Huisregels

Er is alweer ruim een maand verstreken sinds Indisch3.0 de zomerstop achter zich heeft gelaten en met een frisse start is begonnen. En bij een nieuwe start en een nieuwe redactie, hoort ook een nieuwe aanpak.

Een van de zaken waar de redactie al een tijdje mee in haar maag zit is het oneigenlijk gebruik van onze sitemogelijkheden door een klein aantal bezoekers. Het komt helaas maar al te vaak voor dat de ‘comment’-functie bij artikelen wordt gebruikt om een soort miniforum te starten. Er ontstaan enorme discussies, die in sommige gevallen ver off topic zijn geraakt en op die manier afbreukdoen aan de oorspronkelijke post en de creativiteit van de auteur. Bovendien schrikken overloze discussies lezers af die wél inhoudelijk op het artikel willen reageren.

Wij hebben besloten om pro-actief dit soort bezigheden te signaleren en hier passende maatregelen voor te nemen. De commentfunctie is puur bedoeld om inhoudelijke feedback op een artikel te geven en om het misbruik hiervan tegen te gaan hebben we de volgende richtlijnen opgesteld:

– Geef alleen inhoudelijke feedback op het artikel;
– Gebruik maximaal 200 woorden in je reactie;
– Haak maximaal één keer in op een ander comment;
– Indien er toch behoefte is om te discussiëren met een andere commentator, vraag diegene dan om op een daarvoor ingericht forum of per email in contact te treden;
– Zoek niet via privékanalen als Facebook, Twitter, Hyves en persoonlijke emailadressen contact met de auteur. Als je vragen hebt aan de schrijver van het artikel, kan je een email sturen naar redactie@indisch3.nl. Wij zorgen er dan voor dat de desbetreffende email bij de auteur terecht komt;
– Indien wij merken dat de bovenstaande huisregels structureel overschreden worden, zullen de comments in kwestie verwijderd worden.

Het lijkt misschien nu alsof we ineens met blauw op onze blog patrouilleren, maar we hebben gemerkt dat er wat regels nodig zijn. Wij hopen op jullie begrip hiervoor. Naast informatief, willen wij ook graag dat onze site leuk blijft voor alle bezoekers en iedereen die er aan meewerkt.

Bedankt voor jullie begrip en medewerking,
De Redactie

Wanneer dromen tastbaar worden (1)

Welcome to Bali

Indonesië gaan zien is een feit

Zomer 2010. Voor het eerst zal ik het land gaan bezoeken waar ik van kleins af aan over droom. Indonesië, Indië, Nederlands-Indië. Het land waar mijn roots gedeeltelijk liggen. Het land waar mijn opa altijd zo naar terug verlangd heeft. Het land waar mijn oma juist liever niet meer terug wilde komen. Zou het echt zo zijn dat de geur herkenning bij mij oproept? Dat elke man van mijn opa’s leeftijd mij aan mijn opa zal doen denken? Ik zal het gaan ervaren.

Schiphol. Enkel 20 uur vliegen staat nu nog tussen mij en mijn lang gekoesterde droom in. Het moment van herkenning, van voelen en misschien (nog) dichterbij mezelf komen. Dag lieve mama. Nog eenmaal vraag ik haar of ze het echt niet erg vindt dat ik eerder naar Indonesië ga dan zij ‘terug’ kan gaan. Ze geeft me een kus, ‘geniet Rooske.’ Met de ketting van mijn Indische opa Ed om mijn pols en zijn foto in mijn rugzak ga ik door de douane het vliegtuig in. Indonesië gaan zien is een feit.

Ik land in Jakarta op de dag dat mijn moeder in 1956 Jakarta verliet. Een maand zal ik hier zijn, precies de maand dat mijn moeder op de boot naar Nederland zat. Gepland? Nee. Enkel toeval? Nee, ik geloof niet in toevalligheden. Ik ruik, ik voel, ik proef. Welkom.

Wanneer mijn visum gecontroleerd wordt, vraagt een uiterst vriendelijke jongeman mij of ik in Indonesië ben ‘to find a boyfriend’, want als dat zo is dan wil hij mijn ‘boyfriend’ wel zijn. Voor de duidelijkheid meldt hij er ook bij dat hij natuurlijk ook nog wel een ‘boyfriend’ heeft voor mijn reisgenootje Sjors. Sjors en ik vertellen hem vriendelijk dat we het met z’n tweeën ook wel gaan redden. Zodra beide visa goedgekeurd zijn, maakt de jongeman nog één opmerking: ‘Look out for the boys’. Met deze tip op zak zijn we helemaal klaar voor het laatste stukje vliegen.

In Jakarta pakken we het vliegtuig naar Bali. Drie weken zullen we op Bali doorbrengen, één week zullen we Lombok gaan ervaren. Waarom Bali en Lombok? Tja, je moet ergens beginnen. We landen om half één ‘s nachts. Een bord met ‘Welcome to Bali’ begroet ons. Als een echte toerist moet ik dit bord toch echt even vastleggen op camera. Wanneer we onze backpacks hebben lopen we naar de uitgang. Een man staat al te wachten met een stukje karton in zijn hand waar ‘Georgina’, beter bekend als Sjors, op staat. Een warme natte deken valt over ons heen en direct worden alle zintuigen geprikkeld. Hoe stom ook, mijn eerste gedachte is, moet ik een maand in een dergelijk klimaat leven? Mijn tweede gedachte, het ruikt hier naar de pasar, naar de toko, naar het huis van mijn tante wanneer ze lekkere dingen kookt. Geurherkenning in the pocket?!

Indië thuis – weggemoffeld in de kelder

Als de drie musketiers staan we, Liselore, Tabitha en Charlie, in het koetshuis van Museum Geelvinck te Amsterdam, waar momenteel de expositie ‘Indië thuis – Sporen van een koloniaal verleden’ te bezichtigen is. Gelokt met de beloftes van onder andere een ‘volledig Djokja zilveren theeservies, wajongpoppen van kratonkwaliteit en de 17e eeuwse troon van de Sultan van Djokja’, zijn we razend benieuwd of deze sporen van een koloniaal verleden ons een interessant kijkje kunnen opleveren in de geschiedenis van onze Indische roots.

Foto’s: Tabitha Lemon

© Tabitha Lemon
Koloniaal (waan)beeld

Het begint allemaal veelbelovend na binnenkomst in het koetshuis, het eerste deel van het museum, waar allerlei zaken uit voormalig Nederlands-Indië staan uitgestald. Zo zien we prachtige koloniale meubels, allerhande snuisterijen en wordt onze aandacht getrokken door posters van onder andere Verkade’s Biscuits en weggelopen slaven. Tja, de koloniale tijd was ook een tijd van tegenstellingen. Deze eerste indruk smaakt natuurlijk naar meer en creëert hoge verwachtingen van de eigenlijke expositie in het tweede deel het museum. 

Bij het binnenkomst in het woonhuis van de familie Geelvinck-Hinlopen, gebouwd in 1687, worden we direct gekaapt door een medewerker van het museum. Hij vertelt alles, over alles, over elke vaas en kandelaar in het huis. De naam Geelvinck blijkt niets te maken te hebben met de Geelvinck-baai in Nieuw-Guinea, zoals Charlie dacht. Of misschien toch wel:  meneer mertkt terloops op dat de familie zijn fortuin te danken had aan de handel met de Oost. Misschien is het de baai die vernoemd is.. 

 

© Tabitha Lemon
Charlie leest voor

Pas aan het einde van de rondleiding door alle woon- en werkvertrekken merkt de medewerker, wederom, terloops op: “Dit was het dan en als jullie misschien interesse hebben, er is beneden ook nog een kleine expositie over Indië.” Verbaasd door de desinteresse van de museumman kaatst Charlie dan ook terug: “Daar komen we eigenlijk voor…”

We kunnen er niets aan doen, maar terwijl we de trappen afdalen naar de voormalige vetrekken van de bediendes, besluipt ons het ironische gevoel over hoe de geschiedenis zich hier symbolisch lijkt te herhalen. Weggemoffeld in de kleinste en donkerste vertrekken, zoals Nederlands-Indië haast onzichtbaar in een kanttekening van de geschiedenisboeken staat vermeld, vinden we dan de ‘sporen van het Indische verleden’. Helaas komen we ook meteen tot de conclusie dat die ‘sporen van het verleden’ vergeleken kunnen worden met een paar broodkruimels. Begon het zo veelbelovend in het koetshuis, in de bediendevertrekken vinden we maar weinig spectaculairs. Een paar krissen, wajongpoppen, maskers, beelden, enkele serviesstukken, beeldopnames van een gezin dat de dierentuin bezoekt en een schaaltje kroepoek van Conimex in een vitrinekast. Niets wat wij nog niet wisten en weinig meer dan het stereotypebeeld van een Indo. Het ontbreekt aan een interessant kijkje in het verleden, al zou het maar een vluchtige zijn. Eigenlijk weten we vooral weer hoe de Hollander naar ‘ons’ kijkt. En stiekem moeten we daar best om grinniken.

 Indië thuis – Sporen van een koloniaal verleden: t/m 30 januari 2012

 

© Tabitha Lemon
Max en Multatuli
© Tabitha Lemon
Kruidnagel
© Tabitha Lemon
De Indische keuken in een vitrinekast
© Tabitha Lemon
Portretten, bewijzen
 
© Tabitha Lemon
Wayang
© Tabitha Lemon
Eigendom

Die derde generatie is helemaal niet meer Indisch! (2)

“Die derde generatie is helemaal niet meer Indisch”, dé uitspraak van Nely (eerste generatie Indische) waarmee de vorige blog werd afgesloten, én waar menig reactie en discussie op volgde. In dit vervolg het verhaal achter deze krachtige uitspraak van ‘Indisch tante’ Nely.

Voor mijn bacheloronderzoek Culturele Antropologie deed ik onderzoek naar intergenerationele overdracht van culturele patronen binnen Indische families. Hiervoor heb ik gesproken met eerste, tweede en derde generatie Indischen. Onvermijdelijk riep dit onderzoek ook dé grote vraag op: wat is Indisch? Het antwoord op deze vraag zal ik kort en bondig houden -een blog heeft nu eenmaal een maximum aantal woorden: niemand weet wat Indisch precies is, en Indisch is voor iedereen weer anders, ongeacht de generatie waartoe iemand behoort. Schept dit veel duidelijkheid? Nee. Moeten we dit willen? Dat is weer een andere vraag…

In het geval van Nely was zij ervan overtuigd dat ‘Indisch’ niet meer van toepassing was op de derde generatie. Opvallend genoeg werd deze mening door bijna alle respondenten, op enkele uitzonderingen na, gedeeld. Maar het geluid was toch het sterkst onder de eerste generatie, vooral de klachten over de kleinkinderen werden luid en duidelijk gearticuleerd. Zo was het menig opa en oma een doorn in de maag dat een kleinkind geen Indisch eten lustte, niet Indisch kon koken, of nóg erger; niet Indisch wilde léren koken. En dat was allemaal de schuld van (schoon)zoonlief of (schoon)dochterlief! Die waren te Nederlands (geworden) waardoor er nog maar weinig Indisch was aan de kleinkinderen!

Maar dit veel te Nederlandse aan de kinderen en kleinkinderen, bleek ik in veel gevallen terug te kunnen voeren naar de jeugd en opvoeding van de eerste generatie in voormalig Nederlands-Indië, waarin het zo Nederlands mogelijk zijn een sleutelrol speelde. Immers, hoe Nederlandser je was, des te meer mogelijkheden en kansen je had in de voormalige kolonie. Dit heeft zich doorgezet in de opvoeding van de eigen kinderen, waarbij het Nederlandse na de repatriatie een heel andere dimensie kreeg, namelijk die van het zo snel mogelijk aanpassen aan het nieuwe thuisland. Iedereen die ik sprak omschreef de eigen opvoeding, en de opvoeding van zijn of haar kinderen, in eerste instantie als ‘zeer Nederlands’. Zo gek is het dus niet dat de kleinkinderen nog maar weinig Indisch in zich hebben, laat staan om zich mee te identificeren…

4.0 geboren: Leander

Sinds 21 september is hij er, Leander, onze 4.0 en Indo in de dop. Ons leven is niet meer hetzelfde. Tussen het wassen, strijken, koken, voeden en verschonen in, ben ik bijvoorbeeld weinig bezig met ‘de Indische zaak’. Desondanks krijgen dagelijkse babybeslommeringen regelmatig een onmiskenbaar Indisch tintje. Hierbij een paar flarden.

In de keuken staat een pan met kokend water op het vuur. Er dobberen tien flesjes en spenen in om uitgekookt te worden. De laatste keer dat ik die pan gebruikte, maakte ik er sajoer in. In de achterbak van onze Peugeot 307, waar eerst mijn camera-apparatuur lag, ligt de reiswieg, zodat we die niet elke keer op en neer de steile portiektrap hoeven sjouwen. En aan mijn bureau zit ik alleen nog om ’s ochtends melk af te kolven.

Leander lijkt qua temperament op zijn moeder – alles nu, snel én het liefst meteen in een keer goed. Het is een veeleisend, maar tegelijkertijd ontwapenend ventje en lijkt erg op de baby die hij in de buik was: druk. Ons codenaampje voor hem, Doerak, is dus niet eens zo slecht gekozen.

Qua uiterlijk lijkt Leander sprekend op zijn vader. En die was tot zijn puberteit hoogblond, dus we zijn erg benieuwd welke haarkleur onze doerak krijgt. Maar zijn neusje, dat konden we niet meteen plaatsen. Leander heeft toch echt een onmiskenbaar Indische neus – dat kan je over de neuzen van zijn ouders niet zeggen.

Leander twee weken oud (c) Kirsten Vos 2011
Leander, twee weken oud (c) Kirsten Vos 2011

Totdat mijn schoonouders afgelopen zondag op bezoek waren. Ik kon voor mijn gevoel mijn ogen niet van de neus van mijn Indische schoonmoeder afhouden, al had ik niet de indruk dat ze dat doorhad. De volgende dag vroeg ik aan mijn man of Leander misschien de neus van zijn moeder had. Die kreeg spontaan een opleving: ‘Ja zeg, inderdaad! Ik wist dat ik die neus eerder gezien had!’

Gisteravond kon Leander niet slapen. Of beter gezegd, hij wilde niet slapen. Overdag had hij zoveel geslapen, dat hij om 22.30 uur klaarwakker was – tot groot verdriet van zijn ouders. Ik zat met hem op schoot in zijn kamertje en probeerde me te herinneren welke slaapliedjes ik kende. Glimlachend realiseerde ik me dat ik er maar een kende: Nina Bobo.

Waarschijnlijk klopte er weinig van de tekst die ik een half uur lang herhaald heb, maar de melodie deed haar werk: na tientallen versies van deze Indonesische lullaby, knikkebolde mijn doerakje in slaap. Terwijl ik de deur achter me dicht trok, genoot ik van de vanzelfsprekendheid waarmee ik terug was gevallen op mijn Indische roots, toen mijn pasgeboren zoon troost nodig had.

Dat hij vijf minuten later alweer wakker was, deed daar weinig aan af.

Nieuw thema: Indo Ink

In de jaargetijden met luchtige kleding zie je ze steeds meer: tatoeages. Langzamerhand zijn de jongere generaties het taboe op en de vooroordelen over tattoos aan het doorbreken. Waar de oudere generaties deze vorm van lichaamsversiering nog toedichten aan bepaalde sociale groepen, integreren steeds meer jonge mensen tatoeages in hun way of life.

Ook Indische jongeren kruipen steeds vaker in de stoel van de tatoeëerder om uiting te geven aan hun identiteit. Maar in hoeverre heeft deze uiting te maken met hun culturele achtergrond? Laten zij tatoeages zetten die iets met hun Indische afkomst te maken hebben? En wat zijn dat dan, ‘Indische’ tatoeages? Hier gaat Indisch3.0 achter proberen te komen via het nieuw te starten thema “Indo Ink”.

Vanaf november a.s. gaat Indisch3.0 twaalf afleveringen lang het land door om de wereld van de Indische tatoeages te ontdekken. Hierin zullen zowel de verhalen van getatoeëerden als tatoeëerders uitgebreid in tekst en beeld belicht worden.

Spreekt onze zoektocht jou aan? Bekijk dan elke maand Indo Ink of doe mee! Heb jij namelijk tatoeages waar je graag over zou willen vertellen? Ken jij mensen die helemaal Indo tattoo minded zijn of tatoeëerders met een Indische connectie? Wil je een tatoeage laten zetten waar Indisch3.0 dan verslag van maakt? Of zou jijzelf graag een artikel in tekst en beeld willen maken over tatoeages? Laten ons dan weten door een mail te sturen naar willem-jan@indisch3.nl

Pardon, wat zegt u?!

No U-turn

Met moeite verberg ik mijn verontwaardiging als ik de vraag ‘Hoe is het met jou?’ gesteld hoor worden aan mijn moeder. Het meisje dat zo ontzettend attent naar mijn moeders welzijn vraagt heeft de stemgerechtigde leeftijd nog niet bereikt maar meent wel in de positie te zijn (een van) mijn ouders te kunnen tutoyeren. Mijn moeder vertrekt geen spier en antwoordt: ‘Goed hoor!’ gevolgd door de vraag: ‘En hoe is het met jóu?’

Nu behoor ik ook tot de generatie die haar ouders tutoyeert, maar persoonlijk vind ik het niet meer dan normaal dat je mensen die buiten je eigen ‘leeftijdscategorie’ vallen of als jij je in een bepaalde situatie bevindt, aanspreekt met ‘u’. Dat doe je een beetje op gevoel en een beetje op basis van kennis van gedragsregels. En een beetje op basis van,  je weet wel, respect -al gebruik ik die term liever niet sinds die dermate verkracht is door alles en iedereen.

Wellicht heeft het ook met mijn werk in de horeca te maken dat ik ‘je’ haast mijn strot niet uit tegen mensen die van voor 1970 zijn -nu niet verontwaardigd stoppen met lezen omdat ik je zojuist indirect voor ouwe lul heb uitgemaakt- maar ik verbaas me steeds vaker over de lompheid van mijn leeftijdsgenoten in gesprekken. Als ik de positief verbaasde blikken van ouderen zie wanneer ik hen met twee woorden antwoord, moet geloven, is deze beleefdheidsvorm helemaal een fenomeen van ver uit de vorige eeuw. Ik heb geleerd mensen met ‘u’ aan te spreken tot zij je vragen hen te tutoyeren. En ook al drijf ik het soms op de spits door mensen drie maal te laten vragen hen aan te spreken met ‘je’, eerder voelt het gewoon niet goed om te tutoyeren.

Vaak voel ik me dan ook een beetje te kakken gezet door (overwegend Nederlandse) mensen die me semiverontwaardigd vragen: ‘Zeg je nou u tegen mij?’ Alsof ik sta te schelden in de kerk.. Gelukkig vind ik medestanders in Indische of Molukse leeftijdsgenoten die niet raar opkijken als ik, bij het voorgeschoteld krijgen van een bord eten, tegen hun moeder zeg: ‘Dankuwel mevrouw’.

Turner Carlo van Minde

Topsport is incasseren. Dat ondervond turner Carlo van Minde eind vorige week toen hij hoorde dat hij uiteindelijk niet in de selectie zat voor het WK turnen. Hij trainde er hard voor. De keuze om hem niet mee te nemen kwam voor Carlo totaal onverwacht. Hij is dan ook erg teleurgesteld, liet hij weten. 

Toen we dit bericht vorige week vrijdag hoorden was het dan ook even ‘ayam paniki’ op de redactie van Moesson. Het oktobernummer met Carlo op de cover was net vers van de pers en onderweg naar alle lezers. Maar het kan soms raar lopen ondervonden we afgelopen dinsdag. Carlo’s teamgenoot Bart Deurlo kampt met een handblessure en dus mag hij alsnog meedoen aan de Wereldkampioenschappen. Voor Carlo ontzettend mooi nieuws, maar ook enorm omschakelen. Hopelijk kan Carlo laten zien wat hij in huis heeft. Het blijft topsport! 

Tekst: Lynda Muller

Bekijk hieronder de foto’s die Armando Ello ter gelegenheid van het interview maakte.