‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.

Indisch bestaat (straks niet meer)

Amsterdam, 12 maart 2008
door Ed Caffin

Sommige Indische mensen, en ook anderen overigens, denken dat de Indische cultuur en identiteit ophoudt te bestaan. Ik denk het niet. Sommigen vinden dat je de oorlog meegemaakt moet hebben om Indisch te kunnen zijn. Dat vind ik niet. Anderen houden vast aan nostalgie en voelen heimwee naar het Indië van toen. Soms moeten ze niets hebben van het huidige Indonesië of zijn daar nooit geweest. Ik vind nostalgie een heerlijk gevoel, en op mijn manier voel ik dat ook als ik de oude foto’s bekijk van mijn grootouders. Maar ik vind Indonesië fantastisch, sterker nog, ik ga er vaak heen. Daarna heb ik een tijdje heimwee.

Uiteindelijk vind ik de vraag of de Indische cultuur en identiteit blijft bestaan niet relevant. De vraag moet volgens mij anders worden gesteld: “blijft de Indische cultuur en identiteit in zijn huidige vorm bestaan?” Het antwoord is voor mij simpel: “Nee”. Als de huidige vorm inderdaad betekent: nostalgie, heimwee naar Indië en trauma over het geleden oorlogsleed dan is dat binnen een jaar of twintig wel zo’n beetje voorbij. Maar het traditionele Indisch zijn wordt de laatste jaren omgevormd tot iets anders. Oftewel, de Indische identiteit en cultuur leeft voort in de generatie Indo’s die nog weten hoe het bij hun grootouders thuis was en die opgroeiden in een ‘goed aangepast’ en ‘bijna Nederlands’ gezin, met over het algemeen (een) zwijgzame ouder(s) als het het Indisch zijn betreft. Zoals ik. En die generatie herformuleert het Indisch zijn de laatste jaren in iets anders en uiteindelijk in iets nieuws.

“Hoeveel procent Indisch ben jij?” Ik zeg dan altijd : “50%. Vader is Indisch, moeder Nederlands”. Halfbloed? “Nee, dubbelbloed dus”. Maar ik zou net zo goed 75% of 25% kunnen zeggen , want zit het Indische wel in je genen? Je ziet het in ieder geval niet meteen aan me. Aan mijn vader zie je het wel. In een Indische toko is hij door zijn uiterlijk en zijn stille karakter al snel een met het omgeving, maar ik maak weer veel eerder een praatje met de vrouw achter de balie. Niet in het Maleis dan, maar in Bahasa Indonesia. Geleerd op reis en uit boekjes. Ik kan wel goed djonkok zitten trouwens. Vinden ze heel normaal in Indonesië. In Nederland ken ik bijna niemand die dat ook kan.

Hoe zit het met die veranderende Indische identiteit dan precies? Er zijn Indo’s die zich helemaal niet Indisch voelen en zich er ook niet voor interesseren. Voor mij geldt dat ik me na mijn eerste reis naar Indonesië ben ik me een stuk meer Indisch ben gaan voelen. Er was herkenning en ik ging me meer verdiepen in de Indische geschiedenis door zelf dingen uit te zoeken en te lezen. Ironisch eigenlijk. Terwijl het mijn vaders generatie werd afgeleerd heb ik me het Indische weer op eigen houtje aangeleerd. Tenminste dan, op mijn manier. Op zijn slechtst een manifestatie van reisromantiek in mijn Indische geworteldheid. Op zijn best een manifestatie van mijn Indisch zijn in het herkennen van de oude verhalen in de sfeer van Indonesië. En de grote nieuwsgierigheid.

Soms denk ik; ik ben eigenlijk Indischer dan mijn vader. Hij spreekt nauwelijks meer een woord Maleis en weet nog van lang geleden hoe het was een kind van de tropen te zijn. Stiekem denk ik dat hij er nooit aan kon wennen; altijd sokken aan in bed. Ik trouwens sinds een tijdje ook. Voor mij zijn de tropen al een beetje een warm thuis geworden, en is thuis soms maar vreemd en koud. Ik denk dat ik eigenlijk ook Indischer ben dan mijn broers, terwijl ze er net zo veel (of zo weinig) van hebben meegekregen als ik. Ik ben geinteresseerder en ga veel naar Indonesië – en dan ook het liefst zo lang mogelijk.

Voor veel ‘derde generatie’ Indo’s betekent Indisch zijn weer heel iets anders. Sommigen gaan naar zogenaamde Indo’s party’s of verzamelen zich in clubs op internet. Samen met andere Indo’s feesten. Do’s en dont’s uitwisselen voor echte Indo’s. Dat doe ik niet. Sommigen vinden dat je niet met de Indonesische vlag mag lopen omdat “het een symbool is van het regime dat onze voorvaderen op de boot zette naar Nederland”. Dat vind ik niet. Anderen verdiepen zich in de Indische geschiedenis en gaan graag op vakantie naar het huidige Indonesië.

Hoe het Indisch zijn ook tot uitdrukking komt, het leeft bij een steeds actiever en meer bewust wordend deel van de grotendeels volwassen geworden derde generatie. Misschien gaat het op den duur wel bij hen meer leven dan bij de tweede generatie. Maar hoe dan ook zal de toekomst van de Indische identiteit uiteindelijk in andere dingen gaan zitten dan in hoe het ooit was in tempo doeloe of in het moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur. Dat hoeft niet meer.

Als ik naar me zelf kijk hoop ik dat het de richting in zal gaan van een levendige, moderne en open identiteit, zonder wrok, verdriet en al te veel nostalgie. En waarin interesse voor en kennis van de Indische geschiedenis samengaat met fascinatie en liefde voor Indonesië. Omdat daar, hoe je het ook bekijkt, zoveel verbondenheid mee is. Ik zie dus een identiteit voor me met een dubbelde geworteldheid : een deel in het Westen en een deel in Indonesië. Immers, was dat gegeven ook niet precies wat een Indo een Indo maakt?