Wilde woorden van Jet

Waar is het echte verhaal?

Vaak bespreek ik hier kwesties die alleen met ‘het Indische’ te maken hebben. Maar soms hoor ik uitspraken die door alle culturen en achtergronden heen nutteloos zijn. Zoals de recente veeg uit de pan van Bussemaker (ja, dezelfde Jet die er niet uitkwam met het Indisch Platform in 2009) aan het adres van niet-werkende moeders met een opleiding, in Trouw.

Kwaad
Delete, delete, delete. Zo ging het ongeveer toen ik via Twitter mijn ongenoegen probeerde te uiten over de recente uitspraken van minister Jet Bussemaker in Trouw. Waarom? Ik was kwaad en verontwaardigd over haar generaliserende, beledigende en nutteloze uitspraken. Bovendien: denkt ze nou echt dat zij daarmee “gehuwde, niet-werkende vrouwen” die voor de kinderen zorgen, motiveert weer te gaan werken?

Schuldig voelen
Bij deze quote hapte ik naar adem: “Natuurlijk helpt het als kinderopvang goed geregeld is. Maar vrouwen moeten ook af van dat eeuwige schuldgevoel over hun gezin. Ze zouden zich eerder schuldig moeten voelen over het feit dat de overheid zoveel in ze heeft geïnvesteerd.”

Eigen keuzes
Voor de duidelijkheid: ik ben een “gehuwde vrouw”, we hebben twee kinderen en we werken allebei. En ik ben het ongelooflijk oneens met haar uitspraken.Van Bussemaker’s redenering deugt natuurlijk geen klap. Je wil goede kinderopvang omdat je van je kinderen houdt, niet uit schuldgevoel. En wat jij met je opleiding doet, is je eigen keuze. Daar heeft zij niets over te zeggen. Maar goed.

Je wil goede kinderopvang omdat je van je kinderen houdt, niet uit schuldgevoel.

Meer vrouwen aan het werk
Waar ik me kwaad over maak, is wat Bussemaker niet zegt. Jarenlang is het verhaal in Den Haag dat het goed is voor Nederland dat er meer vrouwen aan het werk gaan. Dus komt er een kinderopvangregeling en een ouderschapsverlofregeling. Daarmee pakt de overheid  twee problemen – redelijk – grondig aan en de vrouwenparticipatie op de werkvloer neemt langzaam aan toe.

Op de werkvloer
Eenmaal op die werkvloer waren er ook problemen: ongelijke betaling voor hetzelfde werk en te weinig vrouwen in de top van bedrijfs- en bestuursleven. In Den Haag is daar nooit een eenduidig beleid voor gekomen. Aan een quotum willen ‘we’ niet, en voorschrijven dat mannen en vrouwen voor hetzelfde werk hetzelfde loon krijgen ook niet, blijkbaar.

Bezuinigen
Vervolgens komt er een economische crisis en de regering moet bezuinigen. De ouderschapsverlofregeling was onder Rutte I al versoberd, onder Rutte II gaat ook de kinderopvangregeling op de schop. ‘Iedereen gaat het voelen,’ is het verhaal. Zo ook ouders – vaders én moeders – van opgroeiende kinderen, begrijpelijk.

Zelf oplossen
Maar is dat het eerlijke verhaal dat Bussemaker vertelt? Nee. Ze zegt niet: ‘Werkende moeders van Nederland, het spijt me dat jullie niet verder komen op de werkvloer. Ik zou jullie graag willen helpen, maar ik heb geen geld. Jullie moeten het zelf oplossen.’

Gebrekkige vrouwenemancipatie is blijkbaar de schuld van moeders die niet werken.

De schuld
Wat Jet doet, is zeggen dat de gebrekkige vrouwenemancipatie de schuld is van moeders die niet werken. Ze spreekt dus de groep aan waar verandering het lastigst is – want ga maar eens een baan vinden momenteel –, op een manier waar de honden geen brood van lusten en ook nog eens zonder een oplossing voor werkende moeders die wel door willen naar de top.

Slecht beleid
Ik ben nog niet eerder opgekomen voor ‘vrouwenrechten.’ Sterker nog, ik heb me in het – recente – verleden uitgesproken tégen beleid voor vrouwenemancipatie. Maar deze kwestie gaat helemaal niet om vrouwenrechten. Deze kwestie gaat om slecht beleid, weinig geld en een beschamend gebrek aan omgangsvormen.

Als de minister van OCW zich daar nou eerst eens kwaad voor maakt, dan zorgt niet-werkend moederend Nederland gewoon weer voor hun gezinnen. Met of zonder opleiding.

Ngroblog: "Ik zal vertel Avontuur, echt gebeurd"

“Spreken is zilver, zwijgen is Indisch”

Mijn grootouders voldeden aan de uiterlijke kenmerken die we met z’n allen bestempelen als Indisch; een getinte huid, donker haar en klein van stuk.  Een zichtbaar Aziatisch uiterlijk dus.  Mijn opa had een echt Javaans uiterlijk en mijn oma had weliswaar een lichtere huid, maar in het gelaat waren duidelijk de Indische sporen zichtbaar. Net als bij mijn moeder en haar twee broers overigens. Bij mij en mijn jongere broer hield het blijkbaar op. Wij zijn weliswaar allebei niet lang uitgevallen, maar verder zijn wij twee typisch Hollandse jongens met (donker)blond haar,  licht gekleurde ogen en een blanke huid. En toch voel ik mij Indisch.  

18 was ik, toen ik mij meer ging verdiepen in het koloniale verleden en mijn Indische roots. Helaas heb ik geen vragen meer kunnen stellen aan mijn grootouders, zij waren toen al overleden. Mijn  moeder weet slechts in grote lijnen hoe het leven in Nederlands-Indië  was, omdat ze 6 jaar was toen ze naar Nederland kwam. In 2009 ben ik samen met mijn jongere broer en mijn ouders voor een maand naar Indonesië gegaan. Mijn moeder vond dat wij op zijn minst één keer gezien moesten hebben waar zij haar eerste levensjaren doorgebracht had.  Deze reis heeft op mij een behoorlijke indruk gemaakt en heeft mijn interesse voor het koloniale verleden van mijn familie nog meer aangewakkerd.

Een jaar of twee geleden kreeg ik te horen dat mijn opa zijn “memoires” opgeschreven zou hebben en dat dit in het bezit was van mijn ouders. Het zou ergens in de garage van mijn ouders liggen, tussen de dozen en foto’s van mijn (inmiddels overleden) opa en oma. Het zou dus een hele klus worden het ook daadwerkelijk te vinden. “Ach dat zijn verhaaltjes van opa, niets bijzonders” aldus mijn moeder. Zij hechtte  er blijkbaar niet al te veel waarden aan. In een tijdsbestek van ongeveer een jaar heb ik er meerdere malen om gevraagd, maar telkens kreeg ik te horen dat het nog niet boven water was. Uiteindelijk zei mijn moeder dat ze het waarschijnlijk weggegooid had.  Ik was boos. Ik was inmiddels zo nieuwsgierig geworden.

Na de reis door Indonesië, ben ik boeken over Nederlands-Indië  gaan lezen. Romans, geschiedenisboeken,  tijdschriften en websites. Maar al dat lezen gaf mij geen antwoord op de vragen die ik had over mijn familiegeschiedenis.  Waar hebben ze gewoond en gewerkt? Hoe zijn zij de bezettingstijd door de Jap doorgekomen? Hoe hebben zij de Bersiap ervaren?  Ik baalde dat de memoires van mijn opa weggegooid waren!

“Ik heb het boek van opa gevonden” zei mijn moeder.  Het was inmiddels weken geleden dat mijn moeder had medegedeeld het boek waarschijnlijk weggegooid te hebben.  Ik wilde het meteen zien.  Het was een klein wit multomapje, A5 formaat. Gevuld met  handgeschreven velletjes papier. Op een aantal pagina’s zijn foto’s geplakt. Ondanks het kleine formaat van de multomap was het een lijvig boekwerk geworden.
Op de eerste pagina staat: “Ik zal vertel avontuur,  echt gebeurd” en op de tweede pagina wordt meteen duidelijk waarom mijn opa zijn verhaal heeft opgeschreven: “ Een vriend vroeg mij: Willem waarom doe je dit? Ik zei: Omdat onze kleinkinderen niets weten van ons leven vroeger!” En dat klopt.

Momenteel ben ik bezig het verhaal te lezen en over te typen. Zodat het niet verloren zal gaan. Mijn opa heeft een prachtig handschrift maar door gebrek aan ruimte heeft hij soms zó klein geschreven dat ik mijn best moet doen om het te kunnen lezen.  Maar het is het waard!

Ook mijn moeder heeft inmiddels door dat het niet alleen maar “verhaaltjes van opa” zijn,  maar dat hij een deel van zijn stamboom heeft uitgeschreven, tot in detail beschrijft hoe zijn kinderjaren waren, wat zijn eerste baan was, waar ze gewoond hebben, en terloops schrijft hij over de oorlog.

Door zijn boek weet ik nu waar hij is geboren: De Suikerfabriek en Plantage van Krasaän. Via een  gespecialiseerde reisbureau weet ik dat deze fabriek nog steeds bestaat  en zal deze in mei van dit jaar gaan bezoeken. Hoe leuk is dat!

Ook mijn moeder blijkt meer interesse te hebben in het boek dan zij in eerste instantie liet blijken. Ik vroeg laatst aan haar waarom ze het zo laconiek had gereageerd op het feit dat opa zijn levensverhaal opgeschreven had, waarom ze dat bestempelde als “verhaaltjes” en de waarde er niet van inzag. “Omdat ik mij vroeger als kind schaamde voor mijn ouders, ze waren anders dan Hollandse mensen. Ik wilde ook Nederlander zijn, dat moest zelfs van mijn moeder, maar toch waren we niet hetzelfde. Je opa en oma hadden het zelden nog over Indië en als we dat wel deden, alleen over leuke dingen. Toen ik wat ouder was schaamde ik mij niet meer, het waren tenslotte mijn ouders ”.  Zodoende is het Indische verleden stilletjes op de achtergrond terecht gekomen.

“Spreken is zilver, zwijgen is Indisch” zou je over de 1e en 2e generatie Indo’s kunnen zeggen. Maar blijkbaar dacht mijn opa hier anders over. Ook al heeft hij zelf nooit veel gezegd toen hij nog leefde, vertellen doet ie nu wel. En verhalen zijn er om te delen. Precies de reden waarom ik blog op Indisch 3.0.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Over huizen en verhuizen

Uit je comfort zone stappen, ik lees het net op Indisch 3.0. Ik hoor het anderen ook regelmatig zeggen. Op tv zie je dan dat mensen een huis (lees: lap grond met wat bakstenen erop) gaan kopen in Spanje en verbaasd zijn dat de aannemers ook manana niets doen. Het kan ook anders.

In de afgelopen drie jaar heb ik

  1. mijn vrijgezellenbestaan aan de klapperboom gehangen;
  2. mijn vaste baan opgezegd (een betrekking bij het gouvernement ja);
  3. mijn eenmanszaak ingeschreven bij de KvK;
  4. mijn ambities voor mijn eenmanszaak op een laag pitje gezet omdat ik zwanger was;
  5. de vader van ons toen nog aanstaande eerste kind op mijn adres ingeschreven omdat we elkaar pas 1,5 jaar kenden toen ik zwanger bleek te zijn en we nog niet officieel samenwoonden;
  6. ‘ja’ gezegd toen diezelfde vader me ten huwelijk vroeg;
  7. een geweldige bruiloft gehad;
  8. een heerlijk kind (ja, ik ben zo’n irritant trotse moeder) op de wereld gezet;
  9. om nog steeds onverklaarbare redenen mijn krullen moeten inleveren tegen stijl haar;
  10. een business plan opgesteld voor Indisch 3.0;
  11. datzelfde business plan in de koelkast gezet omdat ik in verwachting was;
  12. mijn huis te koop gezet;
  13. een retefijne compagnon voor Indisch 3.0 gevonden;
  14. een heerlijk kind (ja, ook de tweede) op de wereld gezet;
  15. een heerlijk neefje gekregen (ja, ook nog eens een irritant trotse tante)
  16. een paar pondjes erbij gekregen..

Als je dit zo leest, kan je het idee krijgen dat ik geen enkele comfort zone meer over heb. Niets is minder waar. Ik ben namelijk vreselijk honkvast. Ik kan de wereld aan als ik maar een veilige basis heb: mijn thuis. Zo veranderlijk als ik ben, zo saai ben ik als het op wonen aankomt. Daarvan wil ik graag meer van hetzelfde en zo lang mogelijk. Aan mijn inrichting wil ik nog best wel eens wat veranderen, maar verhuizen? Wat een nachtmerrie.

Als student heb ik op kamers gezeten. De tijd van mijn leven, heerlijk. En ik ben op uitwisseling geweest naar het buitenland, zeker. Het waren geweldige avonturen en ik kon ze aangaan omdat ik wist dat ik nog een ‘thuis’ had (ook al eindigde mijn eerste exchange program er in dat ik na afloop weer bij mijn moeder introk, want naar het buitenland gaan kan ook een killing avontuur zijn voor je relatie).

Alle veranderingen van de afgelopen drie jaar heb ik meegemaakt in de veiligheid van mijn eigen huis. Maar ook daar komt dit jaar een einde aan. We gaan het namelijk doen: verhuizen. En niet alleen uit dit huis. Ook uit deze stad. Ik ga weg uit Den Haag. En ik vind het eng. Oke, ik ga weliswaar niet heul ver weg (oké, ik blijf eigenlijk heul dichtbij want ‘zeg nou zelf, Voorburg Is toch bijna Den Haag?’). Maar dichtbij of niet, ik zal toch mijn oude, vertrouwde huisarts vaarwel gaan zeggen. De heerlijke speeltuintjes hier voor onze oudste. De fijne koffie- en lunchzaakjes. En niet te vergeten mijn moeder, zus en broer vrijwel om de hoek.

Ik geef dat alles niet zomaar op. Ik krijg een tuin. Geen auto’s in de straat. En ruimte. Dus ik weet waar ik t voor doe, mijn ultieme comfort zone verlaten. In de woorden van Bastiaan Ragas: ‘maar je krijgt er wel heel veel voor terug’ (sorry, inside joke voor net-mama’s en -papa’s).

Op niveau

Sinds de geboorte van onze tweede zoon Valentijn, in december vorig jaar, ben ik met bevallingsverlof. Met onze oudste zoon van net een jaar en de kleine Valentijn voer ik dagelijks gelukkig nog wel gesprekken op niveau. Met ‘zo…’, ‘ we gaan even..’ en ‘heel goed’ als nieuwe vaste uitdrukkingen.

‘Leander? Leander! Kom maar, we gaan eten. Ja, mama zet Bumba op. Goed zo. Lekker hè, pindakaas? Nee, niet op de grond gooien. O, wacht, ik hoor Valentijn. Blijf je zitten? Dan haal ik de baby. Hapje voor mama? O ja dat is lief, nou nou, hmmm hmmm, lekker hoor. Nu gaat mama echt de baby halen. Leuk hè Leander, komt de baby erbij! O ga je dansen op de muziek? Heel goed. Nog even en je danst de poco2, net als je moeder.”

“Nog even en je danst de poco2, net als je moeder.”

‘Dag lieverdje! Heb je zo goed geslapen? Kom maar mee met mama, dan krijg je lekker een flesje. En ik geloof dat ik je daarvoor ga verschonen, ook al zal jij het daar niet mee eens zijn. We lopen wel meteen door naar de commode. Even ruiken.. O ja, geen overbodige luxe hè, een schone luier. Zo, ga maar liggen. Ja, dat is de cicak, die is mooi hè? Zo hé, hallo schat! Je hebt je best weer gedaan. Beentjes stil! Stil.. Oke, nu is je voetje ook vies. Waar zijn die doekjes?’

‘Zo, ben je lekker schoon. Mag jij gaan trappelen in het wipstoeltje terwijl ik je flesje maak. En ik zal Leander weer even wat brood geven. Leander ventje, ja, Bumba lijkt afgelopen maar komt zo weer terug. Heus waar, je hoeft niet te huilen. Hier schat, neem een hapje. Goed zo. Nog eentje en dan mag je weer spelen. Mondje open? Goed zo! Valentijn, mama komt eraan hoor. Ik ga NU je flesje maken.’

‘Zo, lekker hè kereltje, je flesje? Die Pepti-melk* ruikt maar raar, maar ja, een beetje Indo kan niet tegen gewone melk. Jij en je broer doen die naam eer aan. Leander, hi schat, kom je erbij? Wat gezellig. Ja, jij hebt goed gegeten. Ah, een kusje voor je broer? Dat is lief. Zachtjes hè? Zachtjes, Leander. Niet in zijn oog prikken. Heel goed. Ga je de bal geven aan mama? Waar is de bal?’

“Een beetje Indo kan niet tegen melk.”

‘Heb je de bal gevonden? O. Dat is geen bal. Dat is mama’s iPad. Wil je die? Zet maar neer, dan zet mama een filmpje op. Pingu? Ga maar rustig zitten. Nee, niet doen! O. Daar kan ‘ie gelukkig tegen, steviger dan ik had gedacht, dat apparaat. Een keer gooien is genoeg schat, anders kan mama je geen filmpje meer laten zien. Dan is ‘ie stuk. Stuk ja. Heel goed. Dank je wel. Daar is Pingu!’

‘Lekker flesje? Kom maar hier lieverdje. Goed zo, laat mama maar horen hoe goed jij kan boeren. Heel goed. Dat zo’n geluid uit zo’n klein lijfje kan komen, ongelooflijk. Maar zo knap ben jij wel hè, lieve Valentijn? Ga maar lekker trappelen in het wipstoeltje. Weten jullie wie er straks komt? Tante Tabitha! Leander, weet je nog wie dat is? Kan jij het Indo Baby- shirt laten zien dat je van haar gekregen hebt. Als je dat lang genoeg schoon kan houden. En kan ik nóg een gesprek op niveau voeren.’

*opvolgmelk voor baby’s met een koemelkeiwitallergie

Blauw bloed

Columnist doet bekentenis. Toen onze Beatrix haar abdicatie bekendmaakte sprongen mij de tranen in de ogen. Ik kon er echt niets aan doen. Het gebeurde gewoon.  Bij de zin: “Ik ben u diep dankbaar voor het vertrouwen dat u mij heeft gegeven in de vele mooie jaren waarin ik uw koningin mocht zijn,” schoot ik vol.Patrick Neumann. Die huilt. Om de koningin. Schaamteloos en te gênant voor woorden. Maar het wordt nog erger: het was niet mijn eerste keer.

Zaterdag 20 maart 2004. Ik had ergens in het land een presentatieklus en die ochtend was Prinses Juliana overleden. Desondanks heb ik erg gelachen. Niet om haar dood natuurlijk, want ik ben fatsoenlijk opgevoed. Er was echter een Indisch mannetje, laten we hem voor het gemak Arie noemen, die mijn volledige aandacht naar zich toe trok.

Beatrix en Juliana © kerknieuws.nl
Beatrix en Juliana © kerknieuws.nl

Arie was die dag vrijwilliger. Een oudere, hartelijke man die correct was naar anderen. Hij stelde zich dan ook keurig voor. Maar daarnaast bracht hij meteen zijn condoleances over. “Gecondoleerd met het overlijden van onze koningin.”

Fascinerend om te zien. Arie had blijkbaar een band met het Koninklijk Huis. Het had was komisch en aandoenlijk tegelijk. Arie nam het overlijden van Juliana heel serieus. Het was bijzonder om te zien, omdat ik toen nog dacht niets met de Koninklijke Familie te hebben –  overigens in tegenstelling tot mijn grootmoeder.

Fan
Oma Neumann was groot fan van de Oranjes. Ik herinner me puzzels en servies met daarop leden van het Koninklijk Huis. Ze kende alle geboortedata van alle leden. Wist ook alles over de Beatrix en co. Al was het altijd de vraag wat daar van waar was. Oma Neumann kreeg de informatie meestal uit 83e hand, namelijk de roddelbladen.

Die – toch niet altijd fraaie – informatie deed niets af aan haar liefde voor het Nederlands koningshuis. Sterker nog, toen zij stierf hebben we als familie geen brieven of tekeningen in de kist gestopt toen deze werd gesloten. Nee, een boek over de koningin leek ons als familie meer bij oma passen. Zelf zag ik er wel de humor van in. Nog steeds. Toch merk ik dat mijn gevoel voor ons koningshuis langzaam verandert nu ik ouder word. Tijdens discussies neem ik het vaker voor ze op. Als men roept dat het alleen maar geld kost, haal ik mijn schouders op en na het ongeluk van Prins Friso was ik intens verdrietig.

De beelden van Beatrix bij het ziekenhuis. Voor even geen moeder van Nederland, maar moeder van een zoon die zoals het er naar uitziet nooit meer wakker wordt. Mijn hart huilde en ik huilde. Terwijl ik zelf geen vader ben en het waarschijnlijk nooit zal worden. Een herkenbaar gevoel als ouder kon het niet zijn, maar ik weet het nog precies. In de keuken stond ik met mijn vrouw te praten over het ski-ongeluk en ineens barstte ik in tranen uit.

Zoet
Sindsdien houd ik op gepaste wijze van onze koningin. Een Arie of oma Neumann zal ik nooit worden, maar misschien is het Koninklijk Huis voor mij net zoiets als het Indo-schap: ik zeg dat ik er niets mee heb, maar toch raakt het me op onverwachte momenten en ik kan het niet ontkennen. Het is er gewoon.

Zoals mijn Indische achtergrond bepaalt wie ik ben, bepaalt het feit dat we een koning(in) als staatshoofd hebben wie of wat we zijn als Nederlander. Of niet natuurlijk en is dat allemaal onzin. De gedachte blijft hoe dan ook zoet.

De politieke paringsdans 2012

Paringsdans van futen. Foto: cormastwijkfotografie.com
Paringsdans van futen. Foto: cormastwijkfotografie.com
Een natuurlijke paringsdans. Foto: cormastwijkfotografie.com

Opdracht van een kiezer

Wanneer overmorgen de champagne is verdampt, de tissues nog vochtig zijn van de tranen en de lijsttrekkers om verschillende redenen ontwaken met een kater, gaat het spel pas echt beginnen: de Grote Politieke Paringsdans 2012.

De afgelopen weken hebben we veel partijen elkaar zien uitsluiten en men spreekt over een ingewikkelde, wellicht onmogelijke formatie. In crisistijd is dat natuurlijk te bizar voor woorden.Er is namelijk altijd een middenweg, maar je moet het wel willen zien. Zeker nu. Bovendien: ik heb mijn collega’s ook niet altijd voor het kiezen en de baas verwacht toch dat ik gewoon mijn werk doe. Voor politici is dit toch niet anders?

Ik heb mijn collega’s ook niet altijd voor het kiezen

Want, laat ik duidelijk zijn: mijn stem is geen verzoek en ook vraag ik de politiek niet om een gunst. Nee; ik geef een opdracht om dit land fatsoenlijk te besturen. Wekenlang gesteggel over wie-met-wie-wil valt daar niet onder. Zeker nu, met een onzekere economie in het achterhoofd, zit ik daar niet op te wachten. Aan het werk en het liefst met een (op papier) haalbare coalitie.

Is dit echter niet mogelijk, dan zorgen de drie of vier grootste partijen de komende periode maar voor de vorming van een kabinet dat, ondanks de verschillen, toch werkt.  Ligt een samenwerking bij ‘de achterban’ niet lekker, dan stel ik voor dat alle partijen twee keer slikken en doorgaan. Desnoods regeren PVV en PvdA komende vier jaar samen. Wat overigens een interessante combinatie zou zijn. Zou er dan subsidie of belastingvoordeel komen voor vrouwen die GEEN hoofddoek dragen?

Even een escape inzetten als je het niet meer weet.

Nou heb ik het idee dat er meer nodig is. Want de afgelopen jaren hebben politieke partijen mij iets te vaak het bijltje erbij neergegooid:  de stekker kan er altijd uit. Zeven verloren weken in het Catshuis, bijvoorbeeld: het had elke andere partij kunnen overkomen. Er is simpelweg iets mis met de politieke mentaliteit. Een kabinet laten vallen, omdat het even moeilijk wordt lijkt inmiddels doodgewoon. Met een oplopende staatsschuld is dat verwerpelijk: het gaat hier om het landsbelang. We zitten verdorie niet bij Caroline Tensen voor een potje Eén Tegen 100 waarbij je, als je het even niet meer weet, een escape kan inzetten.

Dus, als verantwoordelijk burger denk ik mee, en heb ik een voorstel om onze vertegenwoordigers extra te motiveren. Politici worden geïnstalleerd voor een periode van vier jaar. Aangezien zij moeite hebben om deze termijn vol te maken, stel ik de volgende motivatiemaatregel voor: 

de Te-Kort-Regeerboete

Met de Te-Kort-Regeer-boete is het inkomen van een Kamerlid of minister de eerste drie jaar een lening. Zijn er dan nog geen nieuwe verkiezingen uitgeschreven wordt deze in het vierde jaar omgezet in salaris. De opgebouwde schuld wordt tevens kwijtgescholden. Maakt men er echter een potje van door (interne) strubbelingen tussen partijen en moet de burger eerder naar de stembus, dient deze lening te worden terugbetaald.

Met de Te-Kort-Regeer-boete is het inkomen van een Kamerlid of minister de eerste drie jaar een lening.

Volgens mij wordt de sfeer in de Tweede Kamer hier een stuk vriendelijker en professioneler van. Debatten worden weer inhoudelijk en interessant, omdat politici elkaar laten uitpraten en luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. De boel saboteren wordt een risico, daarmee raken zij voortaan indirect hun eigen portemonnee. Een ander voordeel van de Te-Kort-Regeerboete is dat het Binnenhof alleen nog mensen met idealen trekt: mijn maatregel zal afstotelijk werken en  een extra drempel vormen voor baantjesjagers en curriculum vitae-fetisjisten.

Nou kan ik me indenken dat de partijen niet meteen toekomen aan het bespreken van deze out-of-the-box oplossing. Over vier jaar maken we wel de balans op, dus voor nu: aan de slag en snel. Na de recente overkill aan debatten is er genoeg gepraat.

Echo's van een 'Hollands' verleden

Bron afbeelding: katwijksmuseum.nl

Tijdens een interview zei iemand ooit eens tegen mij: “Het zijn echo’s van het verleden”. De context waarbinnen deze uitspraak werd gedaan doet er nu even niet toe. Waar het wel om gaat, is dat deze woorden sindsdien na zijn blijven echoën in mijn gedachten. Op de meest vreemde momenten en in de meest uiteenlopende situaties herinneren deze woorden mij eraan dat verleden, heden en toekomst niet los van elkaar gezien kunnen worden, maar op de meest uiteenlopende manieren met elkaar verweven zijn.

Nu is het wel heel erg voor de hand liggend om te schrijven over het Indische verleden en hoe de echo’s hiervan nog luid en duidelijk te horen zijn in het heden. Dat is: als we maar goed genoeg luisteren. Ook kan ik meer dan genoeg vertellen over de geschiedenis van mijn Indische familie en hoe deze, soms ongemerkt en onbekend, de weg heeft gevonden naar het heden. Maar nee, ditmaal wil ik aandacht besteden aan mijn Hollandse oma, en een minder voor de hand liggend kijkje nemen in haar verleden en familiegeschiedenis.

Al van kleins af aan is oma in mijn ogen een ware superoma. Toen ik klein was kwam ze elke woensdagmiddag op bezoek en ik logeerde maar wat graag bij haar en opa. Toch wist ik lange tijd niet eens zo heel veel over haar jeugd. Het enige dat ik wist, is dat haar moeder overleed toen mijn oma pas negen jaar oud was. Hierna moesten zij en haar twee zussen elk een jaar lang het huishouden draaiende houden. Dat zij daarvoor, als jong meisje, in de vrieskou de was heeft gedaan en hier reuma aan heeft overgehouden, verbaast mij niets.

Ongetwijfeld moet zij als kind ontzettend veel verdriet gehad hebben om haar moeder en het moeilijk gehad hebben om op te groeien zonder moeder. Toch praat zij tot op de dag van vandaag altijd positief over haar jeugd en vol liefde over haar vader, twee zussen en de broer van haar moeder: ome Gart, die bij hun inwoonde. De oom die haar als klein kind regelmatig iets lekkers toestopte en haar met de was hielp als ze buiten stond te verkleumen van de kou. Ome Gart, die ik altijd maar beschouwde als een aardige Hollandse man… maar die net zo pindakaas bleek te zijn als mijn broertjes en ik.

Enige tijd geleden liet mijn moeder glunderend een piepklein notitieboekje zien waarin zij een kleine familiestamboom had opgeschreven van de vrouwelijke kant van haar moeder. Hulde aan Google, waarmee elk onbekend familielid terug te vinden is. Wat blijkt, de moeder van mijn oma was een kind uit het tweede huwelijk van haar vader. Ome Gart kwam voort uit het eerste huwelijk van hun vader, met een Indische. Ik was door het dolle heen: een Indische in de familielijn, al meer dan een eeuw geleden! Hoewel er meteen een dozijn vragen in mij opwelde over het waarom, wanneer, hoe en wat, doken er ook meteen vier woorden in mijn gedachten op: “echo’s van het verleden!” of zal ik zeggen: “Indische echo’s van het verleden.”

Indischer dan ik dacht

Een doodnormale vrijdagavond. Een avond waarop ik gewoonlijk met mijn vriendje zou chillen, of een drankje zou doen in de stad met een paar vriendinnetjes. Deze avond was anders. Ik ging namelijk uit eten met tien partners in crime van Indisch 3.0.

Toen ik aankwam bij restaurant ‘De Courant’ in Utrecht, stonden er al twee anderen te wachten. Charlie, mijn mede powerpuff girl, zoals ons groepje uit Utrecht binnenskamers wordt genoemd. Haar altijd opgewekte stem kwam me al vanaf een afstandje tegemoet. Naast haar stond Bryony, een prachtige meid die ik alleen nog maar kende van haar foto op Indisch 3.0. Geen Indonesische keuken voor ons vanavond, maar de heerlijke Italiaanse cuisine stond op het menu. Indo’s eten immers alles, toch?

Na een tijdje aan de bar te hebben gehangen, kregen we onze tafel toegewezen. Toen de avond vorderde, wisselden we af en toe van plek. We kenden elkaar immers nog niet allemaal, maar daar zou snel verandering in komen. Toen ik tegenover Willem-Jan, beter bekend als Merah, kwam te zitten, stelde hij me een vraag waar ik lang over ben blijven nadenken; ‘Merk je op dit moment dat je met alleen maar Indische mensen bent?’. Ik dacht na en keek toen naar Roosje, die naast me zat. Ik keek Merah aan en zei: ‘Nee, niet per se.’ Ik vroeg hem hoe hij erover dacht. Met een twinkeling in zijn ogen vertelde Merah dat hij het wel degelijk voelde. Een soort saamhorigheidsgevoel, een band. Bijna meteen had ik spijt van mijn antwoord. Ik dacht namelijk terug aan hoe de avond tot dan toe verlopen was, aan hoe iedereen enthousiast, maar toch bescheiden op elkaar reageerde. Hoe iedereen zich, ondanks dat we elkaar nauwelijks of niet kenden toch op zijn gemak voelde.

Toen het gesprek even stil viel en ik van mijn drankje nipte, keek ik eens om me heen. Ja, ik was vanavond op stap met alleen maar Indo’s. Voor een buitenstaander was dit waarschijnlijk niet te merken. Niet aan ieders uiterlijk is het namelijk op het eerste gezicht te zien. Ik vroeg me af wat andere mensen zouden denken als ze ons groepje zo bij elkaar zagen. Is het familie? Collega’s? Of gewoon vrienden? Ik keek nog eens om me heen. Ja, eigenlijk zijn we het alle drie.

Groene Blauwe

Recycle logo

Deze Indo is lekker bezig. Dat eeuwige gezanik over Indotiteit is eindelijk voorbij. Indo or no Indo is niet langer een vraag, want het is tijd voor grotere dingen. Dus ego opzij, SuperIndo-kostuum uit de kast trekken en preken voor eigen parochie. Over plastic zwerfafval, plastic soep of voor ons als Indo’s onder elkaar: Soto plastic.

“Waarom valt deze duurzame Indo ons hiermee lastig?”, is wellicht de (terechte) vraag. Laat ik voorop stellen dat ik niet tegen plastic ben. Integendeel, ik zie het als een wondermiddel dat heel lang meegaat. Alleen jammer dat we het niet als zodanig gebruiken, omdat  plastic weliswaar afbreekt, maar niet verdwijnt en dat onze wateren er inmiddels ruim mee zijn afgevuld.

Als je in het dagelijks leven goed op plastic gaat letten dan zie je het ineens overal. Voor de grap ben ik daarom op onderzoek uitgegaan in een toko bij mij in de buurt. De wereld aan plastic bakjes met deksels en natuurlijk alle folie om o.a. de spekkoek, lempers en kue lapis. Daarmee leveren we een aardige bijdrage aan de plastic afvalberg. Al ben ik ervan overtuigd dat de Indische consument de bakjes keurig bewaard voor hergebruik.

Desalniettemin denk ik dat het anders, slimmer en groener kan. Met bijvoorbeeld bananenblad, statiegeld-bakjes en natuurlijk iets met bamboe. We kunnen tevens proberen om de mensen met een rantang richting de toko te bewegen. Of dat we vaste klanten kunnen verleiden zo’n ding te leasen. Andere ideeën en suggesties zijn uiteraard meer dan welkom. Wees vooral creatief.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is helemaal hot. Zelf spreek ik echter liever van maatschappelijk verantwoord gedrag. Wie kunnen deze belangrijke voortrekkersrol in Nederland beter vervullen dan wij Indo’s? Kijk naar ons huidig muzikale landschap. Wie waren de voorlopers? Precies.

Bovendien als we ooit de rekening van Moeder Aarde gepresenteerd krijgen zijn wij met ons groot aanpassingsvermogen, daar zijn we wereldwijd heer en meester in, toch degenen die hier het snelst mee om kunnen gaan. Het zal niet altijd makkelijk zijn, maar rap zijn we! Waarom beginnen we niet alvast?

Het is tijd voor een Indische Lente of een Groene revolutie onder aanvoering van de Blauwen! Als wij het niet doen, doet niemand het. Wat anderen wel doen, kunnen wij beter. We redden de wereld en hoeven er niets voor terug. Zo zijn we.

Wanneer dromen tastbaar worden (2)

Yulia village inn

Wanneer nacht vanzelf morgen wordt

Een taxi brengt ons door de donkere straten van Bali naar Ubud. Wanneer ik door het raam naar buiten kijk, zie ik enkel duisternis. Het kan me niet snel genoeg licht worden. In Ubud worden we afgezet bij ‘Yulia Village Inn’. Hier zullen we onze eerste nacht doorbrengen. De kamer voelt nat en klam. Het is zo anders. Ik besef nog steeds niet dat ik er ben. Ik ben in Indonesië, op Bali, in Ubud. Onwerkelijk, maar waar.

Vermoeid van de reis kruipen we het bed in. Klokslag drie uur ’s nachts worden Sjors en ik tegelijk wakker. Is dit nu de jetlag? Omdat bij beiden de slaap ver te zoeken is, besluiten we de Indonesische televisie te gaan ontdekken. Niet te vergeten strijdt Nederland die avond om de wereldbeker. Daar zitten we dan, midden in de nacht, klaarwakker, in een land dat voor mij ergens ruikt naar thuis, stiekem te hopen dat Nederland wereldkampioen gaat worden. Hoe dubbel kan het soms zijn.

Als ik wakker word, weet ik niet hoe snel ik naar buiten moet. Ik hoor mensen praten. Ik hoor geluiden die ik niet weet te plaatsen. Snel open ik de bewerkte houten deuren. Opnieuw valt diezelfde natte deken, die mij ook op het vliegveld overviel, over mij heen. Vandaag ga ik maar eens aan dit klimaat wennen.

Wanneer Sjors en ik aangekleed zijn, gaan we richting het ontbijt. Overweldigd door alle kleuren, geuren en geluiden, let ik, dromer die ik ben, totaal niet op. Ik struikel. Een klein gevlochten mandje ligt voor mij, de inhoud ervan ligt achter mij. Op dat moment weet ik nog niet dat dit een met veel liefde en zorg bereid offertje is. Later zal ik nog veel meer van deze offertjes tegenkomen en deze met alle voorzichtigheid ontwijken.

Het ontbijt bestaat uit Pancakes, French toast of Nasi. Nasi klinkt erg aantrekkelijk, maar ik kan met mijn niet perfect werkende darmstelsel op de vroege ochtend toch echt beter voor de Pancakes of French toast gaan. Ik besluit de Pancakes een kans te geven. Deze gaan erin als koek. De basis is gelegd om Ubud te gaan ervaren.

Wanneer we de straat opgaan, worden we overvallen door taxichauffeurs. ‘Taxi, taxi, you want taxi?’ Wanneer wij heel beleefd antwoorden dat we geen taxi nodig hebben, geven ze het natuurlijk niet zomaar op. ‘You need taxi today, tomorrow, yesterday?’ Om de ‘yesterday’ wordt er smakelijk gelachen. Sjors en ik lachen net zo hard mee. Direct denk ik dit zou zomaar een slechte grap van mijn moeder of mij geweest kunnen zijn. Verdacht.