Blauw bloed

Columnist doet bekentenis. Toen onze Beatrix haar abdicatie bekendmaakte sprongen mij de tranen in de ogen. Ik kon er echt niets aan doen. Het gebeurde gewoon.  Bij de zin: “Ik ben u diep dankbaar voor het vertrouwen dat u mij heeft gegeven in de vele mooie jaren waarin ik uw koningin mocht zijn,” schoot ik vol.Patrick Neumann. Die huilt. Om de koningin. Schaamteloos en te gênant voor woorden. Maar het wordt nog erger: het was niet mijn eerste keer.

Zaterdag 20 maart 2004. Ik had ergens in het land een presentatieklus en die ochtend was Prinses Juliana overleden. Desondanks heb ik erg gelachen. Niet om haar dood natuurlijk, want ik ben fatsoenlijk opgevoed. Er was echter een Indisch mannetje, laten we hem voor het gemak Arie noemen, die mijn volledige aandacht naar zich toe trok.

Beatrix en Juliana © kerknieuws.nl
Beatrix en Juliana © kerknieuws.nl

Arie was die dag vrijwilliger. Een oudere, hartelijke man die correct was naar anderen. Hij stelde zich dan ook keurig voor. Maar daarnaast bracht hij meteen zijn condoleances over. “Gecondoleerd met het overlijden van onze koningin.”

Fascinerend om te zien. Arie had blijkbaar een band met het Koninklijk Huis. Het had was komisch en aandoenlijk tegelijk. Arie nam het overlijden van Juliana heel serieus. Het was bijzonder om te zien, omdat ik toen nog dacht niets met de Koninklijke Familie te hebben –  overigens in tegenstelling tot mijn grootmoeder.

Fan
Oma Neumann was groot fan van de Oranjes. Ik herinner me puzzels en servies met daarop leden van het Koninklijk Huis. Ze kende alle geboortedata van alle leden. Wist ook alles over de Beatrix en co. Al was het altijd de vraag wat daar van waar was. Oma Neumann kreeg de informatie meestal uit 83e hand, namelijk de roddelbladen.

Die – toch niet altijd fraaie – informatie deed niets af aan haar liefde voor het Nederlands koningshuis. Sterker nog, toen zij stierf hebben we als familie geen brieven of tekeningen in de kist gestopt toen deze werd gesloten. Nee, een boek over de koningin leek ons als familie meer bij oma passen. Zelf zag ik er wel de humor van in. Nog steeds. Toch merk ik dat mijn gevoel voor ons koningshuis langzaam verandert nu ik ouder word. Tijdens discussies neem ik het vaker voor ze op. Als men roept dat het alleen maar geld kost, haal ik mijn schouders op en na het ongeluk van Prins Friso was ik intens verdrietig.

De beelden van Beatrix bij het ziekenhuis. Voor even geen moeder van Nederland, maar moeder van een zoon die zoals het er naar uitziet nooit meer wakker wordt. Mijn hart huilde en ik huilde. Terwijl ik zelf geen vader ben en het waarschijnlijk nooit zal worden. Een herkenbaar gevoel als ouder kon het niet zijn, maar ik weet het nog precies. In de keuken stond ik met mijn vrouw te praten over het ski-ongeluk en ineens barstte ik in tranen uit.

Zoet
Sindsdien houd ik op gepaste wijze van onze koningin. Een Arie of oma Neumann zal ik nooit worden, maar misschien is het Koninklijk Huis voor mij net zoiets als het Indo-schap: ik zeg dat ik er niets mee heb, maar toch raakt het me op onverwachte momenten en ik kan het niet ontkennen. Het is er gewoon.

Zoals mijn Indische achtergrond bepaalt wie ik ben, bepaalt het feit dat we een koning(in) als staatshoofd hebben wie of wat we zijn als Nederlander. Of niet natuurlijk en is dat allemaal onzin. De gedachte blijft hoe dan ook zoet.

De politieke paringsdans 2012

Paringsdans van futen. Foto: cormastwijkfotografie.com
Paringsdans van futen. Foto: cormastwijkfotografie.com
Een natuurlijke paringsdans. Foto: cormastwijkfotografie.com

Opdracht van een kiezer

Wanneer overmorgen de champagne is verdampt, de tissues nog vochtig zijn van de tranen en de lijsttrekkers om verschillende redenen ontwaken met een kater, gaat het spel pas echt beginnen: de Grote Politieke Paringsdans 2012.

De afgelopen weken hebben we veel partijen elkaar zien uitsluiten en men spreekt over een ingewikkelde, wellicht onmogelijke formatie. In crisistijd is dat natuurlijk te bizar voor woorden.Er is namelijk altijd een middenweg, maar je moet het wel willen zien. Zeker nu. Bovendien: ik heb mijn collega’s ook niet altijd voor het kiezen en de baas verwacht toch dat ik gewoon mijn werk doe. Voor politici is dit toch niet anders?

Ik heb mijn collega’s ook niet altijd voor het kiezen

Want, laat ik duidelijk zijn: mijn stem is geen verzoek en ook vraag ik de politiek niet om een gunst. Nee; ik geef een opdracht om dit land fatsoenlijk te besturen. Wekenlang gesteggel over wie-met-wie-wil valt daar niet onder. Zeker nu, met een onzekere economie in het achterhoofd, zit ik daar niet op te wachten. Aan het werk en het liefst met een (op papier) haalbare coalitie.

Is dit echter niet mogelijk, dan zorgen de drie of vier grootste partijen de komende periode maar voor de vorming van een kabinet dat, ondanks de verschillen, toch werkt.  Ligt een samenwerking bij ‘de achterban’ niet lekker, dan stel ik voor dat alle partijen twee keer slikken en doorgaan. Desnoods regeren PVV en PvdA komende vier jaar samen. Wat overigens een interessante combinatie zou zijn. Zou er dan subsidie of belastingvoordeel komen voor vrouwen die GEEN hoofddoek dragen?

Even een escape inzetten als je het niet meer weet.

Nou heb ik het idee dat er meer nodig is. Want de afgelopen jaren hebben politieke partijen mij iets te vaak het bijltje erbij neergegooid:  de stekker kan er altijd uit. Zeven verloren weken in het Catshuis, bijvoorbeeld: het had elke andere partij kunnen overkomen. Er is simpelweg iets mis met de politieke mentaliteit. Een kabinet laten vallen, omdat het even moeilijk wordt lijkt inmiddels doodgewoon. Met een oplopende staatsschuld is dat verwerpelijk: het gaat hier om het landsbelang. We zitten verdorie niet bij Caroline Tensen voor een potje Eén Tegen 100 waarbij je, als je het even niet meer weet, een escape kan inzetten.

Dus, als verantwoordelijk burger denk ik mee, en heb ik een voorstel om onze vertegenwoordigers extra te motiveren. Politici worden geïnstalleerd voor een periode van vier jaar. Aangezien zij moeite hebben om deze termijn vol te maken, stel ik de volgende motivatiemaatregel voor: 

de Te-Kort-Regeerboete

Met de Te-Kort-Regeer-boete is het inkomen van een Kamerlid of minister de eerste drie jaar een lening. Zijn er dan nog geen nieuwe verkiezingen uitgeschreven wordt deze in het vierde jaar omgezet in salaris. De opgebouwde schuld wordt tevens kwijtgescholden. Maakt men er echter een potje van door (interne) strubbelingen tussen partijen en moet de burger eerder naar de stembus, dient deze lening te worden terugbetaald.

Met de Te-Kort-Regeer-boete is het inkomen van een Kamerlid of minister de eerste drie jaar een lening.

Volgens mij wordt de sfeer in de Tweede Kamer hier een stuk vriendelijker en professioneler van. Debatten worden weer inhoudelijk en interessant, omdat politici elkaar laten uitpraten en luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. De boel saboteren wordt een risico, daarmee raken zij voortaan indirect hun eigen portemonnee. Een ander voordeel van de Te-Kort-Regeerboete is dat het Binnenhof alleen nog mensen met idealen trekt: mijn maatregel zal afstotelijk werken en  een extra drempel vormen voor baantjesjagers en curriculum vitae-fetisjisten.

Nou kan ik me indenken dat de partijen niet meteen toekomen aan het bespreken van deze out-of-the-box oplossing. Over vier jaar maken we wel de balans op, dus voor nu: aan de slag en snel. Na de recente overkill aan debatten is er genoeg gepraat.

rood-wit-BLAUW

Oranje gekte - Patrick Neumann

Oranje gekte - Patrick NeumannIn de aanloop naar een Europees- of Wereldkampioenschap wordt opa altijd stiller. Hij maakt minder grappen en, heeft hij een keer de lolbroek aan, dan hebben zijn opmerkingen een negatieve ondertoon en zijn ze doordrenkt van cynisme.  Opa heeft een hekel aan voetbal en met name aan het Nederlands elftal en hun deelname aan kampioenschappen.

Opa’s negatieve houding naar Oranje ligt niet aan de spelers, aan maar de heisa eromheen. Dat ‘we de beste zijn’ en ‘we die beker wel even op komen halen’, of ‘alleen nog een paar partijtjes moeten ballen voordat dat ding mee naar huis kan’. Dat arrogante en nonchalante gedoe frustreert opa al jaren. Daarom is hij anti-Oranje. Tot grote ergernis van zijn (klein-)kinderen.

Elk toernooi is er wel een wedstrijd van het Nederlands elftal die de familie met elkaar kijkt. Zit iedereen uitgedost voor de televisie met een oranje sjaal, muts of t-shirt, weet opa de sfeer nog voor de aftrap te verpesten door zich in het zwart te hullen. Oma heeft vroeger wel geprobeerd om opa dan alsnog een pet op te zetten of hem een toeter in zijn handen te duwen. Tijdens het WK twee jaar geleden liep dat echter volledig uit de hand. Opa beende woest de kamer uit en de vuvuzela kon de vuilnisbak in.

Een terugkomend ritueel van opa is om, als het net spannend is, de afstandsbediening te pakken en te zappen naar een ander kanaal. Ze verliezen toch, zegt hij dan. Zegt de commentator dat  Nederland goed  combineert of dat de spelopbouw ruim voldoende is, gaat opa hardop met de verslaggever in discussie. “Die man is blind”, “Waarom zenden ze deze rotzooi uit”, “Het is allemaal hopeloos”. Toch gaat geen familielid er tegenin. Misschien dat een oom of tante zegt: “Och pa, is toch gezellig zo samen?”

Maar opa wil niet meedoen met de oranjegekte. Dat verplichte saamhorigheidsgevoel. Laten zien dat je er mag zijn en dat ze niet om je heen kunnen. Daar gaat het die miljoenen gekken toch om? Die constante hang naar erkenning. Laat opa dat woord nu heel goed kennen. Erkenning. Daar wacht opa zelf al jaren op. Een verliezend Oranje is een kleine pleister op de wond en voor opa een soort oog om oog, tand om tand.

Niet dat opa zuur is. Hij gunt die voetballers het sportieve succes heus wel, maar hij gunt het zijn land niet. Een verloren WK-finale voelt goed en als Nederland dit jaar de groepsfase niet overleeft zal opa van binnen lachen. Heel hard lachen. Krijgt opa voor één moment genoegdoening. Zoete, onschuldige wraak die de bittere nasmaak van zijn verleden even doet verdwijnen. Heel even.

Groene Blauwe

Recycle logo

Deze Indo is lekker bezig. Dat eeuwige gezanik over Indotiteit is eindelijk voorbij. Indo or no Indo is niet langer een vraag, want het is tijd voor grotere dingen. Dus ego opzij, SuperIndo-kostuum uit de kast trekken en preken voor eigen parochie. Over plastic zwerfafval, plastic soep of voor ons als Indo’s onder elkaar: Soto plastic.

“Waarom valt deze duurzame Indo ons hiermee lastig?”, is wellicht de (terechte) vraag. Laat ik voorop stellen dat ik niet tegen plastic ben. Integendeel, ik zie het als een wondermiddel dat heel lang meegaat. Alleen jammer dat we het niet als zodanig gebruiken, omdat  plastic weliswaar afbreekt, maar niet verdwijnt en dat onze wateren er inmiddels ruim mee zijn afgevuld.

Als je in het dagelijks leven goed op plastic gaat letten dan zie je het ineens overal. Voor de grap ben ik daarom op onderzoek uitgegaan in een toko bij mij in de buurt. De wereld aan plastic bakjes met deksels en natuurlijk alle folie om o.a. de spekkoek, lempers en kue lapis. Daarmee leveren we een aardige bijdrage aan de plastic afvalberg. Al ben ik ervan overtuigd dat de Indische consument de bakjes keurig bewaard voor hergebruik.

Desalniettemin denk ik dat het anders, slimmer en groener kan. Met bijvoorbeeld bananenblad, statiegeld-bakjes en natuurlijk iets met bamboe. We kunnen tevens proberen om de mensen met een rantang richting de toko te bewegen. Of dat we vaste klanten kunnen verleiden zo’n ding te leasen. Andere ideeën en suggesties zijn uiteraard meer dan welkom. Wees vooral creatief.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is helemaal hot. Zelf spreek ik echter liever van maatschappelijk verantwoord gedrag. Wie kunnen deze belangrijke voortrekkersrol in Nederland beter vervullen dan wij Indo’s? Kijk naar ons huidig muzikale landschap. Wie waren de voorlopers? Precies.

Bovendien als we ooit de rekening van Moeder Aarde gepresenteerd krijgen zijn wij met ons groot aanpassingsvermogen, daar zijn we wereldwijd heer en meester in, toch degenen die hier het snelst mee om kunnen gaan. Het zal niet altijd makkelijk zijn, maar rap zijn we! Waarom beginnen we niet alvast?

Het is tijd voor een Indische Lente of een Groene revolutie onder aanvoering van de Blauwen! Als wij het niet doen, doet niemand het. Wat anderen wel doen, kunnen wij beter. We redden de wereld en hoeven er niets voor terug. Zo zijn we.

Drift

Groftaalgebruik kijkwijzer emoticon

Mijn kleine teen is blauw. Donkerblauw, bijna zwart. Om nog maar te zwijgen over de pijn. Lopen gaat nog net, maar enkel zonder schoenen aan. Die stekende pijnscheuten drijven me tot wanhoop, maar zoals altijd draag ik mijn lot als een echte Indo. Niet zeuren, maar doorlopen. Het onderscheidt me als man van de jongens. Ik, de grote held op sokken, die per se met een stoel moest vechten.

Laat ik voorop stellen dat ik, alles bij elkaar genomen, een tevreden mens ben. Ik ben geschaakt door een mooie dame, heb van al mijn hobby’s mijn beroep gemaakt en ben gezond. Een hypotheek zal ik waarschijnlijk nooit krijgen, financieel onafhankelijk worden zit er al helemaal niet in, maar dat weegt niet op tegen al dat geluk.

Daar komt bij dat ik volgens mij best een aardige gozer ben. Misschien wat druk af en toe… te cynisch… te…(zelf invullen). Maar dan nog sta ik nooit voor de spiegel met de gedachte: ‘Wat ben jij een klootzak*.’ Ik ben sociaal, loyaal, vriendelijk, communicatief zeer vaardig en als ik lekker op dreef ben, knal ik er gratis een paar kilo humor bij. Heb ik dan geen duistere kant? Gelukkig wel.

Hoe sympathiek ik ook ben, soms slaat mijn stemming ineens om. In al zijn extremen. Als mijn kroepoekje ontzettend aan het zuigen en zeiken is, als iemand mij onredelijk behandelt of wanneer ik, zoals onlangs het geval was, ongeduldig word. Ik ben dan bijna een exacte kopie van mijn vader (lees: vrijwel mijn hele Indische familie). Die kan ook PATSBOEM! ontsteken in woede. Vroeger meestal op de dag dat we op vakantie gingen en altijd om iets pietluttigs. Net als ondergetekende.

Laatst moest ik een lied schrijven voor de opening van de tentoonstelling ‘Aanpassen!’, over drie generaties Indische Nederlanders, in Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Dat ging op zich prima, totdat ik een hele middag zat te blokken om wat laatste zinnen te wijzigen. Metrisch wilde het steeds niet kloppen, waardoor ik geheel onverwachts explodeerde!

Deze Indo werd waanzinnig, kan ik u vertellen. Ik kreeg een waas voor mijn ogen en veranderde in een beest. Alles wat op mijn pad kwam moest eraan geloven. Als een nietsontziende, allesverwoestende wervelwind, maar dan schreeuwend, vlogen cd’s, pennen en borden door de kamer. Furieus schopte ik tegen de stoel die wel vaker slachtoffer was geweest. Echter, dit keer schopte het meubelstuk terug, waarna ik vol razernij ook de stoel door de kamer smeet. Hoe gênant als je bedenkt dat ik boven, onder en naast mij, buren heb wonen.

 Uiteindelijk ging die innerlijke storm liggen en kalmeerde ik. Pas toen zag ik de schade die ik had aangericht. Zinloos geweld in zijn oervorm. Ik zag mijn teen die rood/paars/blauw werd, ging zitten op de stoel, die het had overleefd (applaus!), haalde mijn schouders op en dacht: ‘Maar het lucht wel op’ Waarna zowel ik, als het liedje, al snel perfect in balans waren.

* Mijn excuses aan een handjevol ex-vriendinnen die het hoogstwaarschijnlijk niet eens zijn met deze gedachte.

Kleur bekennen

Mijn huidskleur gaat me tegenstaan. Als ik naar mezelf in de spiegel kijk zie ik niet meer die mooie bruine tint, maar een onhandig onderdeel waarvoor ik me steeds vaker moet verantwoorden. Eigenlijk is het een irritant omhulsel en het wordt steeds meer een last. Soms zou ik het liefst de kaasschaafmethode toepassen, omdat de etnische registratie stiekem, maar vooral onbewust, is begonnen.

Er was een tijd dat bijna iedereen jaloers was op mijn kleur. Ik werd sneller bruin dan anderen en vooral mijn vrouwelijke klasgenoten hadden graag van huid geruild. Nimmer vroeg men zich hoe ik toch aan dat bruine laagje kwam.

Helaas zijn de tijden veranderd. Waarmee ik niet wil stellen dat het vroeger allemaal beter was. Ik heb hier weleens in een column geschreven over  de verwensingen die ik, al dan niet met kanker als toevoeging, naar mijn hoofd geslingerd heb gekregen. Met als hoogtepunt Hamas-type. Leuk is het niet, overzichtelijk wel. Zij moeten duidelijk niks van mij hebben en dat is geheel wederzijds.

Tegenwoordig lijkt het echter salonfähig te zijn geworden dat volslagen vreemden, na nog bijna geen woord te hebben gewisseld, zomaar vragen waar je vandaan komt.

Ik: “Amsterdam…”

Vreemde: “Nee, dat bedoel ik niet. Je ziet er anders uit. Niet Nederlands bedoel ik.”

Ik: “Ik kom uit Hoogeveen, Drenthe. “En ik heb inderdaad een licht turfkleurtje. (Een slechte grap maar dat terzijde) “Nee, ik ben Indisch.”

Dan gebeurt het…

Vreemde: “Oh… Haha, ik dacht dat je misschien een Turk was of Marokkaan ofzo…”

Vooral die plotselinge, zichtbare ontspanning verbaast me. Bijna opluchting. Alsof ik anders een minderwaardig mens was geweest.

Dit jaar is mij al tientallen keren DE vraag gesteld. In verschillende situaties. Dat baart me zorgen, omdat er vroeger nooit iemand naar vroeg. Waarom is het zo belangrijk om te weten waar ik vandaan kom? Antwoord of oorzaak interesseren me niet zo veel. Ik registreer enkel dat het mij regelmatig overkomt.

Natuurlijk heeft men het recht om het aan mij te vragen en ik weet ook dat ik niet hoef te antwoorden. Verschil is alleen dat ik dan de gebeten hond ben en raar doe, omdat ik geen antwoord wil geven. Terwijl het ze geen reet aangaat. Bovendien is kans groot dat ik vervolgens de hele avond moet uitleggen dat Indisch niets met Mumbai te maken heeft. Eigenlijk ben ik er helemaal klaar mee om mijzelf etnisch te verantwoorden.

Daarom stel ik voor om het extreem aanpakken. Iedereen krijgt een chip in zijn achterste met daarop in codetaal zijn afkomst. Op onze telefoon downloaden we de ETNI-App die zich in een straal van vijf meter met de chip synchroniseert en alle informatie kan lezen. Scheelt meteen dat eerste lichamelijke contact van het handen schudden bij het kennismaken alvorens te checken waar de gesprekspartner zijn kleur aan te danken heeft.

We kunnen überhaupt het voorstellen overslaan, want we zien op onze smartphone ook hoe de ander heet. Zo voorkomen we dat we moeten communiceren met bepaalde bevolkingsgroepen die we liever op afstand houden. Briljante, eenvoudige oplossing! En ben ik eindelijk van die volkomen nutteloze vraag verlost.

Anti-Pinda-Propaganda

Wat is er schattiger dan lieve, onschuldige kinderliedjes zingen? Vooral na het openen van de zoveelste fles wijn is dat een geweldig idee. Een tijdje geleden kwamen ze allemaal voorbij tijdens een iets te gezellig diner. Zeg ken jij de mosselman, Alle eendjes zwemmen in het water, In de maaaaaaaaaaaneschijn. Stuk voor stuk kinderklassiekers.

Toen elk bekend liedje was geweest, herinnerde ik me nog een oude favoriet. Weliswaar na enig graven, maar dat lag natuurlijk aan de staat van ondergetekende.

Pinda liep langs spoorwegbaan
Maar er kwam een treintje aan
Pinda keek niet uit helaas
BOEM
CHENG
Pindakaas

Ineens besefte ik vandaag wat voor ziek en haatdragend kinderlied dit is. Luidkeels heb ik het gezongen op de basisschool. Ik heb mezelf jarenlang verraden. Waren de juffen en meesters hiervan op de hoogte? Natuurlijk waren zij dat. Mijn tere kinderzieltje is misbruikt voor Hollandsche, anti-Indische symphatien. Ik ben acht jaar lang gehersenspoeld en iedereen stond erbij en keek ernaar… Welke oud-koloniaal met rancune heeft dit versje in hemelsnaam bedacht? En welke bedoelingen had hij?

Allereerst, waarom loopt die pinda langs de spoorwegbaan? Iedereen weet dat het gevaarlijk is, zelfs verboden. Bovendien ken ik de verhalen dat veel Indo’s werden opgevoed tot keurige burgers, dus de kans dat er een pinda vrijwillig langs het spoor loopt lijkt mij sterk.

Brengt mij meteen op het tweede: liep deze pinda daar überhaupt vrijwillig? Ik denk het niet. Geloofwaardiger is aan te nemen dat hij werd gedwongen en dwangarbeid moest verrichten onder het motto: vroeger aan het spoor, nu aan het spoor! Maar wanneer we ervan uitgaan dat degene die hem dwong een onwetende Hollander is, dient zich nòg een optie aan. Namelijk dat de pinda werd verward met een Molukker. Ik heb geen idee hoe oud het lied is en/of wanneer het is geschreven, maar ik ben in ieder geval van 1983. Met de jaren ’70 in het achterhoofd had de schrijver Molukkers dus blijkbaar liever naast dan in de trein.

In de volgende regel schrijft de onbekende auteur dat pinda helaas niet uitkeek, maar hoe weet hij dat? Pinda kan ook even afgeleid zijn geweest. Desondanks denkt de schrijver bij voorbaat dat het hier een domme pinda betreft. Met zoveel tunnelvisie kunnen we dit werkje bijna, zij het licht aangepast, tot partijlied van de PVV bomarbarderen.

Tot slot: als deze tekst niet haatdragend is, waarom eindigt pinda dan als pindakaas? Hij had toch ook kunnen eindigen als pindasoep of, nog beter, pindasaus? I rest my case.

Hoogmoed van een Indosaurus

Dinosaurus. Bron: http://www.sadoradesigns.be/verborgenpaginas/onzeproducten/muurstickersvanwildedieren/tabid/178/CategoryID/43/List/0/Level/a/ProductID/934/Default.aspx?SortField=datecreated+desc%2Cproductname

Alweer een tijd geleden werd mij gevraagd hoe ik de toekomst van de Indo zie. Niet dat ik word gezien als een groot Indisch denker of iets dergelijks, maar desalniettemin werd het mij gevraagd ten overstaan van zo’n honderd (grotendeels Indische) mensen.

Onder luid applaus had ik met een bijna leeg bierglas mijn entree gemaakt. Dat had overigens te maken met de voorstelling (Circus Bronbeek) die ik daarvoor had gespeeld. De interviewer, die inmiddels was begonnen met zijn talkshow, zag mij de foyer betreden en richting bar lopen, noemde mijn naam en men begon spontaan te klappen. Ik knikte vriendelijk, zwaaide even, ging rustig op een barkruk zitten en bestelde heel nonchalant een nieuw biertje. Dat laatste is best moeilijk als je ego wordt gestreeld. Om een lang verhaal kort te maken: Die avond was ik belangrijk.

Geen wonder dus dat ik enkele minuten later door de interviewer werd gevraagd om me bij gasten van de talkshow te voegen. Daar zat ik dan, derde generatie Indo met een mening èn dat nonchalant bestelde biertje. Tegenover een publiek met vooral eerste en tweede generatie. En al had ik nog niets gezegd, elk woord uit mijn mond zou vandaag op een weegschaal worden gelegd. In de wandelgangen had ik die dag gehoord dat er vanuit het publiek commentaar was geweest op het grote Patrick Neumann-interview in de Moesson een paar maanden eerder. Onterecht naar mijn mening, want die mensen hebben het waarschijnlijk niet goed gelezen. Ik besloot geen risico te nemen en mijn woorden zorgvuldig kiezen.

Ineens begon alles te draaien. Ik zag iedereen wel, maar niet helemaal helder. De talkshow kon ik wel volgen, maar het geluid was wel wat dof. “Ik ben toch niet dronken?”, dacht ik. Het kwartje viel. Zwevend op het succes van de gespeelde voorstelling en de daaropvolgende staande ovatie was ik vergeten te eten. Tegelijkertijd had ik dat eerste biertje te snel en gulzig achterover gegooid. “Domme, domme Patrick….”, klonk het in mijn hoofd. “Geen stomme dingen zeggen… focus… concentreer je op de vragen. Pak die Indo-minutes of fame!”

“Patrick”, hoor ik de interviewer zeggen.

In mij begonnen alarmbellen te rinkelen. “Shit, mijn naam… Focus, focus…” Mijn hoofd sloeg op hol. De interviewer vervolgde:

“Jij bent derde generatie. Hoe zie jij de toekomst van de Indische Nederlander?”

Hoewel ik me zo had voorgenomen me in te houden, hoor ik mezelf zeggen: “We sterven uit. En dat is helemaal niet erg.” Ik keek schaapachtig de zaal in en in plaats van boze gezichten, begonnen mensen in het publiek te lachen en een enkeling knikte instemmend. Ik ratelde verder: “De Indo heeft zich bijna altijd en overal gered in de wereld, dus als we uitsterven hebben we ons goed aangepast. Misschien ligt daar onze kracht.”

De twee biertjes op mijn nuchtere maag werden mijn vrienden en werkte als spraakwater. Wat vond ik mezelf belangrijk die avond. Aan het eind kwam er een oudere Indische man naar me toe. Hij zei: “Je hebt een paar leuke dingen gezegd over dat uitsterven. Hussel de letters van Indo maar eens door elkaar.”

Ik keek de man vragend aan.

“Dino.”

‘Iets Indisch’ (2)

Daar stond ik dan. Midden in de nacht. Oog in oog met mijn overleden oma. Heel ontspannen zat ze daar. Al rokend aan de keukentafel. Ik moet bekennen dat ik in redelijke staat van paniek verkeerde. Zoals ik de vorige keer schreef, was ik wel wat gewend in mijn dromen, maar dit was andere koek. Dit was oma.

Afbeelding: lekkerding1967.spaces.live.com

Gelukkig had ik ooit eens had gelezen of gehoord dat je dit soort ongenode gasten het best kan wegsturen door hardop te vragen of ze weg willen gaan. Daarom bedacht ik me geen moment, deed het licht aan, pakte de tafel beet, concentreerde me en zei: “Oma, leuk dat je mij komt opzoeken, maar ik word er bang van. Ga alsjeblieft weg, ga weg alsjeblieft…”

Een geest wil ik haar niet noemen. Eerder een afdruk. Immers, ik weet tot op de dag van vandaag niet of ik haar die nacht echt heb gezien. Misschien wilde ik het zien of was het een keiharde mindf*ck. In ieder geval was ik niet blij met haar bezoek. Bovendien leek ze niet op de oma die we hadden gecremeerd. Een uitgeteerd hoopje mens na ruim drie weken ziekbed. Meer was er niet over van die ooit zo grote vrouw (in de lengte overigens). Haar afdruk was simpelweg te perfect.

Deze ervaring heb ik een paar jaar geleden gebruikt tijdens een huiskamertournee. Door heel Nederland speelde ik bij mensen thuis mijn liedjes en vertelde o.a. dit verhaal. Een aantal keer kwam het voor dat er voor of na dit verhaal iets vreemds gebeurde; een kaars begon plots te branden, een schilderij kwam naar beneden en het klassieke klapperen van ramen en deuren.

In de loop der jaren heb ik het allemaal geaccepteerd. Af en toe gebeurde er wel iets, maar zocht het nooit op. Hoopte nooit op een nieuwe droom of verschijning van opa, oma’s of andere dierbaren. Tot eind mei dit jaar.

Mijn allerlaatste en vooral allerliefste opa ging dood. Als kind heb ik dikwijls gewenst dat hij als laatste van mijn opa’s en oma’s mocht sterven. Niet dat de anderen dood moesten, maar hij was mijn grote vriend. Onze band was ijzersterk. Onze humor dodelijk. Positief en negatief.

Toen hij stierf voelde het alsof ik werd overreden door een trein en alsof iemand de hele tijd citroensap in de wonden spoot. Intense pijn. Uiteraard had ik een maand eerder al gedroomd over zijn naderend afscheid, maar ik had er geen waarde aan gehecht. Of geen waarde aan willen hechten.

Vlak na zijn dood constateerde ik dat ik hem niet meer kon bedanken voor alles. Maar wederom geschiedde het. Per droom. Tweemaal. De eerste keer wilde ik hem alsnog mijn dankbaarheid tonen, maar ging hij liever samen foto’s van vroeger bekijken. In de tweede droom kreeg ik een dikke knuffel. Zo onwaarschijnlijk mooi en liefdevol dat ik nog steeds elke avond voor het slapengaan denk: “Misschien komt opa wel langs!”

Maffe Indo die ik ben.

‘Iets Indisch’ (1)

Soms droom ik heftig. Niet eng, maar wel dat ik met terugwerkende kracht bang word. Want heel soms zie ik dingen die ik liever niet zie. Dat is wel eng. Laat ik voorop stellen dat ik absoluut niet (bij-)gelovig ben. Ik geloof niet in leven na de dood en denk niet dat er meer is tussen hemel en aarde, maar ik weet wel dat ik alles uit deze column niet heb verzonnen. Hoe nuchter ik ook ben, ik ben niet blind.

Dromen

Iets Indisch, zo noemt mijn moeder het. Ze zegt dat ik het van oma Neumann heb geërfd.

Mijn ouders wonen in een fijn huis, maar toch is het geen plek waar ik graag ’s avonds laat als laatste naar bed ga. Als ik alleen ben lijkt het net of er een koud briesje langs mijn lichaam waait. Die sfeer zorgt ervoor dat ik op mijn hoede ben, alhoewel ik me er niet onveilig voel. Afgelopen weekend sliep ik er voor het eerst sinds maanden weer eens en het was in de nacht van zaterdag op zondag meteen mis in mijn dromen.

Ik droomde dat een vriendin van mij ging bevallen. Geen gekke gedachte, want ze was zwanger. Normaal gesproken houd ik zoiets voor mezelf en wil ik achteraf weleens zeggen dat ik het allemaal al wist omdat ik erover had gedroomd. Borstklopperij van het zweverigste soort. Dit keer besloot ik het mijn vrouw van tevoren te vertellen. ,, Puntje, puntje is vannacht bevallen of gaat dat vandaag doen!’’, zei ik lacherig. Dat lachen verging mij snel maandagochtend toen ik een sms ontving dat die vriendin inderdaad de dag daarvoor was bevallen. Om 23:37 uur, dus weliswaar op de valreep, maar wel precies binnen het tijdskader van mijn voorgevoel. Natuurlijk was ik blij, maar de bewuste vriendin had van mij wel een dag eerder of later mogen baren.

Misschien is mijn ouderlijk huis een ideale plek voor dit soort dromen. De allereerste droom die ik me herinner heb daar ook gedroomd. In 2003 ga ik een avond naar schouwburg. Die nacht droom ik mij op het herentoilet van datzelfde theater. De deur gaat op en mijn Indische opa komt binnen. ,,Ben je ons vergeten?”, vraagt hij. ,,Hoezo”, antwoord ik. ,,Jullie zijn toch dood?” Op dat moment zwaait nogmaals de deur open en staat ook oma in de ruimte. Einde droom. De dag daarna bleek het precies een jaar geleden te zijn dat oma overleed. Opa stierf kort na haar dood van verdriet.

Op één of andere manier heb ik dit soort dromen/ervaringen alleen met mijn opa’s en oma’s. Neem bijvoorbeeld mijn Hollandse oma. Een paar weken na haar overlijden overkwam mij, wederom bij mijn ouders, het volgende:

Het was bijna Kerst. Omdat ik nog genoeg werk te verzetten had voor de laatste loodjes van mijn studie, was ik ’s nachts nog aan het typen op de bovenverdieping. Opeens hoorde ik iemand mijn naam roepen. Heel zacht. ,,Patrick… Patrick…” Misschien is het van belang te zeggen dat ik in die tijd geen druppel alcohol dronk, dus daar lag het niet aan. Toen ik het roepen bleef horen ben ik in het donker de trap afgelopen. Iets wat ik in dat huis niet graag doe, maar het was een soort trance. Ik deed het gewoon. Wat ik toen zag kan ik nog steeds niet verklaren. En wat mij betreft hoeft dat ook niet. Noem het de kracht van de geest of desnoods vermoeidheid, maar ik was nog niet beneden of daar zat ze. Aan de keukentafel, met een sigaret in haar hand: mijn oma.

(Wordt vervolgd)