Indisch in een studentenhuis (6)

Letterenbibliotheek Universiteit Utrecht

Het Middagdutje

Ik ben een voorstander, aanhanger en overtuigd beoefenaar van het middagdutje. Zodra mijn collegerooster het ook maar enigszins toelaat, zorg ik dat het uiltje geknapt wordt. Ben ik thuis, dan ga ik even dwars over het voeteneind van mijn bed liggen, zit ik in de bibliotheek, dan knal ik mijn hoofd  op mijn boeken. Twintig minuten lang begeef ik me net onder de oppervlakte van wakkere mentale status.

Voorzover ik mij kan herinneren zonk mijn grootvader midden op de dag twintig minuten lang weg, lag mijn Japanse leraar Engels tijdens de korte pauze achterin het computerlokaal op de grond, ging mijn moeder met regelmaat een klein half uur gestrekt op de bank en plofte ik mezelf in vol ornaat een kwartier lang neer op bed zodra ik uit school kwam. Even slapen om korte tijd later vol energie overeind te schieten. Wekker niet nodig.

Wanneer ik mijn mini-siësta thuis hou en mijn huisgenoten om mijn aandacht roepen krijgen ze geen antwoord. Dit heeft steevast tot gevolg dat er nog harder gegild wordt, want ik ben thuis en dan kan ik toch wel antwoord geven? Als ze bij nul op rekest uiteindelijk mijn kamer binnen stormen -wat ik overigens allerminst waardeer, slapend of niet- puilen ogen vaak uit kassen van verbazing. Ik ben toch niet ziek? Waarom lig ik dan op bed?

Wanneer ik mijn slaappauze in de bibliotheek geniet, stuit ik op twee soorten reacties. Internationale studenten uit Midden- en Zuidoost-Azië  knikken me glimlachend toe en beginnen soms met hun eigen middagslaapje. Echter, de meeste medestudenten -lees: blank en westers- kijken verbaasd naar het meisje dat voorovergebogen in haar stoel zit met het hoofd midden op tafel, boeken, readers en schriften vol aantekeningen daar omheen gedrapeerd.  Een foto van dit tafereel kan zo bij het artikel ‘Studenten bezwijken onder druk’ in reactie op de Kabinetsplannen.

Ondanks de vragende blikken, schijnt het middagdutje tegenwoordig bij een breder publiek bekend te zijn onder het pseudoniem ‘power nap‘. Ik hoor geregeld mensen naar aanleiding van mijn sluimermomentje praten over onderzoeken die bewijzen dat een power nap goed is vóór het hart en tégen stress. Ik kijk die mensen dan graag glazig aan en denk: ga jij maar even lekker opnieuw het wiel uitvinden.

Bloedstollende memoires van een Indische oma

Flyer Deze en Genen

‘Memoires van een vrouw van 74 jaar wat ze zich vanaf haar 5de jaar herinneren kon.’ Zo beginnen de verhalen die mijn oma (1905 – 1989) in de jaren tachtig optekende op verzoek van mijn altijd alerte moeder. Ze zijn een van de inspiratiebronnen voor mijn theatervoorstelling ‘Deze en Genen Speciaal‘, die ik vanaf mei ga spelen.

In het kader van Theater Na de Dam op 4 mei maak ik momenteel een nieuwe versie van mijn voorstelling over de zoektocht naar mijn Indische roots. Dolblij was ik toen ik achter in de kast een schrift vond met daarin de memoires van mijn oma. Ik wist dat ik het had, maar waar? In een kriebelig oudedameshandschrift heeft ze een twintigtal pagina’s volgeschreven – helaas niet meer – van een grijs schrift met harde kaft.

Op pagina 1 begint het al goed: ‘Het was in 1910 toen we in Poerworedjo zaten, een plaatsje ergens op Java. Mijn vader was er toen griffier van de landraad. Ik herinner me nog, dat mijn ouders met hun tien kinderen daar een heel groot huis bewoonden met een heel grote tuin eromheen, waar in de hoek een enorm grote waringin groeide. Onder deze boom mochten we nooit spelen, want anders zouden we ziek worden, vertelde één van onze baboes ons. Op een dag speelde één van mijn broers, Eddy er en prompt na een week of wat stierf hij na 4 dagen dysenterie gehad te hebben. Hij was pas 7 jaar en een heel groot verlies voor mijn ouders en ons allen, want hij was een schattig jongetje en anders heel gehoorzaam. Onze baboe zei direct, dat het door die boom kwam, want daarin huisde een boze geest. Nu, mijn ouders waren niet zo bijgelovig hoor. Hij zou wel buiten hun medeweten wat gegeten hebben, dat niet goed voor zijn darmen was.’

Het verhaal biedt een prachtig inkijkje in geloof en bijgeloof in Nederlands-Indië aan het begin van de vorige eeuw. Dat mijn oma zeker gevoel voor drama had (van wie zou ik dat toch hebben?)  bewijst het volgende bloedstollende fragment.

“In de tijd dat we in Soemenep (Madura) zaten hebben we iets heel ergs meegemaakt. We waren op een zondag allemaal, echtparen met kinderen en al, bij de familie van Duin op bezoek, toen de ouderen na het eten zaten te bridgen en wij kinderen, het waren er heel wat, de tuin inliepen om te spelen. Er werden allerlei spelletjes gedaan en toen we moe waren, zei één van mijn vriendinnen, ze heette Eppy Roset: ‘Claartje kom je even mee naar huis, dan zal ik je mijn nieuwe pop laten zien.’ Eppy was toen pas zes jaar en ik zeven.

Het was ons streng verboden het erf af te gaan, maar omdat hun huis dichtbij was, dacht ik dat het geen kwaad kon. Eppy’s zus Willy waarschuwde dat het niet mocht, maar toen we toch wilden gaan is ze met ons meegegaan, net als Mies haar oudste zuster. De heer Roset was die middag net thuisgekomen van de jacht en gaf zijn geladen geweer aan de huisjongen, om het schoon te maken. Deze had het druk met andere dingen en gaf het geweer toen over aan klein Inlandsch jongetje van een jaar of zes, niet wetende dat de kogels er nog niet uit waren. Anders deed meneer Roset het altijd zelf.

We waren alle vier naast elkaar op de divan gekropen, toen het jongetje in het Maleisch zei: ‘Meisjes, meisjes, ik schiet hoor’. Ik was dadelijk van de divan afgegaan, maar de andere drie bleven rustig zitten. Eerst richtte hij het geweer op het oudste meisje, het ketste af, toen op Willy en de 2e kogel ketste ook af. Maar de derde kogel was goed raak. Het was een springkogel, gericht op Eppy, die eerst door haar arm ging, daarna door de borst en via het hoofd naar het plafond. Het plafond zat vol met hersenresten. Ze was onmiddellijk dood.”

Die oma van mij, niets geen lieflijke memoires. Een horrorfilm is er niets bij. Dit verhaal komt niet in ‘Deze en Genen Speciaal’, maar andere familieverhalen wel. Ook nooit vertelde verhalen, van mijn opa die aan de Birmaspoorlijn moest werken en altijd gezwegen heeft over wat hij daar heeft meegemaakt. Met zang, tekst en spel en begeleid door de oer-Hollandse pianist Paul Maassen ga ik op zoek naar wat het nou eigenlijk betekent om tot de derde generatie Indische Nederlanders te behoren. Net als op deze blog gebeurt, maar dan in 3D. En mijn beide grootouders van Indische kant gaan – in hun verhalen – mee op tournee!

Tokotest #7: Toko Mitra in Utrecht

toko mitra banner

Testteam: Nina Schreefel, Liselore Rugebregt, Stéphanie Bloemers, Nora Iburg en Charlie Heystek A.K.A. The Utrecht-Crew

Met vijf vrouwen drommen wij rond de toonbank van Toko Mitra waarachter de schalen met gerechten staan uitgestald. Verlekkerd staren we naar het eten en roepen af en toe uit herkenning: ‘Oh, dat moeten we nemen!’ We besluiten van-alles-wat te bestellen zodat iedereen overal van kan proeven, een soort Indische tapas.

Het meisje van de toko probeert kaas te maken van ons gekakel als tijdens het bestellen onze ogen steeds op andere lekkernijen vallen. ‘Ohh, ze hebben ook nog hapjes!’ Als we de zeven gerechten en vijf hapjes afrekenen komen we tot de ontdekking dat we helemaal geen nasi hebben.. ‘Eh, mogen we nog vijf porties nasi?’ vraagt een van ons. Charlie draait zich van schaamte om, Nora geeft haar van repliek: ‘Ik denk niet dat ze het erg vindt hoor, ze verdient aan ons!’

Charlie trekt het antieke servies van haar oma uit de kast en dekt de tafel terwijl NinToko Mitra Utrecht @ Charlie Heysteka Chef Magnetron is en de hapjes opwarmt. Ondanks het iets hogeren slapheidsgehalte, als gevolg van het gebrek aan een frituurpan, smult Charlie van de martabak met een heerlijke zachte, goed gegekruide en rijke vulling. Bij Nina en Stephanie gaan de risolles er in als zoete koek, ‘Ja, gewoon lekker’ luidt het commentaar. Het enige commentaar op de frikadel djagung van Nora en Liselore betreft het ontbreken van hele maiskorrels, ‘Ja, dat is toch niet helemaal zoals oma ze maakt.’

Als we tot de hoofddis over gaan zegt Nina ineens: ‘Ja, maar ik heb het allang opgegeven te zoeken naar een toko die net zo kookt als oma, die bestaat gewoon niet.’ Tot we de rendang proeven. Heerlijk mals vlees, die precies goed gekruid is en verrassend blijft. Zoals rendang hoort, je moet blijven proeven en de kelapa is nog terug te vinden. Een absolute top dus.

De eerste nop die we tegenkomen is de saté. Hij is niet gemarineerd waardoor de satésaus moet het doen. En dat is mooi balen voor Liselore, want die heeft een pinda-allergie. Enigszins beteutert kijkt ze naar het stokje met kippenblokjes die zelfs geen sporen van een koolvuurtje bevatten. Hiervoor hoef je niet terug te komen.

De sajoer lodeh, sambal goreng boontjes worden zonder al te veel commentaar naar binnen geschoven. Charlie vraagt hoe de rest van de dames het vindt. ‘Wel aardig,’ definieert Nina het als eerste redelijk neutraal. ‘Ja,’ zegt Nora, ‘het is wel okay, maar niet zo bijzonder?’ Waarop Stéphanie zegt: ‘Het is niet heel erg spannend, nee.’

Wel erg lekker is de nasi kuning die zacht van smaak is en daardoor de gerechten goed begeleid. De ajam ritja ritja blijft het langst onaangeroerd staan. We hebben allemaal ervaring met ritja-gerechten die zo heet zijn dat je niet meer uit je ogen kunt kijken en die andere gerechten als een soort alles verzengende meester overheersen. Vaak om de slechte kwaliteit van het vlees te verbergen. Maar, bij Toko Mitra is dat niet het geval. De kip is -verrassend- mals en hij is goed pittig, maar de tranen springen ons absoluut niet in de ogen. We kunnen zelfs concluderen dat er redelijk smaak aan zit. Ook niet erg bijzonder of verrassend, maar zeker niet slecht.

Ineens komt naar aanleiding van oma’s kookkunsten ook de blauwe vlek boven de billen ter sprake. Stéphanie vraagt of een van on die nog heeft. Niemand, zij wel. ‘Broek uit!’ roept Liselore, ‘dat wil ik zien!’ Stéphanie neemt nog een hap van haar sajoer, staat op en zegt: ‘Maar niet op mijn vetjes letten’ en laat een bijzondere blauwe vlek op haar heup zien. ‘Ajooh!’ roepen we allemaal uit. Grinnikend eten we verder. Alles gaat op, er wordt niets weggegooid. Tijdens de koffie komen we tot de conclusie dat we lekker hebben gegeten, dat de rendang om je vingers bij af te likken, maar dat de saté toch wel een teleurstelling was. Onze beoordeling:

 

 

 

 

 

Toko Mitra, Lange Viestraat 2, Utrecht. www.tokomitra.nl

Anti-Pinda-Propaganda

Wat is er schattiger dan lieve, onschuldige kinderliedjes zingen? Vooral na het openen van de zoveelste fles wijn is dat een geweldig idee. Een tijdje geleden kwamen ze allemaal voorbij tijdens een iets te gezellig diner. Zeg ken jij de mosselman, Alle eendjes zwemmen in het water, In de maaaaaaaaaaaneschijn. Stuk voor stuk kinderklassiekers.

Toen elk bekend liedje was geweest, herinnerde ik me nog een oude favoriet. Weliswaar na enig graven, maar dat lag natuurlijk aan de staat van ondergetekende.

Pinda liep langs spoorwegbaan
Maar er kwam een treintje aan
Pinda keek niet uit helaas
BOEM
CHENG
Pindakaas

Ineens besefte ik vandaag wat voor ziek en haatdragend kinderlied dit is. Luidkeels heb ik het gezongen op de basisschool. Ik heb mezelf jarenlang verraden. Waren de juffen en meesters hiervan op de hoogte? Natuurlijk waren zij dat. Mijn tere kinderzieltje is misbruikt voor Hollandsche, anti-Indische symphatien. Ik ben acht jaar lang gehersenspoeld en iedereen stond erbij en keek ernaar… Welke oud-koloniaal met rancune heeft dit versje in hemelsnaam bedacht? En welke bedoelingen had hij?

Allereerst, waarom loopt die pinda langs de spoorwegbaan? Iedereen weet dat het gevaarlijk is, zelfs verboden. Bovendien ken ik de verhalen dat veel Indo’s werden opgevoed tot keurige burgers, dus de kans dat er een pinda vrijwillig langs het spoor loopt lijkt mij sterk.

Brengt mij meteen op het tweede: liep deze pinda daar überhaupt vrijwillig? Ik denk het niet. Geloofwaardiger is aan te nemen dat hij werd gedwongen en dwangarbeid moest verrichten onder het motto: vroeger aan het spoor, nu aan het spoor! Maar wanneer we ervan uitgaan dat degene die hem dwong een onwetende Hollander is, dient zich nòg een optie aan. Namelijk dat de pinda werd verward met een Molukker. Ik heb geen idee hoe oud het lied is en/of wanneer het is geschreven, maar ik ben in ieder geval van 1983. Met de jaren ’70 in het achterhoofd had de schrijver Molukkers dus blijkbaar liever naast dan in de trein.

In de volgende regel schrijft de onbekende auteur dat pinda helaas niet uitkeek, maar hoe weet hij dat? Pinda kan ook even afgeleid zijn geweest. Desondanks denkt de schrijver bij voorbaat dat het hier een domme pinda betreft. Met zoveel tunnelvisie kunnen we dit werkje bijna, zij het licht aangepast, tot partijlied van de PVV bomarbarderen.

Tot slot: als deze tekst niet haatdragend is, waarom eindigt pinda dan als pindakaas? Hij had toch ook kunnen eindigen als pindasoep of, nog beter, pindasaus? I rest my case.

Jij als muzikant of crew op PMI?

Wil jij helpen op de PMI die in april plaatsvindt? Vind jij het leuk om bij te dragen aan de promotie van Indonesië in Nederland?

Meld je dan aan als vrijwilliger. Je kan van alles doen: helpen met de kaartjes, jassen, ontvangst van de gasten en bezoekers.

Als jij een band hebt, muziek maakt die aansluit bij het Indische of Indonesische (pop-)muziekbeleving, en al muziek maken vrijwillig mee wil werken aan de promotie van Indonesië in Nederland,  zou het zo maar kunnen dat jij op het podium komt te staan.

Heb jij interesse in een van deze mogelijkheden? Stuur dan zo snel mogelijk een mail in het Engels naar pasarmalam2011@indonesia.nl met een CC aan redactie@Indisch3.nl en geef aan wat jij zou willen doen.
Ook organiseert de PMI een competitie voor schrijvend en fotograferend talent. Kijk zelf maar, op http://www.indonesia.nl/pasarmalam/.
Enneh: deze pasar niet verwarren met de Tong Tong Fair & Festival hè, de oude Pasar Malam Besar, die al ruim 50 jaar in mei & juni op het Malieveld plaatsvindt (zie http://www.tongtongfair.nl/)?

Al die verschillende gezichten

image from http://isgreaterthan.net/wp-content/uploads/2008/11/e457ethnicity.gif

Schiphol. Zonder meer ‘the place to be’ om volledig in de vakantiestemming te komen. Al die verschillende mensen die vertrekken en aankomen. Heerlijk om te zien hoe iedereen bepakt en bezakt is, wie op wie staat te wachten, of afscheid neemt van wie, lachende gezichten, verdrietige gezichten, maar bovenal… al die verschillende gezichten. De sport, voor mij althans, blijft toch altijd om te raden wat voor etnische achtergrond bij welk gezicht hoort.

Waar ik echter nooit zo bij stil heb gestaan, is mijn eigen etnische achtergrond en bijbehorend uiterlijk. Als ‘halfbloedje’ heb ik dan wel de donkere ogen en haren  van mijn Indische vader geërfd, maar daar staat ook een erfenis van mijn Hollandse moeder tegenover: een zeer blank gelaat. Ik was altijd van mening dat als men al kon zien dat ik buitenlands, voor de kenner Indisch, bloed door mijn aderen heb stromen, dit alleen in de zomer mogelijk was. In de zomer kleurt dat blanke huidje van mij namelijk binnen no-time naar een donkerdere teint, helaas trekt dit in de winter ook weer net zo snel weg. Het is dan ook in de winter dat ik eerder de vraag krijg ‘Ben je wel lekker, je ziet zo bleek?’ , dan de ‘zomerse’ vraag ‘waar kom jij vandaan?’, of de meer politiek correctere vraag ‘heb jij buitenlands bloed in je?’

De realisatie dat mijn uiterlijk wel degelijk in de winter buitenlands/Indisch bloed doet vermoeden, kwam afgelopen februari.  Daar stond ik dan met een vriendin op Schiphol. Bepakt en bezakt stormden we ruim op tijd richting de check-in, startklaar om richting Praag te vertrekken. Nu was er bij de check-in nog niet zoveel aan de hand. Het is bij de douane ‘waar het allemaal begon’, althans volgens mijn vriendin dan, ik had het in eerste instantie nog niet helemaal door.

“Have a nice trip”, hoor ik de meneer zeggen die mijn ticket controleert, “thank you”, antwoord ik en loop door naar de detectiepoortjes, hopelijk zou ik er dit keer zonder piepen doorheen komen. Wat ik echter niet door heb, is dat mijn blonde, überhollandse vriendin in het Nederlands wordt aangesproken door dezelfde meneer. Als we zonder piepen door de poortjes zijn gekomen, ik letterlijk(!) in mijn hemdje, broek en op sokken, zij met al haar kleren nog aan, komt dé opmerking: “Zeg Lies? Hoe komt het dat jij in het Engels wordt aangesproken en ik niet?” Huh, wat?! Hoe bedoel je? In het Engels? Echt waar? Ja inderdaad. Ach toeval. Dacht ik…

Maar tot mijn verbazing bleef ik tot in het vliegtuig aan toe aangesproken worden in het Engels en mijn vriendin in het Nederlands! Geen enkele uitzondering, zelfs de KLM stewardessen, “Hello, welcome on board.” Vriendin achter mij, “Goedemiddag, welkom aan boord”. Terwijl ik plaatsneem realiseer ik me dat mijn vriendin gelijk heeft, stelselmatig word ik aangesproken in het Engels. Maar ik spreek toch zeker Nederlands! Dat horen ze toch? Ik zie er toch zeker óók Nederlands uit?!?! Totdat ik naar mijn spiegelbeeld kijk in het vliegtuigraampje en me ineens realiseer dat ook al ben ik een Nederlander, zoals toch duidelijk in mijn paspoort staat, ik ook een Indo ben.

Een Indo, met alle ‘mixen’ die deze term impliceert, ziet er misschien wel uit als een Nederlander, maar ook weer net niet helemaal. De donkere ogen, die tijdens het lachen veranderen in spleetoogjes, en de donkere haren: het blijft toch een indicatie van ‘vreemd bloed’ door de aderen. En hoewel ik het in eerste instantie niet kon waarderen dat er een onderscheid naar uiterlijk werd gemaakt, heeft het me ook doen stilstaan bij de meerwaarde van het ‘Indo-uiterlijk’. Indo, net niet helemaal (Nederlands) maar tegelijkertijd allemaal. Qua uiterlijk zijn ‘wij Indo’s’ behoorlijk internationaal in te schatten, het Indische/Aziatische is dan ook lang niet bij iedereen te herkennen. Met een grijns steek ik mijn tong uit naar mijn spiegelbeeld. Ach ja, al die verschillende gezichten!

Diederik van Vleuten: verfrissend en oprecht

Daar werd wat groots verricht. Afbeelding: www.diederikvanvleuten.nl

Eindelijk: met respect en humor vertellen over Indië

De aankondiging op de website van Diederik van Vleuten (bekend van o.a. tv) liegt er niet om: “Wegens grote belangstelling wordt ‘Daar werd wat groots verricht’ in 2012 hernomen. In de periode januari tot en met maart volgt er een extra tournee.” Na het zien van de voorstelling in een uitverkochte Rijswijkse Schouwburg, ben ik daar blij om: iedereen in Nederland zou dit stuk moeten zien, Indisch of niet.

Diederik van Vleuten vertelde tijdens de Indië-herdenking in 2008 al over de memoires van Jan van Vleuten, zijn oudoom die de Japanse bezetting heeft meegemaakt. Van Vleuten stond toen nog aan de vooravond van ‘Daar werd wat groots verricht’ (DWWGV). En, ik zal eerlijk zijn, toen ik hem deze plannen hoorde aankondigen, dacht ik ‘Waarom moet een Nederlander dit verhaal nou weer vertellen? Dan trekken zij wéér alles naar zich toe, het verhaal van de Indo in de kampen mag onderhand wel eens verteld worden, die groep is al onzichtbaar genoeg.’  Inmiddels zeg ik: ‘I stand corrected’. Dit ís het verhaal van veel van onze grootouders, verteld op een eerlijke, respectvolle manier zonder verwijten.

Op Kerstavond 1982 gaf oudoom Jan het gezin Van Vleuten zijn memoires: vier cahiers over zijn leven in Indië. In de voorstelling van twee keer 67 minuten én een pauze (‘Oom Jan was een ouderwetse man, en ouderwetse mannen verdienen een ouderwetse pauze. O nee. Dat zeg ik niet goed, oom Jan was niet ouderwets, hij was uit een andere tijd.’) namVleuten de -bomvolle- zaal door die memoires mee. Jan van Vleuten is als zoon van een Hollandse tuan besar geboren in Indië, opgegroeid in Nederland (‘zijn ouders waren bang dat hij zou verindischen, hij sprak op zijn vierde beter Maleis dan Nederlands”) en in de jaren ’30 weer teruggekeerd naar zijn ‘land van herkomst’, heeft de archipel na de bezetting als evacué verlaten, is teruggegaan en heeft uiteindelijk, net als al die andere repatrianten, Indonesië in de jaren vijftig definitief verlaten.

Wat Van Vleuten’s performance onderscheidt van eerdere producties (zoals de film Het jaar 2602 en boeken van Hella Haasse, Van Dis, Kousbroek en Brouwers) is zijn humor, het respect voor de keuzes van die generatie (‘oom Jan was geboren in 1906’) en de volledigheid van het verhaal. De cabaretier weet in DWWGV humor feilloos in te zetten. Om geheugensteuntjes in het verhaal in te bouwen zonder langdradig te worden. Om moeilijke momenten te verluchtigen. En om oordelen uit te spreken zonder dat belerende toontje (‘Ja, dat koloniale systeem was natuurlijk hartstikke fout. Maar als ik soms kijk naar de afbeelding van het landhuis van mijn overgrootvader tuan besar Panplieten denk ik, dat kolonialisme heeft niet voor niets 300 jaar stand gehouden!’).

Humor gebruikt hij ook om – herkenbare – verbazing respectvol uit te dragen. Want het respect dat de cabaretier toont aan voor de keuzes van de generatie van onze grootouders, komt oprecht en integer over. Van Vleuten verstaat de kunst om onderscheid te maken tussen de liefde die hij voor de persoon heeft gevoeld en afstand die hij voelt tot de denkbeelden van die persoon. Zo benadrukt de performer dat het niet zijn verhaal is, maar dat van zijn oom. En vertelt hij hoe gek hij was op zijn oma Maggie, die Diederik alleen wel toefluisterde, toen hij met een donker Indisch vriendinnetje thuiskwam, dat zij het landgoed wel in blanke handen wilde houden.

Tot slot: die volledigheid van het verhaal. De buitenkampers. De treinreizigers die in 1945 op Java door peloppers vermoord werden. De aandacht voor de aankomst van repatrianten die na een aantal schepen verwaterde. Zomaar een paar voorbeelden waaruit ik concludeerde dat de cabaretier zich echt verdiept heeft in de Indische geschiedenis en heeft geluisterd naar de commentaren die hij kreeg bij het schrijven en de try-outs.

Mijn vriend en ik, beiden opgegroeid in gemengde Indo-totokfamilies, waren naar deze voorstelling gegaan omdat mijn vader (zoon van een totok en een Indo-Europese, net als mijn vriend) de kaartjes kado had gedaan. Gelukkig maar, gezien mijn wantrouwen was ik er waarschijnlijk niet uit mezelf heengegaan: ik heb mijn portie Adriaan van Dissen en Hella Haasse’s van deze wereld wel gehad.
Diederik van Vleuten laat met ‘Daar werd wat groots verricht’ een nieuw en fris geluid horen in Indisch Nederland: dat van de zichzelf relativerende Hollander die met respect, humor en oprechte interesse de Indische – complexe – geschiedenis toegankelijk maakt voor een breed publiek. Gaat dat zien, gaat dat zien.
Diederik van Vleuten. Daar werd wat groots verricht. Sinds 201o in theaters, nog te zien tot en met mei 2011. Reprise:  januari t/m maart 2012. Nieuwe speeldata in mei 2011 bekend.

Poppie roept!

Als vriendinnetjes van mij het vroeger weleens over hun (Nederlandse) oma hadden, merkte ik dat het bij mij anders was. Soms kon ik merken dat mijn oma vroeger in Indonesië, het voor mij toen nog onbekende land, veel had meegemaakt. Vele vragen waren voor mij onbeantwoord. Nu, na haar dood zijn er nog steeds vele dingen waar ik geen weet van heb. Maar wat er precies zo anders aan haar was, en waarom dat was? Dat kon ik eigenlijk nooit onder woorden brengen.

Toen mijn Indische oma nog leefde, belde ze om de zoveel tijd even op, om te vragen hoe het met ons allemaal ging. Wanneer mijn vader dan opnam, riep hij vol enthousiasme: ‘Poppie roepttt!’ Hierna volgde gekwebbel in Maleis en Nederlands door elkaar. Wanneer ik dit hoorde, luisterde ik altijd met een glimlach op mijn gezicht mee. Wanneer ik zelf opnam als mijn oma belde, zei ze altijd: ‘Daaaagg Stéphanieeeee, hoe is het met jouuuu?’ Dat typische, oh zo herkenbare accent zal ik nooit meer vergeten. Net zoals de standaard vraag tijdens het eten: ‘Is het lekkerrrr?’ Zo cliché, maar wat vond ik het heerlijk om die ‘r’ te horen rollen.

Wanneer ik nu een ouder iemand zie van Indische afkomst, denk ik aan mijn oma. Hoe ze lachte, hoe ze danste, met haar vuistjes in de lucht en haar ogen gesloten. Hoe ze heerlijk kon genieten van haar bord met eten en dit dan ook heel langzaam opat. Haar vingers vol mooie gouden ringen, haar lange nagels, waar ik altijd vol bewondering naar keek, en haar altijd perfect zwarte haar, want grijs zijn op haar tachtigste, oh nee, dat wilde mijn oma absoluut niet.

Mijn oma woonde in een dorpje in Noord Holland. Haar huis leek net een klein rommelmarktje, of nog toepasselijker: een mini Pasar Malam. Van de gekste spullen kon ze geen afstand doen en ook dieren kregen altijd een plekje bij haar in huis. Ik daarentegen woonde in het oosten van het land. Vaak zag ik mijn oma dus niet, maar als ik haar zag, gaf het me altijd een warm gevoel van binnen. Lange gesprekken hadden we niet, maar het goedkeurende glimlachje wat ik altijd van haar kreeg, zei genoeg.

Toen mijn oma was overleden, hoorde ik van mijn tante dat ze altijd zo trots op mij was geweest. Toen ik dat hoorde, overspoelde mij opnieuw datzelfde warme, onbeschrijfelijke  gevoel wat ik altijd kreeg wanneer ik haar zag. Wat mijn oma anders maakte, blijft moeilijk te omschrijven, misschien is het enkel een gevoel. Een herkenbaar gevoel?

Voorronde Miss Indonesisch 2011

Voor de voorronde van de Miss Indonesisch verkiezing 2011 waren Stéphanie en Liselore op zondagochtend de 13e maart in Almere te vinden. De voorronde vond plaats in het gebouw van de Kunstlinie Almere, eenvoudig te vinden door het volgen de stroom kleine Ind(ones)ische meisjes op hoge hakken.

Bij binnenkomst werden we hartelijk ontvangen door Jerttiëne, het eerste aansMiss Indonesisch Verkiezing 2011 etenpreekpunt voor de binnenkomende deelneemsters en tevens degene die ons rondleidde. Aan het begin van de rondleiding werden onze ogen vrijwel meteen naar de Ind(ones)ische hapjes getrokken die werden verkocht voor het goede doel. Dit kwam ons, als Indo’s in hart en nieren, natuurlijk als de perfecte combinatie voor. 

We vielen met onze neus in de boter toen we in de eerste zaal op Javaanse muziek een van de deelneemsters, Shellen, een perfecte Javaanse dans zagen opvoeren. De voorronde bestond uit een fotoshoot en een performance waar een Indonesisch element in is verwerkt. Dit element kan terugkomen in het uitvoeren van een traditionele dans, het voordragen van een gedicht (in het Nederlands of Indonesisch), het geven van een presentatie of het zingen van een lied. Alles mocht, zolang er maar een link met Indonesië was. De beoordeling van de performance en de fotoshoot zouden uiteindelijk een soort portfolio vormen op basis waarvan werd besloten of een deelneemster al dan niet geselecteerMiss Indonesisch Verkiezing 2011 fotoshootd zou worden voor de finale. 

Voor de fotoshoots  waren twee fotografen druk in de weer om een mooi plaatje van alle deelneemsters te schieten. Stuk voor stuk prachtige meiden met de onmiskenbare trekken van een achtergrond in de Gorden van Smaragd. We kregen te horen dat veel van de meisjes die meededen tot op heden geen ervaring hadden met verkiezingen, laat staan met fotoshoots. Ook wisten veel deelneemsters van te voren nog vrij weinig over de Indonesische cultuur. Deze Missverkiezing is dus bij uitstek de gelegenheid om hier bewuster mee bezig te zijn. Een moeders gaf aan dat haar dochter, Adinda, tot voor kort weinig interesse toonde in Indonesië maar naar aanleiding van deze verkiezing meer wilde leren over het land waar haar roots liggen. Opvallend was de hoeveelheid aanwezige ouders en andere familieleden, aan de support zal het niet hebben gelegen.

De organisatrice, Avi Widjojoatmodjo, legde uit dat de verkiezing gezien moet worden in het licht van promotie van de  Indonesische cultuur. Jongeren integreren naar haar zeggen zo snel in de Nederlandse samenleving, dat het belangrijk is om het moderne IndonesiMiss Indonesisch Verkiezing 2011 Avië te laten zien. De Missverkiezing probeert hier op een creatieve manier invulling aan te geven die ook jongeren aanspreekt. Het gaat om een positieve benadering waarbij niemand wordt uitgesloten en het erom draait dat de deelneemsters zich bewust worden van hun Indonesische achtergrond. Van een vleeskeuring is geen sprake, alles draait om inhoud en achtergrond.

We vroegen de deelneemsters naar hun motivatie mee te doen aan de verkiezing. Veelvuldig hoorden we dat toch de interesse voor de Indonesische cultuur en tradities en een zekere trots op de achtergrond hiervoor de voedingsbodem waren. De Missverkiezing lijkt dus haar doel te bereiken. Een van de deelneemster gaf ook aan dat zij graag  haar multiculturele identiteit wilde benadrukken met haar deelname aan de verkiezing.

Duidelijk is dat deze verkiezing niet enkel draait om het uiterlijk vertoon. Met name karakter en persoonlijkheid blijken de boventoon te voeren. Wij zijn zeer benieuwd wie we terug zullen zien in de finale op de Pasar Malam Indonesia 2011, begin april in Den Haag, in the race of becoming Miss Indonesisch 2011.

De Engel van Kebayoran: roman of geschiedschrijving?

Engel-kebayoran Louis Zweers

In tegenstelling tot eerdere publicaties van Louis Zweers, zelfstandig kunst- en fotohistoricus en publicist over Nederlands-Indië/Indonesië, behoort De engel van Kebayoran tot literaire non-fictie, wat dit boek maakt tot zijn debuutroman. Op zoek naar het verhaal voor deze roman en de achtergrond van zijn familie reist Zweers af naar zijn nicht Lily in Bandung, Indonesië. Aan de hand van ontmoetingen met verschillende personen die een belangrijke schakel vormen in de geschiedenis van de familie maakt de auteur een reis door de tijd van het voormalig koloniale Indië tot het Indonesië van nu.

Louis Zweers. Bron: http://www.erasmusmedia.net/master/docenten_profiel_zweers.htmNa de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië in december 1949 vertrekken volgens Zweers bijna 200.000* (Indische-)Nederlanders naar het moederland. Tegen deze stroom in vertrekt Lily, een achttienjarige blonde Hollandse jongedame, in de zomer van 1951 richting Indonesië om de liefde van haar leven achterna te gaan.

In Indonesië gaan in verloop van tijd de antiwesterse ideeën van Soekarno  dusdanig ver dat er geen Europeaan meer veilig is en er een grote uittocht op gang komt waarin de laatste tienduizenden Nederlanders Indonesië uit veiligheidsoverwegingen verlaten. Uiteindelijk is er bijna geen blanke meer te bekennen op Java. Lily’s echtgenoot, Raden Amir, raakt zelf ook steeds meer in de ban van de nieuwe politiek leider Soekarno en ook hun kinderen beginnen zich af te zetten tegen hun ‘blanke’ achtergrond, maar daar laat Lily zich niet door ontmoedigen. Ze heeft gekozen voor Indonesië en haar Amir en daar blijft het bij. Ze is vastberaden om haar (gezins-) leven te doen slagen in Indonesië. Een turbulent leven in de tropen volgt.

Het verhaal is boeiend, dat zeker. Het brengt herkenning met zich mee en roept daardoor vragen op over hoe de situatie voor onze voorouders zou zijn geweest in die tijd, of het vergelijkbaar was met de situatie van Lily en Amir, en hoe het zou zijn als zij net als Lily in Indonesië waren gebleven en wij ook daar opgegroeid zouden zijn in plaats van hier in Nederland. Een Indische familie staat centraal die je op een (voor Indische begrippen) uitzonderlijk persoonlijke wijze meeneemt door een Nederlands-Indische geschiedenis over een periode van pakweg twee eeuwen lang. En daar ligt precies het punt waarom het boek als een roman toch niet heeft kunnen pakken. De grote hoeveelheid aan feiten, jaartallen en de vakkundige behendigheid waarmee de familie in de historische context wordt geplaatst doet af aan het verhaal van de familie zelf waardoor het de lezer moeilijk wordt gemaakt zich mee te laten voeren door de hoofdpersonen in deze roman.

Aan de hand van ontmoetingen met verschillende personen die een belangrijke schakel vormen in de geschiedenis van de familie maakt de auteur een reis door de tijd van het voormalig koloniale Indië tot het Indonesië van nu. Elk persoon heeft een eigen verhaal en neemt een speciale plek in in de geschiedenis van de familie, welke met academische precisie worden ingebed in de historische context van het postkoloniale Indonesië. Juist nu de historische context hét kader biedt voor deze roman is het van essentieel belang dat de gebeurtenissen, jaartallen en aantallen die worden genoemd correct zijn. Dat er bijna 200.000 (Indische-)Nederlanders na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 naar Nederland zijn gekomen ligt wat aan de hoge kant als je nagaat dat er in die periode rond de 81.000 repatrianten werden geteld.*

Toch is De engel van Kebayoran veel meer dan een geschiedschrijving alleen. Ondanks de fragmentarische informatie die er over de familie voor handen is, komt door de academische vaardigheden van Zweers een nauwkeurig gereconstrueerde familiegeschiedenis tot stand waarin alle gebeurtenissen, verhalen en personen een eigen plek krijgen in het geheel. Het beeldende taalgebruik van Zweers laat je de dingen zien door zijn ogen. Door zijn oren hoor je het geruststellende gesjirp van de krekels op de achtergrond. Hij laat je voelen, ruiken en proeven en geeft een stem aan het uitzonderlijke levensverhaal van Lily, haar voorouders en haar kinderen te midden van een turbulente geschiedenis in het voormalig Nederlands-Indië tot het Indonesië van nu. Hij geeft een stem aan De engel van Kebayoran.

*Noot  van de redactie: de door Zweers genoemde aantallen komen opmerkelijk genoeg niet overeen met het totale aantal van (bij benadering) 300.000 repatrianten waar de meeste historici in Nederland het over eens zijn, of met het aantal repatrianten dat in 1949 vertrok.

Bestel het boek via Van Stockum en steun Indisch3.nl!