IDFA 2010: het succes van een Ind(ones)ische familie.

Na twaalf dagen vol met de meest uiteenlopende documentaires werd IDFA 2010 afgelopen weekend feestelijk afgesloten. De in totaal 280 films die er te zien waren, zorgden voor meer bezoekers dan ooit. Het festival behoort inmiddels tot de belangrijkste in de wereld. Voor de film Stand van de Sterren (Position of the Stars) van de Indische filmmaker Leonard Retel Helmrich was het een festival met een goud randje. De film won maar liefst twee prijzen: VPRO IDFA Award for Best Feature-Length Documentary en de IDFA Award for Dutch Documentary. Een ongekend succes.

De concurrentie was deze jaargang evenwel groot. Er waren vele prachtige, en ook belangrijke documentaires te zien. Het indringende Armadillo bijvoorbeeld, over de steeds zinlozer lijkende oorlog in Afghanistan, maakte indruk. Maar ook het schokkende verhaal van de Canadese gevangene Omar Khadr in You Don’t Like the Truth – 4 Days in Guantánamo was zeer indrukwekkend. In de discussie na afloop benadrukte Last van Troost van Amnesty International nog maar eens dat de sluiting van Guantánamo Bay -ondanks eerdere beloften van president Obama- nog altijd geen feit is. De film won de Special Jury Award.

Ook de indringende film Addicted in Afghanistan, over twee aan heroine verslaafde pubers in Kabul, is een film om niet snel te vergeten. Andere opvallende films dit jaar waren Waste Land, over recyclekunst, en Autumn Gold, een mooi portret van een groep atleten van hoge leeftijd, respectievelijk nummer 1 en 2 in de publiek-top 20. Een van mijn favoriete documentaires dit jaar was echter Marathon Boy, dat het even wonderlijke als grimmige verhaal vertelt van het kleine Indiase loopwonder Budhia Singh en zijn coach Biranchi Das. De film eindigde op de tweede plaats in de Best Feature-Length Documentary-competitie.

Leonard, Hetty en Jasper nemen de prijs voor Best Feature Length Documentary in ontvangst op IDFA

Uit al die mooie en belangwekkende documentaires werd Stand van de Sterren als beste gekozen. Het juryrapport was lovend. Volgens de jury vertelt de film over de “een relevant en tijdloos verhaal door middel van unieke cinematografische waarnemingen”. Dat is niets teveel gezegd. Met de zelf ontwikkelde single-shot techniek vertelt Retel Helmrich in prachtige beelden het tragische, komische en dan weer ontroerende verhaal verteld van een bijzondere familie.

De hoofdprijs winnen op IDFA is een geweldige prestatie. Het was alweer 6 jaar geleden dat een Nederlandse filmmaker dat deed. En… ook toen was dat Leonard Retel Helmrich met Stand van de Maan. Tweemaal de hoofdprijs winnen was nog geen enkele filmmaker gelukt.  Het succes van Stand van de Sterren is echter niet het succes van één man, maar van een hele familie. De film is zelfs een heuse “Indische co-productie”: zus Hetty Naaijkens Retel Helmrich (Contractpensions) produceerde de film en neef Jasper Naaijkens deed de montage.

Samen namen ze de prijs op vrijdag 26 november in de Escape in Amsterdam in ontvangst. De familie gloeide van trots om “de erkenning voor de complete trilogie die begon met Stand van de Zon”. En die erkenning brengen ze ongetwijfeld over aan de familie Sjamsuddin in Jakarta.

Stand van de Sterren is vanaf begin maart te zien in de Nederlandse bioscopen. We zullen tegen die tijd berichten over de bioscoop-premiere.

Indisch3.0 even op zwart in de donkere decemberdagen

Indisch 3.0 gaat even uit de lucht

Volgers op Twitter en Facebook weten het al een tijdje: achter de schermen werken we hard aan het lanceren van een compleet nieuwe versie van www.indisch3.nl. Om deze heuse transformatie goed te laten  verlopen, zal www.indisch3.nl tussen 3 en 8 december a.s. uit de lucht gaan. Op ‘zwart’, zeg maar. Bezoekers die tussen 3 en 8 december 2010 naar Indisch3.0 surfen, zullen uitkomen op een tijdelijke opvangpagina.

Sinds onze lancering in april 2008 zien we een enorme groei van bezoekers. Indisch 3.0 mag maandelijks minstens 3.000 unieke bezoekers ontvangen. Van deze bezoekers komt 37% minstens 1x terug. De site heeft inmiddels 2.000 hits per week, evenveel als zij twee jaar geleden in een maand had.

De groei is waarschijnlijk te danken aan de opkomst van Facebook en Twitter, de groei van het aantal redacteuren, het grotere aantal blogposts en de toenemende bekendheid van Indisch Nederland met Indisch3.0.

Dankzij deze groei ontmoeten we steeds meer mensen die een mening over onze website hebben. Veel gehoord is dat nieuwe bezoekers, die ons niet uit ‘het wereldje’ kennen, zich afvragen wat we nou eigenlijk doen. “Zijn jullie een vereniging, een blad, wat doen jullie?”. Feedback van een andere orde is “Eindelijk een Indische website met wat intelligentie.”

Wat zowel bezoekers als de redactie mateloos stoort, is de, tja, saaiheid van de website. Inhoudelijk moet je als bezoeker wel erg betrokken zijn om na het lezen van één artikel niet meteen af te haken. De huidige opzet nodigt niet erg uit tot bladeren. Dat gaan we dus anders doen.

Heb jij nog andere tips, suggesties of wensen? Laat je hartekreet achter, dan kijken we wat we voor je kunnen doen!

MIX – Jongeren in Nederland

Herkenning en ‘Aha!’

MIX gaat verder dan Indisch. Het boek kwam in juni van dit jaar al uit. Met spijt plaats ik nu pas een recensie over deze indrukwekkende publicatie. Sterker nog, ik had gewild dat ik dit boek drie jaar geleden had gevonden. Want ik herken zó veel: over mezelf, uit discussies over de multicultisamenleving én uit gesprekken met Indische jongeren.

Claudia van Oortmerssen (foto: Venus Veldhoen). Bron: uitg. de jonge hond

MIX is de publicatie van het project Beyond the mix, van Forum (een instituut voor multiculti Nederland). In dit project staat de vraag centraal hoe mensen zelf, maar ook hun omgeving, omgaan met meerdere etnische identiteiten.

Wat is, na het lezen en bekijken van MIX voor mij de grootste les? Iedereen met een dubbele identiteit doet daar iets mee. Ga maar na: zelfs als je je tweede identiteit afwijst of ontkent (of dat nou de Indische is of de Nederlandse), je maakt een keuze om iets te doen.

Wat vond ik het meest verrassende inzicht? Dat is dat je uiterlijk die keuze beïnvloedt. Heb je een zichtbaar tweede identiteit, dan heb je het drukker dan iemand met één identiteit. Ben je een blonde Indo, of een kind van een Zweedse en een Nederlandse, dan zal je minder snel de vraag krijgen ‘Waar kom jij vandaan?’ dan een kind van een Afro-Amerikaanse en Nederlandse ouder.

Fascinerend is hoe Captain en Stam, maar ook Guno Jones later in het boek, de veranderingen in het concept gemengdheid bespreken. Tot de komst van de Indische repatrianten bijvoorbeeld, betekende gemengd zijn in Nederland een huwelijk tussen een protestant en een katholiek. Guno Jones gaat dieper in op zulke maatschappelijke ontwikkelingen en bespreekt ook “ongelijkwaardig seksueel burgerschap”, voor mij een eye-opener: alleen witte, heteroseksuele mannen hebben altijd de vrijheid van eigen partnerkeuze gehad.

Calvin Voll (foto: Morad Bouchakour). Bron: uitg. de jonge hond

Ik haal een voorbeeld van Jones aan. In Nederlands-Indië kon een Hollander met een inlandse trouwen, zijn kinderen konden het Nederlands  staatsburgerschap krijgen (als hij ze erkende). Maar andersom? Een blanke Hollandse vrouw die met een kampung Indo trouwde? Die kreeg het zwaar voor haar kiezen.

En, vooruit, een tweede voorbeeld: tot in de jaren ’80 was het in Nederland zo geregeld dat een kind, in Nederland geboren, bij een Nederlandse moeder en een buitenlandse vader, niet de Nederlandse nationaliteit kon krijgen. Was de moeder echter buitenlands en de vader Nederlands, dan kon het wel.

Het boek heeft maar een paar artikelen die mij minder aanspreken, zoals dat van Novaire (mij te voorspelbaar) en het overwegend politiek-correcte geneuzel van Maayke Botman (‘..elk lichaamsdeel krijgt een raciale betekenis. Dat noem ik raciale fragmentatie.”).

Jongeren, Indisch of niet, kunnen uit MIX niet alleen beter begrijpen wat ze met al hun identiteiten kunnen doen, maar ook wat het betekent om een ‘multiraciale’ relatie te hebben. Daardoor is MIX relevant voor het begrijpen van jezelf in de context van vroeger en nu, je ouders en grootouders in de context van toen, en jezelf en je partner in de context van morgen.

Mijn favoriete opmerking uit het hele boek? Goed, daar sluit ik dan mee af. Ik ben benieuwd wat jullie daarvan vinden. “In mijn klas zijn ze wel eens jaloers op me, omdat mijn ouders uit twee verschillende landen komen” – Jonas Mouzouni ( 7 jaar).

IDFA Masterclass van Leonard Retel Helmrich

Dit jaar was zijn film Stand van de Sterren de openingsfilm van IDFA. In dit laatste deel van het drieluik over de familie Sjamsjuddin brengt Leonard Retel Helmrich de kijker opnieuw in vervoering. De kracht van zijn films ligt onder meer in de door hem ontwikkelde single shot cinema techniek en zijn steady wings, waar hij vloeiende bewegingen en shots mee kan maken. In een IDFA Masterclass vertelt Retel Helmrich over zijn techniek, en waarom deze zo belangrijk voor hem is. En wat heeft hem naar Indonesië gebracht, en zorgde ervoor dat hij gedurende 12  jaar dezelfde familie volgde?

Bron: IDFA

Emotie, beweging, single shot, en ‘steady wings’, zijn de kernbegrippen van de masterclass van Leonard Retel Helmrich. Voor het eerst maak ik kennis met “de meester”: rustig, maar toch bevlogen vertelt hij over de techniek die hij onder andere in Stand van de Zon, Stand van de Maan en Stand van de Sterren toepast. Al snel leer ik dat de single shot-techniek het mogelijk maakt een scène of actie in één shot te vangen. Hierdoor wordt montage in dat shot overbodig. Door middel van bewegingen om het centrale object heen, worden verschillende standpunten ingenomen en kan op de situatie worden ingespeeld.

Door deze manier van filmen is Retel Helmrich ‘on top of the emotion’. Dat wil hij overbrengen op zijn publiek: “Ik begeef me als het ware in de aura van mensen. Ik vind dat wel zo eerlijk”, zegt hij. Voor hem is dat dé manier van filmen, en intuïtie is daarbij van groot belang. Om soepele bewegingen mogelijk te maken, gebruikt Retel Helmrich zijn zogenaamde steady wings: vleugels die aan de camera zitten die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Naast de steady wings zegt hij zijn Tai Chi ervaring goed toe te kunnen passen om balans en focus te houden tijdens het filmen. De manier waarop hij de camera hanteert, vind ik, lijkt misschien nog wel het meest op een geïmproviseerde dans.

Leonard Retel Helmrich met zijn steady wing camera Foto: Flickr

Leonard Retel Helmrich inspireert met zijn filmtechniek. Niet alleen door de intuïtieve manier van filmen, maar ook door het effect wat hij daarmee bereikt. Door het kijken naar zijn films krijg je het gevoel dat je de familie Sjamsjuddin, en daardoor een deel van de Indonesische samenleving, echt leert kennen. De in 1959 in Nederland geboren Retel Helmrich had tot begin jaren negentig zelf overigens nooit interesse in Indonesië. In tegenstelling tot zijn zus Hetty Naaijkens-Retel Helmrich, die op Java werd geboren. Volgens haar zette Leonard zich altijd af tegen het Indisch-zijn. “Geef me één goede reden om te gaan”, zei hij, nadat hun moeder was overleden. Haar antwoord: “Dat land is de helft van wie je bent”, trok hem over de streep en hij vertrok naar Indonesië. Hij werd gegrepen door het land en ontdekte hoe gemakkelijk hij aansluiting vond bij de mensen.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=L0u7noFBK6M]

Het leven van de familie Sjamsjuddin, waar hij twaalf jaren lang zo goed als onderdeel van was, weerspiegelt de kernproblemen van het hedendaagse Indonesië: corruptie, religieconflicten, gokverslaving, en de kloof tussen generaties en klassen. Maar ook de twijfel, ruzie en onmacht komen duidelijk naar voren. Hoewel je je bij het zien van het laatste deel afvraagt hoe het toch verder met ze zal gaan, voel je dat de problemen de familieband heel hecht heeft gemaakt.

De kracht van familie herkent Retel Hemrich ook in zijn eigen leven, want niet alleen voor, maar ook achter de camera was het bij het maken van de films een “familiegebeuren”. Zijn zus Hetty produceerde alle drie de films en zijn neef Jasper Naaijkens deed de montage van Stand van de Sterren. Het werken met familie heeft zo z’n voordelen vindt hij: “In een familie heb je weinig woorden nodig om bepaalde beslissingen te nemen. Dat is fijn.”

En de prachtige films die ze maakten, laten zien dat die beslissingen juist zijn.

Op vrijdag 26 november om 20:00 uur is Stand van de sterren nog te zien op IDFA.

Rebekka Ling, zangeres

Voor de derde aflevering van de serie “Jonge Indo in de muziek” trotseren fotograaf Armando Ello en Willem-Jan Brederode op een onstuimige herfstavond de verregende straten van Amsterdam-Oost. In de lobby van Hotel Arena vertelt opkomend artiest Rebekka Ling over haar passie voor muziek, haar nieuwe album en de invloed van haar Indische roots.

Rebekka Ling (c) Indisch 3.0/ Armando Ello

Al woont Rebekka Ling (volledige naam Reba Rebekka Thenu) al heel wat jaren in Amsterdam, ze is geboren in Assen, Drenthe. Rond haar 18e trekt ze een tijdje in bij haar zus in Den Haag en kort daarna verhuist ze naar Amsterdam. Ze begint een studie SPH en een opleiding conservatorium Jazz zang. Dit bleek echter niet de juiste keuze. “Ik zie mijn tijd op het conservatorium als een leerzame, leuke fase, waarin ik voornamelijk een aantal te gekke muzikanten heb leren kennen met wie ik nog steeds samenwerk. Maar daarvoor stond eigenlijk al vast wat ik met mijn leven wilde. Ik had inmiddels wat ervaring opgedaan als backingvocaliste, en diep van binnen wist ik dus precies wat ik wilde.”  Rebekka werd fulltime zangeres en zanglerares op de Popschool Amsterdam. Momenteel werkt ze samen met o.a. producer/bassist Glenn Gaddum jr en drummer Tim Dudek aan haar eerste album.

Geen etiket, wel een boodschap

Als je Rebekka’s muziek hoort, is het niet makkelijk er het label van een bepaald genre aan te hangen. Toch ontdek je al snel jazzy vibes en invloeden uit de soul. “Ik ben geinspireerd door uiteenlopende muziekstijlen van soul tot rock, maar het allerbelangrijkst vind ik dat het een eigen en positief karakter heeft. In de muziek kan ik compleet mezelf zijn en voel ik me gelukkig. Dit wil ik graag delen met mijn publiek”. In haar band voelt Rebekka zich een van de elementen in een muzikale synergie. ”Ik ben dan wel frontvrouw in de band maar ieders aandeel is onmisbaar in de uiteindelijke sound. Het is voor mij belangrijk dat elk van de bandleden zijn ding kan doen”. Het delen van de inbreng en aandacht, zo realiseer ik me later, kan ik niet anders omschrijven als bescheidenheid.  Een eigenschap waar ik stiekem toch een Indisch label op plak.


Rootsreis

Constante factoren in Rebekka’s leven zijn de steun, interesse maar ook muzikale invloed van haar familie geweest. “Mijn vader heeft moluks, chinees, duits, nederlands en javaans bloed en komt net als mijn moeder van Sumatra. Hij heeft zelf altijd gedrumd en gitaar gespeeld en zijn vader speelde in een jazz band. Mijn moeder is een echte Batakse en zingt ook. Mijn broer en oudste zus treden op onder de naam Saudara”.

“Toen ik voor het eerst in Indonesië kwam, was het als een thuiskomst, ook op muzikaal vlak. Ik kwam er achter dat batakkers krachtige stemmen hebben, heel bijzonder!”. Ongeveer 35 jaar geleden kwamen haar ouders naar Nederland. Na aansluiting bij de Pinkstergemeente ontstond er ook muzikale beïnvloeding uit een andere hoek. “In de kerk werd er veel gospel gezongen. Liederen met veel positivisme en overgave, wat misschien dus ook de aard van mijn muziek kan verklaren”.

Rebekka Ling (c) Indisch 3.0/ Armando Ello

Ondanks dat er een gemêleerd publiek op Rebekka’s optreden afkomt, zijn Indische en Molukse muziekliefhebbers regelmatig vertegenwoordigd. “Ze luisteren heel aandachtig. Ook komen ze na de show vaak even een praatje maken. Waarschijnlijk voelen zij een stuk herkenning.” Toch wil Rebekka liever niet geclaimd worden vanuit de Indische of Molukse hoek. “Natuurlijk heb ik een sterke binding met mijn gemixte achtergrond, maar mijn muziek moet toegankelijk zijn voor iedereen. Ik vind het belangrijk dat mensen onbevooroordeeld naar m’n liedjes luisteren. Soms zijn mensen verrast omdat ze mijn stem niet direct kunnen matchen met mijn aziatische uiterlijk, en daarbij ben ik ook nog eens klein. Daar krijg ik leuke reacties op.”

Keeping it real

Wanneer Armando bezig is met de fotoshoot, heb ik tijd te reflecteren op het gesprek. Net als tijdens de fotoshoot kan Rebekka zichzelf prachtig presenteren en tegelijkertijd compleet zichzelf blijven. Later op het podium laat ze haar muzikale skills zien. Haar bescheidenheid en spontaniteit werken als een charmante mantel om haar vocaal talent. Diva-gedrag is haar vreemd, op het podium staat iemand die leeft voor haar muziek. Rebekka Ling is keeping it as real as can be.

Wil je meer over Rebekka weten? Kijk op haar website of kom naar haar optreden tijdens het evenement “Zwoel” in Utrecht op 28-11-2010: zie www.thisiszwoel.nl

Wat is jouw Indisch Den Haag?

Indisch Den Haag krijgt tot in elk geval eind 2011 de aandacht van het Haags Historisch Museum en Monumentenzorg van de gemeente Den Haag. De Haagse wethouder Baldewsingh (Volksgezondheid, Duurzaamheid, Media en Organisatie), lanceerde daarvoor vandaag het project Sporen van Smaragd.

Hotel Des Indes in Den Haag, met stadswapen van Batavia boven de ingang.

Het Museum en de dienst Monumentenzorg investeren meer dan 25.000 euro om Indische gebouwen, evenementen, interieurs, gedenktekens en wijken in Den Haag te inventariseren uit de periode 1853 – 1945. “Deze periode is vooral om pragmatische redenen gekozen. De gegevens van de Kamer van Koophandel gaan terug tot 1853. Maar ook omwille van betekenis: 1945 is het jaar waarin Indonesië zichzelf onafhankelijk verklaard heeft,” licht een van de onderzoeksters toe. Stadshistoricus en Tjalie Robinson-kenner Wim Willems zal de vondsten voorzien van een bredere, historische context.

Divers karakter Den Haag zichtbaar maken
“De waarde van dit project voor jongeren is dat we Indische verhalen zichtbaar maken in Den Haag,” vertelt wethouder Baldewsingh me na afloop. “En dat zeg ik niet alleen als wethouder, maar ook als Hindoestaanse migrant. Den Haag heeft vele gezichten, die diversiteit wil je zien in de stad. Dit project kan de verbinding vormen tussen alle inwoners. Zien dat Den Haag niet alleen maar een Hollandse stad is, maar ook een Indische, internationale, geeft nieuwkomers een gevoel van thuiskomen en Hagenaars en Hagenezen een gevoel van herkenning.”

Actieve bijdrage publiek gevraagd
Voor het slagen van Sporen van Smaragd zijn bijdragen van (voormalige) inwoners van Den Haag cruciaal, met internet als doorgeefluik. Zo is http://sporenvansmaragd.ning.com ingericht als kennisnetwerk, waarop (ex-) Hagenaars hun verhalen over en kennis van Indisch Den Haag kunnen delen met anderen. Op www.flickr.com/groups/sporenvansmaragd kunnen mensen foto’s uploaden, ze taggen met #sporenvansmaragd en aangeven waar in Den Haag de foto genomen is. De ideeën over het zichtbaar maken van de vondsten zijn legio, maar nog niet bepaald besloten. Wellicht kan het publiek daar ook suggesties voor indienen.

wethouder Rabin Baldewsingh
Wethouder Baldewsingh: "Diversiteit in een stad wil je zien."

Persoonlijke verhalen en interieurs
Verder zijn persoonlijke verhalen en interieurs ontzettend belangrijk, vertelt Elise Mutter van het Haags Historisch Museum me. “We weten natuurlijk niet wat mensen in huis allemaal aan bijzondere voorwerpen en verhalen hebben.” Het stadsmuseum, gelegen aan de Hofvijver, wil die verhalen gebruiken voor een expo over ‘Mijn Indisch Den Haag’. Dit soort verhalen kunnen mensen dus ook kwijt op de ning-community.

In kaart brengen om te beschermen
Opmerkelijk is tot slot de aanleiding van dit project. “Als we niet weten welk uniek Indisch erfgoed we in deze stad hebben, zou het zomaar kunnen gebeuren dat dat erfgoed verloren gaat. Nee, er is geen directe aanleiding om daarvoor te vrezen, maar we hebben nu nergens vastgelegd wat Indisch erfgoed is. Bij een nieuwbouwproject kan nu zomaar waardevol materiaal verdwijnen ,” vertrouwt Elise Mutter me toe. “Bovendien, we denken al heel lang over dit project na, maar de eerste generatie Indische mensen verdwijnt. We moeten snel zijn. En trouwens, wie weet wat dit voor het Louis Couperus-huis kan betekenen, als erkend wordt dat dat Indisch cultureel erfgoed is?”

De dames van Tong-Tong Fair: Florine Koning, Siem Boon en Ellen Derksen.

Indische Trilogie “raakt en irriteert”

Dat kunst en cultuur belangrijk en onmisbaar zijn bleek maar weer eens afgelopen zondag in Theater aan het Spui in Den Haag. Daar werd van 14:00-21:00 de volledige Indische Trilogie gespeeld voor een stijf uitverkochte zaal. Theatermaker en Indisch 3.0 redacteur Elsbeth Vernout was uitgenodigd als “gastrecensent” en doet verslag.

Foto’s: Tabitha Lemon

Scene uit Sloom Bloed - Carlo Scheldwacht en Ghislaine Pierie

“Ik was geraakt maar ook geïrriteerd”, zegt kunstenares Cristina Martins, de andere gastrecensent. “Waarom zeggen we nou niet gewoon wat we vinden en denken en voelen en waarom gaan we generatie op generatie altijd maar zo door?” Het is een terechte opmerking van de tekenares die haar met potlood getekende werken in de foyer  van het theater heeft geëxposeerd. Veel mensen noemen haar werk Indisch, terwijl Martins geen Indische, maar Portugese achtergrond heeft. Hoewel ze zich gewoon Haagse voelt, haast ze zich te zeggen. In het nagesprek onder leiding van journalist Ricci Scheldwacht schoven naast beide gastrecensenten ook de acteurs Carlo Scheldwacht en Ghislaine Pierie aan.

Martins verwoordt haar gevoelens na een bijzondere en intense middag en avond, in Theater aan het Spui, inclusief heerlijke Indische maaltijd. “Waarom blijven we ons maar verschuilen? Waar zijn we zo bang voor? Ja voor de angst zelf waarschijnlijk, dat het allemaal openbreekt en dat je wel met elkaar moet gaan praten over hoe je je echt voelt. Dat had ik dus heel erg na die laatste voorstelling, Circus Bronbeek.”

Van Indische familieverhalen tot clownsneus

Circus Bronbeek, gespeeld door Ghislaine Pierie, Patrick Neumann en Carlo Scheldwacht en geregisseerd door Esther Scheldwacht, gaf de meest actuele draai aan het blootleggen van Indische trauma’s. De voorstelling is geïnspireerd op de verhalen over de cabaret- muziek en toneelvoorstellingen in de Japanse interneringskampen. Maar achter het strooien hoedje, het stokje en de clownsneus schuilt het verdriet. Carlo Scheldwacht speelt de vader met een kampverleden, Pierie zijn gefrustreerde dochter en Neumann speelt de kleinzoon.

Scene uit Familiefeest - Esther, Ricci en Carlo Scheldwacht

Sloom Bloed, geschreven en gespeeld door Ghislaine Pierie en Carlo Scheldwacht, was de meest persoonlijke voorstelling van de drie. In het stuk kijkt de Indische tweeling Anne en Rein terug op hun jeugd. Samen spelen ze overtuigend een hele Indische familie na, door steeds iets kleins aan hun outfit te veranderen. Een dominante oma, een eeuwig zwangere tante en een irritante oom die alleen maar over Indorock kan praten. Zo passeert zestig jaar Indische geschiedenis de revue. Veel gepraat, veel geheimen. Niemand ontsnapt aan de knellende familiebanden en de voortdurend herhaalde familieverhalen. Maar als je echt iets wilt weten, bijvoorbeeld hoe het nou was in de oorlog in Indië, krijg je geen antwoorden.

Het tweede stuk, naar het boek ‘Familiefeest’ van Theodor Holman en gespeeld door de broers Ricci en Carlo Scheldwacht en hun zus Esther Scheldwacht, was haast kluchtig van opzet. Hierdoor werden de thema’s als het kampverleden, slechte communicatie, aanpassing en zwijgen des te pijnlijker duidelijk.

Geen antwoorden

Nagesprek olv Ricci Scheldwacht

Na afloop in het nagesprek vraagt een dame uit het publiek nog aan Carlo Scheldwacht of er niet wat meer uitleg bij de theaterstukken had gekund, zodat jongeren die de geschiedenis niet kennen het beter zouden begrijpen. Maar volgens de acteur stelt hij ook zelf alleen maar vragen. “Zeker van Circus Bronbeek word ik heel nederig. Ik sta daar een verhaal te vertellen dat niet van mij is. Maar er zitten wel allemaal mensen in de zaal die dat verhaal kennen. En dat is heel spannend. Het zijn vragen, en geen antwoorden.” En juist dat het geen educatief theater is, vindt Cristina Martins zo mooi.  “Door die drie stukken achter elkaar kom je in gesprek met mensen. Je zit langer met elkaar in een ruimte. Ik heb echt bijzondere verhalen gehoord van andere mensen uit het publiek. En dat werkt voor mij heel goed, beter dan een educatief stuk.”

Onderhuids

Als theatermaker en toeschouwer van de Indische Trilogie is voor mij nogmaals bevestigd dat theater bij uitstek geschikt is om de laag onder de oppervlakte bloot te leggen. Dat is ook wat ik in mijn voorstellingen zoals ‘Deze en Genen’ en ‘Gegijzeld’ probeer te doen. De drie voorstellingen achter elkaar rondom dezelfde thematiek versterken dit effect. Zo komen via de weg van de verbeelding onderhuidse thema’s boven drijven, of je nu wilt of niet. Genoeg stof om met een biertje over na te mijmeren en praten.

Achter de kawat – Charles Burki

Over de Japanse bezetting

Veel Indische jongeren die ik spreek, hebben vragen over de Japanse bezetting die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Vaak krijgen zij er niet meer over te horen dan “Het was heel erg.” Gelukkig zijn op enkele plekken in Nederland antwoorden te vinden. Museum Bronbeek biedt de tentoonstelling Het verhaal van Indië, het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft een speciale afdeling Nederlands-Indië. Voor jongeren die liever eerst thuis een en ander doorbladeren, is er het bijzondere en toegankelijke boek Achter de kawat van Charles Burki.

Herziene uitgave van de originele editie (1977)

Charles Burki (1909 – 1994), van als ik goed lees puur Hollandse komaf, werd in 1942 als krijgsgevangene van de Japanners in Bandung geïnterneerd. Burki was opgeleid als tekenaar en heeft het dagelijkse leven in het kamp in beeld te brengen. “De tekeningen die hij in het kamp in Bandung maakte, lagen vier jaar lang midden in de doorgang van een poortje begraven. Ze waren verpakt in hospitaal doek, vervolgens in een zinken bus, en dat weer in een teakhouten kist. Iedereen liep er overheen. In 1946 kreeg hij dankzij een oud-medegevangene zijn tekeningen weer in bezit,” aldus het Museon.

Het Haagse Museon, dat een collectie heeft over Nederlanders in Japanse kampen,  heeft de tekeningen opnieuw uitgegeven in een heruitgave van Achter de kawat, aangevuld met een verslag dat Burki na zijn tijd als krijgsgevangene schreef. Op 24 oktober 2010 sloot het Museon de tijdelijke expositie van de originele tekeningen. Het boek is een aanrader voor jongeren en andere (Indische) Nederlanders die een beeld willen krijgen van dat wat hun grootouders ze niet konden vertellen.

Het zal misschien het oog van de tekenaar zijn, waaraan wij als lezer de vele waardevolle details in zowel de tekeningen als het laagdrempelige, persoonlijke verslag te danken hebben. De heldere tekeningen zijn soms confronterend, dan weer gelardeerd met typisch Indische humor. De scherpte en de details ervan maken van een lezer een ooggetuige van het leven van dag tot dag in een van vele Japanse kampen in Indonesië. Ondanks dat een van mijn grootvaders mij wél een en ander verteld heeft, heeft het werk van Burki die verhalen verrijkt.

Hoe leefden mensen in Japanse kampen, bijvoorbeeld. Opgegroeid met verhalen over de Tweede Wereldoorlog in West-Europa, was mijn beeld van kampen bepaald door Auschwitz  en andere concentratiekampen. Dankzij Burki’s schetsen heb ik nu een indruk van hoe het in ‘de Oost’ was. Verder ben ik blij dat ik van Burki af en toe ook mocht lachen om wat er in het kamp gebeurde. Bijvoorbeeld in de spotprent van de jonkheer die ook in het kamp nog zijn eigen wagen had. De strip over het verspreiden van roddels in het kamp. Of het weekmenu (“Maandag: rijst met soep. Dinsdag: soep met rijst. Woensdag: rijstsoep…”).

Tekening uit Achter de kawat.(c) Erven Charles Burki

De humor staat in ontwapenend contrast met de eerlijkheid en directheid waarmee de tekenaar laat zien hoe geëxecuteerde gevangenen aan de kawat hangen, of een overlevende van Nagasaki in beeld brengt die zijn brandwonden schoongevroten ziet worden door maden. Humor is een manier om te overleven, begrijp ik. Om de boel niet al te serieus te nemen, zelfs wanneer dagelijks mensen voor je ogen overlijden.

Achter de kawat is niet alleen wonderbaarlijk vanwege de goed bewaarde en heldere tekeningen. Charles Burki is na het kamp (nog) twee keer aan de dood ontsnapt: na een torpedering van het schip dat hem op transport naar Japan had gezet, heeft hij tien dagen in open zee rondgedobberd. En in Japan heeft hij het bombardement van Nagasaki zien gebeuren en overleefd. Bovendien is de ex-krijgsgevangene  ook nog eens 85 jaar oud geworden.

Hoewel er in Azië verschillende Jappenkampen waren, waarvan het regime onder meer afhing van het kamphoofd, en er verschillende soorten gevangenen bestonden, geeft Achter de kawat Indische jongeren een kijkje ‘in de keuken’ waar geen geschiedenisboek tegenop kan.

p.s. Het is wat uit de buurt, maar mocht je ooit in Singapore zijn, ga dan eens naar het – kleine maar aangrijpende – Changi War Museum, over de Tweede Wereldoorlog in Azië.

Ego Faber – Maurice Seleky

“Het Oosterse geheim”

Sex, drugs, muziek, liefde en vriendschap spelen de hoofdrol in Ego Faber, de debuutroman van Maurice Seleky. Tegen de achtergrond van een bruisend Amsterdam beschrijft de Moluks-Javaans-Antilliaanse schrijver de vriendschap tussen drie jongens van begin twintig: Ego, de mysterieuze jongen die alles durft, Rein en de naamloze verteller. In een tijd die ligt ingeklemd tussen 9/11 en de oorlog in Afghanistan, worden ze volwassen en leren ze het leven kennen. Ego Faber is daarmee op de eerste plaats een coming of age roman van ‘mijn’ generatie. Seleky gaf “het Indische” daarnaast een bijrol in het boek. Reden genoeg om eens met de schrijver te spreken.

“Net als de vorige keren draagt Ego alleen zwart. Alsof hij in de rouw is, of in een rockband zit. Ik vermoed dat hij er altijd zo uitziet. Zijn donkere haar en ogen verraden een Oosters geheim in zijn afkomst.”

Op weg naar onze afspraak op de Prinsengracht in Amsterdam spoken passages uit het boek door mijn hoofd. Ik rij door het passende decor van de stad die altijd bruist. Op een paar honderd meter van waar Ego Faber en de naamloze verteller voor het eerst afspraken, ontmoet ik Maurice. Ook voor hem is het weekend net begonnen. Doe maar een biertje.

Foto: website Maurice Seleky

Wat was de reden om het boek te schrijven?
Ik had het idee dat er nog geen portret was van onze generatie: de generatie Y, zegmaar de twintigers en dertigers van nu. Die generatie heeft onder meer de opkomst van internet, mobiele telefonie en de globalisering meegemaakt, is daarmee opgegroeid en er mede door gevormd. In ieder geval was er nog geen Nederlands boek waarin deze generatie centraal staat. Zo’n boek wilde ik schrijven.

Het verhaal was voor mij herkenbaar. Hoe zou je onze generatie het best kunnen omschrijven?

Ik denk dat onze generatie onterecht wordt getypeerd als onverschillig of vluchtig. Wij zijn juist flexibel en toekomstgericht. We maken veel mee, krijgen enorm veel informatie op ons af en proberen daar zo goed mogelijk mee om te gaan. Je ziet dat ook terug in de manier waarop de jongens die ik beschrijf omgaan met de dingen die ze meemaken: 9/11, de moord op Fortuyn en Van Gogh. Het raakt ze, maar ze gaan wel door. Ze zijn ook nog jong, staan aan het begin van hun leven. Maar dat betekent niet dat ze overal z’n schouders voor ophalen. Neem Ego; hij lijkt overal boven te staan, maar geeft wel degelijk ergens om.

Ego heeft een Oosters geheim in zijn afkomst. Dat lijkt de onpeilbare, mystieke en mysterieuze kant van Ego te moeten verklaren. Daartegenover staat een ik-figuur die juist rationeel en beschouwend is. Wilde je daarmee een tegenstelling creëren?

Ik weet niet of dat echt zo’n zwart-wit tegenstelling is. De ik-figuur is meer afwachtend dan Ego, maar doet wel met alles mee. Ondertussen vraagt hij zich af of het wel goed voor hem is. Voor het personage van Ego werd ik wel aangetrokken tot het Oosterse motief, zoals ik dat ken uit boeken als De stille kracht. Het mystieke hoort wel bij het Indische, denk ik. Maar wat ik vooral duidelijk wilde maken is dat Ego niet alleen een product is van zijn tijd en zijn generatie, maar ook van de tijd en generaties daarvoor. Net als wij allemaal uiteindelijk. In het geval van Ego is het Indische verleden een bepalende factor. Naar mijn gevoel paste dat het beste bij hem.

De vader van Ego blijkt een kampverleden te hebben. Hoe kwam je daarbij?

De koloniale periode is een belangrijke geschiedenis. Het Indische kampverleden is een cruciaal element daaruit. Ik ken de verhalen daarover uit boeken en ook uit de geschiedenis van mijn grootouders, zo heeft mijn opa nog in het verzet tegen de Japanners gezeten in de oorlog. Ego’s vader heeft het kamp in Indië als kind meegemaakt en overleefd, maar heeft dat nooit helemaal verwerkt. Dat geldt voor heel veel mensen die in het kamp gezeten hebben. Ook voor Ego heeft dat op een bepaalde manier gevolgen. Dat wordt duidelijk aan het eind van het boek. Maar dat zal ik maar niet verklappen aan de lezer.

Nieuwsgierig geworden naar het boek van Maurice Seleky? Kijk op z’n website, de Facebook-pagina van Ego Faber of bekijk de trailer. Wil je een exemplaar van het boek winnen? Kijk dan op de Indisch 3 Twitter pagina.

Toko test #4: Toko Toet, Den Haag

Toko Toet is de oudste toko van Den Haag. Aangezien Den Haag ook nog eens de Indische hoofdstad van Nederland is, zou je dus kunnen zeggen dat tokotest 4 bij de toko der toko’s heeft plaatsgevonden. Ed Caffin en Kirsten Vos hebben zich daarom, samen met gast-tester Armando Ello, tot het uiterste ingespannen om een representatieve indruk te krijgen van het hedendaagse aanbod van deze grande dame onder de toko’s en vrijwel alles geproefd – in kleine hoeveelheden – wat Toko Toet in de aanbieding had.

Toko Toet, Beeklaan 376a, Den Haag

Medewerker Jeremy (29) heet ons hartelijk welkom. De keuken van Toet is te typeren als die van midden-Java, vertelt hij, wat neerkomt op wat zoetere smaken. Zelf is hij een niet-Indische Indo, als kind van een oost-Javaanse vader en een Nederlandse moeder, en getrouwd met een Indonesische (‘mijn vrouwtje kan het beste koken van allemaal’) . De eigenaar, Fred Jansen, zien we die dag niet.

Elke toko heeft betere en mindere gerechten. Dat geldt ook voor toko Toet. Een Indo die zijn toko’s kent, weet waar hij wat het beste kan halen. Op welk gerecht de toko zichzelf onderscheidt? ‘Dat is de sayur lodeh. De ajam pangang. En ik heb ook begrepen dat onze tjendol erg goed is,’ vertelt Jeremy. Gretig hebben wij die uitspraken aan onze smaakpapillen onderworpen.

Om hier alle 25 gerechten te bespreken die we geproefd hebben (ja, we hebben het serieus aangepakt), gaat te ver. We geven jullie daarom de vijf gerechten waar wij voor terug zouden komen en drie gerechten die we toch eerder ergens anders zouden kiezen.

1. Ajam pangang
Gebakken kippenpoten. Het zachte, sappige kippenvlees heeft een heerlijk rokerige smaak. De ketjapsaus maakt het af.

2. Sayur lodeh
Beetgare, knapperige groenten in een pittig-milde kokossaus. Elke smaak is te proeven zonder dat er een overheerst, de smaken samen maken het gerecht perfect in balans.

3. Ikan boemboe bali
Witvis in pittige saus. De vis is stevig en mals, bovendien zonder graten. De boemboe is pittig, zoet en zuur.

4. Tahu taotjo
Tahu met gefermenteerde sojabonen (taotjo). De verrassend donkere smaak van de taotjo-boon is een perfecte combinatie voor de zachte tahu.

5. Toemis kankung
Geroerbakte bladgroente, te vergelijken met spinazie. De eenvoudige, maar heerlijk karakteristieke smaakt maakt dit een ideaal bijgerecht.

Waar komen we niet voor terug? Allereerst de frikadel djagoeng: die is te grof en smaakt alleen maar naar mais. Daarnaast de sambal goreng telor; de trassie overheerst, het ei is smaakloos en heeft een te dikke ‘huid’ gekregen, de saus is ons te zoet. De frikadel lombok heeft zo’n vreemde smaak en papperige structuur, dat we na één hap genoeg hebben.

En de tjendol? De Javaanse suiker en kokos zijn in precies de juiste verhouding: niet te zoet, niet te zwaar, waardoor de smaken elkaar lijken te verlengen. De ‘groene fliebertjes’ (hoe noem je die dingen) van hung-kee meel zijn lekker zacht en sappig. Met die paar blokjes ijs is dit echt een verfrissend drankje.

Het eten van toko Toet heeft ons ontzettend goed gesmaakt en de prijzen zijn prettig. Maar toko der toko’s durven we niet te beweren, als die als zou bestaan. Elke toko heeft zijn eigen signature dishes. Onze beoordeling:

Toko Toet, Beeklaan 376a, Den Haag, www.tokotoet.nl

p.s. Meer filmpjes? Ga naar www.youtube.com/indisch3