Jonge Indo in de provincie Overijssel

Deze laatste aflevering van de serie Jonge Indo in de provincie… lijkt wel een bewuste keuze. Daniël Kuipers uit Overijssel wil met zijn band Almelochtoon doorbreken in hiphop-minnend Nederland. Niets is minder waar. Daniël a.k.a. Katjang (dreadlocks, grote ketting en dito ringen) had een jaar geleden bijna als eerste gereageerd. Dat deze laatste aflevering dus naadloos aansluit op de in mei startende serie Jonge Indo in de muziek, is puur toeval. We ontmoeten elkaar op het station in Enschede: hij gaat met me mee naar de van Nasi Idjo-expositie Aanpassen! in museum Twentse Welle, waarover binnenkort een verslag op deze website staat.

Daniël "Katjang" Kuipers (20 jaar)

Wie is Daniël?
Ik woon in Almelo (Overijssel), ben 20 jaar. Ik loop momenteel stage bij een ICT-bedrijf in Almelo, daarvoor heb ik Handel en administratie gedaan aan de ROC. Maar waar ik echt mijn geld mee wil verdienen is muziek maken.

Waar komt het Indische in jouw familie vandaan?
Mijn moeder, Astrid Hilling, is Indisch. Ik ben door haar en haar ouders opgevoed. Daardoor heb ik veel meegekregen uit de Indische cultuur. Nee, ik weet niet precies waar ze in Indonesië vandaan komen. In de buurt bij Jakarta dacht ik.

Wat doe jij zelf met die achtergrond?
Nou, ik maak wel eens Indisch eten. Lemper (lacht). Echt! Bij de toko kennen ze me al goed. En pisang goreng, heb ik ook wel eens gemaakt. Die lemper heb ik gemaakt omdat mijn moeder het niet wilde maken. Toen dacht ik, dan doe ik het zelf wel. Het is wel gelukt, al was ie niet zo goed als die van mijn moeder. Ik let altijd goed op als ze aan het koken is.  En ik heb die vlag op mijn hoedenplank, van Paatje Phefferkorn weet je wel?

Is het Indische belangrijk voor je?
Ja. De gastvrijheid vind ik toch wel het meest kenmerkende, dat zou ik nooit willen opgeven. Dat Hollandse, dat je weg moet omdat mensen gaan eten, daar kan ik niet goed tegen.

 

Daniël in close-up

Zien mensen je als Indisch?
De meeste mensen denken dat ik Marokkaan ben. Of Turk. Indisch kennen ze niet altijd. Als ik het dan uitleg, dat mijn familie uit Indonesië komt, dan snappen ze het wel. Ik vertel dan dat mijn grootouders wel uit Indonesie komen, maar geen Indonesier wilden worden en daarom naar Nederland gekomen zijn. Mijn Indische vrienden hoef ik dat natuurlijk niet uit te leggen. Ja, ik heb wel veel Indische vrienden. Veel Afrikaanse. Eigenlijk bijna geen Nederlanders.

Welk voorwerp heb je meegenomen dat speciale betekenis voor je heeft?
Deze wayangpoppen. Mijn opa gebruikte die altijd om verhaaltjes mee te vertellen als ik bij hem logeerde, als ik bang was. Mijn opa is gestorven toen ik 12 was. Ik heb hem gevonden, hij was in zijn slaap overleden. Deze wayangpoppen zijn een soort aandenken aan hem.

Hoe zie jij de toekomst voor de Indische wereld?
Dat hangt ervan af, ik denk dat dat per gezin verschilt. Wat krijg je mee, wat zijn typisch Indische trekjes. Ik zou die wel mee willen geven als ik ooit kinderen zou hebben.

 

Op de hoedenplank: de Indo Melati

En je eigen toekomst?
Ik wil echt de muziek in. Ik schreef al teksten toen ik 14 was en op mijn 16e ontmoette ik een dj, ook een Indo, die heeft me veel geleerd over de muziekindustrie. Met twee vrienden van me, Sidi en Didinho, ben ik vorig jaar een hiphopgroep begonnen, Almelochtoon. We maken alles zelf, ik heb thuis alle spullen staan. Binnenkort gaan we met iemand praten over het opnemen van een album.

Jonge Indo in de provincie… Flevoland

In het een na laatste interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie… reist Indisch 3.0 af naar Flevoland voor een gesprek met Remco Vereijken (34). Met de eerste voorjaarszon die langzaam naar binnen kruipt en een warme pot thee op tafel vertelt Remco over de weg die hem van een klein dorp in Noord-Brabant naar Almere Haven bracht, zijn leven na het dansen en zijn Indische ‘coming out’.

Fotografie: Natalie Ypma

Om bij het begin te beginnen. Wie is je vader, wie is je moeder?

Mijn vader heet Frans Vereijken en is een Brabander. Mijn moeder, Julia Vereijken-Pleyte is Indische. Ze is in 1952 geboren in Semarang en kwam in oktober 1964 met mijn opa en oma, twee broers en twee zussen met het vliegtuig naar Nederland. Veel meer weet ik eigenlijk niet over mijn Indische familie”.

En jij bent geboren in?

“In Best, een dorpje boven Eindhoven. Ik heb daar tot mijn 19e gewoond”.

Hoe komt een Brabantse jongen vervolgens in Almere terecht?

“Brabant en Almere, ja dat is wel wat anders hè? Rond de tijd dat ik professioneel danser werd besloot ik naar Amsterdam te verhuizen. Ik kon geen huis vinden en kreeg iets aangeboden in Almere. Ik vond het behoorlijk wennen in het begin, maar inmiddels heb ik het erg naar mijn zin. Er is veel groen hier, ik kan lange wandelingen maken met de hond, de mensen zijn vriendelijk en ik heb een heel ruim appartement. Voordat ik hier terecht kwam heb ik eerst een tijd in Tilburg gewoond. Vanuit Best verhuisde ik daarheen om de opleiding theatervormgeving aan de Academie voor Beeldende Vorming te gaan volgen. Dat heb ik niet afgemaakt. Ik bleek meer geïnteresseerd te zijn in het theater zelf, dan het ontwerpen van decors. Uiteindelijk koos ik voor een vak waarmee ik zelf op het podium kon staan.”

Remco Vereijken (34)

“Doordat een vriend werd aangenomen op de Dansacademie kwam een oude droom terug: danser worden. Al vanaf dat ik me herinner wilde ik dat, ja, toen ik zes jaar was eigenlijk al, grappig he? Maar ik werd daar thuis nooit in gestimuleerd. Ik was met een andere opleiding bezig, was 22 of 23 en dacht: ik ben al te oud voor een dansopleiding. Die vriend was 27 en werd toch aangenomen. Dat was het moment om het ook te proberen. Ik besloot auditie te doen voor musicaltheater aan de Dansacademie en werd aangenomen”.

Je droom kwam uit?

“Ja eigenlijk wel. Na twee jaar dansacademie werd ik aangenomen voor de Dinnershow 2000. Dat was geweldig. Ik was toen ineens professioneel danser”.

Hoe was het om professioneel danser te zijn?

“Het was een geweldige tijd! Ik heb écht van alles gedaan. Een aantal jaar heb ik deel uitgemaakt van het Holland Show ballet, waar ik mijn vriend Gerhard ook heb leren kennen. We vlogen vaak met het hele dansgezelschap naar verschillende Europese locaties om een show te doen. Ook heb in verschillende producties gestaan in de Nederlandse theaters: 2nd Street, Barcelona, Hello Dolly!, maar ook in Ahoy bij de show van Frans Bauer. Haha! Meestal in het ensemble, maar omdat ik redelijk een beetje kon zingen werd ik ook aangenomen als zanger en danser in Wonderlijke Efteling Show en Pietje Bell en kreeg ik kleine rollen in musicals zoals Alladin en Junglebook. Mijn laatste producties waren Jeans en Assepoester. Toen was het tijd voor een volgende stap. Professioneel danser is een lastig bestaan. Elk jaar opnieuw auditie en als je voor een seizoen werk hebt, is het onzeker of je het jaar erna aan de slag kunt. Gelukkig lukte dat steeds, maar op een gegeven moment voelde ik dat het tijd was iets anders te gaan doen”.

En dat werd?

“Tja, dat was wel even zoeken. In het begin had ik geen idee wat ik wilde doen. Ik heb maar wat geprobeerd: werken in een sportschool en als suppoost in een museum. Kon ik aan de slag in het horecagedeelte van een Spa- en Wellness centrum. Daar werk ik nog steeds. Sinds kort doe ik ook Löyly–behandelingen in de sauna. Heel leuk om te doen. Uiteindelijk zou ik iets voor mezelf willen beginnen op horecagebied. In ieder geval service gericht”.

Remco met zijn hond

Mis je het dansen?

“Nee, eigenlijk niet. Ik heb een fantastische tijd gehad, maar ik was toe aan iets anders. Ik heb geweldige herinneringen, maar het is goed zo”.

Met de gemeenteraadsverkiezingen net geweest kan ook een vraag hierover niet ontbreken. De PVV is de grootste partij geworden in Almere. Hoe kijk je daar tegen aan?

“Hm, dat vind ik wel moeilijk hoor… Ik merk niet zoveel van de problemen en de onvrede die een deel van de mensen hier heeft. Daar sta ik misschien toch te ver van af. Ik weet ook niet precies wie die mensen zijn. Er zijn veel verschillende culturen op straat in Almere en dat maakt de stad voor mij bijzonder. De PVV gebruikt grote woorden, en ik ben benieuwd wat daar uiteindelijk van terecht komt. Ja, ik vind het ook wel spannend eigenlijk”.

Als ik tot slot wat meer vertel over Indisch 3.0 en een korte impressie geef van wat je op de site zoal aantreft, is het Remco die enthousiast vragen gaat stellen. Hij is verrast over de manier waarop “het Indische” leeft, ook bij de jongere generatie. Bij hem is dat pas kort geleden begonnen.

Hoe komt het dat je daar de laatste tijd meer mee bezig bent?

Ik heb een aantal Indische en Indonesische collega’s en op een gegeven moment raakten we over onze gedeelde achtergrond in gesprek. Gek genoeg was ik er nooit zo mee bezig. Het was vanzelfsprekend, niet iets waar ik me heel bewust van was. Ja, we aten vroeger 5 dagen in de week rijst en bepaalde dingen gingen anders dan in andere gezinnen. Verder wist ik niet veel. Maar inmiddels vind ik mijn Indische achtergrond toch wel iets bijzonders dat bij me hoort”.

Een soort “coming out”?

Hahaha, leuk hoe je dat zegt. Misschien wel ja. Ik ben nieuwsgierig geworden en moet bijvoorbeeld maar eens iets Indisch leren koken, dat kan ik niet… Als je over een paar jaar nog eens terug komt sta ik hier misschien wel elke dag in batikkleding sateetjes te roosteren!”

Voor het laatste interview in deze serie gaat Kirsten naar een jonge Indo in de provincie Overijssel. Het artikel verschijnt in april op deze site, samen met info over een nieuwe interviewreeks.

Jonge Indo’s in de provincie…Gelderland

“Ik ontdekte kort geleden pas dat oepil geen Nederlands woord was.”

Het tiende interview in de reeks Jonge Indo in de provincie… is anders dan anders verlopen. Niet alleen is het veel te laat (het was gepland voor eind januari). Maar na het interview met Iris Zwarts (21 jaar) in Nijmegen, Gelderland, overweeg ik om uit te zoeken of er in Den Haag een dagopvang voor Indische ouderen is: vanmiddag was ik weer even bij mijn eigen grootouders thuis. Geen wonder dat Iris hier vaak is.

vlnr: Iris, Iris en mw. Allen (bezoekster), Iris en haar moeder, Iris.

Familierecepten
“Kom anders naar de dagopvang voor Indische ouderen, waar ik vrijwilliger ben”, stelde Iris voor. En zo zat ik opeens tussen ruim 25 Indische ouderen, die elkaar gedichten voorlazen en lootjes trokken voor Valentijnsdag. “Op woensdagen en zaterdagen is deze locatie open voor Indische mensen,” vertelt Iris, die in Breda Toerisme & Recreatie studeert . “De meesten wonen hier in de buurt. Ze komen hier gewoon heen om een leuke dag te hebben. Ze maken de lunch zelf, Indisch eten natuurlijk, en vaak gebruiken ze familierecepten. (glimlachend) Erg goed voor mij trouwens, ik leer enorm veel recepten hier. Ik weet eigenlijk niet meer hoe lang ik dit al doe. Ik ben één keer met mijn moeder meegekomen en ik ben blijven hangen. Misschien heeft mijn moeder me toen wel meegevraagd omdat ze zag dat ik er meer mee bezig ben dan mijn broer en zus, dat zou best kunnen. Mijn Indische grootouders zijn er niet meer, maar het is nu alsof ik allemaal opa’s en oma’s heb. ”

Normen en waarden
De verbondenheid met familie komt ook terug in twee kettingen die ze draagt. “Mijn moeder heeft deze van mijn oma gekregen en gedragen toen ze even oud was als ik. Mijn oma leefde toen nog. Dus het voelt wel alsof we daardoor nu met zijn drieen zijn.” Maar, de vader van Iris komt uit Groningen. Waarom voelt ze wel betrokkenheid bij de Indische ouderen in De Ceder en niet met de Nederlandse? “Hmm. Dit is deel van mij, ik heb hier behoefte aan. Hier krijg ik een warm onthaal, ik voel herkenning, het is iets dat ik graag in mijn leven wil hebben, het past bij me. Verder, ik heb nooit echt gesprekken gehad met mijn eigen Indische oma, ik weet heel weinig over de voorgeschiedenis van mijn familie. Dat zal altijd wel een mysterie blijven. En ik leer hier veel, mensen zijn best wel openhartig eigenlijk.” Dan lacht Iris voluit: “En ze maken heel goed duidelijk wat hun normen en waarden zijn. Die laten ze je echt wel weten!”

Trots
Merkt Iris ook buiten De Ceder dat ze als Indische opgevoed is? Wederom lacht ze. “Ja, met vriendjes bijvoorbeeld. Ik heb een Indonesisch vriendje gehad. Ik hoefde hem heel weinig uit te leggen. Als ik drie keer nee zei, wist hij dat ik iets juist wel wilde. En ik denk dat mijn temperament ook Indisch is.” Opeens slaat ze vastberaden haar armen over elkaar. “Ik ben er wel trots op om anders te zijn. Ik ben er trots op dat ik verbonden ben met deze gemeenschap, dat ik daarbij hoor. Maar ik ben me er niet altijd bewust van dat iets wat ik doe Indisch is. Vaak genoeg heb ik tegen mijn moeder gezegd, ‘Mam, ze begrijpen me niet.’ Zo ontdekte ik ook pas kort geleden dat oepil geen Nederlands woord was.”

Indonesië
In de toekomst blijft het Indische een rol in Iris’ leven spelen, en niet alleen door het vrijwilligerswerk in De Ceder. “Ik ga in het najaar met mijn zusje een rondreis maken door Australië en Indonesië. Ik wil graag de basisschool van mijn oma zien en krijg vast nog veel meer tips van mijn moeder. Zij is er een keer geweest. Ze herkende zich niet heel erg in de mensen, dat begrijp ik ook wel, ikzelf lijk ook niet direct op échte Indonesiërs. Ik verwacht zelf, tja, wie weet hebben ze er dezelfde gebruiken als in China, waar ik met mijn studie geweest ben, en dezelfde hitte. Ik verwacht ook weinig herkenning, maar misschien wel van dingen uit De Ceder. Verder wil ik na mijn studie gaan werken in de interculturele communicatie. Hoe ga je als Nederlander om met mensen uit bijvoorbeeld China of, als ik erg enthousiast ben geworden door de rondreis, uit Indonesië? Nee, op internet ben ik weinig actief. Ik zou wel willen weten of er ook dingen voor jongeren georganiseerd worden buiten de grote steden. Bijvoorbeeld in de buurt van Nijmegen. Of Breda.”

Verbonden
Het voortraject was niet erg vlot verlopen: ik heb het interview een paar keer af moeten zeggen, waardoor er in januari geen interview op Indisch3.0 gestaan heeft. Achteraf ben ik daar blij om; Iris had me pas in De Ceder uitgenodigd na mijn twee afzeggingen. Tegen het einde van mijn bezoek vertelt de niet-Indische stagiaire Gulsen dat ook zij een sfeer van huiselijkheid en familie voelt op de woensdagen: “Ik wil activiteitenbegeleider worden, ik vind dit echt heel erg leuk. Vooral met de Indische mensen. Zij zijn veel meer, tja, verbonden met elkaar. De Nederlandse mensen, die komen op maandag, die zijn misschien een beetje afstandelijker.”

Volgende keer gaat Ed naar de provincie Flevoland. En dan zijn we alweer bijna aan het einde van deze reeks gekomen. Woon jij in Flevoland en wil jij je laten interviewen? Stuur dan een mailtje naar redactie@indisch3.nl.

Jonge Indo’s in de provincie… Noord-Holland

David1

Voor het negende interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie hoef ik niet ver van huis. Een paar straten van waar ik woon in de Indische buurt in Amsterdam ontmoet ik David Cohen (34). In de knusse keuken van zijn appartement schuif ik aan de keukentafel aan voor een gesprek dat vooral zou gaan over “Indische dingen”.

Direct in het zicht, aan de muur boven de tafel hangt een grote plaat met een gedetailleerd uitgewerkte stamboom. Terwijl ik de plaat uitvoerig bestudeer, begint David direct enthousiast te praten. Hij is, zo blijkt al snel, de genealoog van de familie Cohen. Op basis van informatie uit boeken, van familieleden of van internet, zocht hij de familie-stamboom helemaal uit tot aan de Groningse stamvader Abraham Izaak Cohen, die halverwege de19e eeuw als KNIL-soldaat naar Nederlands-Indië werd gestuurd en zich daar uiteindelijk blijvend vestigde.

“De geschiedenis fascineert me enorm. De Indische kant van mijn familie; vooral mijn oma en mijn vader, maar ook ooms en tantes, heeft altijd enorm veel verhalen verteld. Geen zwijgende Indische familie dus in mijn geval. Ik ben met name opgegroeid met tempo doeloe verhalen. Dat verklaart mijn fascinatie voor Nederlands-Indië en mijn eigen familiegeschiedenis denk ik wel. Ja, dat heb ik eigenlijk altijd wel gehad”.

Vanaf stamvader Cohen speur ik de stamboom van links naar rechts af langs steeds breder wordende vertakkingen. Vier generaties verder vind ik de naam van David zelf. Een van de tientallen “derde generatie Indische Cohens” in Nederland. Ik vraag hem wanneer hij begonnen is de informatie te verzamelen.

“Een aantal jaren geleden eigenlijk pas. Nadat mijn oma in 2004 overleed besloten mijn vader en ik samen naar Indonesië te gaan. Hij was er nooit terug geweest, maar had altijd gezegd dat hij dat na zijn pensioen graag een keer wilde. Dat we dat samen deden was heel bijzonder. Ik had ook een hele sterke band met mijn oma en het voelde goed om, weliswaar na haar dood maar samen met mijn vader, eindelijk te zien waar zij het grootste deel van haar leven had doorgebracht”.

David2In Jakarta bezochten ze onder andere Jatinegara, het oude Meester Cornelis, waar zijn oma werd geboren en ze keken rond in Bandung, daar waar zijn vader opgroeide. Veel van wat zijn oma hem had verteld, viel die reis op zijn plek. Eenmaal terug in Nederland was een nog grotere nieuwsgierigheid geboren: hoe zat de familie precies in elkaar en welke verhalen had hij nog niet gehoord? Er kwam nog een tweede reis naar Indonesië, maar vooral in Nederland ging David op zoek naar familieverhalen.

“Ik was net gestopt met het vervolg van mijn muziekopleiding en had ineens veel tijd. Ik ben letterlijk het hele land doorgegaan om familie te interviewen. Mijn criterium was dat de geïnterviewde Indië nog bewust meegemaakt moest hebben, de tempo doeloe tijd dus nog moest hebben gekend. Ik begon bij Tante Titi, toen net in de tachtig, een fantastisch mens die geweldige verhalen kan vertellen. Ze spreekt ook nog het Petjoh, en als ‘talen-freak’ vond ik dat natuurlijk fantastisch. Ook bleken zij en andere familieleden die ik door haar leerde kennen enorm muzikaal. Door mijn eigen muziek achtergrond klikte dat meteen.”

Muziek blijkt te werken als lijm voor het contact dat hij met dit deel van de familie krijgt. De bezoekjes beginnen en eindigen met Tante Titi achter de piano en David zingend ernaast. Tussendoor vloeien de verhalen die David zorgvuldig op band opneemt. Naast Tante Titi interviewt hij uiteindelijk in een aantal maanden tijd een tiental andere familieleden.

“Ik wilde alle familieverhalen die ik te horen kreeg vastleggen en bewaren voor volgende generaties. In onze familie, net als in heel veel andere natuurlijk, zit zo’n enorme schat aan ontroerende verhalen, sterke verhalen en ook historische verhalen. Dat moest toch eens worden vastgelegd! Op de site Gang Cohen, heb ik een deel van wat ik vond online gezet”.

Terwijl David verder praat en ik noteer, pakt hij een van de CD’s van het stapeltje voor ons op tafel. Even later hoor ik een Indische tante praten in onmiskenbaar Petjoh. David reageert glimlachend op de rappe Indische tongval van zijn oude tante Titi.

David3“Ik werd zo enthousiast door alles wat ik hoorde dat ik in 2007 een Cohen-reünie heb georganiseerd. De familie reageerde enthousiast en het werd een groot succes. Er waren zoveel mensen die elkaar al heel lang niet hadden gezien. Soms wel 30 of 40 jaar. Het was geweldig zoveel familie bij elkaar te zien, oudjes die de hele dag met elkaar zaten bij te praten. De stamboom die ik toen had gemaakt heb ik daar opgehangen. Hij is toen ook weer aangevuld door mensen die weer namen wisten van familie die er nog niet opstond. Mooi he?”

Een jaar later volgde een tweede editie. Dit jaar echter besloot David geen reünie te organiseren.

“Het is fantastisch om te doen, maar wel ontzettend veel werk. Misschien in de toekomst weer een keer. Dit jaar heb ik me even geconcentreerd op het afronden van de muziekopleiding, die ik weer heb opgepakt. Binnenkort begin ik met een nieuwe baan: het geven van Algemene Muzikale Vorming op een school in Amsterdam Zuidoost”.

Daarnaast is David professioneel zanger en rondleider bij het Muziektheater in de binnenstad. Een volgende reis naar Indonesië gaat er misschien ooit nog eens van komen. Hij zou de taal wat beter willen leren en best nog meer plekken willen zien waar zijn Indische familie sporen heeft achtergelaten. Tot die tijd moet hij zich maar troosten met de interviews die hij opnam en de nostalgische straatnamen van de Indische buurt.

Volgende maand gaat Kirsten voor het tiende interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie naar Gelderland!

Jonge Indo’s in de provincie… Zuid-Holland

‘Mijn familieleden zijn eigenlijk standaard Nederlanders. Alleen niet qua uiterlijk.’

Milan Theijs (24) is de achtste jonge Indo die we spreken in onze tour door Nederland. Milan woont in Den Haag, werkt bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en wil Indonesische Taal en Cultuur gaan studeren in Leiden. ‘Vanaf mijn twintigste werd ik nieuwsgierig naar mijn achtergrond. Ik ben geen fanatieke Indo, maar ik zou het wel raar vinden als onze geschiedenis ooit helemaal vergeten is.’

filmMilan

Fotografie: Valérie Harmanus

‘Wat mij in eerste instantie nieuwsgierig maakte naar mijn Indische achtergrond, waren de kleine gebruiken in mijn familie. Niet met je linkerhand eten, geen rumoer maken, niet je voetzolen laten zien, niet aan het hoofd zitten. Maar ook de verschillen fascineerden me. Op internet las ik veel over mensen die niet willen praten, over de ongelijkheid die er was tussen Nederlanders en Indo’s, en tussen Indo’s en Indonesiërs, maar mijn oma, die van Timor is, vertelt me altijd dat alles er pais en vree was. Hoe komt dat?’

‘Op een verjaardag van een nicht van mijn oma waren veel oudere Indische familieleden die met elkaar Maleis praatten. Ik vond het een mooie taal om te horen en werd nieuwsgierig naar de Indonesische taal. Ik kon het eigenlijk niet hebben dat ik als Indo niet eens die taal sprak! Kort daarna ben ik een taalcursus Indonesisch voor beginners begonnen in Leiden. Ik ben nu één keer in Indonesië geweest, maar ik wil er eigenlijk wel elk jaar heen. Ik ben begonnen mijn familie vragen te stellen. En ik ben veel gaan lezen, Tjalie Robinson, Piekerans van een straatslijper lees ik nu.’

‘Die cursus Indonesisch was leuk. Het was wel opvallend, het waren vooral ouderen die Indonesisch wilden leren, ik werd er erg enthousiast van. Toen ik in Indonesië was, sprak ik de taal nog niet erg goed. Toch voelde ik me er thuis. De geur van bloesem, de aangename temperatuur, de natuur, het rustieke; het smaakte naar meer. Mijn ouders zijn er nog niet geweest. Mijn vader is Indisch en ik vraag hem de oren van zijn hoofd, ik merk dat hij er enthousiast door wordt. Hij en mijn grootouders zijn blij en trots dat ik er zo benieuwd naar ben. Het lijkt me wel gaaf om er met hem heen te gaan, om mijn vader daar een toer te geven. De boeken die ik erover lees, van Tjalie, vind ik ook geweldig. Prachtig om dat petjoh te lezen. En hoe hij dat allemaal weet te vatten, die wereld. Het is misschien romantisch, maar die zorgeloosheid in zijn boeken spreekt me aan.’

‘Mijn directe Indische familie is veel “Hollandser” dan hun neven en nichten. Ze hebben geen Garuda-beelden, bijgeloof en typische Indische zaken in huis, maar wel veel kennis van Nederlands-Indië. Hun afkomst verloochenen ze niet, maar ze zijn er totaal niet actief mee bezig. Een onderwerp waar ik me nog graag in wil verdiepen is dan ook de oorlog. Mijn opa heeft in het KNIL gezeten, Jappenkampen van binnen gezien en zat na de oorlog bij de Gajah Merah. En nee, hij heeft niet deelgenomen aan die verschrikkelijke politionele acties.’

'In Indonesië voelde ik me thuis.'
'In Indonesië voelde ik me thuis.'

‘Nee, ik ben geen actieve Indo. Dat gaat me allemaal boven mijn pet. Ik neem geen deel aan discussies op de NIHyves en Indoweb en zo, ik ben nog niet kundig genoeg op dat gebied. Ik zie mezelf vooral als Hagenees, eentje met Indische trekjes. Nee, ik heb geen Indische vrienden. Daar zoek ik mijn vrienden niet op uit. Indische mensen vind ik wel een aparte groep, we hebben een eigen geschiedenis en ik vind het leuk dat er nog steeds mensen zijn die zich daar sterk voor maken. Ik vind wel dat we gewoon Nederlands zijn, Indisch is een plus. Je hebt van die hele fanatieke erbij, die vinden dat een Indo geen Garuda-teken mag dragen. Ik vind het allemaal wel prima.’

‘Ik heb niet de intentie om actief te worden, maar ik zou het wel erg vinden als niemand meer weet wat ons verhaal is. We hebben toch een eeuwenoude geschiedenis, we komen voort uit een kolonie van Nederland. En we hebben hele mooie gebruiken geïntroduceerd; culinair, in de kunst, boeken, muziek. Verder vind ik het mooi dat er nog steeds initiatieven zijn. DarahKetiga probeert het levendig te houden. Wat ik jammer vind is dat ik bij geschiedenis op school niets over Nederlands-Indië heb gehoord. Ja, het zou wel gek zijn als het helemaal vergeten wordt.’

‘Wat ik wel ga doen, is volgend jaar Indonesische Talen en Culturen in Leiden studeren. De talen en culturen van Indonesië waren eerst alleen een hobby, maar mijn doel is nu om vooral de taal te masteren, zodat ik voor langere tijd in Indonesië kan gaan wonen en werken. Nederland is natuurlijk mijn vaderland en ik ben dankbaar dat ik hier ben opgegroeid, maar al van jongs af aan zie ik het als een enorm aantrekkelijke uitdaging om een langere tijd in het buitenland te verblijven. ’

En het volgende interview? Daarvoor gaat Ed naar de provincie Noord-Holland.

Dit interview is wegens siteproblemen een week later gepubliceerd dan gepland.

Jonge Indo’s in de provincie… Friesland

Nadat de eerste helft van de reeks Jonge Indo’s in de provincie eindigde met een interview in het zuiden van Nederland, begint de tweede helft van de reeks in het noorden. Het is een gesprek met de Thamar Beckx (23) over Friese stugheid, ambities, cultuur en het zoeken naar Indische roots.

Thamar, geboren in Drachten in 1986, woonde tot haar 18e in Friesland. Daarna vertrok ze naar Groningen om te gaan studeren. Ze ging bij haar oudere broer wonen, maar toen hij begin dit jaar een kindje kreeg moest ze gaan verhuizen. Ze ging terug naar Friesland en trok in bij haar vriendin in Ureterp.

Ureterp?

Ja, Ureterp is een klein dorp vlakbij de grens met Groningen. Bijna niemand kent het. Ik heb het erg naar mijn zin gehad in Groningen en kom er nog steeds veel voor mijn studie. Ik hou van de stad, de diversiteit, er is altijd wat te doen. Nu ik weer in een dorp woon merk ik dat de wat stugge mentaliteit in Friesland me soms benauwd. Op een gegeven moment zou ik wel terug willen naar de stad.

Thamar2Om verder te studeren?

Ik moet nog een Bachelor-scriptie schrijven en dan ben ik klaar met de studie Communicatie en Informatiewetenschappen. Daarna wil ik misschien een Master-opleiding gaan doen. Ik heb nog niet echt een scherpe focus. Het liefst wil ik iets internationaals of intercultureels gaan doen. Ik heb eigenlijk altijd wel een soort afkeer gehad tegen regelmaat, ik moet iets avontuurlijks doen in mijn werk. Nadat ik een Master gedaan heb, wil ik dan eerst een tijdje gaan reizen. Misschien als stewardess, anders met de rugzak naar Australië en Nieuw-Zeeland. De designs, kleuren en vormen van de Maori-cultuur vind ik bijvoorbeeld prachtig. Mijn broers en ik hebben een tijd geleden een Maori-tattoo laten zetten door Gordon Hatfield, een bekende tatoeage artiest.

Heb je daar iets bijzonders mee?

Ik weet het niet precies. Eigenlijk de hele Polynesische cultuur fascineert me op de een of andere manier. Ik heb wel eens gehoord dat veel Indo’s en Molukkers dezelfde fascinatie hebben. Misschien komt dat wel omdat het iets weg heeft van de Indische cultuur en de cultuur in Indonesië. Wellicht heeft het een bepaalde vertrouwdheid met thuis?

Interessant. Kun je wat meer vertellen over je familie?

Mijn moeder is een Friezin uit Drachtster Compagnie. Haar vader was een echte Fries, haar moeder kwam uit Amersfoort. Mijn vader, Arthur Beckx is een Indo. Wat karakter betreft heb ik het chaotische en koppige van mijn moeder en het temperament van mijn vader.

En wat weet je over de Indische achtergrond van je vader?

Wat ik weet is dat zijn moeder kwam uit Madura kwam en Portugees bloed had, zijn vader kwam uit Surabaya. Daar is mijn vader ook geboren. Mijn vader heeft nooit iets gezegd over zijn tijd in Indië en Indonesië. Hij heeft ons ook niet veel meegegeven van de cultuur. Het meeste wat ik daarvan weet en ken, heb ik zelf uitgezocht. Die interesse ontstond voor het eerst toen ik zo’n jaar of twaalf, dertien was. De toenmalige vriendin van mijn broer is Indisch en vertelde me er veel over. Zo leerde ik het Indische kennen en daar ben ik toen een aantal jaar helemaal ingedoken, best extreem. Ik kreeg toen ook Indische vriend en zette me af tegen anderen. Het was eigenlijk wel een soort identiteitscrisis waar ik in terecht kwam, denk ik nu. Na een paar jaar ging dat over. Nu heb ik weer “het midden” teruggevonden. Vorig jaar zouden mijn vader, broers en ik trouwens samen naar Indonesië gaan, maar dat ging jammer genoeg niet door.

Gaat het nog een keer gebeuren?

Ik hoop het. Lang had ik niet zoveel met Indonesië. Nu zou ik er graag heen gaan, maar dan toch meer als vakantie. Nieuwe plekken zien en ontdekken. Bij Nederlands-Indië en die geschiedenis heb ik wel een sterker gevoel. Ik zou bijvoorbeeld graag een aantal plekken bezoeken waar mijn vader heeft gewoond. Er zou ook nog familie moeten zijn ergens op Java.

Is er buiten je familiegeschiedenis iets van de Indische cultuur dat je bezig houdt? Of iets dat je altijd al had willen weten?

Nee, eigenlijk ben ik toch vooral mijn familiegeschiedenis beter leren kennen. De familie heeft bijvoorbeeld veel geheimen, waar allerlei speculaties en vaagheden over zijn. Ik vraag me af welke moeilijke dingen men daar precies heeft achtergelaten? De film Ver Van Familie, die ik laatst gezien heb, gaat daar ook over. Echt een aanrader.

Je hebt een voorwerp meegenomen die ook iets te maken heeft met je familiegeschiedenis.

Het is iets dat ik gekregen heb van mijn Oma toen ik heel klein was. Een gouden ketting met blaadjes van Indisch goud en een smaragd in het midden. Mijn Oma heeft dat haar hele leven omgehad. Ik was pas twee toen ze overleed, maar voel desondanks een sterke band met haar. Dat is toch wel bijzonder. De rest van de familie heeft haar wel gekend, dus ik ken veel verhalen over haar. Ze was een lieve, zachte en verzorgende vrouw, die aan de andere kant ook heel streng kon zijn.

Tot slot, welke van de volgende provincies gaat Kirsten volgende maand bezoeken? Noord-Holland, Zuid-Holland, Flevoland, Overijssel of Gelderland?

Even denken… dat wordt Zuid-Holland!

Jonge Indo’s in de provincie… Limburg

Op wat wel eens de laatste mooie herfstdag van dit jaar zou kunnen worden, reis ik af naar Maastricht, Limburg voor alweer het zesde interview met een jonge Indo. Kenneth van Haaren (24) is afgestudeerd in Cultuur en Maatschappijwetenschappen en speelt gitaar in een bigband en in een jazzcombo. Zijn studie heeft de deur naar zijn Indische achtergrond weer opengezet. Of was dat misschien zijn gitaarmuziek?

‘Een Indo op de gitaar is geen garantie voor goede muziek’

Kenneth van Haaren
Kenneth van Haaren (24 jaar), Maastricht

Exotisch
‘Ik heb het Indische lang buiten de deur kunnen en willen houden. Ik ben opgegroeid in Genhout, een dorpje van 300 inwoners, waar mijn ouders sinds 1974 woonden. Mijn moeder was daar ‘het’ Indische vrouwtje. Ik ben altijd bezig geweest me geaccepteerd te voelen als Limburger, al weet ik nog wel dat er op de middelbare school een jongen uit mijn straat op school kwam, een Indo. Hij wist dat exotische zo te cultiveren, dat hij bekend werd als die spannende Indische jongen. Toen dacht ik wel: “Ik ben drie of vier jaar ouder, zit hier langer op school, en hij is de Indische jongen?’

Fenomenaal drummer
‘Indische vrienden heb ik nauwelijks. Ja, eentje, maar dat is omdat hij een fenomenaal drummer is. Ik heb dat verongelijkte gevoel niet. Op school ook. Tot aan de middelbare school heb ik nooit last gehad van mijn kleurtje. Nou moet ik toegeven dat ik dikkig was en dat ik vooral daar mee gepest werd. Maar goed, in de brugklas kreeg ik opeens een paar Indo’s in de klas. En aangezien ik ook Indo was, moest ik met ze optrekken. Dat was niets voor mij. Op het VWO was ik de enige Indo , de rest deed MAVO. Ze reden rond op scootertjes, waren aan het gabberen, vonden zich Indische relschoppers. Ik voelde daar een zekere weerzin tegen.’

Vragen stellen
‘Tijdens het onderzoek voor mijn scriptie over Indisch eten, identiteit en integratie kwam ik op Indisch 3.0 terecht. Daar vond ik goede discussies. Ik had er in elk geval veel aan. Sowieso spreekt het concept van de derde generatie me wel aan. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik merkte hoe graag ik al die vragen, die toen opborrelden, had willen stellen aan mijn grootouders van mijn vaders kant. Ik heb wel gesprekken met ze gevoerd, maar toen was ik 5, 6 jaar oud, dat weet ik allemaal niet meer. De echt scherpe vragen durf ik niet aan mijn ouders te stellen, ook niet toen ik met mijn scriptie bezig was. Je voelt toch dat er gevoeligheden zijn. Ik denk dat mijn opa mij daar wel antwoord op zou hebben gegeven.’

Wayang
"Deze heb ik van mijn moeder gekregen"

Stereotypes
‘Mijn ouders zijn uit ’44 en ’48. Ze hebben me nooit zoveel verteld over hun emoties. Wel over wat nou typisch Indisch en typisch belanda-gedrag is. Dan vroeg ik me af – wat is dat dan? Want het Limburgse en Indische hebben nogal wat raakvlakken met elkaar. Ik heb alleen op bepaalde momenten de neiging om te zeggen dat ik Indisch ben. Ik voel me vaak in een hoekje geduwd. Als ik op een verjaardag bijvoorbeeld rondga met een schaal koekjes, dan is dat mijn Indische dienstbaarheid. Doet mijn vriendin Christine dat, dan vragen mensen haar of ze zich verveelt. Waarom stellen ze mij die vraag niet? Ja, je kan wel zeggen dat ik soms het gevoel heb dat als ik zeg dat ik een Indo ben, mensen me volgens een bijna koloniaal stereotype behandelen, en niet meer zien wie ik zelf ben.’

Luisteren
‘Er zijn twee mensen bij wie ik me genoeg op mijn gemak voel om Indisch te zijn, in wie ik me herken. Dat zijn Christine, mijn vriendin, en mijn vader. Christine heeft me geleerd me te uiten. En mijn vader luistert naar me. Heeft niet een nog beter verhaal dan ik, wanneer ik iets vertel. We hebben dezelfde interesses, en hij is relaxter in de omgang. Hij wordt bijna 65. Vroeger vond ik het vervelend om een oudere vader te hebben, nu merk ik dat ik gesprekken met hem kan voeren waarvan ik niet had gedacht die ooit met hem te voeren. Over mijn vriendin. Over relatiedingen. Hoe hij tegen dingen aankijkt, zijn afkomst.’

Gitaar spelen
‘Dit is een heel belangrijke foto voor me, van Reggie Agerbeek en mij, van een paar jaar geleden. In die tijd woonde en studeerde ik in Rotterdam. Ik werkte ’s avonds in de Mediamarkt. Op een avond, het was heel rustig, kwam er een Indische man binnenlopen, die hulp nodig had met het aansluiten van zijn dvd-speler op zijn tv. We raakten aan de praat, zo van ‘Ben je Indo?’, ‘Ja,’, ‘Speel je gitaar?’,’Ja natuurlijk.’ Ik vertelde dat ik nog een leraar zocht en zo stond ik een paar weken later bij Reggie op de stoep. Het klikte enorm. Ik heb daar, nou ja, niet alles geleerd, maar wel zeker mijn eigen stijl ontwikkeld.’

Reggie_en_Kenneth
Kenneth van Haaren en Reggie Agerbeek (ca. 2005)

Verloren Indo
‘Deze foto is van Reggie’s afscheid. Hij werd uitgezonden naar Benin in Afrika. Voor mij was hij heel belangrijk geworden. Ik was in mijn eentje naar Rotterdam gekomen, volgde een particuliere opleiding, was ’s avonds veel alleen. De collega’s in de Mediamarkt, daar had ik ook niet veel mee. En dan komt er opeens een verloren Indo binnenlopen, die me in contact brengt met Reggie. Bij hem voelde ik dat het Indische een band schept. Zeker tussen twee muzikanten. Je gaat gewoon op een andere manier met elkaar om.’

Opluchting
‘Het is trouwens wel grappig. Samen met mijn broer zit ik in dat jazzcombo. Elke keer als wij op het podium gaan staan, tussen al die witte Limburgers, merk ik dat de zaal opgelucht ademhaalt. Alsof Indo’s op bas en gitaar een garantie zijn voor goede muziek.’

Kenneth heeft Friesland als volgende provincie aangewezen. Ook zal hij op uitnodiging van Indisch 3.0 een artikel schrijven over zijn scriptie, waarin hij ingaat op de koppeling tussen integratie, Indische identiteit en: eten. Jullie gaan dus nog meer van deze Limburgse Indische Nederlander horen.

Jonge Indo’s in de provincie… Drenthe

Na Utrecht, Noord-Brabant, Groningen en Zeeland spreekt Indisch 3.0 deze maand met een jonge Indo uit de provincie Drenthe. Tim den Hamer is 29, vader van een zoon en beroepsmilitair. In een open en gevarieerd gesprek vertelt hij over zeevissen, de rol van geloof in zijn leven, zijn Indische familiegeschiedenis en de vrije verkiezingen in Afghanistan.

Tim is geboren en getogen in Emmen waar hij nog steeds woont. Hoewel Emmen de laatste jaren is uitgegroeid van een dorpje naar een kleine stad, geniet hij hier in Drenthe van de rust en de natuur. Sinds 2003 woont hij op zichzelf met zijn vrouw Janneke, niet ver van zijn ouders Ben en Bieneke. Twee jaar geleden werd Bas geboren, hun tweede kind is op komst.

Als eerste vertelt Tim dat ze net terug zijn van vakantie in Texel. Daar kon hij het vakantie vieren perfect combineren met zijn geliefde hobby zeevissen. “Ik heb nu gevist op de Waddenzee, maar ik ga ook naar andere plekken, zoals Denemarken. Geweldig is dat. Ik vang makreel, scholletjes of kabeljauw. Sommige eet ik zelf maar de meeste vissen gooi ik gewoon terug”.

Binnenkort begint hij weer met zijn werk als militair, een beroep dat als een rode draad door zijn familie loopt. Er zijn drie generaties militairen in zijn familie, en als zijn eigen zoon dit beroep later kiest, moedigt hij dat zeker aan. Opa Adrie den Hamer werkte als nederlandse KNIL-militair in Indië waar hij een Indisch meisje leerde kennen, zijn oma Ietje. Ze kregen daar twee zoons, die later beiden militair werden in Nederland. Tim’s vader Ben, de derde zoon, werd in Nederland geboren. Hij werd geen beroepsmilitair. Tim, die als kind al bedacht militair te worden, werd dat jaren later wel.

Tim
Tim den Hamer, 29, uit Emmen. Vader van een zoon en werkzaam als beroepsmilitair.

“Dat vond men in de familie wel mooi. Het is toch een voortzetting van een traditie, op een bepaalde manier. Maar er zijn ook verschillen tussen mijn opa, mijn ooms en mij. Ik heb bij defensie bijvoorbeeld geen gevechtsfunctie. Mijn opa had dat wel. Die heeft als KNIL’er heftige dingen meegemaakt. Hij heeft ook jaren in een jappenkamp gezeten, gescheiden van zijn vrouw en kind, die in het kamp geboren werd”.

Voor zijn grootouders en oudste oom moet dat verschrikkelijk zijn geweest, overpeinst Tim, maar eigenlijk weet hij niet echt veel van die geschiedenis.

“Er werd eigenlijk niet over gesproken. Mijn opa ging er denk ik vanuit dat anderen, die dat niet hadden meegemaakt, het toch niet begrepen. Er is nog een medaille van hem, van het KNIL denk ik, die hij gekregen heeft voor zoveel jaar trouwe dienst. Dat vind ik mooi. Ik zou graag willen weten waar mijn opa en oma de motivatie vandaan haalden om te overleven in het kamp”.

Hij heeft ze het nooit kunnen vragen. Begin jaren negentig overleden ze kort achter elkaar. De weinige verhalen over die tijd hoorde hij later van zijn vader. Ondanks dat gelooft Tim dat hij de niet gestelde vragen ooit beantwoord krijgt. “Mijn overtuiging is dat ik ze ooit weer zal zien en dan krijg ik die antwoorden wel”.

We praten over de plek die het geloof en religie in zijn leven inneemt.

“Ik ben lid van de Nieuw Apostolische Kerk. Twee keer in de week ga ik naar de dienst, en ik heb ook een functie. Ik ben diaken, wat betekent dat ik dingen doe als bij de deur staan voor de dienst en het klaarzetten van allerlei dingen in de kerk. Het geloof hoort bij mij en mijn gezin. Het is iets dat ik heb meegekregen van mijn ouders en dat erg belangrijk voor me is. Op mijn beurt geef ik het weer door aan mijn kinderen”.

Dan vertelt Tim over een voorwerp dat bijzonder voor hem is. Het is een vlinder, gemaakt van goud met kristallen vleugels. Het is van zijn Indische oma en staat nu bij hem thuis, op een speciale plek in een vitrine.

“Vroeger als kind kende ik het al, ik zag het bij mijn grootouders thuis en vond het erg mooi. Toen ze stierven en de familie de spullen uitzocht, kreeg ik het. Het is bijzonder voor me omdat het een erfstuk is, maar ook omdat voor mij de vlinder eeuwigheid symboliseert. Een eeuwige band met mijn grootouders misschien. Het is in ieder geval iets wat ik koester”.

Tim hoeft vervolgens niet lang na te denken over de vraag wat hem de afgelopen tijd bezighield uit de media en actualiteit.

“Dat zijn de verkiezingen in Afghanistan van een aantal weken geleden. Ik vind het mooi om te zien wat daar, mede door de inspanningen van Nederlandse militairen, binnen een aantal jaar is bereikt. De mensen hebben daar, misschien voor het eerst, geproefd hoe het is om vrij te zijn mee te beslissen over hoe het met hun land verder moet. Dat is uniek. Ik vind daarom ook dat wat wij daar doen een verschil maakt. Er is wel degelijk iets bereikt”.

Het is een onderwerp dat Tim als militair, maar ook als persoon, dicht bij het hart staat. Hij kan bijvoorbeeld enorm boos worden als hij mensen hoort zeggen dat de dood van zijn collega’s daar hun eigen keuze is geweest.

“Het is natuurlijk niet de keuze van deze jonge mensen om te sterven. Zij kozen om werk te doen waarmee je anderen kunt beschermen, bevrijden of helpen. Dat is wat zij daar doen. Het is kortzichtig en ondoordacht om dan zoiets te roepen. Soms ga ik wel de discussie aan, maar als militair dien je vooral en is het niet je eerste verantwoordelijkheid je mening te geven”.

Tot slot denkt hij even na over de laatste vraag; wat had hij altijd al willen weten over de Indische cultuur of geschiedenis?

“Niets specifieks eigenlijk. Wat ik graag zou willen is naar Indonesië gaan. Eens voelen en meemaken hoe het daar is. Daar ben ik erg benieuwd naar. Er ligt familiegeschiedenis en daar wil ik graag iets van zien en ervaren. Zo is er een tekening van mijn oom; een pad door een onbekend landschap. Het zou mooi zijn als ik daar ooit overheen kan lopen”.

Het is een tekening van een vergeten hoekje in de tropen. In weinig doet het denken aan het Drentse landschap of dat van de provincie Limburg, waar Indisch 3.0 de maand september heen gaat voor het volgende interview met een jonge Indo.

Jonge Indo’s in de provincie… Zeeland

Voor het vierde interview in de reeks Jonge Indo’s in de provincie.. reis ik af naar Zeeland, naar het schiereiland Zuid-Beveland. Bij het treinstation in Goes, dat met 36.000 inwoners de enige stad van de Bevelanden is, ontmoet ik Nana van Fraassen (29). Ze komt aangereden op een hypermoderne fiets met twee kinderzitjes.

Nana van Fraassen (29) uit Goes
Nana van Fraassen (29) uit Goes

Even verder, op een terras op de Keizersdijk, hoor ik het verhaal van een jonge Indische vrouw en ouders die elke keuze in het leven zelf gemaakt hebben. Terwijl ik uitkijk op het ‘Chin. Ind. Rest Java-Palace’, ‘NhaTrang V et amese Loe pia’ en – het duidelijk nieuwere – ‘Lava Doner Kebab’ en naar Nana luister, realiseer ik me het verschil tussen bezig zijn met de Indische cultuur en er in leven.

Kneuterig
“Toepasselijk, uitzicht op Java-Palace,” mompel ik. Nana reageert lachend. “Oh nee hoor, dat eten daar is echt verschrikkelijk. Ik eet liever bij mijn moeder.” Nana, vernoemd naar haar tante Neneng, is een geboren en getogen Goessenaarse. “Ik zou hier nooit weggaan. Ik hou van het kleinschalige, het kneuterige. Het is hier veilig, iedereen kent elkaar. Ik heb expres mijn opleiding in de buurt gekozen, de grote stad vond ik maar niks.”

Kinderen
Na haar opleiding voor verpleegkundige is Nana aan het werk gegaan in de zorg. Eerst werkte ze 36 uur in de week, maar sinds de geboorte van haar oudste zoon Alex (3,5) en dochter Saar (1) heeft ze dat teruggebracht tot 12 uur. “Het werd echt te veel. Er is nog meer in het leven dan werk en mijn kinderen.” De Goesse Indische heeft een donkere zoon en een lichte dochter. “Ik vond het zo mooi, dat Alex donker was. Ik wist dat ik de kans had om lichte kinderen te krijgen, want Karel, mijn vriend, is een blonde Zeeuw en mijn vader ook. Dus ik was heel blij dat mijn zoon zo donker was. Saar is helemaal blond en het grappige is dat de kinderen van mijn zus er ook zo uitzien.”

Goud
Nana geeft haar kinderen niet bewust een Indische opvoeding mee, vindt ze zelf. “Ze moeten wel tjebok van me, en ik heb pas gaatjes laten prikken bij mijn dochter, maar dat kostte nogal wat moeite. De juwelier wilde het eigenlijk alleen doen bij kinderen die vier jaar of ouder waren en zelf konden aangeven dat ze gaatjes wilden! Ik vind dat juist wel belangrijk. En ja, de taal, bij omi, mijn moeder, dat krijgen ze ook wel mee. Zelf kijk ik eigenlijk nooit op Indische websites, erg hé? Mijn vader is daar veel actiever in.” Nana laat een paar geelgoude oorbellen zien. “Goud associeer ik wel met mijn achtergrond. Als we vroeger iets hadden moesten we allemaal opdraven, behangen met onze gouden sierraden. Status he? Deze oorbellen hebben mijn zus en ik als kind gedragen toen we gaatjes in onze oren kregen, je moest ze heen en weer draaien om de gaatjes open te houden. Mijn dochter zal die op een dag ook kunnen dragen.” Het hele relaas komt op mij over alsof ze haar kinderen Indischer opvoedt dan ze zelf vindt. “Mijn vriend vindt het vaak maar onzin, hij is supernuchter en dat heft het voor een deel ook wel weer op denk ik. Dat vind ik ergens toch wel jammer.”

Internationale penvrienden
De ouders van Nana zijn op een andere manier naar Nederland gekomen dan de 330.000 Indische repatrianten. “Mijn vader komt uit Goes, maar heeft mijn moeder in Indonesië leren kennen. Hij was bezig Maleis te leren, omdat hij dat een warme taal vond en kreeg op een dag een krant uit Indonesië in handen, waarin, naast nieuwsberichten, oproepen stonden voor penvrienden.  Om het Maleis goed onder de knie te krijgen besloot hij te reageren op een advertentie van een vrouw uit Jakarta. Na een paar jaar intensief corresponderen, bloedde dat dood. Mijn vader ging inmiddels voor onderzoek naar Indonesië en kwam daar per toeval in contact met de vader van zijn uit het oog verloren  penvriendin. Zo ontmoette hij mijn moeder, met wie hij twee jaar later trouwde.”

Indonesisch paspoort

De kinderoorbellen van Nana en zus Leen
De kinderoorbellen van Nana en zus Leen

Ze vervolgt: “Na het huwelijk  zijn ze in de jaren ’70 naar Nederland gekomen. Ze hebben later nog een jaar op Ternate gewoond, maar zijn daarna weer teruggegaan naar Nederland. Mijn vader had daar zijn werk en thuis, hij wilde terug. Mijn moeder dacht op dat moment, we zullen wel zien. Inmiddels zou ze niet meer terug willen, maar heeft er wel lang aan vastgehouden, ze heeft pas twee jaar geleden haar Indonesische paspoort opgegeven. Ik vroeg haar nog, ‘Mam, zou je dat wel doen? Het is een stukje van jezelf dat je weggooit!’ Ze was vastberaden: ‘Mijn ouders zijn er niet meer, ik heb alleen nog mijn zussen daar, en mijn kinderen en kleinkinderen zijn hier.’ Mijn moeder heeft nog een stukje in de krant gekregen, en zoals ze daar op die foto staat, met haar tasje, zonder glimlach en met haar goud, ik vind het prachtig.”

De maan
Over de krant gesproken, wat heeft Nana deze week beziggehouden in de actualiteit? “Wat ik afgelopen maandag helemaal heb gevolgd was de maanlanding natuurlijk en de nos uitzending daarvan. Prachtig! Armstrong die zo lekker nuchter en normaal daaronder is gebleven en zijn maat die ook mee was (Buzz) geloof ik, die er moeilijker mee om kon gaan. Nu de vraag: wanneer Mars? Iedereen heeft zich dat toch wel eens afgevraagd en is weleens bezig met vragen over het universum.”

‘Donkertje’ in Goes
Opgroeien als Indo-Europees kind in een witte gemeenschap als Goes lijkt me toch op zijn minst een avontuur. “Als kind viel ik wel op op school. Ik was het enige ‘donkertje’, samen met een ander kind dat geadopteerd was. Wij hadden bovendien een tv thuis en mijn moeder ging niet mee naar de kerk, omdat ze toen nog islamitisch was. Dus wij vielen ook als gezin op. Op school had ik het daar wel moeilijk mee en mijn ouders zeiden dat ik gewoon van me af moest bijten: ‘Dan pak je ze toch bij hun haren beet!’. Dus ben ik een keer thuisgekomen met een pluk haar van de zoon van de dominee in een potje. Er zijn trouwens behoorlijk veel Indo’s en Molukkers in Zeeland. In Middelburg zijn regelmatig kumpulans, weet ik, en ik hoor ook best vaak dat er weer een Goessenaar opeens met een Indonesische getrouwd is. Ik vind dat ergens wel een beetje ouderwets, of ligt dat aan mij?”

Bajai-vragen
Nana is regelmatig in Indonesië geweest en komt er graag. “Wat wil je, als je als kind al meegesleurd wordt naar zo’n geweldig vakantieland met zulke lieve mensen? Het is zonde om bijvoorbeeld alleen maar naar Bali te gaan. Het gaat juist het ontdekken van al dat moois buiten de gewone toeristendingen. Wat ik er wel vreemd vind, is dat alles zoveel moeilijker lijkt te gaan dan hier. Dingen die we hier in vijf stappen kunnen regelen, duren daar zo veel langer. Bijvooorbeeld, twee ooms van mij, die rijden een bajai, zo’n Sisi-wagentje zeg maar. Dat huren ze van een Chinees, die ze elke dag een bepaald bedrag moeten betalen voor het gebruik van het wagentje. Dat loopt behoorlijk op als je het uitrekent. Hun jongste zus, mijn tante die het goed heeft, zou die bajai’s voor hen kunnen kopen, zodat ze meer inkomsten overhouden. Maar op de een of andere manier gaat dat niet. Mijn moeder vindt dat logisch, ze zegt dat het zo werkt, omdat het leven in Indonesië moeilijk is. Alles daaromheen is vanzelfsprekend ook moeilijk. Maar ik begrijp er niets van. Er lijkt een verschil te zijn in Nederlandse en Indonesische logica.”

Rijk
Na een tijdje wisselen we ervaringen uit over Indisch zijn. Nana: “Ik ben er wel blij mee, dat ik uit twee culturen kom. Het voegt iets toe. Ik ben niet alleen maar een Goessenaar. En of zich dat nou uit in meer inlevingsvermogen, of een positieve houding, ik weet het niet. Maar ik word er in elk geval rijk van.”

En welke provincie gaan we de volgende keer bezoeken? “Drenthe. Daar heb ik het meeste mee.”

Wil jij antwoorden op de vraag van Nana over de manier waarop je in Indonesië dingen voor elkaar krijgt? Laat dan een comment achter bij dit bericht.

Jonge Indo’s in de provincie… Groningen

Voor de derde aflevering van Jonge Indo’s in de provincie reis ik af naar het Hoge Noorden voor een interview met Brenda. Tijdens de twee-en-een-half uur durende treinreis van Amsterdam naar Groningen verander ik langzaam maar zeker in een toerist in eigen land. Slechts één keer eerder, lang geleden, bezocht ik deze regio.

Over de telefoon spreken we af dat Brenda me van het treinstation afhaalt; als toerist verdwaal je snel in een nieuwe stad. “Ik ben te herkennen aan een pet en zwarte jas” had ik haar van tevoren nog gezegd. Op weg naar de afgesproken plek op de Vismarkt dwaal ik wat door de oude straten. “Best mooi hier,” mompel ik tegen mezelf.

IMG_8819 De 26-jarige Brenda is dat helemaal met me eens. Geboren en getogen in Groningen, groeide ze op in de wijk Lewenborg, waar haar vader en moeder voor haar geboorte waren gaan wonen. In een andere wijk, Corpus den Hoorn, waren de meeste Indo’s en Molukkers terecht gekomen na aankomst uit Indonesië. Na de eerste tijd in een contractpension te hebben doorgebracht, werden de meeste repatrianten in deze wijk bij elkaar geplaatst.  Nog steeds wonen er vrij veel Indo’s en Molukkers in Groningen.

Na een paar jaar Utrecht, waar ze op de politieacademie zat, is Brenda nu alweer een tijdje terug in Groningen. “De opleiding daar voldeed niet aan mijn verwachtingen”, vertelt ze, “ik wilde iets sociaals doen, maar op de politieschool denken veel mensen vrij veroordelend over mensen. Bovendien was de cultuur best wel ‘macho’. Met mijn huidige opleiding Maatschappelijk werk denk ik dat ik veel beter op mijn plek zit”.

Terwijl Brenda honderduit praat, schrijf ik driftig door. Mijn koffie is inmiddels koud. “Wat ik graag wil is een sociaal bewustzijn creëren bij mensen. Het liefst werk ik met jongeren. Over een tijdje wil ik een eigen bedrijfje beginnen waarmee ik voor lagere en middelbare scholen lespakketten en onderwijsprogramma’s ga maken, gebaseerd op humanistische principes. De stimulatie van individuele ontplooiing vanuit het humanisme spreekt me erg aan. Bovendien heb ik een soort ideaal dat daarmee een betere omgang en uiteindelijk een betere wereld ontstaat”.

Het gesprek loopt van haar idealen, via haar hobby’s naar haar optimale daginvulling. Onder het praten beginnen we aan onze lunch. Na de eerste paar happen vraag ik naar haar ouders. “Mijn moeder heet Brigitte van der Laan en ze is geboren in Groningen. Ze heeft een Duitse moeder en Nederlandse vader. Mijn vader, Johan Fockens, is geboren in Jakarta. Zijn vader was een Indo uit Surabaya, en zijn moeder een volbloed Javaanse uit Rangkasbitung. Karsini heette ze, maar ze noemden haar Sientje. Ik heb haar maar heel kort gekend, maar voel een bijzondere band met haar.”

Ze haalt iets uit haar tas; het lijkt een oud paspoort van haar oma. Licht glimlachend houdt ze het dichtbij haar gezicht. In de donkere ogen en het vriendelijke gezicht tegenover zie ik een gelijkens met de zwart-wit-foto. Als ik het documentje even later goed bestudeer blijkt het een Postidentiteitskaart van de Wereldpostvereniging, uitgegeven door de Postadministratie van Nederland.

“Ik heb dit ooit gekregen, en het is altijd bij me. Buiten dit heb ik niets van haar. Ik weet niet veel over mijn Oma. Ze was ook een mystieke vrouw, die volgens verhalen contact had met de geesteswereld. Maar ze was analfabeet en sprak niet goed Nederlands. Nadat mijn opa jong overleed was ze alleen en volgens mij ook eenzaam. Ze hoorde hier niet, was thuis op Java. Ze is nooit meer teruggeweest, maar hier gestorven”.

Als ik vraag haar of ze naar Indonesië zou willen, bijvoorbeeld om te kijken waar een deel van haar familie vandaan komt, of misschien wel om iets van het mystieke van haar oma terug te vinden, peinst ze even. “Ik weet het niet. Ooit wil ik er wel heen, maar om iets te vinden? Daar heb ik eigenlijk nooit over nagedacht. Ik weet niet of ik daar wel in geloof, dat je iets kunt vinden in een land dat je niet kent”.

IMG_8844

Dan, na een korte pauze: ”Waar ik wel nieuwsgierig naar ben is naar guna-guna, of stille kracht. Mijn oma had daar schijnbaar iets mee en ik ben benieuwd wat dat voor rol speelt in het leven van mensen daar. Ik ben ook wel benieuwd naar de ervaringen van anderen met mystieke dingen als guna-guna in hun familie”.

Nieuwsgierig naar het Indische is Brenda eigenlijk altijd wel geweest. “Dat heb ik alleen niet echt meegekregen, maar dat heeft zich zo ontwikkeld denk ik. Vroeger was het Indische voor mij vooral een manier om me te onderscheiden van anderen en toch ergens bij te horen. Ik denk dat het me hielp mijn identiteit te ontwikkelen. Inmiddels heb ik het Hollandse en Indische verenigd en ben ik niet meer zo bezig iets of iemand te zijn. Ik ben gewoon wie ik ben, en daar hoort het Indische bij”.

Opvallend is dat ze veel vriendinnen van een gemengde afkomst heeft, alsof ze de verschillende culturen die ze verenigt in zichzelf, ook nog eens om haar heen heeft verzameld. Ze vertelt dat ze bijvoorbeeld veel samen kookt en eet met haar vriendinnen. “Ja, eigenlijk draait heel veel in mijn leven om eten en gezelligheid!”

Tot slot praten we over een actualiteit die haar heeft beziggehouden de laatste tijd. Het is het bezoek van de Dalai Lama aan Nederland een paar weken geleden. “Ik heb het wel gevolgd. Later zag ik zijn reactie op het feit dat Balkenende hem niet had ontvangen. Zelf vind ik het kwalijk dat onze president hem niet ontvangen heeft. Maar de Dalai Lama kon het niet veel schelen, hij stond boven de discussie. Dat vind ik wel mooi”.

En de volgende provincie waar we op bezoek gaan? Brenda: “Zeeland, dat is wel leuk toch?”

Succes Kirsten!

Wil je reageren op het interview en de vraag van Brenda of je ervaring hebt met mystieke dingen in jouw familie zoals guna-guna of stille kracht? Laat dan een commentaar achter onder aan dit verhaal.