Koloniale sporen in India: Fort Cochin

Het Nederlands kolonialisme liet niet alleen in Indonesië, maar ook op andere plekken in de wereld zijn sporen na. Eerder vond ik Indische sporen in Zuid-Afrika en schreef ik over verrassende parallellen tussen de koloniale geschiedenis van Sri Lanka en Indonesië. Deze keer ga ik, op reis door het bijzonder mooie zuiden van India, op zoek naar erfstukken uit de Hollandse koloniale nalatenschap in Kochi.

Bazaar Road

Naast een overweldigende cultuur, duizelingwekkend mooie oude architectuur en goddelijk eten, stroomt India over van koloniaal erfgoed. Vooral uit de Britse tijd natuurlijk, maar ook uit de tijd daarvoor. In Fort Cochin, een wijk in de stad Kochi in Kerala, is het oudste koloniale erfgoed van India te vinden. Vóór de Engelsen waren het de Arabieren en de Chinezen die hier hun stempel drukten en de Portugezen en Hollanders die er – meer kwaadschiks dan goedschiks – handel kwamen drijven in vooral specerijen. Door het erfgoed uit al die windstreken is Fort Cochin een fascinerende curry van invloeden.

Fort Cochin is een fascinerende curry van invloeden

Sponzig
Het resterende koloniale erfgoed kraakt onder het gewicht van het genadeloze klimaat. Door de extreem hoge luchtvochtigheid zijn de muren van de meeste gebouwen sponzig en bedekt onder een laag mos. Er zijn oude statige huizen, waarvan alleen de gevel overeind staat, vervallen kerkjes met overgroeide begraafplaatsen en tochtige pakhuizen met namen uit lang vervlogen tijden. Maar ook al is de tijd dat de Portugezen, Hollanders en Engelsen hier heersten allang voorbij, de gebouwen ademen van onder het mosgroen nog steeds hun koloniale grandeur uit.

The Dutch Cemetery

Overwoekerde tombes
De bekendste Hollandse sporen zijn The Dutch Cemetery en The Indo-Dutch Palace. Als eerste ga ik langs het kerkhof. Om het te kunnen bezoeken moet je de sleutel vragen bij de beheerders van de St. Francis Church, iets verderop. Als de norse beheerder me het terrein op heeft gelaten speur ik langs tientallen overwoekerde tombes, maar of er inderdaad alleen maar Nederlanders liggen kan ik niet zien. De naamstenen liggen in St. Francis.

St. Francis Church
Terug naar de kerk dus, op zichzelf ook een mooi voorbeeld van koloniale grandeur. Het is de oudste Europese kerk in India en werd in 1503 door de Portugezen gebouwd als katholieke kerk. Toen de protestantse Hollanders in 1653 de macht overnamen sloopten ze gelijk maar alle katholieke kerken in Cochin. Behalve St. Francis Church, die werd tot een protestantse kerk omgedoopt.

Vasco da Gama ligt er al lang niet meer

Vasco da Gama
Bij de ingang staan de naamstenen van de tombes van de Dutch Cemetery, de namen nog maar net leesbaar. Op de vloer van de kerk liggen ook nog een aantal grafstenen, waaronder een met de naam van de bekendste zeevaarder van Portugal: Vasco da Gama. Hij stierf in 1524 in Cochin aan een ziekte en werd hier begraven. Maar hij ligt er al lang niet meer. Na een paar jaar werd hij naar Portugal gebracht.

St. Francis Church anno 1503

Houten stalletjes
De volgende ochtend ga ik al vroeg op pad naar Matancherry, de oude specerijenwijk. In deze wijk staat het Matancherry palace, beter bekend als The Indo-Dutch palace. Net na zonsopgang heeft Fort Cochin het decor van een spookstad. Maar even later bruist het met leven als de kleurrijke bevolking aan de dag begint. Slagers hangen grote hompen vlees aan roestige haken en fruitverkopers stapelen hun waar in krakkemikkige houten stalletjes. Ook zie ik tapijtknopers, automonteurs, kokosnoot-verkopers, bakkers, schroothoutverkopers en ga zo maar door.

Vervallen warenhuizen
De weg loopt via Bazaar Road. Op deze smalle, drukke straat staan oude, vervallen warenhuizen die aan de achterkant aan het water grenzen. Aan de voorkant lopen mannen in en uit oude om vrachtwagens en houten karren in- en uit te laden met juten zakken vol specerijen. Zo gaat dat hier al eeuwenlang. Vanaf de oude stenen kade, achter een van de oude pakhuizen, is het alsof er elk moment een houten zeilschip kan aanmeren vol uitgemergelde Europese zeelui met scheurbuik.

De Hollanders Waren Hier

The Indo Dutch Palace in Matancherry

Indo Dutch Palace
Het Indo Dutch Palace is helaas geen megalomaan paleis van een oude verdwaalde Indo, maar een oud en qua afmeting vrij bescheiden paleis van de Maharaja van Kochin. Als daad van goede wil werd het paleis in 1663 door de Hollandse kolonisten gerenoveerd en verfraaid. Vandaar de naam. Het is nu een museum en de uitstekende tentoonstelling over de turbulente relatie van het vorstenhuis van Kochi met achtereenvolgens de Portugese, Hollandse en Britse overheersers is een bezoek meer dan waard.

Verweerde VOC-wapens
En dat geldt voor heel Fort Cochin. Hoewel elke riksjasrijder wil je wel in een dag langs alle bekende plekken rijden, is het Fort een plek waar je het beste te voet en zonder kaart in kan verdwalen om je dagenlang te vergapen aan de koloniale erfstukken die hier letterlijk voor het oprapen liggen. En voor de speurneuzen onder ons: in het fort zijn ook nog allerlei koloniale sporen verborgen, zoals bijna verweerde VOC-wapens op groen bemoste muren. De Hollanders Waren Hier. Dat is zeker.

Koloniale sporen in Sri Lanka: Burgers en Buitenlui

Hollandse hebzucht en koopmanslust joeg boten vol (on)gezonde, blanke mannen de wereldzeeën over. Die VOC mentaliteit liet haar sporen na. De herinnering aan ruim driehonderd jaar Hollandse koopmansfurie is vastgelegd in talrijke oude forten en koloniale architectuur, generaties gemengdbloedigen, en talloze in de doofpot weggestopte kwesties van geweld en uitbuiting.

Tijdens mijn reizen naar Indonesië schrijf ik daar regelmatig over, maar de Nederlandse koloniale invloed was niet beperkt tot alleen Het Rijk van Insulinde. Op tientallen plekken in de wereld zijn koloniale sporen te vinden, die vaak verrassende parallellen vertonen. Eerder maakte ik al eens een uitstapje naar Zuid-Afrika. Deze keer ga ik op zoek naar koloniale sporen in Sri Lanka.

De eerste sporen vind ik in Fort, het historische stadsdeel in het noorden van Colombo. Vroeg in de 16e eeuw bouwden de Portugezen hier een handelspost, maar de VOC, koortsachtig op zoek naar handel in kaneel en andere specerijen, schopte ze er in 1658 uit. In 1796 werden de Nederlanders er op hun beurt weer uitgeknikkerd en ging Ceylon over in Engelse handen, tot de onafhankelijkheid in 1948. Maar anderhalve eeuw Nederlandse overheersing was lang genoeg om een blijvende stempel te drukken.

Dutch Period Museum - Colombo (c) Ed Caffin

In het Dutch Period Museum leer ik dat Ceylon, na Batavia, de belangrijkste handelspost was van de compagnie. De handel met Indië en Ceylon verliep echter veelal gescheiden. Schepen naar Indië voerden een zuidelijke koers, terwijl schepen naar Ceylon een meer westelijke koers voerden, langs Afrika. Er was ook niet veel VOC-verkeer tussen Ceylon en Batavia. Toch valt meteen op dat de koloniale sporen die de Hollanders in Sri Lanka achterlieten duidelijke parallellen hebben met die in Indonesië.

Zoals die in taal bijvoorbeeld. In het Singalees en Tamil zijn, net als in het Indonesisch, verschillende Nederlandse leenwoorden te vinden (pistool, aardappel en kakhuis bijvoorbeeld). En in de Sri Lankaanse keuken is de Nederlandse invloed ook nog altijd te proeven: in de meeste specialiteitenrestaurants kun je je te buiten gaan aan ijzer koekjes en frikkadels. Maar er gaat niets boven de traditionele Sri Lankaanse rice and curry.

De duidelijkste parallel is die tussen de Indo’s in Nederlands-Indië en de Dutch Burghers in Sri Lanka. Net als in Indië vermengden de Europese kolonisten zich – hoe kan het ook anders – al snel met de inlandsche bevolking en ontstond er een etnisch gemengde bevolkingsgroep. Deze ‘vrome burgers’ kleedden zich Europees en waren zonder uitzondering lid van de Nederlands hervormde kerk. Ook spraken ze een mengtaal, het Ceylons-Nederlands. In de Engelse tijd werden de Dutch Burghers officieel als aparte bevolkingsgroep erkend. Uiteraard bepaalde hun Europese achternaam hun positie en toekomst in de kolonie, net zoals bij de Indo-Europeanen in Indië.

De situatie veranderde radicaal toen Ceylon na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk werd en zich wilde distantiëren van de oude koloniale machthebbers. De nieuwe regering zou er voor zorgen dat de eeuwenlang onderdrukte Singaleze meerderheid het nu een stuk beter kreeg. Maar dat betekende ook dat de positie van Tamils en Burghers verslechterde, die in de ogen van de Singalezen door de Nederlanders en Engelsen waren bevoorrecht.

De rancuneuze Singaleze regering nam geen halve maatregelen: zo werd in 1956 de Sinhala Only Act aangenomen, die bepaalde dat het Singalees de eerste en enige officiële taal werd in Sri Lanka. Veel Burghers verloren hun baan, net als veel Tamils die het Singalees niet machtig waren. In de eerste jaren na de onafhankelijkheid verlieten veel Burghers Sri Lanka. Voor de Tamils liep de door de staat geleide onderdrukking en discriminatie slechter af: 30 jaar burgeroorlog bracht dood en verderf, maar weinig verbetering in hun situatie.

Gebouw van de Dutch Burgher Union in Colombo (c) Ed Caffin

Er leven nog altijd Dutch Burghers in Sri Lanka. Naar schatting zo’n 40.000, waarvan de meeste in Colombo. Sommigen heel licht en Europees van uiterlijk, andere donker gekleurd maar met blauwe ogen. Er zijn een aantal Burgher organisaties, zoals de Dutch Burgher Union die de geschiedenis hebben vastgelegd en al generaties lang zogenaamde stamboeken bijhouden waarin de genealogie tot eeuwen terug is na te lezen. Want ook al zijn de Hollanders met hun VOC mentaliteit ze allang vergeten, de Dutch Burghers zijn trots op hun afkomst. Ja, het zijn net Indo’s, die Burghers.

In beeld: Zuid-Sulawesi 2012

Locatie: Turatea, Jeneponto – Datum: 10 maart

Vrijheidsmonument, ter ere van de onafhankelijkheid van Indonesië (c) Ed Caffin

 

Anwar, 15 jaar en groot fan van het Nederlands voerbalelftal (c) Ed Caffin

 

Indonesië werd in 1945 onafhankelijk. Er woedde echter tot 1949 een bloedige strijd, waaronder in Zuid-Sulawesi. Een deel van die oorlogsgeschiedenis is door Nederland in de doofpot gestopt. Lees hier meer over de doofpot-affaire inzake Zuid-Celebes (nu Zuid-Sulawesi) en de publiekelijke oproep van I3-er Kirsten Vos om die doofpot eindelijk eens te openen.

 

Klappertaart

Op reis door Indonesië blijf ik gefascineerd door twee dingen: vulkanen en de Nederlandse invloeden. Ik kan onvermoeid staren naar prachtige vulkaantoppen en eindeloos lezen en me verbazen over wat er is achtergebleven uit de Hollandse tropentijd. Mijn vriendin, die deze interesses niet deelt, wordt er wel eens dol van: “Nee niet weer een vulkaan/museum/fort bekijken, toch?” Meestal moet ik dan alleen.

Ons zoontje van 2 leeft in constante verwondering en deelt gelukkig een van zijn fascinaties met mij: die voor vulkanen. Al noemt hij ze gewoon “bergen”. Maar van al die Nederlandse invloeden heeft hij nog geen idee. Van klappertaart bijvoorbeeld, heeft hij nog nooit gehoord.

Het recept van de oude Indische delicatesse van kokos, bloem, melk, boter en suiker is nog altijd zeer geliefd in de regio rond Manado in Noord-Sulawesi. Je vindt hem in allerlei varianten, klein en groot, en vaak met allerlei versiering op de bovenkant: rozijnen, nootjes, et cetera.

Op het vliegveld van Manado, wachtend op onze aansluitende vlucht naar Ternate, komen we ze natuurlijk tegen. Overal hangen reclameborden met daarop “Klappertaart”. Terwijl mijn zoontje wordt geobsedeerd door opstijgende en landende vliegtuigen en de bergen in de verte, werp ik een blik in een van de vele glazen vitrines. Ze zien er best smakelijk uit, die klappertaarten.

Ook in (Indisch) Nederland is klappertaart nog altijd een geliefd gerecht. Hoewel ik het me eigenlijk niet precies meer kan herinneren, heb ik het als kind meer dan eens gegeten. Op een van de “Gorontalo-reünies” bijvoorbeeld, die de Caffin-kant van de familie toen regelmatig organiseerde en waar tientallen families met wortels in Noord-Sulawesi op afkwamen.

De sfeer op die reünies kan ik me nog goed voor de geest halen. Al die Indische tantes die in prachtige schalen en kommen hun eigen lekkernijen hadden meegenomen. Uren hadden ze staan koken aan hun lievelingsgerecht, vaak trouw aan de streek waar ze geboren waren, maar met een onmiskenbaar “eigen” signatuur.

Terwijl het urenlange buffet in volle gang was, schuifelde ik tussen de schalen eten door en smikkelde ik van mijn zelfgekozen delicatessen: kue lapis vooral, net zo lang tot ik misselijk was. Ook vergaapte ik me aan de mooie afbeeldingen aan de muren van het grote Indische huis. Beelden van een land dat ik toen nog niet kende, maar waar ik later vaak heen zou gaan. Ik kon eindeloos staren naar de vergezichten met vulkanen. Die fascinatie moet toen begonnen zijn.

Dit keer, op het vliegveld van Manado, sloeg ik de klappertaart over. Het was, hoe Hollands, eigenlijk vooral de prijs die me tegenhield: 100.000 roepiah (8 euro) voor een stuk niet veel groter dan twee vuisten. Weet je wel hoeveel nasi gorengs je daarvan kunt eten? Het zullen wel vliegveldprijzen zijn geweest.

Straks in Nederland moet ik dan maar weer eens een stukje proberen. Misschien heb ik geluk, want naar verluidt komt er na jaren weer zo’n Gorontalo-reünie aan. Ik kan niet wachten om mijn zoontje naar het grote Indische huis mee te nemen en hem tussen de met eten beladen tafels door te zien lopen. Tante Hetty, maakt u klappertaart?

Moessoncolumnist Calvin Michel: Indisch in Indonesië

Moessoncolumnist Calvin Michel

Enige tijd schreef Calvin Michel de Wilde uit Indonesië columns voor Moesson. Misschien heb je er wel eens een gelezen… Calvin ontdekte kort geleden dat hij Indische roots heeft. In zijn columns in Moesson ging hij op zoek naar wat dat precies voor hem betekent. Wij waren benieuwd naar wat hij nog meer te vertellen heeft. Ed Caffin interviewde hem in Indonesië.

Header image foto: Hanneke Mennens voor Moesson

In je columns voor Moesson was je op zoek naar wat het betekent om Indisch te zijn in Indonesië. Kun je daar inmiddels al iets over concluderen?
‘Moeilijke vraag! Allereerst is in moderne Indonesië de term ‘Indisch’ eigenlijk niet meer zo gangbaar. Ook kent de jongere generatie de geschiedenis niet goed. Dat maakt het lastig voor jongeren met Indische roots om die als zodanig te herkennen. Bovendien is de term “Indo” inmiddels weggeraakt van zijn oorspronkelijke betekenis. Tegenwoordig betekent het dat je een gemengde afkomst hebt en dat een van de ouders een rijke expat is. Omdat je relatief weinig Indo’s tegenkomt, kennen de meeste mensen ze alleen als beroemdheden: de helft van de Indonesische soapies en filmsterren is van gemengd bloed. De term Indo wordt daarom meestal geassocieerd met iets elitairs. Dat vind ik heel jammer.’

Waarom vind je dat jammer?
‘Het is historisch gezien niet juist. De oudere generatie weet het verschil wel, maar de jongere generatie heeft geen idee. Ook leeft bij de jongere generatie de hardnekkige opvatting dat als je er niet Indo genoeg uitziet, je niet Indo genoemd mag worden. Die mythe zou ik graag de wereld uithelpen.’

Op welke manier heb je het over je Indisch-zijn met anderen?
‘Doordat ik ben opgegroeid als lid van de Chinese gemeenschap, een belangrijke minderheidsgroep in Indonesië, was het makkelijker voor me om me te identificeren met de Indogemeenschap toen ik mijn Indische roots ontdekte. Mijn Chinese achtergrond heeft vroeger nooit aandacht gekregen, mijn familie heeft veel van die cultuur losgelaten. Zo heb ik bijvoorbeeld geen Chinese naam gekregen. Ik zou niet willen dat hetzelfde gebeurt met mijn Indische achtergrond. Die wil ik graag levend houden.’

Moessoncolumnist Calvin Michel
Calvin Michel in Indonesië

Hoe doe je dat dan?
‘Ik vind het Indische inmiddels een belangrijk onderdeel van mijn identiteit. Maar veel van mijn generatiegenoten met Indische roots weten hier niets van. De oudere generatie heeft weinig van de Indische identiteit en het culturele erfgoed doorgegeven. Jongere Indo’s zoals ik moeten dat zelf ontdekken. En het is vervolgens aan ons om die Indische identiteit levend te houden. Al is het maar op een symbolische manier. Ik probeer dat op mijn manier in ieder geval te doen. Ik ben bijvoorbeeld van plan Nederlands te leren en ga een boek te schrijven over de geschiedenis van mijn familie zodat mijn kinderen daar later over kunnen lezen. En wie weet geef ik ze wel een Nederlandse naam!’

Tot slot: wat doe je naast het schrijven voor Moesson?
‘Ik werk nu als onderzoeksanalist bij een bedrijf in Jakarta. Ik heb International Relations gestudeerd en zou later graag nog een postgraduate studie International Relations of Economic Development willen doen. Ook wil ik blijven schrijven over de Indische geschiedenis en cultuur. Daar is nu te weinig aandacht voor in Indonesië vind ik. Ik wil bijvoorbeeld graag dat belangrijke gebeurtenissen als de bersiap en de repatriëring in de Indonesische geschiedenisboeken komen. Ik schrijf voor een Engelstalige Indonesische krant en dat is een mooi podium om hier aandacht voor te vragen.’

Wil je meer weten van Calvin? Zijn columns verschenen elke maand in Moesson. Je kunt ook contact met hem opnemen: calvinmichel@gmail.com

Duit, Handuk, Buncis en Knalpot

Als gevolg van 350 jaar Holland in de Tropen zijn veel woorden uit onze taal aan het Indonesisch blijven kleven. In totaal bevat het Bahasa Indonesia een paar duizend leenwoorden uit het Nederlands. Op reis door de archipel merk je dat direct. Maar niet alleen in het standaard Indonesisch zitten Nederlandse woorden, ook in het Javaans, Sundanees en Manadonees hoor je bekende woorden terug. En natuurlijk in het Bahasa Gaul, waar ik eerder over schreef. Al moet je soms wel goed luisteren om de woorden te herkennen.

Zo had ik een paar reizen naar Indonesië nodig voor ik doorhad dat het woord permak, wat opknappen betekent, komt van het Nederlandse “vermaken” en wordt gebruikt als je iets wil repareren. Nog zo een: duit (spreek uit: doe-iet), wat een ander woord is voor “geld”, komt van het Nederlandse “duit”. Duurde bij mij even voor het kwartje viel…

Het is sowieso wat lastiger geworden om Nederlandse woorden te herkennen doordat de spelling van een aantal gangbare lettercombinaties in de loop van de tijd is veranderd. De “tj” werd “c”, de “j” werd “y” en de “oe” werd “u”. Handuk was eerst gewoon handoek, en peci (spreek uit pe-tjie), het woord voor het door moslimmannen gedragen hoofddeksel, gewoon petje.

Maar er zijn nog veel woorden één op één te herkennen, zoals het woord buncis, afkomstig van “boontjes”, en koki van het Nederlandse “kokkie” of “kok”. Je weet wel, die persoon die elke avond eten bereidde terwijl de Hollander op de veranda dronk uit een kokosnoot (is kelapa, weer van het Nederlandse “klapper”, of was het andersom?) en aspal, afkomstig van “asfalt”.

“Wel handig zoveel Nederlandse woorden”, hoor ik een aspirant Indonesiëreiziger wel eens zeggen. Helaas is er weinig hoop voor mensen zonder talenknobbel. Met alleen Nederlands kom je namelijk niet zo ver. Behalve als je brommer- of autopech hebt,  en dan alleen als je problemen hebt met je ban, setir, persnelling, kopling of knalpot.

De “Nederlandse” woorden worden bovendien vaak net anders uitgesproken en welke variant je hoort, hangt af van de plek. In West-Java bijvoorbeeld, en dan vooral rond Jakarta, wordt het woord preman gebruikt om kleine straatcriminelen aan te duiden. Dat woord komt weer van “vrij man”. Oftewel, vrije jongen.

In Makassar in Zuid-Sulawesi hoorde ik een paar jaar terug een van de leukste voorbeelden van ver-indonesisch-t (hoe schrijf je dat eigenlijk?) Nederlands: iedereen gebruikte als stopwoordje aan het eind van de zin ‘Ya toh?’ Uiteraard afkomstig van het Nederlandse “ja, toch?” Ik schoot er steeds van in de lach tot ik het na anderhalve week zelf ook deed en het duurde een hele tijd voor ik het weer kwijt was.

Natuurlijk zijn er andersom in het Nederlands ook veel Indonesische woorden. Daar zou ik eigenlijk een aparte blog aan kunnen wijden. Toch een paar… “Met je blote kakkies lopen”, komt van het Indonesische woord kaki, wat voet betekent. “Dat is iemands pakkie-an”, komt van het woord bagaian, wat “deel” of “aandeel” betekent. Oh ja, en natuurlijk “amok maken”, van het Indonesische amok, wat ruzie betekent.

Bij ons wordt het vernederlandste Indonesisch natuurlijk nog wel in de oude spelling geschreven. Wij noemen kroepoek tenminste nog gewoon kroepoek! Daar voelen wij ons meer senang bij, ya toh?

Het einde van Rawagede

Na jaren procederen kregen zeven weduwen uit Rawagede afgelopen september eindelijk goed nieuws: de Haagse rechtbank stelt de Nederlandse staat aansprakelijk voor de dood van hun mannen in 1947. Er moet een schadevergoeding worden betaald. Ook komen er, precies 64 jaar na dato, officiële excuses voor de massamoord in het Javaanse dorp. Het verhaal Rawagede lijkt daarmee eindelijk ten einde. Een einde waarmee een bloedrode schandvlek in de geschiedenis is opgedroogd.

Vandaag, tijdens de jaarlijkse herdenking van de executie in Balongsari, zoals Rawagede al jaren heet, zal de Nederlandse ambassadeur de excuses overbrengen in een speech bij het monument ter nagedachtenis aan de honderden slachtoffers. Met zorgvuldig gekozen en gewogen woorden. Woorden met veel betekenis, vooral voor de handvol toehoorders in het publiek die het drama zelf meemaakten. Oude mensen nu.

Met deze excuses kan het boek voor hen eindelijk dicht. Daar hadden ze al heel lang behoefte aan. Een schadevergoeding hoefde niet per se, hoewel dat de laatste jaren van hun leven ongetwijfeld wat aangenamer zal maken. Waar zij vooral al heel lang behoefte aan hebben, is excuses en verzoening. Daar moesten ze zelf voor strijden, want vanuit Nederland kwam al die tijd geen bericht.

En dat is helaas geen nieuws, want als het om zwarte passages uit het eigen verleden gaat, houdt Nederland immers altijd de boot af. Toen de nabestaanden vorig jaar met steun van het Comité Nederlandse Ereschulden naar de Nederlandse rechter stapten, verweerde de Nederlandse Staat zich door de misdaden verjaard te verklaren. Volgens de landsadvocaat was er daarom geen aansprakelijkheid mogelijk. Punt.

Nu de Haagse rechter anders heeft besloten en de claim op verjaring onredelijk acht, gloort er eindelijk hoop op enige genoegdoening. Hoewel er vandaag excuses worden uitgesproken, is in juridische zin de erkenning van verantwoordelijkheid pas definitief als Nederland niet in hoger beroep gaat. Laten we hopen dat dat inderdaad niet gebeurt, daarmee zou de polderhypocrisie het kookpunt immers overstijgen.

Dat Nederland zijn ereschulden pas inlost als comités of nabestaanden naar de rechter stappen, geeft te denken. Te lang bleef erkenning van misdaden, fouten en nalatigheden uit, vooral als het om het koloniale verleden gaat. Desondanks zal de gemeenschap van Balongsari de excuses van vandaag accepteren. Maar het heeft te lang geduurd. Bijna langer dan een mensenleven.

Voor Pak Saih Bin Sakam, de enige overlevende van de massamoord komen ze in ieder geval te laat. Hij overleed begin dit jaar op 88-jarige leeftijd in het dorp waar hij zijn leven lang woonde. Precies drie jaar geleden ontmoette ik hem op de plek waar ooit zijn leven opnieuw begon. Hij stond tegenover me, omringd door kinderen en lachte. Nooit zal ik vergeten hoe hij sprak, zonder wrok en met een aanstekelijk optimisme. Volgens hem zou deze dag ooit komen. Hij had gelijk. Eindelijk dan. Eindelijk is het zover.

Indo Tattoos

Backpiece Mareh

Indo Tattoos. We schreven er een aantal jaren geleden al een kort artikel over: Op zoek naar symbolen voor Indo’s. Veel Indische jongeren met tatoeages kiezen voor een of meerdere afbeeldingen die iets te maken hebben met hun Indische achtergrond. Daarbij is het niet altijd eenduidig welke afbeeldingen wel, en welke juist niet geschikt zijn. Oosterse tekens of het Indo-symbool dat “bekende Indo” Paatje Phefferkorn in de jaren ’80 ontwierp zijn populair. Maar of je een “Indonesische” Garuda mag laten tatoeëren? Daar is niet iedereen het over eens.

In de Moesson van deze maand staan twee voorbeelden van tatoeages van Indische jongeren. In deze reportage lees je wat jongeren er zelf nog over zeggen.

Op Hyves zijn er verschillende pagina’s waarop jongeren hun tattoos laten zien en bespreken. Als je deze pagina’s als uitgangspunt neemt, lijken veel Indische jongeren er wel “iets” mee te hebben. Ze gebruiken een tatoeage vaak om de eigen Indische achtergrond te benadrukken. Bovendien: “tattoos horen bij de Indische cultuur” lijkt hier de onderliggende boodschap.

Het hebben en showen van een tattoo is bij uitstek een “ding” van jongeren. Was je een decennium of twee geleden nog een aso met een tattoo, en bij sommige ouderen nog steeds, onder jongeren is het meestal cool om een “plaat” ergens op je lijf te hebben. En dat moet natuurlijk gezien worden.

Zo vindt Marvin (28) het design van zijn tatoeage erg mooi, maar het gaat uiteindelijk ook om de betekenis. Niet toevallig iets Oosters; hij liet een tattoo zetten van een lotusbloem. Deze bloem staat symbool voor ‘leven’ in de Oosterse wijsbegeerte van het Boeddhisme.

Tatoo Foto

Benjamin (27) heeft ook een lotusbloem laten tatoeëren. Bij hem draait het echter meer om het gebruik van kleuren. Zo staat rood  voor de liefde, paars voor de duisterheid en blauw voor openheid. Deze kleuren staan symbool voor de fases in zijn leven, maar tezamen in de bloem staan deze symbolisch voor het gegeven dat alles uiteindelijk goed komt. Verder heeft hij de naam van zijn dochter dicht bij zijn hart laten plaatsen.

Tatoo Foto

Een tattoo is soms misschien gewoon een mooi of leuk plaatje, maar vaak is het een symbool die een persoonlijke betekenis voor iemand heeft. Het ultieme persoonlijke statement. En ja, natuurlijk doet het wel een beetje pijn een tattoo te laten zetten. Vooral op plekken waar je huid dun is, zoals aan de binnenkant van je armen of in je nek. Maar, dat is de moeite waard, want “tattoos zijn cool”.

De meesten jongeren hebben zich vast wel eens afgevraagd: moet ik er een? Op de redactie stellen we ons die vraag natuurlijk ook. De komende tijd zullen we daarom regelmatig aandacht gaan besteden aan het onderwerp tatoeages. Dat zullen we op allerlei verschillende manieren gaan doen.

We zijn daarbij ook benieuwd naar onze lezers. Misschien heb je zelf een tattoo of ken je iemand in je Indische kring met een tattoo die iets te maken heeft met zijn of haar Indische achtergrond? Laat het ons weten! Stuur een foto en het verhaal erbij op naar redactie@indisch3.nl en wie weet komen we je interviewen of publiceren we de foto’s.

Toko Test # 8: Toko Indo Jaya in Amsterdam

Voor de derde keer proeft een I3-testteam voor de rubriek de Tokotest een toko in de hoofdstad. Dit keer Indo Jaya op de Van Woustraat in de Pijp. In de IENS-toplijsten van 2010 is de toko te vinden op plek zes van de beste restaurants in Noord-Holland en “het beste Indonesische afhaalrestaurant” van Amsterdam. Hoog tijd om eens te gaan proeven.

Testteam: Patrick Neumann, Ulrike de Wreede en Ed Caffin

Het testteam treft elkaar voor de deur van Indo Jaya op een snikhete dag die zich leent voor een lichte maaltijd met verkoelende drankjes in een park. Het nuttigen van een goede Indonesische maaltijd bij een tropische temperatuur is  dus eigenlijk precies zoals het hoort. Bij Indo Jaya liggen heerlijke gerechten uitgestald, in de keuken wordt volop  gekookt. Het is binnen warmer dan buiten. De klanten komen een voor een binnen.

Omdat we veel willen proeven bestellen we de gerechten per ons. Het is echter wel goedkoper om ze in menu-variant te bestellen, worden we gewaarschuwd. Inderdaad, een Nasi rames met 2x vlees 1x groenten, of 2x groenten 1x vlees kost slechts 8,50 euro.

We bestellen als eerste twee ons van 3 verschillende groentengerechten: Tumis boontjes (mild gekruide sperzieboontjes met wortel), Sajoer Lodeh en de huisspecialiteit, Choi Sam in een soort lichte boullion. Ook doen we nog een bakje met Tempeh Ketjap. Dan kiezen we drie vleesgerechten: Rendang, Daging Smoor (Smoor jawa) en Ajam Ritja, Ritja, kippenboutfilet in hete saus. Ook nemen we twee visgerechten mee; Ikan Atjar, gebakken makreel in zoetzure saus met groene pepers en wortelen, en Udang Peteh, gebakken garnalen in sambalsaus met petehbonen. Daarbij witte rijst en nasi goreng en wat spekkoek toe.

Met een volle tas lopen we naar buiten. De hitte drijft ons naar een park in de buurt, waar we de andere parkgangers verrassen met de verzameling bakjes die we op ons kleed uitstallen. Het is hoog tijd om te proeven. De huisspecialiteit Choi Sam, toch niet een heel spannend ogend gerecht, is verrassend lekker. De bouillon smaakt iets te zout, dat is wel jammer. De Tumis boontjes is ook geen avontuurlijk gerecht, maar smaakt prima. De boontjes en worteltjes zijn goed qua beet en lekker mild gekruid. Op de Sajoer Lodeh en Tempeh ketjap tenslotte valt niets aan te merken. Goed bereid en prima op smaak. De vegetariër in ons gezelschap heeft niets te klagen.

Dan de vleesgerechten. Om te beginnen de Rendang en Daging Smoor. De kerrie en kokos in de Rendang zijn perfect op elkaar afgestemd maar het vlees is net iets te droog. Dat geldt ook voor de Daging Smoor: de zoete ketjap saus is fantastisch, maar het vlees had malser gemogen. De Ajam ritja ritja is niet te pittig en lekker van smaak, hoewel de smaak van het citroengras wat overheersend is.

De visliefhebbers kunnen met de Ikan Atjar en de Udang Peteh hun hart ophalen. De makreel valt makkelijk van de graat en combineert heel goed met de zoetzure Atjar. De garnalen zijn heel pittig, je moet er tegen kunnen, maar een hoogtepunt voor wie er van houdt.

Alles bij elkaar zijn we onder de indruk van het eten van Indo Jaya. Wat we vandaag geprobeerd hebben, smaakt heel gezond en lijkt gemaakt met de grootst mogelijke liefde voor eten. Ondanks dat de afstemming van de smaken soms wat uit balans leek en het vlees wat droog was, was het zeer de moeite waard.

Voor het lekkere eten van Indo Jaya kun je in de Pijp terecht, maar ook in IJburg. Sinds december 2008 heeft de toko daar nieuwe vestiging geopend. Voor zover we dat al niet wisten: Amsterdam heeft werkelijk niets te klagen over Indisch en Indonesisch eten. Onze beoordeling:

 

 

 

 

Voor meer informatie check de website van Indo Jaya: http://www.indojaya.nl en volg Indo Jaya op Facebook

Fotoreportage Kumpulan I3@KBRI

Op de kumpulan op de Indonesische ambassade ter ere van het 3 jarig bestaan van Indisch 3.0 en het naderende afscheid van hoofdredacteuren Kirsten Vos en Ed Caffin maakten fotografen Tabitha Lemon en Armando Ello beiden een mooie fotoserie. Hieronder een korte impressie.

Bekijk de hele serie van Tabitha in het album op de Indisch 3.0 Facebook-pagina en klik voor Armando’s serie naar zijn eigen Facebook-album.

(c) Armando Ello
(c) Armando Ello
(c) Tabitha Lemon
(c) Armando Ello
(c) Tabitha Lemon
(c) Armando Ello
(c) Tabitha Lemon