Terugblik op Meimaand Indomaand 2010

We zijn er nog van aan het bijkomen: Meimaand Indomaand 2010. Leuk dat de programmering van de Tong-Tong Fair in mei jaarlijks leidt tot een hausse aan Indische producties, maar waarom alles tegelijk? Dan moeten we kiezen en als we iets vervelend vinden, is dat het wel.

De opening van Cinemasia, het theaterstuk Njai Ontosoroh, de boekpresentatie van Griselda Molemans & Armando Ello en de Tong-Tong Fair hebben we gelukkig meegemaakt. Hoogtepunt waren de twee talkshows die we hebben georganiseerd op de Tong-Tong Fair op 21 en 28 mei. Hier vind je een compilatie van die twee dagen, waarop we met een aantal lezers de Pasar afgestruind hebben, de bodem van een Bintang bierflesje hebben leren afslaan en met de Wereldomroep gepraat hebben, die op 1 juni in Nieuwslijn Magazine verslag deed van de talkshow over Rootsreizen.

Het was super. Alleen, het was wel erg rustig op de Tong-Tong Fair. Dit jaar waren er maar 92.000 bezoekers, aanzienlijk minder dan de voorgaande jaren. Volgend jaar beter? Of stapt de Indonesische ambassade volgend jaar definitief in de ruimte die ontstaan is door de naamsverandering van Pasar Malam Besar in TTF?

Reportage

De reportage (vanaf 8′) van Marcel Decraene van de Wereldomroep en het verslag staan op de website van Wereldomroep in NieuwsMagazine.

Foto’s

Fotografie: Ulrike de Wreede, Bas de Meijer, Armando Ello, Kirsten Vos

Video’s

Door Ed Caffin en Patrick Neumann.

Film voor Indotiteit. Wat geef je door van je cultuur?

 

Sharon over rootsreizen

Alicia over rootsreizen

En ondertussen, backstage. Door Kirsten Vos.

Over hoe je de onderkant van een bierflesje eraf slaat met je blote handen…

He? Nog een keer!

Roman doet een poging

American-Dutch-Indonesian?

Vanaf circa 1960 emigreerden vele duizenden Indische mensen naar de Verenigde Staten. Zij konden niet aarden in het Nederlandse maatschappij en kozen ervoor, soms pas jaren na hun vertrek uit Nederlands-Indië, hun geluk te beproeven in ‘het land van de onbegrensde mogelijkheden’. Het overgrote deel vestigde zich in het zonnige Zuid-Californië. Maar wat is er bij de jongste generatie een halve eeuw later nog over van de Indische identiteit en cultuur?

Net als bij veel andere Indische mensen het geval is, bevindt ook een deel van mijn familie zich overzee. Mijn opa kwam uit een gezin met 20 kinderen, waarvan de helft uiteindelijk in de VS terechtkwam. Ook mijn ouders, broer en zussen verhuisden, zij het 30 tot 40 jaar later, naar Californië. Ik kom er vaak. De grote Indische ‘community’ die daar woont wordt ook wel Amerindo’s genoemd, maar noemt zichzelf “Dutch-Indonesian”.

Ze beschouwt zichzelf als een subcultuur, maar tussen de vele andere Euraziaten in Amerika is het soms moeilijk een Indo te herkennen. Net als andere geëmigreerde Nederlanders herkennen Indisch-Nederlandse Amerikanen jou natuurlijk wel. Wanneer je bijvoorbeeld nietsvermoedend door de mall loopt en Nederlands aan het kletsen bent, doemt er regelmatig iemand uit het niets op met een zwaar accent; “Kom uit Holland?” Vervolgens worden typische Hollandse woorden, gebruiken en etenswaren uitgewisseld.

Zoals ik ook in Nederland gemerkt heb, zijn het vooral deze culturele aspecten die door de generaties heen sijpelen. Maar zijn onze Indische generatie-genoten in de Verenigde Staten ook bezig met het hervinden van hun eigen identiteit en cultuur? Of zijn het standaard-Amerikanen geworden in wiens verre geheugen de herinnering aan Oma’s lemper rondzweeft? Net als veel derde generatie Indo’s zocht ik het antwoord als eerste op internet. Ik begon op MySpace, het Amerikaanse equivalent van Hyves, waar ik een groep startte onder de naam “Dutch-Indonesian Connection”.

Het aantal leden stroomde rap binnen en er ontstonden er contacten die voorheen niet mogelijk leken. De vele gesprekken en onderwerpen op het forum verschilden niet veel van wat op de Indische fora in Nederland las. Ervaringen over het eten bij “opa and oma” wisselden zich af met ‘zwaardere’ onderwerpen. Toch voelde ik een wezenlijk verschil met Nederlandse Indische jongeren, maar ik kon er niet echt mijn vinger op leggen. Toen een aantal leden elkaar in mei 2006 besloten te ontmoeten op het jaarlijkse Annual Holland Festival in Long Beach, California werd alles mij een stuk duidelijker.

Er kwamen zo’n 20 leden van de groep bijeen, van wie sommigen duizenden kilometers hadden gereisd. Het was een bijzondere en ook aparte ervaring om hen mee te maken. Enerzijds voelden de Amerikaanse Indo-vrienden echt aan als eigen (Indisch), maar anderzijds ook als anders (Amerikaans). Na een informeel kennismakingsrondje, besloten we over het terrein te lopen. Ondanks dat de naam van festival Nederlands aan doet, was mijn eerste indruk dat het meer een verkapte pasar malam was.

Het gehannes met klapstoelen en vouwtafels op het grote grasveld deed in ieder geval meteen erg Indisch aan. Langs de zijkanten vele warungs met Indisch eten en standjes met, zoals mijn familie dat noemt, tetek bengek (allerlei koopwaar). Tussen alle Indische stands, stonden echter ook tentjes waar je oliebollen, kroketten en een puntzak friet kon krijgen. De sambal vloeide even rijkelijk als de dotten mayonaise, de cendol-schenker stond arm-in-arm met de Heineken barman en de t-shirt drukker verkocht zowel shirts met de Nederlandse leeuw als die met de bekende Indo leuzen.

Daar op dat veld, merkte ik dat hoewel de derde generatie Amerindo’s opgroeit in een Amerikaanse smeltkroes waarin de talloze etnische groepen hun plek vinden, ook zij zich afvragen wat hun Indische afkomst voor hen betekent. Ze hebben dezelfde vragen als waar veel jonge Indo’s in Nederland mee zitten. Na alles te hebben laten bezinken, snapte ik ook wat de ervaring van mijn Amerikaanse generatiegenoten toch anders maakte als die van mijn Nederlandse. Het Indische gevoel van de Amerikaans-Indische derde generatie is namelijk tweeledig. Zowel Indië/Indonesië als Nederland, de twee landen waar zij culture affiniteit mee voelt, liggen op een haast mystieke afstand van de eigen geboortegrond. Dat maakt de zoektocht naar antwoorden alleen maar lastiger. Wat dat betreft valt het voor de jonge Indo’s in Nederland nog wel mee.

Blauwe billen

Spekkoek met muisjesBegin vorige maand werd mijn zoon Reza geboren. Hij brengt de meeste tijd slapend door. De wereld is hem nog volstrekt onbekend. Ook van zijn Indische achtergrond heeft hij nog geen idee. Hij heeft geen weet van de -soms ingewikkelde- geschiedverhalen en eindeloze discussies (al dan niet op deze blog) over wel of niet Indisch zijn. Gelukkig maar. Wat maakt het hem ook uit. Hem interesseert voorlopig alleen melk drinken en slapen. Van beiden het liefst heel veel. Als zijn vader vraag ik me wel af wat zijn Indische wortels zullen gaan betekenen.

Een paar minuten nadat hij geboren was, was ik daar eigenlijk al mee bezig. Gek, maar het ging vanzelf. De arts legde hem in z’n blootje op zijn buik op een kussentje. Klaar om wat testjes met hem te doen. Wacht even, zag ik het nu goed? Zorgvuldig inspecteerde ik zijn rug en billen. Wat mijn Indische oma een-en-dertig jaar geleden bij mij deed (en jaren eerder ook bij mijn broers, neefjes en nichtjes), stond ik nu met hem te doen. De arts liet me mijn gang gaan. Die Apgar-test kan ook wel even wachten. Spotlight er op. Ja hoor, zonder twijfel: blauwe billen!

“Kijk hij heeft blauwe vlekken”, zei ik tenslotte trots tegen de arts, die hem vervolgens achterover liet vallen en liet trappelen boven het kussen. Goede reflexen: Apgar-score 10. Een 10 of niet, mijn Indische oma zou al gerustgesteld zijn geweest; net als mijn broers en ik heeft Reza bij zijn geboorte blauwe vlekken op zijn huid. Volgens haar was dat het teken dat we ‘echte’ indootjes waren. Mooi, dat is dan gelijk duidelijk.

In artsen taal heten het mongolenvlekken. Meestal, zoals ook bij hem, zit het op de rug, net boven het stuitje een klein vlekje, en vaak ook op de billen. Ook de kraamzorg wist me dat later thuis te vertellen. Terwijl ze voordeed hoe ik een poepluier het best te lijf kon gaan zag ze de vlekken. Volgens haar hebben donkere kindjes, vooral uit Azië, meestal een aantal van die vlekken. Het duidt erop dat de huid later donkerder wordt, de vlekken zelf trekken na verloop van tijd weg. Ik glimlachte, maar misschien kwam dat ook wel door de halve liter satésaus in zijn broek.

Wat onze familie-overlevering betreft, is hij dus onmiskenbaar een indo bij geboorte, maar wat krijgt hij nog mee van de Indische cultuur? Wat geef ik hem zelf mee? Hij heeft een Indische opa, verder alleen Hollandse grootouders, een Hollandse moeder en een vader die behoort tot de “volledig geïntegreerde derde generatie Indische Nederlanders” of, zo je wilt, Nederlanders met Indische achtergrond. Voor deze “vierde generatie” staat dat Indische dus zelfs nog meer op de achtergrond.

Tegen de tijd dat het hem wel interesseert zal ik hem in ieder geval vertellen over de geschiedenis en over wat ikzelf door mijn grootouders uit de eerste hand meekreeg. Ook zal ik hem laten proeven van de Indische cultuur zoals die hier in Nederland nog altijd, in allerlei verschijningen, te vinden is. En we nemen hem natuurlijk mee naar Indonesië, waar we een tijdje willen gaan wonen. Uiteindelijk moet hij dan zelf maar beoordelen wat die Indische achtergrond precies voor hem betekent. Als hij straks maar geen weblog gaat beginnen genaamd Indisch 4.0 ofzo.

Indische sporen in Kaapstad

Kaapstad is behalve een geweldige stad en ideale reisbestemming een fascinerende mengelmoes van culturen die zijn oorsprong heeft in de koloniale tijd. Begon de stad rond 1638 als een verversingspost op de handelsroute van Nederlandse schepen naar de Oost, al snel groeide Kaapstad uit tot een van de eerste permantente europese nederzettingen in zuidelijk Afrika. Naast specerijen en allerlei andere handel, werden hier vanaf  eind 17e eeuw honderden slaven uit onder meer het huidige Indonesië heengebracht. Net als in Nederlands-Indië vermengden Europese en Aziatische invloeden zich hier met elkaar en daarnaast met de oorspronkelijke lokale afrikaanse culturen. Lopend door de straten van de Moederstad van Zuid-Afrika vraag ik me af of er nog “Indische sporen” te vinden zijn.

Op het eerste gezicht lijkt er in Kaapstad, behalve Hollandse architectuur, weinig tastbaars over uit de koloniale tijd. Wat meer opvalt is het contrast van bedelende kinderen voor de ingangen van dure westerse winkelketens, waar de rijke clientèle zich achter stalen hekken heeft verschanst. De kleur van je huid mag hier dan wel niet meer bepalen wat je plek is, wel hoe arm of rijk je bent.

De Aziatische invloeden zijn echter snel merkbaar: Kaapstad heeft net als veel andere Zuid-Afrikaanse steden een grote Indiase gemeenschap en de vaak kleurige gevels van talloze Indiase winkels en restaurants sieren het straatbeeld. In totaal wonen meer dan een miljoen Indiërs in het land. Indiase families, die vaak al generaties lang in Zuid-Afrika zijn, houden sterk vast aan hun eigen cultuur. Samen met de gemengde bevolking die ontstond uit huwelijken tussen blank en zwart, vormden zij in de apartheid-tijd de middenlaag van de samenleving. Met net iets meer vrijheid en rechten dan zwarten, maar minder dan de blanken.

Hoewel er misschien geen formele en wettelijke apartheid bestond in Nederlands-Indië, dringt een vergelijking zich gemakkelijk op met de koloniaal geregelde samenleving daar van Hollanders, Indo-Europeanen en inlanders. Sterkere en overtuigendere Indische sporen blijken echter meer onder de oppervlakte te zitten.

Bokaap bewoners
Kaapstad, de Moederstad van Zuid-Afrika, heeft een eeuwenlange band met het Westen en het Oosten; hier komen verschillende culturen bijeen. De vroege bewoners van Bo-Kaap kwamen uit Zuid-Oost Azië en brachten gewoonten en gebruiken mee die ze vermengden met andere culturen. Foto: Bo-Kaap Museum.

Bladerend door een menu van een van de talloze Kaapse restaurants vind ik een dag later tot mijn verassing ineens de woorden rystafel, atjar en sambal. De afstammelingen van de slaven uit het huidige Maleisië en Indonesië die naar de Kaap werden gebracht, werden Cape Malay genoemd, naar de taal die de meeste van hen spraken (Maleis, destijds de lingua franca van de regio) en brachten hun eigen eetcultuur mee, die langzaam zijn eigen Kaapse karakter kreeg maar een onmiskenbare Aziatische smaak heeft behouden. De gerechten die ik van de Cape Malay keuken proef zijn heerlijk.

Eten. Zou dan vooral het eten de cultuur hier beïnvloed hebben? Onbevredigd zoek ik verder in het prachtige Bo-Kaap, waar de Cape Malay zich oorspronkelijk vestigden. De steile met keien ingelegde straten voeren bergopwaarts richting de top van Signal Hill. De lage, kleine huizen zijn in steeds wisselende kleuren geverfd waardoor de wijk als een lappendeken over de heuvel lijkt te liggen. Op driekwart van de tocht omhoog vind ik Tanah Baru, een oude begraafplaats met een verbluffend uitzicht over de metropool die zich beneden mij uitspreid over de Kaap. In de verte loopt de kustlijn richting Kaap de Goede Hoop, de bijna mythische rots, waar al eeuwenlang schepen omheen voeren om hun zuidelijke route te verleggen naar het Oosten.

Begraafplaats Tanah Baru - Nieuwe Grond - bovenop Signal Hill
Begraafplaats Tanah Baru (nieuwe Grond) - bovenop Signal Hill

Het is stil zo hoog boven de stad. Rechts van me kijk ik uit op de Tafelberg. Van de rand rolt als een toefje slagroom een wolk. Dan tuur ik links van me de zee af richting de horizon. Het water weerkaats fel het zonlicht. Ergens halverwege ligt Robbeneiland als een donkere pannekoek op een spiegelende bakplaat.

BokaapAA
Bo-Kaap met op de achtergrond Signal Hill

In het Bo-Kaap Museum, weer terug onderaan Signal Hill, begin ik aandachtig de informatie te lezen over de historie van de wijk. Gedreven vult Shereen Mischab, die rondleidingen door de wijk verzorgt, aan. Ze vertelt hoe de Cape Malay zich in zekere zin wel verbonden voelen met Indonesië en Maleisië, omdat daar hun voorvaderen vandaan kwamen, maar dat zij toch vooral hun eigen identiteit hebben. Hier in de Bo-Kaap werd bijvoorbeeld hard gestreden tegen de apartheidspolitiek.

Veel van de nieuwkomers in die tijd, waren vaardige ambachtslieden, die de snel groeiende stad werden binnengebracht om forten, huizen en andere gebouwen te bouwen. De meesten van hen waren moslim en zij hielden vast aan hun geloof. Het gebeurde vaak dat zij hierheen gelokt werden doordat de hollanders hun geestelijk leiders naar de Kaap verbanden, zoals Tuan Guru, die op Tanah Baru een monument heeft.

Voorzichtig concludeer ik dat de Cape Malay in verschillende opzichten zeker verwant zijn aan de Indo-Europeanen uit Nederlands-Indië maar (uiteraard) vooral hun eigen geschiedenis hebben. De vergelijking met Indo-Europeanen gaat op de meeste punten dan ook mank, maar vertoont toch zeker gelijkenissen.

Bo-Kaap!
De wijk Bo-Kaap: in vele opzichten de meest kleurrijke wijk van Kaapstad

Verschillende “Indonesiërs” trouwden bijvoorbeeld met Hollanders –zoals de grootouders van Shereen. Hun Kaapse kinderen waren in een bepaald opzicht “Indo-Europees”. Sommigen gingen op in de Afro-Euro-Aziatische mix die hier langzaam maar zeker ontstond. Tegelijkertijd probeerde de meerderheid van de Cape Malay –overwegend met succes- vast te houden aan de eigen gemeenschap die als een kleine diaspora in het snel groeiende Zuid-Afrika uit elkaar dreigde te vallen.

Die middag ontmoet ik in een winkel in de haven van het pittoreske Kalkbay, iets ten zuiden van de stad, Traci. Haar uiterlijk verraad een gemengde achtergrond. Ze vertelt dat ze een Indonesische en Nederlandse voorouder heeft. Haar gemengde afkomst is historisch verbonden met het dorp, waar ze werd geboren, want hier vestigden zich een aantal eeuwen geleden honderden Maleisische, Filippijnse en Javaanse vissers naast een handvol Europeanen die uit de stad waren afgezakt richting het zuiden.

Kalkbay
In Kalkbay, iets ten zuiden van Kaapstad op het Kaapse Schiereiland, vestigden zich meer dan een eeuw geleden honderden vissers uit onder ander Java, de Filipijnen en Maleisie

Haar Nederlandse overgrootvader trouwde een de nazaten van de Javaanse vissers. Haar achtergrond is haar de laatste jaren, sinds ze een dochter heeft, meer gaan interesseren, vertelt ze. Ze wil haar dochter graag vertellen waar ze vandaan komt. Is ze misschien eigenlijk een Indische? vraag ik me ondertussen af.

Voor even voelen we ons verbonden door een geschiedenis die overeenkomsten vertoont en bovendien wortelt in eenzelfde ontmoeting van Oost en West. Hier, niet ver van Kaap de Goede Hoop, sta ik in het symbolische midden daartussen. Het is een comfortabele plek besluit ik. Dan denk ik voor even nergens aan. Langzaam, aan de andere kant van de Kaap, gaat de zon donkerrood onder.

Tong-Tong Fair 2009: meer tjabé rawit?

De witte tenten die half mei op het Malieveld verrezen zagen er exact hetzelfde uit als vorig jaar, maar voor het eerst in vijftig jaar prijkte er niet langer de naam Pasar Malam Besar boven. Van 21 mei tot en met 1 juni 2009 stond er Tong-Tong Fair (TTF) op de luifels. Het was de Pasar Malam Besar nieuwe stijl: meer nadruk op cultuur, minder op nostalgie.

Tong Tong Fair 2009. Foto: Ferdi's World's webstream (Flickr)
Foto: Ferdi's World's webstream (Flickr)

Het culturele aanbod van de TTF is onder meer verpakt in het Tong-Tong Festival. In dit programma kunnen bezoekers andere Indische cultuur opsnuiven dan alleen eten en Indorock. Dit aanbod is een van de belangrijkste redenen voor de veel bediscussieerde naamswijziging. De organisatie maakte vorig jaar bekend dat zij met de nieuwe naam meer de aandacht wilde vestigen op het culturele aanbod en minder op het ‘nostalgische karakter’; een mooi streven, want een open gesprek over de Indische cultuur ontbreekt nog in de Indische wereld.

Cultuur op de TTF is te vinden in het Cultuurpaviljoen en bestaat onder meer uit een jaarlijks wisselende tentoonstelling over een Indisch thema. Dit keer was dat Indische interieurs, met teksten en foto’s over Indische huiskamers. In het Bibit-theater kunnen bezoekers documentaires zien en lezingen, gesprekken en discussies bijwonen over wetenswaardige of actuele onderwerpen uit de Indische wereld. Zo is er dit jaar een discussie georganiseerd over de film ‘Het jaar 2602’ onder leiding van Pamela Pattinama, een gesprek van Ricci Scheldwacht met vader en zoon de Wolff en hebben Guus Cleintuar, Alfred Birney en ik onder leiding van Sylvia Dornseiffer gediscussieerd over Tjalie Robinson, naar aanleiding van de biografie door Wim Willems die vorig jaar uitkwam.

De afwezigheid van een discussie over Lizzy van Leeuwen’s Ons Indisch Erfgoed daargelaten, was het culturele programma inhoudelijk inderdaad actueel. Op deze weblog is in het begin van dit jaar een flinke discussie losgebarsten over de Indische filmmiddag in vier Pathé-theaters, en ook de biografie van Tjalie heeft in de Indische wereld achter de schermen aardig wat losgemaakt. Toch heb ik van meerdere kanten gehoord dat de kwaliteit van de discussies tegenviel, en ik, als deelnemer aan het debat over Tjalie Robinson, heb dat ook zo ervaren. Zonde, want ik vind juist de gedachte achter de naamswijziging in Tong-Tong Fair ruimte bieden voor het doorbreken van de instandhouding van Indische culturele taboes. Zoiets zou het bewijs zijn dat niet langer alleen nostalgie, maar ook een levende cultuur de brandstof is van de TTF.

Dat er behoefte is aan gesprek over de Indische cultuur bewijzen de talloze webfora wel. Indisch 3.0 is slechts een van de vele plekken waar Indo’s op internet met elkaar in debat gaan. Die Indische webwereld laat ook zien dat deze discussies gepaard gaan met heftige emoties, felle kritieken en diepe teleurstellingen. Is het om het vermijden van die heftigheid dat echte discussies  maar niet los willen komen op het Tong-Tong Festival, juist uit de wens het nostalgische beeld van een gezellig Indisch samenzijn in stand te houden? Alhoewel ik nu al kan voorspellen dat geen enkele Indische discussie zal eindigen in een eensgezinde mening, zou dat toch niet mogen betekenen dat we discussie over onze cultuur ‘in het echt’ willen mijden. Cultuur houd je levend door het te ervaren, maar ook door de taboes te doorbreken, zodat we als gemeenschap kunnen groeien met behoud van het goede.

Want voor de échte Pasar-ervaring mag het goede, die Indische nostalgie, op de volgende TTF wat mij betreft niet ontbreken. Op een van de dagen dat ik onderweg ben naar het Bibit-theater in het Cultuurpaviljoen, aanschouw ik een Indisch echtpaar in de Indo Star Studio van Claude Vanheije, waar Indische 70+’ers zich gratis mogen laten vereeuwigen. Poserend voor de warme lens stralen de tijdelijke fotomodellen veerkracht uit, de man achter de vrouw, haar omhelsend, de vrouw sluiks genietend van zijn bescherming. Vrolijk lachend kijken ze de camera in. Hoe lang zouden deze twee al bij elkaar zijn en hoe heerlijk is het dat ze na al die tijd nog zo’n eenheid kunnen uitstralen? Laten we hopen dat Vanheije er volgend jaar in het Cultuurpaviljoen een tentoonstelling aan mag wijden. En dat de organisatie het aandurft om in 2010 de voorzichtig ingezette vernieuwing een flinke portie tjabé rawit te geven.