Interview met Eveline Stoel

‘Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen?’

Eveline Stoel (1971) is journalist en schrijfster van Asta’s ogen, het waargebeurde verhaal van haar Indische schoonfamilie. Asta’s ogen ging tot nog toe 50.000 keer over de toonbank en de filmrechten zijn inmiddels verkocht. In maart verschijnt een luxe, gebonden editie van het boek, aangevuld met stamboom en register. Exemplaren van deze luxe-editie zijn opgenomen in de prijzenpakketten van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde, waarvan Eveline tevens de juryvoorzitter is. Met de wedstrijd volop in gang, stel ik Eveline enkele vragen over haar motivatie om plaats te nemen als juryvoorzitter en over haar schrijverschap.

Waarom heb je toegestemd om plaats te nemen als juryvoorzitter van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde?
‘Eigenlijk houd ik niet van oordelen over het werk van anderen, maar dit initiatief steun ik graag. Hoe meer Indische verhalen worden vastgelegd, hoe beter, want het aantal mensen dat uit eigen ervaring kan vertellen, wordt natuurlijk steeds kleiner. Voor mijzelf was schrijven het perfecte excuus om de ooms en tantes van mijn Indische vriend het hemd van het lijf te vragen – wat ik daarvoor nooit durfde. Het zou mooi zijn als deze wedstrijd hetzelfde effect heeft. Ik hoop dat mensen worden aangemoedigd om hun eigen Indische geschiedenis op te schrijven, of om vragen te stellen aan familieleden van wie zij vermoeden dat ze boeiende, grappige of mooie verhalen hebben.’

Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk
Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk

Wat is voor jou het de meerwaarde van de schrijfwedstrijd?
‘Bijzonder aan deze wedstrijd is dat hij niet alleen is opengesteld voor Indische jongeren, maar ook voor oudere generaties en voor Hollanders met Indische verhalen. Dat kan een interessante kruisbestuiving opleveren. Toen ik over mijn Indische schoonfamilie schreef, begon mijn Hollandse vader opeens te vertellen over de Indische kinderen die in de jaren vijftig bij hem in de klas werden gezet, en hoe daar tegenaan werd gekeken door de ‘Hollanders’. Zulke insider-verhalen wekken geschiedenis tot leven. Ook tijdens lezingen vertellen mensen mij de bijzonderste dingen. Zoals de soldaat die werd uitgezonden tijdens de politionele acties en daar zestig jaar niet over sprak. Indische omaatjes die kokkies gewend waren, vertelden hoe ze in Nederland ineens zelf moesten koken – met Hollandse ingrediënten. En ik ontmoette keurige Hollandse vrouwen die in de jaren zestig smoorverliefd waren op Indische nozems. Geweldig. Ik denk dat het delen van álle Indische verhalen meer toekomst heeft dan alsmaar onderscheid blijven maken tussen Indo- en Belandaverhalen. Alleen door ze allemáál te vertellen, ontstaat een volledig beeld van de Nederlands-Indische geschiedenis.’

‘Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet.’

Voor Asta’s ogen heb je veel mensen geïnterviewd, hierdoor had je veel ruw materiaal om uit te putten. Hoe maakte je hierna een begin met het schrijven van het verhaal?
‘Ik vind het spannend om te schrijven zonder vastomlijnd plan, maar in je achterhoofd moet je natuurlijk ongeveer weten waar het verhaal heen gaat. Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet. Zelf ben ik begonnen met het lezen van geschiedenisboeken, zodat ik van te voren wist welke historische feiten ik wilde laten samenvallen met Asta’s verhaal. Daardoor kon ik tijdens de interviews gericht vragen stellen, wat een hoop overbodige informatie scheelt. Toen duidelijk was wat de krenten in de pap waren en waar de omslagpunten in de familiegeschiedenis zaten, heb ik die gebruikt als ‘boeien’ waar ik het verhaal omheen schreef.’

Asta's Ogen - Eveline StoelWat deed je als je vastliep tijdens het schrijven? Heb je tips om weer op gang te komen als het schrijven even niet wilt vlotten?
‘Tja, dat is een beetje een raar verhaal. Ik had tijdens het schrijven een foto van Asta op mijn bureau staan en als ik vastliep of informatie niet kon vinden, vroeg ik haar om hulp. Het begon als grapje, maar het wérkte. Zo heb ik eens urenlang gezocht naar een anekdote over de sultan van Solo die ik ergens had gelezen en in mijn boek wilde verwerken. Uiteindelijk keek ik zuchtend naar Asta, waarna ik sterk voelde dat ik een bepaald boek moest pakken. Ik sloeg het open en zag precies de pagina die ik nodig had. Sindsdien durf ik niet meer zo stellig te beweren dat goena-goena onzin is. Voor de minder bijgelovigen: ga een blokje om en laat het verhaal even los, of ga verder bij een gedeelte waarvoor je wél inspiratie hebt. Zo ben ik met Asta’s ogen begonnen bij hoofdstuk zes, als de familie aankomt in Nederland. Toen dat af was, werd direct duidelijk wat ik daarvóór en daarna moest vertellen.’

Heb je tips voor de mensen die graag een verhaal in willen sturen voor de schrijfwedstrijd, maar nog geen onderwerp hebben?
‘Kijk in familiefotoboeken, vraag naar de herkomst van Indische snuisterijen of ga samen Indisch koken met een ouder of grootouder. De kans is groot dat ze dan vanzelf beginnen te vertellen. Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen? De antwoorden op die vragen zullen je naar jouw verhaal leiden. Dan hoef je het alleen nog maar op te schrijven.’

Meer weten over de schrijfwedstrijd? Bekijk dan hier de aankondiging van Indische Bladzijde.

Noem het maar bijgeloof

Noem het maar bijgeloof [Foto: Liselore Rugebregt © Indisch 3.0]

Daar zat ik dan. Een computer die acuut aan het crashen sloeg. Een internetverbinding die het altijd deed. Maar op dat moment natuurlijk niet. Deadlines die zó ernstig gehaald hadden kunnen worden, ware het niet… Aaaaaaargh! Ik wist het zeker, geen twijfel mogelijk! De gedachte was niet uit mijn hoofd te krijgen: Het is zó de schuld van die drie beelden! Mijn handen jeukten om die valse blik uit de kraaloogjes van de Garuda te slaan. En ‘de mevrouw’ en ‘de visser’ moesten ophouden met dat stiekeme gegniffel achter mijn rug om. Ik hoor jullie wel! Blijf lachen en ik zaag jullie onderstukjes er vanaf!

*Zucht* Ik had het natuurlijk kunnen weten. Geen enkel zichzelf respecterend, antiek beeld uit Indonesië zou zich zonder slag of stoot ‘eventjes’ laten verplaatsen. De knallende hoofdpijn die op kwam zetten, de avond dat ik de beelden zorgvuldig in dekens wikkelde  om te vervoeren, waren alvast een voorproefje. Mijn goede bedoelingen kon ze niets schelen, het werd mij niet in dank afgenomen. Onheil zou mij genadeloos treffen!

Dé verantwoordelijke was ik. Die vervelende kleindochter! De reden dat oma ineens besloot te verhuizen. De geesten konden niets anders doen dan hierdoor slecht geluimd te zijn. Al vijftig jaar konden ze ongestoord ‘spoken’ door het, inmiddels veel te grote, huis. Menig kind en kleinkind zijn de (nachtelijke) stuipen op het lijf gejaagd. Adoe, hoe heerlijk al die ‘geestelijke’ vrijheid! En dat terwijl er nog geen sapoe lidi of wat gebrande salie op losgelaten werd. Totdat die vervelende kleindochter een nieuw en kleiner flatje voor haar oma vond!

De kleindochter die het gore lef had om ‘de erfstukken’, bestaande uit drie beelden van een Garuda, een Balinese danseres en een vissersman, tijdelijk van de radar te laten verdwijnen. Uit het zicht van de kinderen die misschien ruzie zouden gaan maken over wie welk beeld alvast mee mocht nemen als een soort ‘vervroegde erfenis’. Het nachtelijke gefluister was niet van de lucht. Té erg toch die deze! Niet eens een beetje verstoppen in het oude en vertrouwde huis! Néé, meteen naar een ander en vreemd huis brengen!

Ik heb gepleit, zelfs mijn warme sjaal gegeven aan ‘de mevrouw’ die er zo koud uitzag in haar blootje in dat vreemde huis. Maar een paar weekjes hoefden ze van de radar te verdwijnen. Daarna zouden ze weer terug keren naar oma. Weliswaar in een nieuw huis, maar toch… Zo erg was het toch allemaal niet? Het kon ze klaarblijkelijk helemaal niets schelen…

Ziekte trof mijn oom in wiens huis ze tijdelijk verbleven. En mij wisten ze op een allergevoeligst plekje te raken… Woensdagavond! Dan eet ik niet thuis, maar bij de oom in kwestie. Alles wijkt voor ‘woensdagavond-makan’ en desnoods gaat de laptop mee als er een deadline gehaald moet worden. Druk bezig was ik om mijn laptop aangesloten te krijgen op het netwerk en niets snapte ik ervan, alles ging mis!

En daar hoorde ik ze weer smiespelen met elkaar… Hihihi! Die meid! Perfectionistisch ja, altijd zo stipt met alles… KAPOT die heilige computer van haar!

4.0 op komst (2)

echo baby Kirsten feb 2011

Liefde uit het hiernamaals

Net terug uit Berlijn, hadden we de koffers de portiektrap omhoog gezeuld. Bij de voordeur stampten we de sneeuwresten uit onze schoenen, toen ik giechelende kinderen hoorde juichen: “Ze zijn er, ze zijn er!” Verbaasd duwde ik de deur open.

In de gang liepen drie katten en drie kinderen, die mijn vriend M. niet zag. In dit huis was al eens eerder een kindergeest op bezoek geweest. Die had heel anders aangevoeld dan deze drie: deze kinderen voelden eigen, als familie. Wie waren dit? En waarom waren ze er opeens?

Ik was erg moe en alvast in bed in gaan liggen. Daar besloot ik, zolang M. nog in de woonkamer zat, contact met ze te maken. Twee van de drie kinderen hoorden duidelijk bij elkaar. Sterker nog, ze leken op mij en mijn broer. Het ene kind was een meisje en was erg beschermend naar het andere kind toe; een verlegen jongetje. Ik wist dat mijn moeder twee kinderen had gehad die nooit geboren waren. Zouden ze dit zijn?

Aan het meisje vroeg ik wie ze was. Ze boog voorover en fluisterde met kinderlijk enthousiasme iets in mijn oor. ‘Ik ben Suzie!’, meende ik te horen. Die naam kwam in mijn familie niet voor. ‘En hoe heet hij?’ Het leek alsof ze zei dat het jongetje naast haar Paul heette. Onmiddellijk wees ik dat af. Die naam was zo voor de hand liggend, dat moest ik wel zelf verzonnen hebben; in mijn moeders familie kwam die naam erg veel voor. Ik had het vast allemaal verkeerd verstaan. Verwonderd keek ‘Suzie’ me aan.

Het derde kind, een meisje, leek niet op het broertje en zusje. Ze was groter, had een andere huidskleur, stond wat verder bij me vandaan en was lang niet zo vrolijk als het andere meisje. Diep van binnen wist ik wie ze was. Zeven jaar eerder was ik in verwachting geweest, heel kort. De relatie waar zij het product van was, was niet stabiel genoeg geweest om een basis te vormen voor een kind. Dus erg dat die zwangerschap zich niet ontwikkeld had, heb ik dat nooit gevonden.

‘Ben je mijn dochter?’ Het meisje knikte. Eindelijk. Ik had al eerder gehoopt contact met haar te krijgen. ‘Waarom ben jij nu hier?’ Daar hoorde ik niet direct een antwoord op. Wel hoorde ik haar zeggen: ‘Mama, je weet toch dat ik weggegaan ben omdat het tussen jou en papa niet klopte?’ Dat wist ik. Ik vertelde haar dat ik daar vrede mee had. Blijkbaar was ze naar me toegekomen om dat te vertellen: in tegenstelling tot de andere twee kinderen, nam ze afscheid van me. Haar zou ik nooit meer zien. De andere twee wel: ze vonden het gezellig en bleven, alsof ze ergens op wachtten.

Een paar dagen later waren ook mijn – levende – broer en zus bij ons. Zonder iets te zeggen over de namen, vertelde ik dit verhaal, wees aan waar de twee op dat moment zaten en vroeg ze of ze onze ongeboren broertje en zusje konden zijn. Mijn zus reageerde en zei: ‘Mama heeft me wel eens verteld dat ze het jongetje de naam Paul zou hebben gegeven. Het andere kind heeft ze nooit een naam gegeven.’ Opeens realiseerde ik me wat het meisje me die avond toegefluisterd had: ‘Ik ben je zusje!’

Bijgeloof, hoop en liefde

Indisch in een studentenhuis

Indisch in een studentenhuis (4)

Ik vind mezelf een nuchtere meid. Met de ‘niet lullen, maar poetsen’-houding en de lijfspreuk ‘rug recht en doorgaan’ stap ik door het leven. Ik zweef alleen in uiterst noodzakelijke gevallen. Ben ik bijgelovig? Een beetje. Spiritueel ingesteld? Af en toen. Zweefie-zweefie? Alleen in uiterste gevallen van nood. Ja, een nuchtere (Hollandse) meid. Vind ik zelf.

Dit zelfbeeld werd toch enigszins teniet gedaan toen ik van mijn huisgenoten een aantal keer de vraag kreeg of ik ‘bijgelovig’, ‘spiritueel ingesteld’ of ‘zweefie-zweefie’ was. Nog altijd sta ik met mijn mond vol tanden –dat is een unicum- als me dit gevraagd wordt. Ik weet na zo veel keer nog niet hoe ik moet reageren op dergelijke vragen die altijd vergezeld worden met een blik van verbijstering.

Het gebeurde ooit dat een huisgenoot voorstelde mijn Buddha te verplaatsen naar de plank recht tegenover het raam zodat ik mijn plant op de plek van de wijze man kon plaatsen. Ik deed de mededeling dat daar niets van inkwam en mijn huisgenoot vroeg waarom niet, dat was tenslotte in zijn optiek de beste oplossing. ‘Dan kijkt ‘ie naar buiten, dan kijkt ‘ie t geluk naar buiten,’ deelde ik hem stellig mede. Met grote ogen werd ik aangekeken en kreeg te horen: ‘Jezus Char, niet zo zweefie-zweefie hoor.’

Meest recent overkwam het mij dat ik in een discussie verwikkeld raakte met mijn nieuwe huisgenoot. Na drie dagen verhuizen en klussen was ze geïnstalleerd en vroeg me of ik zin had in een roseetje op haar kamer. Nu ging ik uiteindelijk voor een biertje, maar ik ging enthousiast op haar aanbod in. Toen ik haar vers ingerichte kamer binnenstapte verstijfde ik vrijwel onmiddellijk. ‘Pauwenveren,’ zei ik hard op. Niets vermoedend, reageerde mijn kersverse huisgenoot: ‘Ja, mooi he? Heb ik ooit gekregen van iemand.’ Ik stond nog steeds stokstijf midden in haar kamer en niet begrijpend vroeg ze: ‘Hoezo? Is er iets mee?’ Mijn antwoord was resoluut: ‘Die brengen ongeluk, die moet je weghalen.’ Of ik soms zwaar bijgelovig was en of ze de veren voor mij moest weghalen, omdat ik boven die pauwenveren sliep?,  kreeg ik als antwoord.

Drie dagen later kwam ze mijn kamer binnen en zag daar op een van mijn planken ‘De Gouden Driehoek’ liggen. In haar ogen niets meer dan drie gekleurde steentjes. Ze informeerde of ik die stenen soms op vakantie had gevonden. ‘Nee, dat is De Gouden Driehoek, die zorgt voor goede energie en een harmonische sfeer in huis,’ luidde mijn antwoord. ‘Geloof je nou echt in dat soort dingen?’ vroeg ze me. Ik reageerde met de mededeling dat het geen kwestie van geloof was. ‘Jawel..’ zei ze ‘van bijgeloof.’

‘Iets Indisch’ (2)

Daar stond ik dan. Midden in de nacht. Oog in oog met mijn overleden oma. Heel ontspannen zat ze daar. Al rokend aan de keukentafel. Ik moet bekennen dat ik in redelijke staat van paniek verkeerde. Zoals ik de vorige keer schreef, was ik wel wat gewend in mijn dromen, maar dit was andere koek. Dit was oma.

Afbeelding: lekkerding1967.spaces.live.com

Gelukkig had ik ooit eens had gelezen of gehoord dat je dit soort ongenode gasten het best kan wegsturen door hardop te vragen of ze weg willen gaan. Daarom bedacht ik me geen moment, deed het licht aan, pakte de tafel beet, concentreerde me en zei: “Oma, leuk dat je mij komt opzoeken, maar ik word er bang van. Ga alsjeblieft weg, ga weg alsjeblieft…”

Een geest wil ik haar niet noemen. Eerder een afdruk. Immers, ik weet tot op de dag van vandaag niet of ik haar die nacht echt heb gezien. Misschien wilde ik het zien of was het een keiharde mindf*ck. In ieder geval was ik niet blij met haar bezoek. Bovendien leek ze niet op de oma die we hadden gecremeerd. Een uitgeteerd hoopje mens na ruim drie weken ziekbed. Meer was er niet over van die ooit zo grote vrouw (in de lengte overigens). Haar afdruk was simpelweg te perfect.

Deze ervaring heb ik een paar jaar geleden gebruikt tijdens een huiskamertournee. Door heel Nederland speelde ik bij mensen thuis mijn liedjes en vertelde o.a. dit verhaal. Een aantal keer kwam het voor dat er voor of na dit verhaal iets vreemds gebeurde; een kaars begon plots te branden, een schilderij kwam naar beneden en het klassieke klapperen van ramen en deuren.

In de loop der jaren heb ik het allemaal geaccepteerd. Af en toe gebeurde er wel iets, maar zocht het nooit op. Hoopte nooit op een nieuwe droom of verschijning van opa, oma’s of andere dierbaren. Tot eind mei dit jaar.

Mijn allerlaatste en vooral allerliefste opa ging dood. Als kind heb ik dikwijls gewenst dat hij als laatste van mijn opa’s en oma’s mocht sterven. Niet dat de anderen dood moesten, maar hij was mijn grote vriend. Onze band was ijzersterk. Onze humor dodelijk. Positief en negatief.

Toen hij stierf voelde het alsof ik werd overreden door een trein en alsof iemand de hele tijd citroensap in de wonden spoot. Intense pijn. Uiteraard had ik een maand eerder al gedroomd over zijn naderend afscheid, maar ik had er geen waarde aan gehecht. Of geen waarde aan willen hechten.

Vlak na zijn dood constateerde ik dat ik hem niet meer kon bedanken voor alles. Maar wederom geschiedde het. Per droom. Tweemaal. De eerste keer wilde ik hem alsnog mijn dankbaarheid tonen, maar ging hij liever samen foto’s van vroeger bekijken. In de tweede droom kreeg ik een dikke knuffel. Zo onwaarschijnlijk mooi en liefdevol dat ik nog steeds elke avond voor het slapengaan denk: “Misschien komt opa wel langs!”

Maffe Indo die ik ben.

‘Iets Indisch’ (1)

Soms droom ik heftig. Niet eng, maar wel dat ik met terugwerkende kracht bang word. Want heel soms zie ik dingen die ik liever niet zie. Dat is wel eng. Laat ik voorop stellen dat ik absoluut niet (bij-)gelovig ben. Ik geloof niet in leven na de dood en denk niet dat er meer is tussen hemel en aarde, maar ik weet wel dat ik alles uit deze column niet heb verzonnen. Hoe nuchter ik ook ben, ik ben niet blind.

Dromen

Iets Indisch, zo noemt mijn moeder het. Ze zegt dat ik het van oma Neumann heb geërfd.

Mijn ouders wonen in een fijn huis, maar toch is het geen plek waar ik graag ’s avonds laat als laatste naar bed ga. Als ik alleen ben lijkt het net of er een koud briesje langs mijn lichaam waait. Die sfeer zorgt ervoor dat ik op mijn hoede ben, alhoewel ik me er niet onveilig voel. Afgelopen weekend sliep ik er voor het eerst sinds maanden weer eens en het was in de nacht van zaterdag op zondag meteen mis in mijn dromen.

Ik droomde dat een vriendin van mij ging bevallen. Geen gekke gedachte, want ze was zwanger. Normaal gesproken houd ik zoiets voor mezelf en wil ik achteraf weleens zeggen dat ik het allemaal al wist omdat ik erover had gedroomd. Borstklopperij van het zweverigste soort. Dit keer besloot ik het mijn vrouw van tevoren te vertellen. ,, Puntje, puntje is vannacht bevallen of gaat dat vandaag doen!’’, zei ik lacherig. Dat lachen verging mij snel maandagochtend toen ik een sms ontving dat die vriendin inderdaad de dag daarvoor was bevallen. Om 23:37 uur, dus weliswaar op de valreep, maar wel precies binnen het tijdskader van mijn voorgevoel. Natuurlijk was ik blij, maar de bewuste vriendin had van mij wel een dag eerder of later mogen baren.

Misschien is mijn ouderlijk huis een ideale plek voor dit soort dromen. De allereerste droom die ik me herinner heb daar ook gedroomd. In 2003 ga ik een avond naar schouwburg. Die nacht droom ik mij op het herentoilet van datzelfde theater. De deur gaat op en mijn Indische opa komt binnen. ,,Ben je ons vergeten?”, vraagt hij. ,,Hoezo”, antwoord ik. ,,Jullie zijn toch dood?” Op dat moment zwaait nogmaals de deur open en staat ook oma in de ruimte. Einde droom. De dag daarna bleek het precies een jaar geleden te zijn dat oma overleed. Opa stierf kort na haar dood van verdriet.

Op één of andere manier heb ik dit soort dromen/ervaringen alleen met mijn opa’s en oma’s. Neem bijvoorbeeld mijn Hollandse oma. Een paar weken na haar overlijden overkwam mij, wederom bij mijn ouders, het volgende:

Het was bijna Kerst. Omdat ik nog genoeg werk te verzetten had voor de laatste loodjes van mijn studie, was ik ’s nachts nog aan het typen op de bovenverdieping. Opeens hoorde ik iemand mijn naam roepen. Heel zacht. ,,Patrick… Patrick…” Misschien is het van belang te zeggen dat ik in die tijd geen druppel alcohol dronk, dus daar lag het niet aan. Toen ik het roepen bleef horen ben ik in het donker de trap afgelopen. Iets wat ik in dat huis niet graag doe, maar het was een soort trance. Ik deed het gewoon. Wat ik toen zag kan ik nog steeds niet verklaren. En wat mij betreft hoeft dat ook niet. Noem het de kracht van de geest of desnoods vermoeidheid, maar ik was nog niet beneden of daar zat ze. Aan de keukentafel, met een sigaret in haar hand: mijn oma.

(Wordt vervolgd)

Geestige oma

Oma Neumann schijnt met de helm op te zijn geboren. Dat wil zeggen dat ze bij haar geboorte een deel van de vruchtvliezen om het hoofd heeft gehad. Er zijn mensen die geloven dat, wanneer je ter wereld wordt gebracht met zo’n helm, je over paranormale gaven beschikt. Mijn oma was zelf een van die (bij-)gelovigen. Zo voelde zij al dagen van te voren aan dat er een familielid in Indonesië zou sterven. De cynicus zal zeggen: ,,Da’s de goden verzoeken!” Ik houd het voorlopig op mijn oma als een overgevoelig type.

'Geesten kwamen gewoon via de voordeur' Foto: www.spiritwhitelight.nl

Overgevoelig of niet, wat heb ik veel van haar gehouden. En ik was ontroostbaar toen ze in 2003 overleed. Om even snel een beeld te schetsen: Oma was een klein Indootje met spleetogen. Hield van gezelligheid, gokken (dat zal het Chinese bloed zijn…) en van spelletjes doen. Bij dat laatste moet ik even een kanttekening maken. Van diverse bronnen in de familie heb ik namelijk vernomen dat zij een handje had van valsspelen. Over de doden uiteraard niets dan goeds, maar dit puntje maakt haar menselijk daardoor iets minder de ideale oma. Bovendien heeft ze er niets aan wanneer ik haar de hemel in prijs, want daar is ze immers al.

Omdat ik niet zit te wachten op reacties als: “Je maakt je oma belachelijk, schavuit! Hoe durf je, schobbejak!”, voor alle zekerheid nog één positief punt: mijn oma was altijd gastvrij. Behalve op oudejaarsavond. Alhoewel, dan was ze ook gastvrij, maar niet voor levende wezens. Rond 31 december hing een mysterieus sfeertje. Het schijnt dat oma de hele avond bad. En dat ze geesten op bezoek kreeg. Ik weet er het fijne niet van, maar oma vertelde er op nieuwjaarsdag altijd over alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Waarschijnlijk heb ik daarom nooit naar details durven vragen, want niets is zo eng als iemand die op zo’n gezellig toontje over geesten praat. Alsof ze elk moment van de dag een kopje suiker kunnen vragen.

Volgens mijn oma kwamen de ‘gasten’ gewoon via de voordeur. Zij liet ze dan netjes binnen door ook echt de deur even open te doen. Nadat ze met opa verhuisde naar een flat en ze tevens minder goed ter been werd, vertelde ze dat de geesten met de lift kwamen. Op de tweede verdieping wachtte zij ze op en nam ze ze meer naar huis.

Speciaal voor hen had ze allemaal lekkere dingen (spekkoek enz.) in huis gehaald. Er werden sigaren gerookt. Oma was er heilig van overtuigd dat de gasten aten, dronken en rookten. Uiteraard bleef er altijd eten over en dat was dan voor ons als we op 1 januari op bezoek kwamen. Ik heb echter jarenlang niets lekkers durven eten op nieuwjaarsdag, omdat ik me er te bewust van was dat ik iets van een schaal moest pakken waar de avond daarvoor een geest met zijn vingers aan had gezeten. Welke rol opa Neumann tijdens de jaarwisselingen speelde is mij overigens niet duidelijk. Hij kon er het ene jaar serieus over vertellen om het een jaar later weer belachelijk te maken. Helaas kan ik het ook hem niet meer vragen.

De rillingen lopen nu alweer over mijn rug. Geen idee waarom ik over dit onderwerp schrijf. Wellicht omdat ik net 27 ben geworden en me steeds bewuster ben van de volwassen man die mij aankijkt ik in de spiegel. Of het is die Indotiteitscrisis van mij. Toch is vreemd. Het is nu ruim zeven jaar geleden dat ze overleed en het is al die jaren nooit in me opgekomen om haar op te voeren als dankbaar onderwerp voor mijn werk. Behalve vlak naar haar overlijden, maar dat is een soort therapie ten behoeve van het verwerkingsproces (en dat telt niet). Misschien bestaat er rondom de dood ook een seven year itch. Net als in relaties. Alleen klopt, in plaats van de sleur, oma op de deur. In mijn geval letterlijk en figuurlijk.

Ter afsluiting nog één creepy wijsheid van oma voor het slapengaan: Na een begrafenis nooit achterom kijken naar het graf van de overledene…

Guna Guna en Klazien uit Zalk

Onze voorouders in Nederlands-Indië leefden in een betoverde wereld. Guna Guna, oftewel Stille kracht, was onderdeel van het dagelijks leven. Wij moeten het in Nederland doen met Sinterklaas, en ook daar mogen we niet eens écht in geloven. Is magie gedoemd?

De kris. Bron: www.indoshop.nl
De kris.

Moralisme
Zwarte Pieten mogen niet zwart zijn, want dat is discriminerend. Er moeten ook groene, gele en blauwe pieten over de daken lopen. Sint mag geen christelijk kruis op zijn mijter dragen, want dat beledigt moslims. Maar.. is het geloof in het mysterie van Sint en Piet niet genoeg? Wie wil niet dat er een vriendelijke, oude baas bestaat met een lange baard die cadeautjes in je schoen stopt? Geloven in dit fenomeen is toch een verrijking van het leven?

Hel
In dit moderne tijdperk is het gewoon geworden om overal vraagtekens bij te zetten. Natuurlijk, we leven in een seculiere wereld, waarin het geloof geen invloed mag uitoefenen op de maatschappij. De scheiding van kerk en staat is sinds 1795 in Nederland ingevoerd. Ik ben blij toe, want we zijn ontsnapt aan de ketenen van (bij-)geloof en angst voor de hel. Vroeger was het geloof een rotsvast gegeven in een mensenleven, met alle geboden en verboden, rituelen en symbolen van dien. Nu kijken we op een meer wetenschappelijke manier tegen het leven aan. Dat heeft veel voordelen, maar hierdoor zijn we ook iets kwijt geraakt.

Harry Potter
Ratio regeert. Iets is pas waar als het, liefst wetenschappelijk, is bewezen. Door altijd de nadruk te leggen op economie, technologie en wetenschap dreigt de magie te verdwijnen uit de samenleving. En de mens heeft nou eenmaal behoefte aan magie in het leven, nu de gang naar de kerk niet meer vanzelfsprekend is. Kijk maar naar al die speelfilms die gemaakt worden over heksen en tovenaars. Lord of the Rings, Harry Potter, het kan ons niet magisch en betoverend genoeg zijn. Stripfiguren die in parallelle werelden terecht komen, computergames in eigenhandig geschapen fantasiewerelden: de vraag ernaar is onverzadigbaar.

Guna Guna
Hoe deden ze dat in Nederlands-Indië eigenlijk? Daar speelde de Stille Kracht, Zwarte Magie oftewel Guna Guna toch zo’n grote rol? Onze voorouders vonden de aanwezigheid van geesten en van verschillende vormen van bezetenheid vanzelfsprekend. Stille Kracht, toverkunst uit Indonesië en de Molukken, was iets waar je niet mee moest spotten. Je kon namelijk onder invloed raken van deze magie, en die bezwering was heel moeilijk weer op te heffen. Rampen en tegenspoed lagen op de loer. Er was gelukkig ook een witte variant van Guna Guna, waar juist de goede krachten aan het werk zijn. Niet alleen mensen konden drager worden van de negatieve of positieve krachten van Guna Guna, ook voorwerpen. Zoals de kris, wajang poppen, kleden en kleine afgodsbeeldjes uit Indonesië.

Voorwerpen
Het geloof in Stille Kracht heeft de overtocht naar Nederland niet helemaal overleefd, volgens mij, maar toch zijn vooral bij oudere Indische mensen nog veel verhalen hierover te vinden. En ook bijgeloof en de vermeende magische werking van bepaalde voorwerpen speelt nog steeds een rol. Ik vraag me af of de derde generatie Indische Nederlanders hier ook nog mee bezig is. Eerlijk gezegd geloof ik zelf ook dat er magie kan zitten in voorwerpen. Wajangpoppen benader ik altijd met het grootste respect. En ik zet kleine ‘afgodsbeeldjes’ in de kleedkamer voordat ik ga optreden. Het zijn dan wel plastic figuurtjes van Schleich en geen traditionele Indonesische beeldjes, maar toch. In de theaterwereld speelt magie zeker een rol, sterker nog, bij een goed theaterstuk is de magie voelbaar.

Cocktail
Gelukkig is in Nederland een vermenging gaande van allerlei rassen en geloven. Daar wordt altijd een hoop op gescholden, maar de pluspunten worden zelden benoemd. Namelijk: de betovering krijgt weer de ruimte. Het wordt het steeds normaler om, naast het laten lakken van je nagels, ook je hand te laten lezen. Om te bidden tijdens het werk. Of om even te mediteren in de lunchpauze. Om op een alternatieve manier stil te staan bij ziekte en dood, voorbij het witte kadetje na afloop van een crematie. Ik zie wel een cocktail voor me van magische elementen uit alle windstreken: Winti uit Suriname, Guna Guna uit Indonesië, Klazien uit Zalk en daarbij elementen uit Christendom en Islam met een vleugje Boeddisme. Laat de magie maar komen, we kunnen hem hard gebruiken in deze donkere decemberdagen.