Toko Test # 2: Babby Snack’s in Utrecht

Speciaal voor lekkerbekken, culi-freaks en Indo’s die op zoek zijn naar de authentieke Indische smaak onderzoekt Indisch 3.0 in deze nieuwe serie de ‘I-factor’ van toko’s in Nederland. Bij welke toko moet je volgens ons wél eten of afhalen, en bij welke juist níet? De beoordeling wordt weergegeven in een score van 1 tot maximaal 5 lombok merah’s. In de tweede aflevering: Babby Snacks in Utrecht. De reputatie van een van de bekendste afhaaltoko’s in het centrum van Utrecht, is niet onbesproken. Sommigen vinden het niks, anderen geweldig. Tijd voor een beoordeling van een Indisch 3.0 test-team.

Testteam: Dion Koeze en Charlie Heystek

Mijn eerste poging strandde al bij de voordeur toen ik, nota bene voor de kumpulan van Indisch3.0, wat lekkernij wilde halen. De tweede en de derde keer was de deur wel open, maar liep het eenmaal binnen toch nog mis. Er waren geen snacks, lempers, pasteitjes of soto, maar alleen een vaste maaltijd: nasi rames. Dat maakt geen goede eerste, tweede en derde indruk. Bij de vierde keer lukt het dan eindelijk. In plaats van de voordeur, de voorraad of de service, ga ik nu ook het eten testen.

Hoewel Babby Snacks volgens de menukaart een redelijk uitgebreid aanbod aan eten heeft, merk ik daar ook nu weinig van. Terwijl ik de vriend die ik heb meegenomen uitleg wat alles precies is, antwoordt de vrouw achter de toonbank steeds: ‘dat heb ik vandaag niet’. In de vitrine voor ons zijn inderdaad maar weinig gerechten uitgestald. De bakken bevatten slechts Rendang, Sambal Goreng Boontjes, Atjar Ketimoen, Tempeh, Nasi Goreng en een kipgerecht dat ik niet kan thuisbrengen. Eigenlijk weer alleen nasi rames dus. ‘Er is ook nog nasi putih’, klinkt het tenslotte vanachter de toonbank.

Als we vervolgens twee Nasi Rames met witte rijst bestellen blijkt de rijst toch nog niet gereed. Onze buikjes knorren inmiddels al aardig. Nasi Rames met Nasi Goreng en Atjar Ketimoen dan maar? Tijdens het wachten op onze bestelling knoopt een jongen die in de toko werkt nog een kort gesprek met ons aan over afkomst en eten. Even later vertrekken we met onze buit naar huis en kunnen we beginnen met de Tokotest.

Als de zorgvuldig op tafel uitgestalde bakjes open gaan komt een heerlijke geur ons tegemoet. Voorzichtig beginnen we met mijn favoriete gerecht: Rendang. Hij is redelijk mals en perfect gekruid maar helaas veel te pittig waardoor de smaak volledig wegvalt. De Atjar Ketimoen die we vervolgens proeven is weliswaar lekker fris, maar niet zo sterk van smaak. De nasi goreng is helaas erg droog. Tot zover ben ik dan ook nog niet erg enthousiast.

Zodra ik een hap van de Sambal Goreng Boontjes neem ben ik echter direct verkocht. De verhouding tussen pittigheid en specerijen is exact goed. Ook de Tempeh is om je vingers bij af te likken doordat ‘ie lekker heet is. De Ayam Opor is zelfs om een moord voor te doen. Het vlees is mals en volledig doortrokken van de marinade die geniaal is. Zoet en pittig en werkelijk heerlijk gekruid.

Uiteindelijk gaat alles helemaal op. Hoewel de eerste gerechten wat tegenvielen, geef ik Babby Snacks door de heerlijke kip, boontjes en tempeh het voordeel van de twijfel. Ondanks het geringe hoeveelheid beschikbare gerechten ben ik nieuwsgierig geworden naar meer en ga ik zeker nog eens terug . De service is zeer vriendelijk en open. Maar de snack’s? Hopelijk krijg ik nog eens de kans die te proeven.

Onze beoordeling:

En oordeel natuurlijk ook zelf! Ga naar: Babby Snacks – Voorstraat 76 – Utrechtwww.babbysnacks.nl

“I am Indisch, I-n-d-i-s-c-h”

Je kent het wel, je bent in het buitenland en er wordt aan je gevraagd waar je vandaan komt. “Nederland” is natuurlijk het eerste antwoord. Daar kom je tenslotte vandaan.  “Ja, inderdaad, geboren en getogen in het land  van tulpen, molens, wiet, klompen en kaas”. Maar toch is Nederland niet helemáál het precieze antwoord. Je bent namelijk van gemengd bloed, bent tussen twee culturen opgegroeid en dus geen échte kaaskop.

Wat zeg je dan precies tegen die Spanjaard, Ier of Turk die net vroeg waar je vandaan komt? Vertel je hem alleen dat je uit dat kleine, koude kikkerlandje komt, waarvan bijna de helft onder de zeespiegel ligt en waar bijna alles mag? En zeg je, om het makkelijk te houden, er dan misschien ook nog even bij dat een deel van je familie uit Indonesië komt? Of geef je direct een korte les over de Nederlandse koloniale geschiedenis?

“I’m Dutch”, dat opent deuren. Voor veel buitenlanders is Nederland namelijk nog steeds het land van de onbegrensde vrijheden, en terecht. Met regelmaat schiet ik dan ook in de chauvinistische versnelling. “Ja! Ik kom uit het land van de coffeeshops, Johan Cruijff, de Wallen, Nijntje en hoge noren. Het land waar abortus geen misdaad is, waar euthanasie niet als een zonde wordt gezien en waar het eerste homohuwelijk ter wereld plaatsvond”. Ik ben dan ook echt wel trots op mijn Nederlandse paspoort.

“I am Indisch”, zegt bijna niemand iets. Het verhaal van De Indo ende hoe hij in Holland terecht kwam voert dan ook vaak te ver en te diep om uit de doeken te doen aan de eerste de beste persoon die een gezellig praatje komt maken. Toch heb ik door de jaren heen in in het buitenland regelmatig verteld over mijn afkomst en hoe de bijbehorende geschiedenis zo ongeveer in elkaar zit.

In plaats van slechts te zeggen dat ik uit Nederland kom, plaats ik tegenwoordig al snel een Indische voetnoot. En als ik dat niet zou doen voelt het bijna alsof ik m’n Indische achtergrond verloochen. En het is ook niet een kwestie van het één of het ander. Ik ben Indisch én Nederlands. Ik ben hier geboren, opgegroeid en heb een Nederlandse vader.

Degenen die ik de uitgebreide versie heb verteld, en zeker de vrienden die ik op vakantie maakte, vonden het allemaal een bijzonder verhaal. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ze tot op de dag van vandaag hebben onthouden dat er zoiets bestaat als Indisch en dat dat toch net even iets anders is dan Dutch. Alleen dat woord. Wel een beetje lastig te onthouden hoor. Indies?

Dansen om te verbinden

Gerard Mosterd, uit Amersfoort, kind van een Nederlandse vader en een Indische moeder. In Nederland denken we bij die omschrijving niet direct aan vernieuwende Euraziatische dansvoorstellingen. Dat is in Indonesië anders – daar kennen ze Mosterd’s werk al ruim 10 jaar. De tweede aflevering van Jonge Indo in de muziek is een portret van deze theatermaker en zijn “dwangmatige zoektocht” naar de Europese en Aziatische identiteit.

Gerard Mosterd (Nederland, 2008)

Tijdens het – noodgedwongen telefonische – interview vertelt Gerard non-stop over persoonlijke onderzoeken naar tegenpolen: Europa & Azië, kunst & wetenschap, man & vrouw, Japan & Indonesië. Zijn bevindingen verwerkt hij al twaalf jaar in zijn dansproducties; van het recente Gamelan & Jazz tot een van zijn eerste stukken Lichtende schemering.

Verschil in benadering
Lichtende schemering, mijn sleutelvoorstelling, ging over het gefaalde huwelijk van mijn ouders. Mijn vader zei altijd over mijn moeder ‘Ik begrijp niets van haar!’. Ik ben gaan onderzoeken welke verschillen zij hadden in benadering, in wereldbeschouwing. Een danser vertolkte de benadering van mijn moeder: onzichtbaar, in de schaduw en nederig, een danseres die van mijn vader: op de voorgrond, onafhankelijk en individueel.”

Nieuwe perspectieven
“In de choreografie had ik de tijdloosheid van het Oosten verwerkt, met cirkelbewegingen gebaseerd op pencak silat en tai chi. De Indonesiërs die in 2002 Luminescent Twilight zagen, herkenden daarin onzichtbaarheid, introversie, een hermetisch afgesloten, ondoorgrondelijk bestaan. Dat was en is een groot compliment. Dans uit Nederland stuit in Indonesië vaak nog op postkoloniale trauma’s. In mijn stuk zagen ze respect en een interactie tussen culturen die hen nieuwe perspectieven op zichzelf gaf. En dat vind ik belangrijk, dat mensen nieuwe perspectieven krijgen. Dat is de verbeeldende kracht van kunst.”

Fantasie en traditie
“Met verbeelding en fantasie kan je geestelijk flexibel blijven. Het gevaar met traditie is namelijk dat je aanneemt dat die traditie alles is. Neem nou klassiek ballet. Ik ben opgeleid tot klassiek danser. Maar ik was oorspronkelijk een bewegelijk improvisator. Toch werd ballet, een rationele en strakke bewegingsleer, voor mij de enige manier om te dansen. Totdat ik in Taiwan was en daar een indrukwekkend optreden zag; een combinatie van tai chi, kung fu en de eigen bewegingsstijl van Lin Hwai Min. Dat herinnerde me aan mijzelf als improviserend kind.”

Koloniale esthetiek
“Klassiek ballet beweegt weg van de aarde, Aziatische bewegingen zijn gericht op de aarde. Ze gaan over het accepteren van goed en slecht, vrouwelijk en mannelijk, vernietiging en schepping en zijn gericht op het lichamelijke zowel als het ontsnappen daaraan. Klassiek ballet is gevormd tijdens de Verlichting in Europa. Het is een wetenschappelijk ontwikkeld bewegingsstelsel gericht op de esthetiek, die voortkomt uit een koloniaal en romantisch wereldbeeld. De passen en houdingen zijn gericht op het bedwingen van de natuur, door het menselijk lichaam als in een korset te laten bewegen.”

Aanvoelen
“De beroemde Boi Sakti heeft me bekend gemaakt met andere Indonesische dansstijlen dan de Balinese en Javaanse. Dertig jaar lang zijn in Indonesië vooral die podiumkunsten gepromoot, maar sinds het einde van de dictatuur ontstaat ruimte voor andere. De matriarchale Minangkabau bijvoorbeeld, een immens rijk én invloedrijk volk. Het mooie is dat hun dansen veel dynamischer zijn dan de traditionele Javaanse en Balinese. De Minangkabau hebben een dynamische, intuïtieve en natuurgerichte cultuur. Hun dansen zijn cirkeldansen, waarbij mensen elkaar niet aankijken, maar toch samen bewegen doordat ze elkaar aanvoelen. Dit zijn ook de uitgangspunten van pencak silat, in hun verdedigingskunst zie je de dynamiek van silat.”

Grote stappen
“Als kind had ik een onbedwingbare neiging tot bewegen, maar op school kregen ze me niet aan sport. Ik had geen zin om hijgend achter een bal aan te rennen. Ik was vrij klein en als ik over het schoolplein rende, maakte ik extra grote stappen. Dat waren mijn eerste jeté’s. Ik nam enorme sprongen. Dat kwam me goed van pas, ik heb een natuurlijke sprong ontwikkeld, dankzij mijn Aziatische fysiek.”

Gerard Mosterd's specialiteit: de sprong (Taiwan, 1986)

Genetisch bewegen
“Balletles vond ik als kind saai, het waren de hele tijd dezelfde bewegingen. Wel leuk vond ik de improvisatie. Dat kon ik goed, beweging verzinnen en me uitleven. Ik geloof nu dat mijn manier van bewegen genetisch bepaald is. Lichamen zijn op een bepaalde manier, voor bepaalde bewegingen gebouwd. Ook dat van mij. Dat springen, dat was aanleg, genetisch bepaald. Sinds ik het ballet losgelaten heb, kan ik terug naar waar ik vandaan kwam en heb ik de vrijheid om expressief te zijn.”

Verbinding
“Mijn zoektocht naar waar ik vandaan kom, begon met de tegenpolen Indisch en Nederlands. Ben ik Aziatisch of Europees? Of juist allebei? Ik heb het gevoel dat ik tussen twee culturen in hang. Mijn zoektocht is nu breder: ik zoek verbinding tussen Aziatisch en Europees. Ik wil conflicten oplossen en doe dat door verschillen te benoemen. Ik zie dit als een psychotherapeutisch proces, dankzij kunst is dat een spiritueel proces geworden. Of ik daar ooit klaar mee ben? Nee. Ik heb steeds weer nieuwe vragen. Hoe zit het met erotiek en het matriarchaat?”

Erotiek
“Seksualiteit hoort bij de natuur. De Aziatische cultuur was ooit heel seksueel, in het hindoeïsme wordt bijvoorbeeld de schoonheid van intimiteit beschreven. Seks werd gezien als een expressie van de hoogste goddelijke energie. Pas met de komst van de Islam en het christendom verdween dat. Vrouwen betekenden opeens minder, terwijl zij ooit de spil van de samenleving waren. De erotische hypocrisie heb ik in 2005 uitgewerkt, in het stuk Kamu/jij. Het einde van die voorstelling bestond uit het projecteren van erotische Kakawin gedichten.”

Maskers
“Ik verzamel Aziatische dansmaskers. In Europa dragen we hooguit met carnaval maskers, in Azië is dansen met maskers heel gebruikelijk. Het is opvallend hoeveel overeenkomsten er zijn tussen die inmiddels 100 maskers die ik uit heel Azië verzameld heb. Ja, je kunt die verzameling wel zien als metafoor voor het in kaart brengen van de Aziatische identiteit. Daar ben ik dwangmatig naar op zoek.”

In december brengt Gerard Mosterd een hiphop-groep uit Papua-Nieuw Guinea naar Nederland. Hou zijn website dus in de gaten!
www.kantorpos.nl
www.gerardmosterd.com

Waarheen ga jij op vakantie deze zomer ?

Tijdens de talkshow “Maak je eigen rootsreis” op de Tong Tong Fair eind mei, bleek dat veel jongeren met Indische achtergrond vroeg of laat graag een keer naar Indonesië willen. Waarom? Omdat ze nieuwsgierig zijn naar het land uit de verhalen en wel eens met eigen ogen willen zien waar hun (groot)ouders zijn geboren.

Met de zomer die vandaag is begonnen, gaat de vraag van deze maand over jouw vakantieplannen. Waar ga jij de vakantie vieren? Blijf je dichtbij huis of wordt het een verre reis? Ga je op rootsreis naar Indonesië? Of ben je daar misschien al een keer geweest en wordt het een andere mooie bestemming?

Laat ons weten wat het deze zomer wordt door onderaan dit bericht een comment achter te laten… Wij wensen al onze lezers in ieder geval alvast een geweldige zomer toe!

“Asta’s ogen” – Eveline Stoel

Van exotisch Surabaya naar regenachtig Oss. Van een villa op een suikerrietplantage met bediendes in huis, naar ieder dubbeltje omdraaien in een arbeiderswoning in Brabant. De familiegeschiedenis ‘Asta’s ogen’ van Eveline Stoel verhaalt over de levenskracht van een Indische familie.

Indisch door Hollandse ogen

Journaliste Eveline Stoel vertelt het levensverhaal van Asta Hoyer, een ‘Marlon Brando in bloemetjesjurk’, die in haar eentje acht kinderen opvoedde. De schrijfster raakt gefascineerd door het levensverhaal van Asta Hoyer als ze zwanger is van een kleinzoon van deze Indische vrouw. Haar vriend draagt zijn Indische identiteit niet echt uit, maar als de hele familie bij elkaar is voert het Indische de boventoon. Wat kon ze haar kind straks vertellen over zijn Indische roots? Omdat de vragen die ze de familie stelt nooit echt worden beantwoord besluit ze het anders aan te pakken: ze besluit een boek schrijven.

Familiegeschiedenis

Het kost de schrijfster drie jaar om alle familieleden aan het praten te krijgen, maar in de loop van de tijd raken ze allemaal enthousiast en betrokken bij het project. Het resultaat is een familiegeschiedenis van een gewone Indische familie over levenskracht en doorzettingsvermogen, en over de gave van familiehoofd Asta Hoyer om altijd, in wat voor omstandigheden dan ook, wat van het leven te maken.

Aan de hand van haar levensverhaal leidt journaliste Eveline Stoel de lezer door de Nederlands-Indische geschiedenis. Van Asta’s zorgeloze jeugd in Solo en Surabaya, haar huwelijk met charmeur en danstalent George, de geboorte van hun kinderen, de feesten en partijen, naar de oorlog waarin het George lukt om uit handen van de Japanse bezetter te blijven.

Bersiap

Na de oorlog volgt de angstige Bersiap-tijd, die Asta, haar moeder, haar man George en de kinderen doorbrengen als ‘Indonesische’ familie in een klein huisje midden in de stad. In 1952 slaat het noodloot toe: Asta’s man wordt in zijn slaap doodgeschoten door een vroegere medewerker. Voor een vrouw alleen met zeven kinderen is het voor Asta niet langer veilig en haalbaar om in Indonesië te blijven. Na veel lobbyen en geld sparen (de gangbare repatriëringregels golden voor hen niet meer) lukt het Asta om met haar moeder en de kinderen in 1955 om naar Nederland te gaan. Ze worden opgevangen in een contractpension in Oss.

Voorspelbaar

Is het boek tot nu toe boeiend, maar ook voorspelbaar en bekend voor een lezer die zich al eerder verdiepte in Nederlands-Indië en de Indische cultuur, in het ‘Nederlandse’ deel dat volgt staan toch nieuwe dingen. Verrassend is daarbij de objectieve schrijfstijl van Stoel die, wellicht doordat ze een ‘ingetrouwde’ Hollandse is in de familie Hoyer, haar blik niet laat kleuren door vooroordelen of eigen ervaringen. Hopelijk spreekt dit een brede en ‘onwetende’ groep lezers aan die meer willen weten over het koloniale verleden van Nederland.

Vetkuif

De recente geschiedenis van een Indisch gezin in Oss levert boeiende beelden en anekdotes op over hoe de Indische kinderen proberen te aarden in Brabant. Hoe oudste zoon Dono met vetkuif op de tennisbaan verschijnt – de overige clubleden houden zich keurig aan de kledingcodes – en geregeld op blote kakkies gaat tennissen bijvoorbeeld. Of hoe de kinderen gediscrimineerd worden ten tijde van de Molukse acties in de jaren zeventig en bij de discotheek geweigerd worden, terwijl blonde leeftijdsgenoten wel mogen doorlopen. Hoe oma ‘Troel’ als bijnaam ‘oma kachel’ heeft, omdat ze altijd naast de kachel te vinden is.

Over Indië mag niet meer gepraat worden in huize Hoyer. Het is te pijnlijk voor Asta, die gericht is op een goede toekomst voor haar kinderen. Gemakkelijk is het niet om ‘geruisloos op te gaan’ in de Nederlandse samenleving. Aan de hand van de kleine details die Stoel beschrijft, wordt dat op een schrijnende manier duidelijk.

Petjoh is zeg maar echt mijn ding!

 Ik ben altijd fel tegenstander geweest van de mening dat de Indische cultuur niet meer zou kunnen gedijen buiten de tijd, plaats en omstandigheden van Nederlands-Indië. Het oude Indie is niet perse nodig, het zijn immers de mensen die een cultuur doorgeven. Echter, helaas is dat niet voor alle aspecten van het ‘Indische’ zo. Een taal als het ‘petjoh’ staat bijvoorbeeld hoog op de lijst met bedreigde Indische cultuurelementen. Toch is er hoop voor Petjoh-liefhebbers…

Petjoh is als mengtaal inherent aan de gemengde cultuur waaruit het ontstaan is. De taal, waarin zowel Nederlandse als Maleise en Javaanse woorden voorkomen, werd door een deel van de Indische Nederlanders gesproken. Nu deze taal al vele decennia uit zijn Nederlands-Indische context is verwijderd, zijn er in Nederland slechts een paar ouderen over tijdens een spaarzaam onderling treffen nog een woordje Petjoh uitwisselen.

In mijn familie is, met de vele andere aspecten van de Indische cultuur, ook het Petjoh door de generaties heen gesijpeld. Vroeger, wanneer al mijn neven en nichten bij elkaar waren, stond humor altijd voorop. Om imitaties van onze oudere, Indische familieleden en kennissen authentiek uit te voeren leerden we wat Petjoh. Bij het vertellen van een anekdote, repten we al gauw wat woordjes ‘tjedar tjedoer’.

Schuddebuikend luisterden we met z’n allen naar de heruitgebrachte Gado Gado albums. Mijn oom voegde hier, geheel in het Petjoh, nog vele humoristische verhalen en acts aan toe. Als benjamin van de groep waren hij en de Gado Gado platen voor mij grote inspiratiebronnen om zelf meer van het Petjoh te leren.

Mijn generatiegenoten en ik begonnen de woorden en het accent zelfs te integreren in de sociale omgang met elkaar. Zo bedachten we zelf woorden als ‘malasheid’, ‘sudahboys’ en ‘jelek attack’. Indische jongens noemden wij ‘saudara’ en Indische meisjes ‘melati’. Sommigen gingen zelfs nog verder. Wat dacht je bijvoorbeeld van de t-shirt verkoper die je op veel pasars ziet met shirts bedrukt met allerlei typisch Indische spreuken?

Houdt de jongere generatie het authentieke Petjoh hiermee in leven? Nee, dat denk ik niet. Ondanks mijn vele pogingen heb ik het Petjoh helaas nooit echt goed leren spreken. Ik imiteer het eigenlijk meestal. Met een flinke dosis humor en een vette knipoog maak ik zo nu en dan eerbetoon aan mijn Petjoh-meesters van de Gado Gado platen. En mijn oom niet te vergeten. Vermengd met wat ik om mij heen hoor en het jargon van mijn generatie, geef ik mijn eigen interpretatie aan die geweldige mengtaal die voor mijn gevoel zo ontzettend bij het Indische hoort.

Mengen. Ja, zo werkt het natuurlijk altijd met taal. Want taal, dat is geen statisch ding, maar iets wat voortdurend evolueert. Zoals vele Indische cultuurelementen, heeft het Petjoh mij en andere jonge Indo’s ooit bereikt en wij geven het weer door, voorzien van een nieuwe jas. Aangevuld en verrijkt hopen we het te behouden voor de toekomst. Sudah, Petjoh 3.0 is here to stay, Ja toh?

Indisch in een studentenhuis: schone moeders

Tot het moment dat ik op kamers ging, twee jaar geleden, had ik me nooit gerealiseerd hoe zichtbaar het Indische in mijn leven kan zijn. Ik had dan ook nooit gedacht dat sommige mensen stijl achterover zouden slaan van mijn dagelijkse gewoonten en gebruiken. Totdat ik mijn huisgenoten ontmoette. En zij mij… In deze miniserie een greep uit de confrontaties tussen Indisch en Nederlands in een studentenhuis in Utrecht.

Het studentenhuis waar ik een kamer in had bemachtigd, kwam met alles er op en eraan: een smerige en onbegaanbare keuken, een met haren verstopt doucheputje en een al maanden niet schoongemaakt toilet. Ik dacht dat ik in de zevende hemel was beland.

Mijn ouders waren al voor ik mijn diploma had akkoord gegaan met mijn vertrek. Onmiddellijk na mijn laatste examen begon ik enthousiast te klussen in mijn nieuwe stek. Ondertussen verzamelde ik meubilair bij familie en verpakte ik thuis al mijn bezittingen in een paar stevige dozen. Ik stond te popelen, was klaar om weg te gaan. Maar drie dagen voor ik mijn vrijheid tegemoet ging trok mijn moeder mij om middernacht uit bed: ze was woedend.

‘Het gebeurt niet! Je gaat daar niet wonen!’ Compleet verslagen stond ik slaapdronken in de deurpost van de slaapkamer van mijn ouders. ‘Als jij in dat huis gaat wonen ben je binnen een week ziek thuis met allerlei bacteriën en virussen. Het gebeurt niet!’

Ik zag mijn droom in een ondraaglijke damp van schoonmaakmiddelen opgaan. ‘Mam, dat doe ik wel als ik eenmaal daar woon.’ probeerde ik nog. ‘Absoluut niet! Over mijn lijk dat mijn dochter in dat smerige hol gaat wonen!’

Een dag later stormden mijn moeder en ik een van mijn toekomstige huisgenoten omver met tassen vol bijtende middeltjes. Volslagen perplex bleef hij achter bij de voordeur. Bij elkaar kostte het ons achttien manuren om het huis te ontsmetten. Zo schoon was het nog nooit geweest!

Drie dagen na de schoonmaakingreep betrok ik mijn nieuwe en brandschone woonplek. Mijn moeder leverde mij af met twee boodschappentassen vol heerlijk eten. Weer reageerde mijn huisgenoot vol verbazing. Ik vroeg hem of zijn moeder hem ook wel eens wat gaf.

Eigenlijk niet, zei hij. Sterker nog, zijn moeder kwam bijna nooit langs en al helemaal niet om schoon te maken. Nu was ik degene die verbaasd was. Indische moeders mogen misschien streng zijn, ze verwennen je wel en zijn brandschoon!

Terugblik op Meimaand Indomaand 2010

We zijn er nog van aan het bijkomen: Meimaand Indomaand 2010. Leuk dat de programmering van de Tong-Tong Fair in mei jaarlijks leidt tot een hausse aan Indische producties, maar waarom alles tegelijk? Dan moeten we kiezen en als we iets vervelend vinden, is dat het wel.

De opening van Cinemasia, het theaterstuk Njai Ontosoroh, de boekpresentatie van Griselda Molemans & Armando Ello en de Tong-Tong Fair hebben we gelukkig meegemaakt. Hoogtepunt waren de twee talkshows die we hebben georganiseerd op de Tong-Tong Fair op 21 en 28 mei. Hier vind je een compilatie van die twee dagen, waarop we met een aantal lezers de Pasar afgestruind hebben, de bodem van een Bintang bierflesje hebben leren afslaan en met de Wereldomroep gepraat hebben, die op 1 juni in Nieuwslijn Magazine verslag deed van de talkshow over Rootsreizen.

Het was super. Alleen, het was wel erg rustig op de Tong-Tong Fair. Dit jaar waren er maar 92.000 bezoekers, aanzienlijk minder dan de voorgaande jaren. Volgend jaar beter? Of stapt de Indonesische ambassade volgend jaar definitief in de ruimte die ontstaan is door de naamsverandering van Pasar Malam Besar in TTF?

Reportage

De reportage (vanaf 8′) van Marcel Decraene van de Wereldomroep en het verslag staan op de website van Wereldomroep in NieuwsMagazine.

Foto’s

Fotografie: Ulrike de Wreede, Bas de Meijer, Armando Ello, Kirsten Vos

Video’s

Door Ed Caffin en Patrick Neumann.

Film voor Indotiteit. Wat geef je door van je cultuur?

 

Sharon over rootsreizen

Alicia over rootsreizen

En ondertussen, backstage. Door Kirsten Vos.

Over hoe je de onderkant van een bierflesje eraf slaat met je blote handen…

He? Nog een keer!

Roman doet een poging

Zintuigenprikkelende Gamelan & Jazz van Gerard Mosterd

Tijdens de try-out van Gerard Mosterd’s nieuwe Gamelan & Jazz (werktitel) op de 52e Tong-Tong Fair, zag ik mensen weglopen uit een vol Bintang Theater. Zij hadden waarschijnlijk iets tempo doeloe-achtigs verwacht: een gamelan, Balinese danseresjes en meer van dat soort gedateerde zoetigheid. Gelukkig komen mensen die dit verwachten, absoluut niet aan hun trekken in deze gewaagde en zintuigenprikkelende dansvoorstelling.

Opening van Gamelan & Jazz, 27 mei 2010 TTF. Foto: Karolien de Pauw

De danscrew, een vrouw en twee mannen, wacht op het podium terwijl het publiek de zaal in dwarrelt. Met op het scherm achter de dansers een caleidoscopische visual, zet muziekformatie Boi Akih de live-muziek in. De silhouetten van de dansers tekenen zich als wayangpoppen af op de achtergrond. De dansers beginnen synchroon, maar naarmate de stevige drum and base toeneemt, ontstaat een schisma: van een van de dansers worden de bewegingen vloeiend, terwijl de andere twee vrij strak blijven dansen.

Terwijl de muziek en de visuals veranderen, lijkt het alsof de dansers een wedergeboorte ondergaan. Ze vallen terug op de grond, op de aarde, en dat gaat gepaard met onrust, weerstand en chaos. Die emoties vinden hun weg naar buiten via de schokkende lichamen van de performers en de dissonantie in de stem van de Molukse Monica Akihary.

Woede om de afwijzing? G&J @TTF 27/5/10. Foto: Karolien de Pauw

De muziek gaat over in melodieuze fado. De danseres ontwaakt. Haar handen maken voorzichtig sierlijke Indonesische bewegingen. Soepel gaat haar solo over in een trio terwijl de muziek uit steeds meer instrumenten voorkomt. Het lijkt alsof op het podium een ‘samenkomen van soorten’ plaatsvindt. In de performance van de dansers ontspringt een vonk. Beweging is overal, de zangeres beatboxt, maar de danseres trekt zich terug. De mannen springen van passie, spanning en hitte: ze dagen elkaar uit, de versnelling in hun bewegingen doet denken aan de ketjakdans.

Dan omarmt de ene danser de ander. Even lijkt het een moment van eenwording, maar de danser die vastgehouden wordt druipt – teleurgesteld, geschrokken? – af, terwijl de ander in zijn eentje de omhelzing volhoudt. Zou hij de jazz symboliseren en de man die is gaan zitten de gamelan, vraag ik me af. En de danseres, is zij dan het leven, de beweging, de expressie?

Dissonante expressie G&J @ TTF 27/5/10. Foto: Karolien de Pauw

De visuals verdwijnen, de Jazz is woedend om de afwijzing. Dan ondergaat hij een transformatie. Eenwording gaat niet om vasthouden en controle, maar om symbiose. De Gamelan en het Leven voegen zich bij hem. Wat volgt is chaos. Op het scherm is te zien hoe het Leven talloze gezichtsuitdrukkingen maakt, de zangeres  stoot onheilspellende hoge klanken uit, Jazz en Gamelan proberen met elkaar mee te gaan.

Dan hoor ik steengoede drum and base en voel ik hoe Jazz, Gamelan en het Leven hun symbiose vinden. Ik voel ontroering om de uitgelatenheid van de drie dansers, die in bijna acrobatische bewegingen voelen hoe zij elkaar versterken. Met deze nieuwe vrijheid eindigt de try-out en nemen de performers een daverend applaus in ontvangst.

Repetitie Gamelan & Jazz met muziek 13 Mei 2010. Foto: www.kantorpos.nl

Eindelijk vrij, is het gevoel waarmee ik het theater verlaat. Terwijl ik, nog enigszins ontroerd, door de Grand Pasar naar buiten loop, realiseer ik me wat een mens uit twee culturen door maakt om die staat van zijn te bereiken. En hoe grandioos Gerard Mosterd deze innerlijke transformatie, de gelijkwaardige eenwording van Oost en West, al in de try-out van Gamelan & Jazz heeft vertaald in beweging, muziek en visuals.

De Indische performancechoreograaf Gerard Mosterd staat bekend om zijn conceptuele werk, waarin de vermenging van de Westerse en Oosterse wereld centraal staat. Eerder maakte hij al furore met Ketuk Tilu (filmpje) en Unfolding (filmpje). Inmiddels ontwikkelt hij met muziekformatie Boi Akih (clip) een voorstelling waarin Gamelan en Jazz elkaar ontmoeten. Op de 52e TTF vertoonden zij een testversie.