Meeslepende nieuwe roman van Tash Aw: ‘Kaart van een onzichtbare wereld’

Het nieuwe boek van Tash Aw, de schrijver waarover ik vorige maand al schreef , is een meeslepende roman over het Indonesië van de jaren zestig. Een roerige, en ook voor Nederland relevante periode in de geschiedenis van Indonesië. Het verhaal speelt in 1964, als President Soekarno klem zit tussen het leger en de communistische partij (PKI) en er een burgeroorlog dreigt. Tegen deze chaotische achtergrond zoekt de zestienjarige Adam zijn Nederlandse adoptievader. ‘Kaart van een onzichtbare wereld’ is, zeker met de boekenweek vlak voor de deur, een echte aanrader.

De schrijver Tash Aw – opgegroeid in Maleisië maar nu al jaren inwoner van Londen – is een echte verhalenverteller. Zijn stijl doet volgens de achterflap denken aan die van de grote Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer. Tash Aw won met zijn eerste roman ‘De zijdehandelaar’ verschillende prijzen en werd genomineerd voor de Booker Prize. Tash Aw schrijft zo beeldend en rijk aan details, dat je vanaf de eerste bladzijde meeleeft met de hoofdpersonen. In een weeshuis in Indonesië worden de broertjes Johan en de jongere Adam geadopteerd door twee verschillende families. Johan vertrekt naar Maleisië en komt terecht in Kuala Lumpur, waar hij uitgroeit toe een rijkeluiszoontje dat rondrijdt in de Mercedes van zijn vader. Hij blijft vol schuldgevoel verlangen naar zijn broertje. Adam komt op zijn vijfde jaar terecht bij de Hollandse schilder Karl de Willigen, waarmee hij een rustig en eenvoudig leven leidt op het Indonesische eilandje Nusa Perdo (het Verloren Eiland).

Politieke chaos

Naast deze twee verhaallijnen volg je het verhaal van de in Nieuw-Guinea geboren Amerikaanse Margaret Bates, docente op de Universiteit van Jakarta. Door de politieke chaos ziet ze de stad en de studenten langzamerhand veranderen. De verhaallijnen komen bij elkaar als Adam op zestienjarige leeftijd op zoek gaat naar Karl, die is opgepakt door soldaten. Tussen de spullen van de schilder vindt Adam een foto en adres van Margaret, een vroegere geliefde van Karl. Hij besluit haar hulp in te roepen bij zijn zoektocht naar Karl, en vertrekt naar Jakarta.

Roerige jaren

Het verhaal kent vele lagen. Thema’s als afkomst en identiteit, de worsteling van de personages met het koloniale verleden en de recente politieke geschiedenis in Indonesië zijn op een slimme manier door het boek verweven. Als lezer maak je de veranderende sfeer in Indonesië in de roerige jaren zestig van binnenuit mee. Je loopt letterlijk mee door de hete en stoffige straten van Jakarta, waar de spanning voelbaar is. Je komt in golfplaten huisjes terecht waar activisten samenkomen en voelt de spanning als Adam bijna onder de voet wordt gelopen tijdens een demonstratie die uitloopt op een bloederige confrontatie met het leger.

Kudeta

Zijdelings kom je meer te weten over de chaotische dagen voor de Kudeta, de mislukte staatsgreep in 1965 waarbij zes generaals werden vermoord en die het einde betekende van het tijdperk Soekarno. Van deze ook voor Nederland relevante periode in de geschiedenis is maar weinig bekend. Nederlanders, zoals Karl, werden in die tijd steeds vaker weinig zachtzinnig het land uitgezet, wegens (vermeende) communistische sympathieën. Bovendien werden de dagen na de Kudeta om diezelfde reden meer dan 500.000 mensen vermoord. Nog eens een miljoen mensen werden gearresteerd. Het boek van Tash Aw stopt aan de vooravond van deze Kudeta, het meeslepende verhaal over Adam, Johan, Karl en Margaret voert de boventoon. Maar de interesse voor deze vergeten bladzijde uit de geschiedenis is gewekt.

Kaart van een onzichtbare wereld (vertaald door Ton Heuvelmans) – Uitgeverij Mouria – 22,50 (gebonden) – 416 blz.

Bestel het boek

Valt er hier nog wat te lachen? – Op zoek naar Indische humor

Op de zoektocht naar mijn Indische identiteit vraag ik mij dit keer af: Hebben wij goede humor? Het woord ‘goede’ wil ik benadrukken, omdat ik anders zou suggereren dat humor etnisch bepaald is. Ook ben ik me bewust van het feit dat smaak een grote rol speelt. De spekkoek-humor en lemper-kolder laat ik dan ook maar even buiten beschouwing: grappen voor en door Indo’s en daardoor vaak onbegrijpelijk voor niet-Indo’s en niet ingewijde Indo’s. Ikzelf behoor tot die laatste categorie, omdat ik die niet met de Indische paplepel heb meegekregen.

Als theatermaker en Indo ben ik geïnteresseerd in wat Indische humor is. Op zoek naar een antwoord begin ik dichtbij. Ik bevind me op de verjaardag van één van mijn Indische familieleden. Oom 1 zit duidelijk op de praatstoel: ,,Ik heb hem nog gezegd dat hij geen dvd-speler van dat merk moest kopen. Die hopeloze rotzooi is al kapot voordat je het uit de doos haalt. Ik heb hem gewaarschuwd!”

De andere ooms en mijn vader lachen. Oom 5, de bezitter van de kapotte dvd-speler, is niet aanwezig. “Hij kan beter zijn geld terug vragen plus het geld voor de benzine, omdat hij al zo vaak terug naar de winkel is geweest.” Er wordt gegniffeld en gegrinnikt. Een tante zegt beteuterd dat het best heel vervelend is.

Vervelend misschien, maar zeker niet grappig. Voor mij is dit een combinatie van slechte humor en roddelen. Ook nog laf, oom 5 is niet eens aanwezig. Aan de andere kant maar goed ook, want  hij zou meteen in de verdediging schieten en roepen dat zijn dvd-speler van een doorgaans betrouwbaar merk is. “Zo niet de beste kwaliteit!”

Ook maken mijn ooms maken doorlopend grappen over andermans tekortkomingen. Vroeger moest ik het ieder verjaardag weer ontgelden door mijn grote kroepoek-oren. “Hee, pat, wat kan je met die oren? Surfen!” Helaas is hun humor, net als mijn oren, niet meegegroeid naarmate ik ouder werd.

Een ander onuitputtelijk onderwerp van mijn ooms is hoe schijterig de ander is. Letterlijk èn figuurlijk. Dan vliegen er dingen door de kamer als (letterlijk): ,,Die stank als hij weer eens in zijn broek poepte… Bah!”. Of (figuurlijk):  ,,Hij durfde niets en zat alleen maar te jammeren bij zijn moeder…” Wederom volgt het gegniffel van de anderen, alsof ze als kind in de poep- en plasfase zijn blijven hangen. Mijn oren klapperen ondertussen van onbegrip.

Volgens onder anderen Plato is dit soort humor een voorbeeld van superioriteits-humor. Dat kan af en toe best leuk zijn, maar als de humor op onze Indische verjaardagen maatgevend is, is het met de humor van de gemiddelde Indo armoedig gesteld. Zo flauw dat geen snufje zout daar iets aan kan veranderen.

Eigenlijk denk ik dat voor de meeste Indische mensen, zoals mijn ooms, geldt dat ze te bescheiden zijn om een scherpe grap te maken over bijvoorbeeld de val van het kabinet. Omdat het niet Indisch gerelateerd is misschien, of uit respect of bescheidenheid?

Een Molukker, zanger in een band, zei eens tegen mij: “Als een Indo goed gitaar kan spelen krijg je hem op een feestje na enig aandringen pas op een podium. Kan een Molukker drie akkoorden spelen bestaat er de kans dat hij meteen het podium opspringt en de hele avond die drie akkoorden staat te spelen”.

Dat vond ik overigens wel een heel grappig beeld. Maar de onderliggende boodschap dat Indo’s zichzelf censureren vanuit bescheidenheid stemt een liefhebben als ik niet vrolijk. Wat mijn ooms betreft, wat kan hen nu gebeuren? In het ergste geval roept de tante: ,,Zij doen wel hun best in Den Haag hoor, dus doe maar aardig jij.”

Nu ik vastloop in mijn zoektocht naar Indische humor vraag ik u als lezer: Wie is of kent er die Indo die, op (Indische) feestjes, zonder enige gene, scherp en humoristisch uit de hoek durft te komen over politiek en andere maatschappelijke onderwerpen? Laat je/ze zien en horen. Namen, anekdotes, filmpjes, kom maar op. Ik heb overal oren naar… Wellicht zit er nog groot onontdekt talent tussen!

Leestip voor tijdens (en ook buiten) de koortsige uren: de Republikein

Tijdens een vervelend griepje dat me al dagen aan huis gekluisterd houdt, grijp ik alles aan om de koortsige uren op de bank en in bed minder eentonig te maken. De Winterspelen bieden wat verlichting, maar ook herhalingen van een handjevol Neerlandse successen gaan vervelen. Ik ben niet wintersport liefhebber genoeg om me te verdiepen in de vele andere disciplines, zoals skeleton, waarin onbekende gekken met 140 kilometer -plat op hun buik en hoofd vooruit- hun leven wagen in een rodelbaan.

Dan maar het nieuws volgen rond de val van het kabinet. We blijven niet in Uruzgan en daar was een val voor nodig. Al snel zie ik door de bomen het bos niet meer en hou ik het niet langer vol. Dan toch maar de stapel tijdschriften door, er ligt meestal wel wat ongelezen tussen. Hoewel het lastig concentreren is op kleine letters met 39 graden koorts, duik ik vandaag -plat op mijn rug- een aantal uren onder de wol met de laatste editie van de Republikein die mijn buurvrouw me kwam brengen; het themanummer Indië verloren, rampspoed geboren.

Deze editie van het Tijdschrift voor de Ware Democraat besteedt ruimschoots aandacht aan de wrok, spijt en leugens bij het afscheid van Insulinde. De toon is snel gezet als hoofdredacteur Rik Smits begint met uitleggen dat Nederland zich graag als een klein landje ziet, wat “goeddeels onzin” is, want “economisch, cultureel en wetenschappelijk is Nederland eerder een reus”. “Maar kleingeestigheid ging ons ten aanzien van onze koloniën beschamend goed af”.

Ik zit inmiddels wat rechter op in bed en lees verder. Aan de hand van een interessante verzameling stukken van onder meer Gerard Aalders, Henk Schulte Nordholt en Johannes van Dam word ik meegenomen langs belangrijke momenten in de geschiedenis van Nederland en Indonesië. De artikelen maken onder meer kraakhelder hoe vreemd de oude koloniale macht Nederland omgaat met het “tropische deel” van haar geschiedenis.

Dat wist ik op zich al wel, maar ook voor mij staan er in deze editie vooral onthullende artikelen. Tussen de hoestbuien door slaak ik de meeste “oh’s” en “ah’s” bij het stuk Opium van Oranje van Ewald Vanvugt. Net als in zijn Zwartboek voor Nederland overzee: wat iedere Nederlander moet weten, vertelt hij hoe het Koningshuis vele tientallen miljoenen vergaarde via de opiumhandel in Nederlands-Indië. Zeker niet alleen voer voor republikeinen. Jammer dat, met een oplage van slechts 2.500 stuks, deze kennis bij bar weinig mensen terechtkomt.

Vanaf de op Tjalie Robinson geïnspireerde “Spaans gepeperde termen” op pagina 1, tot aan het “Postkoloniaal Naschrift” op pagina 64, waarin Alfred Birney nog maar eens de vloer aanveegt met Oeroeg en de Oeroeg-hype van eind vorig jaar, blijf ik in ieder geval geboeid. Goede journalistiek-wetenschappelijke teksten van mensen die hun weg weten met de pen vervelen niet. Zelfs niet met een virus die even hardnekkig lijkt als het gebrek aan (post-koloniale) zelfreflectie waar Nederland nog altijd in uitblinkt. Waar een groot land klein in kan zijn.

Jonge Indo’s in de provincie…Gelderland

“Ik ontdekte kort geleden pas dat oepil geen Nederlands woord was.”

Het tiende interview in de reeks Jonge Indo in de provincie… is anders dan anders verlopen. Niet alleen is het veel te laat (het was gepland voor eind januari). Maar na het interview met Iris Zwarts (21 jaar) in Nijmegen, Gelderland, overweeg ik om uit te zoeken of er in Den Haag een dagopvang voor Indische ouderen is: vanmiddag was ik weer even bij mijn eigen grootouders thuis. Geen wonder dat Iris hier vaak is.

vlnr: Iris, Iris en mw. Allen (bezoekster), Iris en haar moeder, Iris.

Familierecepten
“Kom anders naar de dagopvang voor Indische ouderen, waar ik vrijwilliger ben”, stelde Iris voor. En zo zat ik opeens tussen ruim 25 Indische ouderen, die elkaar gedichten voorlazen en lootjes trokken voor Valentijnsdag. “Op woensdagen en zaterdagen is deze locatie open voor Indische mensen,” vertelt Iris, die in Breda Toerisme & Recreatie studeert . “De meesten wonen hier in de buurt. Ze komen hier gewoon heen om een leuke dag te hebben. Ze maken de lunch zelf, Indisch eten natuurlijk, en vaak gebruiken ze familierecepten. (glimlachend) Erg goed voor mij trouwens, ik leer enorm veel recepten hier. Ik weet eigenlijk niet meer hoe lang ik dit al doe. Ik ben één keer met mijn moeder meegekomen en ik ben blijven hangen. Misschien heeft mijn moeder me toen wel meegevraagd omdat ze zag dat ik er meer mee bezig ben dan mijn broer en zus, dat zou best kunnen. Mijn Indische grootouders zijn er niet meer, maar het is nu alsof ik allemaal opa’s en oma’s heb. ”

Normen en waarden
De verbondenheid met familie komt ook terug in twee kettingen die ze draagt. “Mijn moeder heeft deze van mijn oma gekregen en gedragen toen ze even oud was als ik. Mijn oma leefde toen nog. Dus het voelt wel alsof we daardoor nu met zijn drieen zijn.” Maar, de vader van Iris komt uit Groningen. Waarom voelt ze wel betrokkenheid bij de Indische ouderen in De Ceder en niet met de Nederlandse? “Hmm. Dit is deel van mij, ik heb hier behoefte aan. Hier krijg ik een warm onthaal, ik voel herkenning, het is iets dat ik graag in mijn leven wil hebben, het past bij me. Verder, ik heb nooit echt gesprekken gehad met mijn eigen Indische oma, ik weet heel weinig over de voorgeschiedenis van mijn familie. Dat zal altijd wel een mysterie blijven. En ik leer hier veel, mensen zijn best wel openhartig eigenlijk.” Dan lacht Iris voluit: “En ze maken heel goed duidelijk wat hun normen en waarden zijn. Die laten ze je echt wel weten!”

Trots
Merkt Iris ook buiten De Ceder dat ze als Indische opgevoed is? Wederom lacht ze. “Ja, met vriendjes bijvoorbeeld. Ik heb een Indonesisch vriendje gehad. Ik hoefde hem heel weinig uit te leggen. Als ik drie keer nee zei, wist hij dat ik iets juist wel wilde. En ik denk dat mijn temperament ook Indisch is.” Opeens slaat ze vastberaden haar armen over elkaar. “Ik ben er wel trots op om anders te zijn. Ik ben er trots op dat ik verbonden ben met deze gemeenschap, dat ik daarbij hoor. Maar ik ben me er niet altijd bewust van dat iets wat ik doe Indisch is. Vaak genoeg heb ik tegen mijn moeder gezegd, ‘Mam, ze begrijpen me niet.’ Zo ontdekte ik ook pas kort geleden dat oepil geen Nederlands woord was.”

Indonesië
In de toekomst blijft het Indische een rol in Iris’ leven spelen, en niet alleen door het vrijwilligerswerk in De Ceder. “Ik ga in het najaar met mijn zusje een rondreis maken door Australië en Indonesië. Ik wil graag de basisschool van mijn oma zien en krijg vast nog veel meer tips van mijn moeder. Zij is er een keer geweest. Ze herkende zich niet heel erg in de mensen, dat begrijp ik ook wel, ikzelf lijk ook niet direct op échte Indonesiërs. Ik verwacht zelf, tja, wie weet hebben ze er dezelfde gebruiken als in China, waar ik met mijn studie geweest ben, en dezelfde hitte. Ik verwacht ook weinig herkenning, maar misschien wel van dingen uit De Ceder. Verder wil ik na mijn studie gaan werken in de interculturele communicatie. Hoe ga je als Nederlander om met mensen uit bijvoorbeeld China of, als ik erg enthousiast ben geworden door de rondreis, uit Indonesië? Nee, op internet ben ik weinig actief. Ik zou wel willen weten of er ook dingen voor jongeren georganiseerd worden buiten de grote steden. Bijvoorbeeld in de buurt van Nijmegen. Of Breda.”

Verbonden
Het voortraject was niet erg vlot verlopen: ik heb het interview een paar keer af moeten zeggen, waardoor er in januari geen interview op Indisch3.0 gestaan heeft. Achteraf ben ik daar blij om; Iris had me pas in De Ceder uitgenodigd na mijn twee afzeggingen. Tegen het einde van mijn bezoek vertelt de niet-Indische stagiaire Gulsen dat ook zij een sfeer van huiselijkheid en familie voelt op de woensdagen: “Ik wil activiteitenbegeleider worden, ik vind dit echt heel erg leuk. Vooral met de Indische mensen. Zij zijn veel meer, tja, verbonden met elkaar. De Nederlandse mensen, die komen op maandag, die zijn misschien een beetje afstandelijker.”

Volgende keer gaat Ed naar de provincie Flevoland. En dan zijn we alweer bijna aan het einde van deze reeks gekomen. Woon jij in Flevoland en wil jij je laten interviewen? Stuur dan een mailtje naar redactie@indisch3.nl.

Indisch 3.0 op “(Na)smaak van Indië”

Op 14 februari zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven op een Indische middag in Boekhandel van Pampus in Amsterdam. Het thema van de middag is “Nasmaak van Indië”. Aanleiding is de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar, in maart 2010. De eerste druk van het boek (“geen roman, het is een aanklacht!”) verscheen 150 jaar geleden.

Indisch 3.0

Onder leiding van Joyce Cordes zullen verschillende sprekers die middag ingaan op de laatste decennia Nederlandse aanwezigheid in Indië, de dekolonisatie van Indonesië, de repatriëring van honderdduizenden Indische Nederlanders, de opvang in het ‘vaderland’ en de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen en Alfred Birney Postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven.

16.30 u De film Contractpensions – Djangan Loepah! met een inleiding door regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.

18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek

18:30 u De (na)smaak van Indië, bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0

19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur. Toegang, inclusief enkele hapjes, is € 5. Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam. OV: vanaf Amsterdam CS bus 42 richting KNSM-eiland en stap uit op halte Azartplein (tramlijn 10 kan ook, maar niet vanaf CS).

American-Dutch-Indonesian?

Vanaf circa 1960 emigreerden vele duizenden Indische mensen naar de Verenigde Staten. Zij konden niet aarden in het Nederlandse maatschappij en kozen ervoor, soms pas jaren na hun vertrek uit Nederlands-Indië, hun geluk te beproeven in ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’. Het overgrote deel vestigde zich in het zonnige Zuid-Californië. Maar wat is er bij de jongste generatie een halve eeuw later nog over van de Indische identiteit en cultuur?

Net als bij veel andere Indische mensen het geval is, bevindt ook een deel van mijn familie zich overzee. Mijn opa kwam uit een gezin met 20 kinderen, waarvan de helft uiteindelijk in de VS terechtkwam. Ook mijn ouders, broer en zussen verhuisden, zij het 30 tot 40 jaar later, naar Californië. Ik kom er vaak. De grote Indische ‘community’ die daar woont wordt ook wel Amerindo’s genoemd, maar noemt zichzelf “Dutch-Indonesian”.

Ze beschouwt zichzelf als een subcultuur, maar tussen de vele andere Euraziaten in Amerika is het soms moeilijk een Indo te herkennen. Net als andere geëmigreerde Nederlanders herkennen Indisch-Nederlandse Amerikanen jou natuurlijk wel. Wanneer je bijvoorbeeld nietsvermoedend door de mall loopt en Nederlands aan het kletsen bent, doemt er regelmatig iemand uit het niets op met een zwaar accent; “Kom uit Holland?” Vervolgens worden typische Hollandse woorden, gebruiken en etenswaren uitgewisseld.

Zoals ik ook in Nederland gemerkt heb, zijn het vooral deze culturele aspecten die door de generaties heen sijpelen. Maar zijn onze Indische generatie-genoten in de Verenigde Staten ook bezig met het hervinden van hun eigen identiteit en cultuur? Of zijn het standaard-Amerikanen geworden in wiens verre geheugen de herinnering aan Oma’s lemper rondzweeft? Net als veel derde generatie Indo’s zocht ik het antwoord als eerste op internet. Ik begon op MySpace, het Amerikaanse equivalent van Hyves, waar ik een groep startte onder de naam “Dutch-Indonesian Connection”.

Het aantal leden stroomde rap binnen en er ontstonden er contacten die voorheen niet mogelijk leken. De vele gesprekken en onderwerpen op het forum verschilden niet veel van wat op de Indische fora in Nederland las. Ervaringen over het eten bij “opa and oma” wisselden zich af met ‘zwaardere’ onderwerpen. Toch voelde ik een wezenlijk verschil met Nederlandse Indische jongeren, maar ik kon er niet echt mijn vinger op leggen. Toen een aantal leden elkaar in mei 2006 besloten te ontmoeten op het jaarlijkse Annual Holland Festival in Long Beach, California werd alles mij een stuk duidelijker.

Er kwamen zo’n 20 leden van de groep bijeen, van wie sommigen duizenden kilometers hadden gereisd. Het was een bijzondere en ook aparte ervaring om hen mee te maken. Enerzijds voelden de Amerikaanse Indo-vrienden echt aan als eigen (Indisch), maar anderzijds ook als anders (Amerikaans). Na een informeel kennismakingsrondje, besloten we over het terrein te lopen. Ondanks dat de naam van festival Nederlands aan doet, was mijn eerste indruk dat het meer een verkapte pasar malam was.

Het gehannes met klapstoelen en vouwtafels op het grote grasveld deed in ieder geval meteen erg Indisch aan. Langs de zijkanten vele warungs met Indisch eten en standjes met, zoals mijn familie dat noemt, tetek bengek (allerlei koopwaar). Tussen alle Indische stands, stonden echter ook tentjes waar je oliebollen, kroketten en een puntzak friet kon krijgen. De sambal vloeide even rijkelijk als de dotten mayonaise, de cendol-schenker stond arm-in-arm met de Heineken barman en de t-shirt drukker verkocht zowel shirts met de Nederlandse leeuw als die met de bekende Indo leuzen.

Daar op dat veld, merkte ik dat hoewel de derde generatie Amerindo’s opgroeit in een Amerikaanse smeltkroes waarin de talloze etnische groepen hun plek vinden, ook zij zich afvragen wat hun Indische afkomst voor hen betekent. Ze hebben dezelfde vragen als waar veel jonge Indo’s in Nederland mee zitten. Na alles te hebben laten bezinken, snapte ik ook wat de ervaring van mijn Amerikaanse generatiegenoten toch anders maakte als die van mijn Nederlandse. Het Indische gevoel van de Amerikaans-Indische derde generatie is namelijk tweeledig. Zowel Indië/Indonesië als Nederland, de twee landen waar zij culture affiniteit mee voelt, liggen op een haast mystieke afstand van de eigen geboortegrond. Dat maakt de zoektocht naar antwoorden alleen maar lastiger. Wat dat betreft valt het voor de jonge Indo’s in Nederland nog wel mee.