat ik er zelf van vond, flitste het door mijn hoofd – ‘Hoe vertel ik dít nou weer aan M.? Die komt zo uit zijn werk en heeft geen idee van wat ie zo direct te horen krijgt.’ Het was namelijk niet bepaald een ‘geplande’ zwangerschap.

De tijd tikte door, terwijl ik me het ene moment afvroeg hoe ik dit nieuws aan mijn vriend zou vertellen en het andere moment probeerde het nieuws tot mezelf te laten doordringen: ‘Je krijgt een kind. Een KIND!’ Voor ik er erg in had, hoorde ik de sleutel in het slot: daar was M.

Ik sleurde hem nog net niet het huis in. ‘Ik heb je wat te vertellen, maar doe eerst je jas uit en ga zitten. O, je hebt wijn gekocht, heel goed. Nee? Niet zitten? Okee. Nou. Eh. Ja. Nou. Als eh alles goed gaat, krijgen we dit jaar een kindje. Dus het is goed dat je wijn gekocht hebt. Alleen niet meer voor mij, helaas. Welkom thuis.’

De volgende twintig minuten – of drie, of veertig, ik zou het niet meer weten – pingpongden de ‘ja, ik wil het, jij?’, ‘we krijgen een kindje’ en ‘hoe is het mogelijk’s door de keuken. De rest van de avond hebben we in een roes doorgebracht.

Nog dezelfde avond heb ik mijn zakenrelaties laten weten dat ik de afspraak de volgende dag niet zou redden, onder het mom van de griep. Ik kon daar niet met droge ogen zeggen dat ik wel even een paar ton omzet zou gaan draaien met Indisch3.0, als ik nog niet eens wist hoe ik me volgende maand zou voelen, laat staan na de bevalling. En zo kwam het business plan onderop de stapel te liggen – en de zwangerschap bovenop.