Jonge Indo’s in de provincie… Friesland

Nadat de eerste helft van de reeks Jonge Indo’s in de provincie eindigde met een interview in het zuiden van Nederland, begint de tweede helft van de reeks in het noorden. Het is een gesprek met de Thamar Beckx (23) over Friese stugheid, ambities, cultuur en het zoeken naar Indische roots.

Thamar, geboren in Drachten in 1986, woonde tot haar 18e in Friesland. Daarna vertrok ze naar Groningen om te gaan studeren. Ze ging bij haar oudere broer wonen, maar toen hij begin dit jaar een kindje kreeg moest ze gaan verhuizen. Ze ging terug naar Friesland en trok in bij haar vriendin in Ureterp.

Ureterp?

Ja, Ureterp is een klein dorp vlakbij de grens met Groningen. Bijna niemand kent het. Ik heb het erg naar mijn zin gehad in Groningen en kom er nog steeds veel voor mijn studie. Ik hou van de stad, de diversiteit, er is altijd wat te doen. Nu ik weer in een dorp woon merk ik dat de wat stugge mentaliteit in Friesland me soms benauwd. Op een gegeven moment zou ik wel terug willen naar de stad.

Thamar2Om verder te studeren?

Ik moet nog een Bachelor-scriptie schrijven en dan ben ik klaar met de studie Communicatie en Informatiewetenschappen. Daarna wil ik misschien een Master-opleiding gaan doen. Ik heb nog niet echt een scherpe focus. Het liefst wil ik iets internationaals of intercultureels gaan doen. Ik heb eigenlijk altijd wel een soort afkeer gehad tegen regelmaat, ik moet iets avontuurlijks doen in mijn werk. Nadat ik een Master gedaan heb, wil ik dan eerst een tijdje gaan reizen. Misschien als stewardess, anders met de rugzak naar Australië en Nieuw-Zeeland. De designs, kleuren en vormen van de Maori-cultuur vind ik bijvoorbeeld prachtig. Mijn broers en ik hebben een tijd geleden een Maori-tattoo laten zetten door Gordon Hatfield, een bekende tatoeage artiest.

Heb je daar iets bijzonders mee?

Ik weet het niet precies. Eigenlijk de hele Polynesische cultuur fascineert me op de een of andere manier. Ik heb wel eens gehoord dat veel Indo’s en Molukkers dezelfde fascinatie hebben. Misschien komt dat wel omdat het iets weg heeft van de Indische cultuur en de cultuur in Indonesië. Wellicht heeft het een bepaalde vertrouwdheid met thuis?

Interessant. Kun je wat meer vertellen over je familie?

Mijn moeder is een Friezin uit Drachtster Compagnie. Haar vader was een echte Fries, haar moeder kwam uit Amersfoort. Mijn vader, Arthur Beckx is een Indo. Wat karakter betreft heb ik het chaotische en koppige van mijn moeder en het temperament van mijn vader.

En wat weet je over de Indische achtergrond van je vader?

Wat ik weet is dat zijn moeder kwam uit Madura kwam en Portugees bloed had, zijn vader kwam uit Surabaya. Daar is mijn vader ook geboren. Mijn vader heeft nooit iets gezegd over zijn tijd in Indië en Indonesië. Hij heeft ons ook niet veel meegegeven van de cultuur. Het meeste wat ik daarvan weet en ken, heb ik zelf uitgezocht. Die interesse ontstond voor het eerst toen ik zo’n jaar of twaalf, dertien was. De toenmalige vriendin van mijn broer is Indisch en vertelde me er veel over. Zo leerde ik het Indische kennen en daar ben ik toen een aantal jaar helemaal ingedoken, best extreem. Ik kreeg toen ook Indische vriend en zette me af tegen anderen. Het was eigenlijk wel een soort identiteitscrisis waar ik in terecht kwam, denk ik nu. Na een paar jaar ging dat over. Nu heb ik weer “het midden” teruggevonden. Vorig jaar zouden mijn vader, broers en ik trouwens samen naar Indonesië gaan, maar dat ging jammer genoeg niet door.

Gaat het nog een keer gebeuren?

Ik hoop het. Lang had ik niet zoveel met Indonesië. Nu zou ik er graag heen gaan, maar dan toch meer als vakantie. Nieuwe plekken zien en ontdekken. Bij Nederlands-Indië en die geschiedenis heb ik wel een sterker gevoel. Ik zou bijvoorbeeld graag een aantal plekken bezoeken waar mijn vader heeft gewoond. Er zou ook nog familie moeten zijn ergens op Java.

Is er buiten je familiegeschiedenis iets van de Indische cultuur dat je bezig houdt? Of iets dat je altijd al had willen weten?

Nee, eigenlijk ben ik toch vooral mijn familiegeschiedenis beter leren kennen. De familie heeft bijvoorbeeld veel geheimen, waar allerlei speculaties en vaagheden over zijn. Ik vraag me af welke moeilijke dingen men daar precies heeft achtergelaten? De film Ver Van Familie, die ik laatst gezien heb, gaat daar ook over. Echt een aanrader.

Je hebt een voorwerp meegenomen die ook iets te maken heeft met je familiegeschiedenis.

Het is iets dat ik gekregen heb van mijn Oma toen ik heel klein was. Een gouden ketting met blaadjes van Indisch goud en een smaragd in het midden. Mijn Oma heeft dat haar hele leven omgehad. Ik was pas twee toen ze overleed, maar voel desondanks een sterke band met haar. Dat is toch wel bijzonder. De rest van de familie heeft haar wel gekend, dus ik ken veel verhalen over haar. Ze was een lieve, zachte en verzorgende vrouw, die aan de andere kant ook heel streng kon zijn.

Tot slot, welke van de volgende provincies gaat Kirsten volgende maand bezoeken? Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Overijssel of Gelderland?

Even denken… dat wordt Zuid-Holland!

Disclaimer

Laatst stond ik met een van de redacteuren van Indisch 3.0 te praten toen er ineens een stilte in het gesprek viel. Plots barstte mijn gesprekspartner in lachen uit. Het gelach ging de hele Utrechtse grachtengordel over. “Wat is dit dan nu weer?” dacht ik bij mezelf en ik keek hem vragend aan. “Hihihi! Charlie, meisje toch,” “Ja wat?!” riep ik nu hardop

 “Oh meisje, jij houdt je zo bezig met het feit dat ‘je er niet Indisch uitziet’. In mijn ogen zie je er hartstikke Indisch uit. Je hebt écht wel een Indisch uiterlijk.”  Compleet verrast door deze opmerking –ik had alles verwacht, behalve dit- stond ik met mijn mond vol tanden, en dat gebeurt niet vaak als ik eerlijk ben. ”Daar ben ik helemaal niet mee bezig,” antwoordde ik. “Jawel, dat ben je wel. Je zegt vaak ‘ik zie er dan wel niet Indisch uit’ of ‘iedereen zegt altijd dat je aan mij niet kunt zien dat ik Indisch ben’ maar je ziet het wel degelijk!” Ik realiseerde me dat ik dat inderdaad al een aantal keren heb gezegd. 

disclaimerHet punt is ook dat als ik zeg dat ik Indisch ben, ik er standaard achteraan zeg: ‘ik weet dat je het niet ziet’. Het is een soort disclaimer geworden, die je na verkooppraatjes hoort. Zoiets als ‘dit gesprek kost 40 cent per minuut, plus de kosten voor gebruik van uw mobiele telefoon’. Als mensen bij het horen over mijn Indische afkomst ineens scheef en verbaasd gaan kijken, haal ik het verleden er vaak nog even bij. Zeker als er ook nog naar mijn haar gekeken wordt. ‘Mijn Indische oma was blond,’ volgt dan als tweede disclaimer. 

Misschien stom dat ik die zinnen standaard afdraai, maar zo is het nu eenmaal ontstaan. De keren dat iemand instemmend of niet verbaasd reageerde zijn op een hand te tellen. Zoveel verbaasde en vragende blikken en opmerkingen als ‘oh, dat zou je ook niet zeggen’ of ‘dat zie je helemaal niet aan je’ veroorzaken irritatie, maar zijn intussen ook een gewoonte geworden. 

Tegenwoordig laat ik daarom vaak zitten of zeg iets als: ‘kun jij dan wel een Turk of Marokkaan uit elkaar houden? Nee? Nou, hou dan op.’ Er is echter een moment geweest waarop de discussie over mijn al dan niet Indische uiterlijk bij mij zijn kookpunt bereikte. Zoals een tijd geleden in een kroeg in het dorp waar ik vandaan kom.

Ik zit aan tafel met wat vrienden en er een andere vriend bij komt zitten, samen met een voor mij onbekend persoon, die zich voorstelt als Mike. We praten wat en na een tijdje spreekt een vriend me aan met ‘hee pinda’. Als ik daarop reageer zie ik dat Mike verbaasd naar me kijkt.  Hij zegt niets en ik negeer zijn verbaasde blik. Als ik wat later voor de tweede maal met ‘pinda’ wordt aangesproken vliegt Mike er echter bovenop. “Ben jij pinda? Ben jij een Indo?” roept hij hysterisch. Ondertussen kijkt hij me aan aan alsof hij water ziet branden. “Nee joh, dat bestaat niet. Onmogelijk,” zegt Mike stellig. 

Dit keer ben ik verbaasd. “Ja, is echt waar.” “Nee, je ziet er helemaal niet uit als een Indo, joh! ”schreeuwt hij bijna. “Dat zie je zo!” Ik weet ik niet hoe ik moet reageren op Mike, die zich zo opwindt over mijn ‘wel-Indisch-zijn-zonder-Indisch-uiterlijk’. “Het is niet raar dat je het niet ziet, weinig Nederlanders zien het, veel Indische mensen zien het echter wel,” zeg ik tenslotte. 

“Nee, absoluut niet,” begint Mike weer, “jij hebt een puur Nederlands uiterlijk.” Ik raak geïrriteerd: “Wat weet jij nou van Indo’s man?” “Nou,” gaat hij verder, “ik heb veel Indo-vrienden, en jij komt qua uiterlijk niet bij hen in de buurt! Je hebt te licht haar, bent te blank en je neus is niet plat genoeg. Ik weet zeker dat geen van mijn Indo vrienden jou herkent als Indo.”

Nu Mike kwalificaties van haar- en huidskleur er bij haalt, heb ik mijn kookpunt bereikt. Rood aangelopen sta ik kwaad op. “Spreek eens wat Bahasa dan!” roept Mike in een poging me erbij te houden. “Ja, snel weg gaan he! Zie je, je bent helemaal geen Indo. Je spreekt niet eens Maleis. Je bent ontmaskerd! Ha!” 

Ik draai me om en ga aan de bar zitten, ‘krijg de klere’ denk ik in perfect Nederlands. Wat ben ik die verbaasde blikken en rotopmerkingen over mijn uiterlijk beu. Ik verzin toch niet dat ik Indisch ben? Waarom zou ik daar over liegen? Als ik zeg dat ik Indisch ben, dan ben ik verdomme Indisch!

Verstikkende geheimen

openboek2Het stikt van de geheimen in Indische families. Verloren gewaande halfzussen, halfbroers, niet erkende moeders, tantes, broers of zussen. Uit angst of schaamte wordt vaak hardnekkig gezwegen over de ware toedracht van ‘hoe het zit’ met de Indische familiestamboom. Met alle pijnlijke gevolgen van dien voor de achterblijvers.

Een vriendin verzuchtte laatst dat de Indische kant van haar familie haast wel een abonnement op Spoorloos lijkt te hebben. Niet alleen haar vader is verschillende malen te gast geweest in het televisieprogramma, op zoek naar zijn vader, maar ook haar oom en een nichtje zijn op tv op zoek naar hun achtergrond. Helaas zijn de familiegeheimen zo goed onder het tapijt gemoffeld dat ze waarschijnlijk nooit meer boven komen drijven. De cultuur van geheimen zit er goed in bij Indische families, nog altijd is zwijgen de norm als het gaat om gevoelig liggende familieperikelen.

De njai

Het zwijgen over afkomst kent een lange traditie in de voormalige kolonie. Tot de 19e eeuw woonden er altijd meer Europese mannen dan Europese vrouwen in Nederlands-Indië, zo lees ik in ‘De njai – het concubinaat in Nederland’ uit 2008 van Reggie Baay. Veel planters, soldaten of ambtenaren gingen daarom samenleven met een Indonesische, Chinese of Japanse njai. Die vrouwen waren niet alleen huishoudster van de koloniaal, maar deelden ook zijn bed en waren niet zelden moeder van zijn kinderen. Iedereen wist destijds wat het betekende als men van een Europeaan zei: ‘Hij leeft met zijn inlandse huishoudster’. Maar openlijk praten hierover, dat gebeurde niet.

Aan het hek

In de periode 1945-1949 zijn ontelbare Indonesische meisjes en vrouwen – vaak onbedoeld – zwanger achtergelaten door Nederlandse soldaten die gelegerd waren in Indonesië. De kinderen die daaruit voortkwamen waren ‘onwettig’ en wachtte een kindertijd in het weeshuis, of ze groeiden bij hun moeder in de kampong op. Daar werden ze altijd aangekeken op het feit dat hun moeder iets ‘fout’ had gedaan. Andere kinderen van gemengde afkomst werden wel erkend door hun Nederlandse vader, en groeiden op bij hem en zijn blanke echtgenote. In dat geval was praten over de Indonesische moeder taboe en werd er gezwegen over de afkomst. Als er soms al een Javaanse vrouw aan het hek kwam om een glimp van haar zoon of dochter op te vangen, werd ze weggestuurd.

Slagveld

Tot op de dag van vandaag duurt de zoektocht van de nazaten naar al die verborgen geschiedenissen voort. Op oorlogsliefdekind.nl kunnen zoekenden terecht die hun familiegeheimen proberen te ontsluieren die ontstaan zijn na de Tweede Wereldoorlog. De verhalen ontroeren mij en ik heb diep respect voor deze speurneuzen die niet bang zijn voor wat ze misschien tegenkomen. Voor hen is de waarheid belangrijk, omdat die kan bijdragen aan het accepteren van de loop van de geschiedenis. Mijn oproep is: weg met die verstikkende familiegeheimen die veel levens in hun greep houden. Vertel elkaar wat je weet over vroeger en deel je verhalen over afkomst en oorsprong, ook al zijn die nog zo pijnlijk. Voordat het te laat is.

Tip: Lees het levensverhaal van Jan Dennie en bekijk het filmpje waarin hij vertelt hoe verwoestend het is als niemand zich uitspreekt over je afkomst.

De Nederlanders voorbij

Foto’s: Natalie Ypma – Tekst: Ed Caffin

Vanaf deze week is er in het Centraal Museum in Utrecht een bijzondere en belangwekkende expositie te zien, genaamd Beyond the Dutch. Volgens de beschrijving biedt de tentoonstelling ‘een vernieuwend inzicht in de invloed van de Nederlandse cultuur op Indonesische beeldende kunst, en andersom’. Naast dat de tentoonstelling een overzicht geeft van ‘1900’ -een tijd van Nederlands beïnvloeding tot ‘nu’: een tijd waarin dat al lang niet meer het geval is, stelt het ook kritische vragen over de blik waarmee naar ‘kunst uit het Oosten’ wordt gekeken.

campagnebeeld Beyond the Dutch flyerIn de koloniale tijd werd de Indische of Indonesische beeldende kunst bepaald door Westerse ideeën. Treffend voorbeeld is het zelfportret van Raden Saleh. Het schilderij zou, afgezien van de onmiskenbare Indonesische trekken in het gezicht van de schilder, niet opvallen tussen Nederlandse doeken uit die tijd. Tekenaar met Indische roots Peter van Dongen nam het als uitgangspunt voor het affiche.

Terwijl in de koloniale tijd vooral een idyllisch Indië werd afgebeeld, werd tijdens de onafhankelijkheidsstrijd beeldende kunst in Indonesië gebruikt als uiting van de revolutie en het verlangen naar vrijheid en bevrijding van de Nederlanders. Schilders als Sudjojono, Agus Djaya en Affandi portretteerden bijvoorbeeld revolutionaire strijders.

P1070415Vanaf de jaren vijftig ontwikkelde zich in de jonge republiek -en dan met name op Java- langzaam maar zeker een eigen karakter in de kunst. Een ‘nationale stijl’ waar president Soekarno een enorme stimulerende rol in had ontwikkelde zich en verwierp de Nederlandse invloed.

In de daaropvolgende Soeharto-tijd was er decennia lang sprake van censuur. Een nieuwe generatie kunstenaars, waaronder Heri Dono, kon zich daar pas na de Reformasi definitief vrij van maken. De nieuw verworven vrijheid van meningsuiting stimuleerde de ontwikkeling van hedendaagse kunstenaars die zich juist op expressie van de eigen persoonlijkheid richten. In het werk staan thema’s centraal als identiteit, globalisatie, religie en moderniteit, maar ook een nieuwe benadering van het koloniale verleden.

P1070354Na het eerste Indonesische deel van vroeger naar nu, bewandelt de kijker in het tweede deel van de expositie de omgekeerde weg, dan vanuit het Nederlandse perspectief. Via door Indonesië geinspireerde werken van een aantal Nederlandse hedendaagse kunstenaars -een aantal met Indische achtergrond- gaat hij weer terug naar de Indische idylle met werken van onder andere Jan Toorop.

Naast deze dubbele historische lijn stelt de tentoonstelling, samengesteld door Meta Knol, echter ook de vraag hoe we precies kijken naar deze werken. In Nederland lijkt nog altijd weinig aandacht voor (moderne) Indonesische beeldende kunst. Er is een te beperkt kunstbegrip waarin weinig tot geen plaats is voor kunst uit niet-Westerse culturen. Wat bijvoorbeeld wel wordt getoond, en dan vooral in Volkenkundige musea, zijn etnografica.

Helaas is dus nog altijd niet afgerekend met de koloniale attitude. Ook niet als het gaat om kunst. De P1070402koloniale blik waarmee naar niet-westerse culturen wordt gekeken is nog niet verdwenen: in een kunsthistorische vorm van oriëntalisme wordt Oosterse kunst gereduceerd tot een slap aftreksel van hoe kunst eigenlijk zou moeten zijn, namelijk zoals Westerse kunst is.

Deze expositie probeert daar nadrukkelijk buiten te treden. Door te kijken naar de Indische/Indonesische kunstgeschiedenis laat het zien op welke manier er wederzijdse beinvloeding is geweest tussen kunstenaars in Nederland en Indonesië en hoe de hedendaagse kunst omgaat met het gemeenschappelijk verleden. Wat echter vooral duidelijk wordt is dat Indonesische kunstenaars “de Nederlanders voorbij” zijn. Al lang.

Beyond the Dutch, Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten van 1900 tot nu, Centraal Museum Utrecht, 16 oktober 2009 t/m 10 januari 2010.

Indotiteit – Identiteitscrisis (deel 2)

identiteitMijn verleden is niet meer te veranderen. Hoe graag ik dat ook zou willen. Waarschijnlijk zat ik dan nu niet in een identiteitscrisis. Ik wil echter benadrukken dat ik hiermee niet mijn achtergrond bedoel. Iemand is wie hij is en gelukkig ben ik wie ik ben. Een èchte Indo van vlees en bloed. Wat dat dan ook mag betekenen en ongeacht het percentage Nederlands bloed dat door mijn aderen stroomt. Want zoals lezers terecht opmerkten/vroegen, n.a.v. mijn vorige stuk: Bij hoeveel procent meer of minder gaat Patrick Neumann zich ook Indo voelen? 

Het ligt dus overduidelijk aan mij. Ik heb vaak het gevoel gehad dat ik niet bij de Indische gemeenschap hoor.  Hoe komt dat? Ik ben van mezelf sowieso onzeker, dus dat kan het probleem zijn. Of is het gevoel van er niet bijhoren juist Indisch? Sommigen zullen nu ongetwijfeld afhaken en denken: ,,Neumann, zit niet zo te zeiken!” Voor die mensen heb ik alle begrip, maar ik weiger om mijn schouders op te halen en te doen alsof ik heel goed weet wie ik ben. Dan zou ik mijn afkomst negeren en de Indische gemeenschap waarschijnlijk een kleffe, benauwende kliek vinden die zich naar mijn mening teveel en te vaak aanstelt en bij mezelf denken:  ,,Ik doe toch ook normaal?” Dat zou pas erg zijn. En bovendien getuigen van weinig waardering (i.p.v. respect, zie mijn vorige verhaal) naar mijn familie en in het bijzonder mijn opa en oma. Een leven als Hollander is voor mij dan ook geen optie.  

Ik ben voor veel mensen die mij niet kennen, op het eerste gezicht, simpelweg een allochtoon. Dat weet ik zeker. Het is in het verleden een aantal keer voorgekomen dat ik, bij het betreden van een pizzeria, werd aangesproken in het Italiaans. Eenmaal heb ik een discussie gehad met een Italiaan, omdat deze man er zeker van was dat ik bij zijn volk hoorde. Toen durfde ik nog te zeggen dat ik toch zeker zelf wel wist wie ik was, maar sinds ik ben gevraagd om voor Indisch 3.0 te schrijven weten wij allen wel beter.  

Dat mensen mij soms zien als een Italiaan, Spanjaard of Braziliaan i.p.v. Indo is voor mij nog wel overkomelijk, want het levert soms leuke gesprekken op.  De manier waarop ik word benaderd is daarnaast vaak vriendelijk en onschuldig. Wanneer ik in het dagelijks leven echter word weggezet als Marokkaan of Turk, worden de reacties al een stuk minder aangenaam. Vroeger werd ik als kind af en toe uitscholden voor kankerturk of riep men: ,,Rot op naar je eigen land!” Eén keer ben ik na die laatste opmerking gaan inslaan op de roeper. Ik was twaalf jaar en totaal geen vechter (nog steeds niet), maar ik voelde zoveel onmacht. Ik was toch al in mijn eigen land? 

Dergelijke situaties heb ik ook als volwassene meegemaakt. Twee voorbeelden: Ik liep een keer in Groningen in een winkel met mijn koptelefoon op, maar had de muziek niet aan. Hoor ik achter mij een personeelslid tegen een collega zeggen: ,,Hou jij die Marokkaan met die oordopjes even in gaten?”  En toen ik twee kaalgeschoren mannen in bomberjack liet oversteken, terwijl ik voorrang had, riepen ze: ,,Bedankt hè, Mohammed!” Vooral het cynische toontje was erg naar. Aan de andere kant telt dit voorbeeld niet, want ik was zelf ook aan het generaliseren. In mijn hoofd had ik ze namelijk meteen bestempeld als skinheads.  

Dit alles heeft mij zo gevormd dat ik me nooit een echte Nederlander zal voelen. Mijn (Nederlandse) vrienden maken daar dankbaar gebruik van. ,,Kijk ons eens multiculti zijn met die allochtoon in ons midden…”

Mijzelf Turk of Marokkaan voelen is overigens geen optie. Ik ben opgegroeid met Turkse en Marokkaanse leeftijdgenoten en in hun ogen was ik toch de blanke Nederlander met een getinte huidskleur. Verder hou ik ook teveel van varkensvlees, maar dit terzijde.   

Zoals ik aan het begin al schreef ben ik onzeker. Volgens een psycholoog bestaat de kans er dat ik mezelf die onzekerheid, onhandigheid en faalangst heb aangeleerd. Als dat zo is, kan het dan ook zijn dat ik mezelf vroeger heb wijsgemaakt dat ik niet echt Nederlands ben? Of veel belangrijker: Dat ik niet Indisch ben. Voor alle duidelijkheid: De laatste vier jaar verkeer ik vanwege werkzaamheden steeds vaker in Indische kringen. Daarvoor was dat maar zelden.

In die periode moet ik mezelf hebben aangeleerd dat ik niet bij de Indische gemeenschap hoor. Altijd was er namelijk wel een moment waarop ik iets niet snapte. Een woord of een gerecht. Als ik vroeg naar de betekenis kreeg ik dikwijls te horen: ,,Als je dat niet weet ben je geen echte Indo.” Of: ,,Weet je dat niet? En jij bent Indisch?”  Dit heb ik ook vaak moeten horen: ,,Versta/praat je geen Maleis? Je bent toch Indisch?” Mijn vrouw zei trouwens onlangs dat ik op de laatste vraag had moeten antwoorden dat ik alleen Maleis praat tegen bedienden. Ik weet alleen niet of het een grap is of niet. 

Dat ik me nu realiseer dat ik mezelf heb buitengesloten van de Indische gemeenschap is evenmin grappig te noemen. Toch vind ik het vreemd dat men bij het raden van mijn roots nooit meteen Indisch zegt. Ligt dat nu echt aan mijn uiterlijk òf behoor ik tot een groep die in Nederland wordt gedoogd, maar niet gekend?

Zelfportret van een kunstenares

DSC_4423btfAls zelfstandige Indische kunstenaar, westerse vrouw, en ergens toch ook weer niet westers, voel ik me soms maar een vreemdeling. Zelfs een beetje ontheemd.  Dat is niet altijd zo geweest.

Als ik terugkijk naar mijn jeugd, was ik eigenlijk heel lang ‘onbewust Indisch’. De Indische cultuur van mijn grootouders, was in mijn opvoeding verweven en daarom altijd iets vanzelfsprekends. Maar ik wist niets van de Indische geschiedenis, van wat “Indisch” betekende of van wat mijn opa en oma in Indië hadden meegemaakt.

Toen ik wat ouder was vertelde mijn moeder me voor het eerst over de tijd dat mijn opa gevangen zat in het Jappenkamp. Het maakte me nieuwsgierig naar verhalen uit de geschiedenis van mijn grootouders, die ik niet kende. Omdat er niet veel over werd gepraat, ondernam ik een eigen ontdekkingsreis naar die verhalen. Het bracht me dichter bij hen en heeft de familieband versterkt.

In 2003 bezocht ik uiteindelijk voor het eerst Indonesië. Het raakte me. Ik merkte hoe verbonden ik me voel met het land, de cultuur en met de mensen daar. Regelmatig ga ik terug. Alsof ik iets gevonden heb, wat ik daar steeds weer moet achterlaten.

Dat zorgt bij mij af en toe voor verwarring: alsof ik met één been daar en met het andere been hier sta en in twee totaal verschillende werelden leef. Die verwarring heeft ervoor gezorgd dat mijn Indische afkomst een grote rol is gaan spelen in mijn werk als kunstenaar. Ik verbeeld wat ik niet kan verwoorden, en verwoord wat ik niet kan verbeelden.

Deze tekening laat een symbolische manier zien hoe mijn familieachtergrond mij bezighoudt, hoe het mij raakt en inspireert.

“Nederlands-Indonesische film” op het Nederlands Filmfestival

Maan260704kleinOp het Nederlands Filmfestival in Utrecht kreeg deze week de film Stand van de Maan van de Indisch Nederlandse regisseur Leonard Retel Helmrich speciale aandacht. Voor wie hem niet gezien heeft: Stand van de Maan is een “must see” documentaire over het leven van een gezin in Indonesië. De film, in 2005 uitgekomen als opvolger van Stand van de Zon (2002), won al vele (internationale) prijzen. Jaren geleden zag ik hem al eens en ook nu maakt hij op het grote scherm weer heel veel indruk. Ook de paar honderd andere aanwezigen zijn er stil van.

Het filmfestival vroeg voor het programma “De keuze van…” dit jaar een aantal schrijvers een keuze te maken voor zijn of haar favoriete film. Willem-Jan Otten koos “zonder dat ik hoefde na te denken” voor Stand van de Maan en zocht er een zelfgeschreven gedicht bij uit.

Op het podium van zaal 2 in het Rembrandt-theater op de Oude Gracht in Utrecht worden Willem-Jan Otten, Leonard Retel Helmrich en producent en co-scenarist Hetty Naaijkens Retel-Hemrich na afloop geïnterviewd door ex-jakhals Isolde Hallenleben die, hoor ik later in de foyer, ook een Indische achtergrond heeft. Terwijl het publiek nog aan het bekomen is van het laatste shot, legt Willem-Jan Otten uit waarom hij juist deze film koos: “Het is een film die iets doet wat weinig andere documentaires doen. Je bent observator, maar ook weer niet. Net als bij een speelfilm beleef je de film vanuit het perspectief van de mensen waar je naar kijkt. Dat is geweldig als je dat als filmmaker lukt. Tijdens de film slaagt Leonard er keer en keer in”.

De single-shot cinema techniek die Retel Helmrich zelf ontwikkelde, zorgt ervoor dat de filmmaker dicht op de huid van “z’n onderwerp” kan zitten en geweldige close-ups en bewegingshots kan maken. “Ik loop eigenlijk altijd met de kleine camera in mijn hand, ze zijn daaraan gewend. Doordat ze me dichtbij hen toelaten kan ik filmisch mijn gang gaan”.

De soms spectaculaire shots laten de ingrijpende gebeurtenissen zien in het leven van de familie. Voor Willem-Jan Otten is het mooiste shot de beroemde scène op de brug, even indrukwekkend als beangstigend. Het is een metafoor voor de moeilijke beslissing die Bakti, een van de hoofdpersonen uit de film, moet nemen. Terwijl we nog eens naar het beeld kijken draagt hij zijn gedicht “Om de Brug te zien”voor:

De oudste brug
is als geëtst
zo ijl en hangt
van daar naar hier
en hangt aan niets
dan aan je angst
dat er iets hangt
en wiegt nog na
van die al ging,
en wacht je op
en hangt maar klaar,
de eerste stap
maakt hier van daar

Voor Otten heeft de film een aparte plek heeft Nederlandse filmtraditie. “De beelden, de techniek, de hele manier waarop hij het onderwerp benaderd, zijn geweldig en voor mij ongeëvenaard”. Volgens Leonard is Stand van de Maan misschien eigenlijk wel een Nederlands-Indonesische film. “Want hoewel de regie en productie Nederlands is, werk ik in Indonesië met een geheel Indonesische crew.”

Het maken van de films neemt veel tijd in beslag: aan het derde deel, Stand van de Sterren, werken Leonard en Hetty inmiddels alweer een paar jaar. Ze zijn net begonnen met de montage in Amerika, waar Leonard aan Harvard een fellowship heeft. Samen met zijn team, waaronder ook Jasper Naaijkens, de zoon van Hetty, moet hij 400 uur ruw materiaal terugbrengen naar een film van zo’n anderhalf uur. Het zal ongetwijfeld een prachtig slotstuk zijn van een bijzondere trilogie. Uiteraard wordt deze derde film ook geproduceerd door Scarabeefilms die ook de film over contractpensions uitbracht. Voor de première streven ze naar het IDFA 2010 in Amsterdam.

Ik hoop het maar. Sinds ik Leonard en de familie uit de film eind vorig jaar in Jakarta ontmoette, toen het filmen nog in volle gang was, kijk ik al uit naar dat laatste deel. Tot eind volgend jaar zal ik het moeten doen met de dvd’s , een zakje emping en mijn kleine tvtje.