Eervolle vermelding (3) – 'Afscheid'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Henk Rouw

Ze zijn bij me langs geweest. Dat was wel zo netjes, in plaats van een brief. Dat de rechten binnenkort zullen komen te vervallen en of ik het goed vond om het graf te laten ruimen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen. Die beslissing moeten anderen maar nemen, wanneer ik er zelf niet meer ben. Nee, je blijft daar nog maar even rusten hoor. Al kom ik er bijna nooit meer, je bent zo altijd nog een beetje dicht bij me.Daar hebben de jaren geen vat op gekregen. De herinneringen zijn nog zo vers, het mag een wonder heten dat ik in al die jaren mijn verstand niet verloren heb.

In de bus wil Heike per se naast Egbert zitten. Maar Josien heeft de plek al ingenomen en voert ter verdediging aan: ‘Ik ben ten slotte zijn verloofde.’
Heikes borst gaat op en neer. ‘Ja, maar ik zie hem nooit meer terug.’

‘Als u hem nooit meer terug ziet, zal ik hem ook nooit meer terug zien.’

‘Je begrijpt er weer helemaal niets van!’

‘Kom nou maar hier zitten,’ zeg ik. ‘Naast mij. Met ruzie lossen we niks op.’

De bus zet zich in beweging. Egbert draait zich naar ons om. ‘Ik ben heus wel van plan om weer terug te komen, hoor. Ik zal voorzichtig zijn.’

‘Daar heb je anders de afgelopen jaren niets van laten blijken’, vaart Heike tegen hem uit. ‘Moffen pesten. Jonge vogeltjes uit nesten halen. Kleine kinderen aan het schrikken maken. Altijd vol kattenkwaad.’

Ik pak haar hand beet en knijp er in. Ze kijkt me aan. In haar ooghoeken glinstert vocht. Nurks wendt ze haar hoofd naar Josien, die zich tegen Egbert heeft aan gevleid.

Nu ze hals over kop verloofd zijn en hij ons voor langere tijd gaatverlaten – ja, nu wil ze hem helemaal voor zichzelf. Daar mag zijn moeder niet meer tussen komen. Het is een heel knap ding, Josien. Met die ronde wangen en die diep liggende ogen en roestbruine krullen. Verstand zal ze ook wel hebben. Maar een beetje respect voor zijn moeder?

Heike schiet vol. Ik leg haar hoofd tegen mijn schouder. Ze trilt over haar hele lijf. Ik vraag hem: ‘Zul je voorzichtig zijn, Egbert? Beloof je ons dat je voorzichtig zult zijn?’

‘Dat heb ik toch al gezegd?Ik beloof het jullie. Met de hand op mijn hart.’

Josien geeft geen kik. Het zal wel onwetendheid zijn, naïviteit. Ze is nog maar negentien. Wat weet zij van het leven? Maar hebben ze daar bij haar thuis dan de oorlog niet meegekregen? Daar in haar dorp moet toch ook wel het een en ander zijn gebeurd?

Egbert stoot haar aan. Even later maken haar roestbruine krullen een zwaai. ‘Ach, wat dom van me,’ zegt ze. ‘Neem me niet kwalijk. Dat ik alleen maar aan mezelf dacht. De volgende keer, zodra de bus stoptmag u wel naast uw zoon zitten, hoor.’

Maar de bus is vol en laat elke halte links liggen.

We rijden langs kapotgeschoten gebouwen de stad in en stoppen voor het treinstation, waar ook al niet veel meer van over is. Op de rails staat een tender loc met achter zich een hele serie oude personenwagons.

Er hangt hier een vette damp van kolen.En al die velekoppen. Jongens van amper twintig in uniform, aan hun voeten of heupen een plunjezak. Familie om zich heen. Ook velen met een liefje. Ik begrijp niet dat al deze jongens vertrekken. Ze moeten wel. Maar onze Egbert, die in eerste instantie was afgekeurd… Je had hem moeten zien. Kreeg geen eten meer door zijn keel. Had het gevoel dat ie zijn beste kameraad Jan Pluimers in de steek zou laten. Heike en ik keken elkaar aan. Het was goed zo. We hadden genoeg spannende tijden meegemaakt.Maar die jongen van ons, die was het er niet mee eens. Die liet zich herkeuren. En toen mocht ie gaan. Hoe vele uren ik niet met hem rond de tafel gezeten heb. Dat ie niet gaan moest.

‘Begrijp dan toch,’ zei hij, ‘ik heb vijf jaar achter mekaar in dit saaie dorp opgesloten gezeten en er viel niks te beleven, in al die vijf jaren niet. Voordat Josien en ik gaan trouwen, wil ik eerst nog wat van de wereld zien. Gun me toch die vrijheid.’

Maar waarom op deze manier? Er zijn er toch ook heel wat die liftend naar Frankrijk zijn getrokken, of naar Italië?Dat zou toch een veel beter idee zijn geweest?

Aangevoerd door een blaaskapel zijn ze door de hoofdstraten van de stad geparadeerd, nu staan ze hier weer allemaal in het gelid. Vanaf eentribune houden hoge militairen, de burgemeester en een afgevaardigde van de regeringeen toespraak. Over vaderlands’trots. Overordehandhaving en bevrijding. Over een hart onder de riem voor de achterblijvers, het thuisfront.

De blaaskapelzet het Wilhelmus in. Iedereen zingt mee. Ik kan me dat niet voorstellen. Dat al die ouders, familieledenen vriendinnen van die jongens daartoe in staat zijn.Meezingen. In plaats van meezingen, houd ik Heike stevig vast. Ze is kalm nu, ze trilt niet meer. Maar ik kan ruiken hoe ze onder haar mantelpakje zweet.

Applaus. Gejuich. Uit luidsprekers zingt Vera Lynn Till We Meet Again. Om ons heen wordt uitbundig en emotioneel afscheid genomen. Wij staan er een beetje onhandig naar te kijken. Josien en Egbert, ze glimlachen naar elkaar met schitterende ogen. Hij tilt haar op en doet een zwaai met haar in de rondte. Haar hakken scheren langs rokken en broekspijpen, vlug stappen we achteruit.

Ze zoenen als Hollywoodfilmsteren.

We generen ons een beetje, Heike en ik. Om dit van zo dichtbij mee te maken. Wang tegen wang staan ze daar op nog geen armlengte afstand.

Josien maakt zich los uit zijnliefkozing, streelt zijn uniform en geeft hem aan ons. Heike vliegt hem om de hals. Ze heeft haar gezicht tegen dat van hem aangedrukt, haar vingers klauwen zich vast in zijn uniform.

Dan laat ook zij hem los.

Hij wil me de hand schudden, begint een paar woorden te stamelen van ‘Nou, pa,’ maar ik kan het niet langer verdragen. Ik sluit hem in mijn armen, zeg: ‘Tot kijk, jongen. En denk er aan wat je ons beloofd hebt.’

De wagondeuren zijn gesloten. Uit de ramen hangen de koppen en armen van al die jongens. Overal om ons heen opgewonden stemmen. Alleen een baby op een arm huilt. Ja, en toch ook heel wat vrouwvolk.

Hoog boven ons staat Egbert in zijn neergeschoven raam. Naast hem: zijn kameraad Jan Pluimers.Egbert zwijgt en verdeelt zijn aandacht over Josien en Heike.

Dan blaast de tender loc een schelle fluittoon uit. De wagons stoten tegen elkaar aan, de jongens in hun uniformen verliezen bijna hun evenwicht. Ze lachen er om. Maar het moment is aangebroken. De wielen hebben zich in beweging gezet. De mensen om ons heen en de jongens in de wagons, zehalen hun zakdoeken tevoorschijn. Ze zwaaien er mee.

Alleen Egbert niet. Alsof hij zich op het laatste momentheeft bedacht. Stil kijkt hij mij aan.

Een duw tegen mijn ellenboog. Heike heeft zich van mij losgerukt. Ik volg haar twee stappen, terwijl ik mijn armen naar haar uitstrek en haar naam roep. Maar ze is al op de trein gesprongen. Machteloos moet ik toezien hoe mannen in uniform haar er van af trekken, haar opvangen. Als ze weer op eigen benen staat, schikt ze haar mantelpakje en hoedje.Alsof het allemaal niet heeft plaatsgevonden.

Zowat de hele familie aanwezig. Alleen Egbert niet. Egbert, die mag niet terug. Zelfs niet van de koningin. Voor niets mijn kop gebroken over al die mooie zinnen. Voor niets geschreven, die brief. Pluimers is hetzelfde overkomen, maar hem is het wel gelukt.Als je maar geld hebt. Zo zit de wereld dus in elkaar. Egbert moetdaar blijven. Terwijl er nota bene elke week een Dakota over en weer vliegt om voor die jongens post te brengen en op te halen. Had ie zo meegekund. Gratis. En sneller dan met dat schip waarmee ie vertrokken is.

Heike. Mijn Heike. Ze is mager, zo mager. De kanker heeft haar helemaal uitgeteerd. Je hebt het geweten, hè? Dat je de ziekte onder de leden had?Je wist het al toen Egbert ons zei dat ie naar Indië wilde.

Het is een miezerige dag. Echt een dag voor begrafenissen. Sinds zij is overleden, heb ik bijna geen woord meer gesproken. Ik laat geen traan, en al helemaal niet met familie om mij heen.

Josien heeft zich aan mijn zij gevoegd. Arm in arm stappen we voort. Ze vraagt of het gaat. Ik houd mijn mond. Bang dat er in plaats van woorden een hoop geschreeuw uit zal komen.

Ik had het tegen de bomen op willen schreeuwen, daar op de begraafplaats. Ka, ka, ka! Maar ik hield mij in. Bang dat daarna ook de rest zou volgen en dat ze me dan konden afvoeren naar het gesticht.

Eervolle vermelding (2) – 'De herinnering'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Christie Haalboom

Ik ben doorweekt. Mijn lichaam schudt, van de kou. Maar ook van de shock. Ik zie mezelf staan, mijn ogen leeg, ik weiger de film die zich in mijn hoofd afspeelt te zien. Ik zou naar huis moeten gaan, om te douchen, me om te kleden, maar ik kan me niet bewegen. En dus blijf ik staan. Bibberend. Koud. Doods.

Zelfs in de schaduw drogen mijn kleren snel. Mijn jongens-kleren maken zich weer langzaam los van mijn lijf. Het zichtbare bewijs dat ik een meisje ben verdwijnt langzaam onder de blouse van mijn vader. Mijn gezicht blijft nat. Angstzweet. Mijn lijf rilt nu nog slechts lichtjes en de film in mijn hoofd begint te focussen. Ik knipper met mijn ogen en wil weer zien. Dat wat er om me heen gebeurt. Niet datgene wat ik een half uur geleden zag gebeuren.

Ik zie de boom wuiven naar de zon. De zonnestralen spelen een spel met de takken en bladeren. Het leidt me af. Ik blijf er net zo lang naar kijken tot ik alleen nog maar rode vlekken zie.

Als de zon onder gaat moet ik toch echt naar huis. Met weke benen loop ik naar de enige plek waar ik veilig ben. Hoewel dat ook te betwijfelen valt. In de verte zie ik de palmboom, die naar ons huis wijst. Maar vaders motor staat er niet tegenaan. Hopelijk kan ik ongezien naar binnen glippen. Ik wil nu even niemand spreken. Ik vertrouw mijn stem niet.

De hond van de buren blaft, ik hoor de baboe vloeken. Ik klim door het raam mijn slaapkamer binnen. Hoewel de plek vertrouwd is, voelt het niet zo. Ik kom niet tot rust. Kan nog steeds niet ademhalen. Was dit één van die momenten die je leven voorgoed veranderen? Ik dacht dat de oorlog dat al had gedaan, maar ik had het mis. Nu weet ik pas echt in wat voor wereld we leven…

Ik trek mijn pyjama van Chinese zijde aan en stap in bed. Ik kan mijn draai niet vinden en heel even voelt de gladde stof aan als het zachte water van de vijver. De herinnering trekt me het duister in. Ik val in slaap. Mijn droom begint zoals vanochtend. Omdat ik weet hoe deze dag eindigt dwing ik mezelf ergens anders te zijn in mijn droom. Ineens ben ik omringd door wit. Het is… Sneeuw? Ik heb het nog nooit in het echt gezien. Ik heb het koud en begin te bibberen. En direct sta ik weer nat onder de boom. De rode vlekken van de zon, worden vuur bollen die naast me neer vallen. Het is beangstigend, ik sta aan de grond genageld. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Nee! Ze hebben me gevonden! Ik gil en wordt wakker en kijk in de bezorgde blik van mijn moeder.

Haar gezicht is zo onwerkelijk sereen dat ik even denk dat ik in de hemel ben. Maar langzaam besef ik dat ik rechtop in bed zit. Thuis. Mijn moeder begint zachtjes te zingen. “Terang bulan…”

Ik begin te huilen. Mama zegt dat het maar een droom was. Was het maar waar. Ze moest eens weten. Maar ik kan het haar niet vertellen. Niemand niet. Als ik er niet over praat wordt de herinnering misschien een nachtmerrie. Gaandeweg zal ik gaan geloven dat het niet is gebeurd. Dat ik het niet werkelijk heb gezien.

Mijn moeder dekt me opnieuw toe. Ik val weer in slaap. Dit keer droom ik dat ik aan het rennen ben. Ik vlucht. Buiten adem word ik wakker. De geur van pisang goreng laat me opstaan. Stilletjes ontbijt ik met mijn ouders. Mijn vader stelt voor samen te gaan wandelen. Ik stem toe. Nee zeggen, zou argwaan opwekken. En samen met hem kan me niks gebeuren.

In mijn herenkleding stappen we samen de zon in. Een buitenstaander zou zeggen: kijk, een vader met zijn zoon. Ik probeer mannelijk te lopen, het ziet er vast gek uit. Mijn vader leidt me onbewust naar die bewuste plek. Ik probeer nog een andere route te nemen, maar hij houdt van de vijver. De schoonheid van de lelies. Het grafische patroon die de lelie-bladeren vormen.

Ik loop langs de boom waarachter ik me schuil hield. Langs de plek waar ik mezelf uit het water hees. Het grafische patroon van de bladeren is verstoord, merkt mijn vader op. Zonde, zeg ik. Dat ik de oorzaak ben, laat ik achterwege. Er staan drie bankjes, mijn vader wil op de middelste plaatsnemen, maar ik trek hem naar het laatste bankje. Het stugge gras onder het middelste bankje is ruw platgetrapt. Een van de subtiele aanwijzingen naar wat gister heeft plaatsgevonden. Een stukje witte stof is achter een spijker blijven haken. Mijn vader valt het niet op. Voor hem is dit een moment om zijn zorgen even te laten varen. Twintig minuten geen oorlog. Ontspan toch, zegt hij me, mijn ongemak aanvoelend. Ik lach. Mijn lach is nep.

Ik hoor een gil en schrik. Maar mijn vader heeft niets gehoord. De herinnering dringt zich weer aan me op. Ik sta op en loop naar de waterkant. Het donkere water. Mijn schuilplek met een dak van leliebladeren. Onder water zie je meer dan je verwacht. Meer dan je wil zien… De zon laat je de stevige lelie-stelen zien. Kleine visjes die afkomen op het bloed dat uit het afgehakte hoofd stroomt dat net naast je in de vijver is geplonsd. Het bloed dat sierlijke kronkelt onder water. Grote, dode ogen vangen een lichtstraal op. Ze kijken me recht aan. Verkrachte en vermoorde ogen… Voor altijd in mijn herinnering gegrift.

Eervolle vermelding (1) – 'Verloren gewaande gedachten'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Nikolai Bloem

Noordwijk, 1982

Toen hij de loop van het pistool tegen zijn slaap voelde, dacht Leon: natuurlijk, neem mij maar. Het was lang geleden dat hij zo was overgeleverd aan het geweten van een ander, maar tot zijn eigen verrassing voelde het bijna vertrouwd. Hij trilde niet. Hij kon rustig ademhalen. Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Hij keek naar zijn collega’s. Kijk ze nou eens liggen, dacht hij. Als er wat te halen viel doken ze er als haantjes bovenop, maar nu het even spannend werd kropen ze als bange muisjes weg. Hans, die als leidinggevende graag de touwtjes in handen had, lag nu hulpeloos op zijn buik op de grond. De handen op het achterhoofd gevouwen. Jos zag hij niet.

Langzaam, zonder zich te bewegen, liet hij zijn blik naar de andere kant glijden. Hij keek over de bureaus in de kantoorruimte waar hij werkte, langs de hoge ramen die uitkeken over de statige huizen aan de Voorstraat en het Lindenplein, naar de loketten. Bij het rechterloket was de alarmknop, onder de balie. Hij zag Paul zitten, helemaal links, te ver van de knop vandaan. Paul was bleek en leek verstijfd van angst, niet in staat om het gevaar te trotseren en er naartoe te lopen.

Het moet moeilijk voor hem zijn, dacht Leon. Het was nog maar twee jaar geleden dat Paul bijna in zijn eentje een overval had weten te verijdelen. Toen was er één overvaller, met wat later bleek een neppistool. De overvaller had zijn pistool door de smalle opening van het veiligheidsluik heen op Paul gericht. Paul had geen moment geaarzeld en de arm van de overvaller vastgegrepen. De overvaller probeerde zijn arm los te trekken, maar Paul hing er bijna aan. Twee klanten schoten te hulp en even later kon de man aan de politie overgeleverd worden. Paul werd bejubeld als de held van de dag. Hij kwam met een foto in de Zeekant, het plaatselijke weekblad. Zou Leon vandaag de held worden? Met Paul was het daarna niet goed gegaan. Hij sliep nauwelijks, telkens weer zag hij het beeld voor zich van de overvaller die het pistool op hem richtte. Twee weken later was hij ingestort. Het had weken geduurd voordat hij weer volledig kon werken.

Nu waren er drie overvallers. De een hield de klanten onder schot, twee oudere vrouwen. De twee andere waren over de glazen wanden van de loketten gesprongen. De wanden waren ruim drie meter hoog, maar liepen niet door tot aan het plafond. Bij de laatste verbouwing van het monumentale pand was er wel op veiligheid gelet, maar niemand had er rekening mee gehouden dat iemand het in zijn hoofd zou halen om over de wanden heen te klimmen. Op ongeveer eenderde was de rand van de balie waar ze zich konden afzetten, maar dan nog was het zeker niet gemakkelijk. Leon wist niet of hij het zou kunnen. Hij was maar klein.

Een van de twee mannen was naar Jos gelopen en had hem omver geduwd. “Allemaal op de grond,” schreeuwde hij. De ander was direct op Leon afgelopen. “Kluis openmaken,” beval hij. “Jij hebt de sleutels.” Blufte hij, of wist hij echt dat Leon de financiële man was en vaak de sleutel bij zich droeg? Hadden ze hem geobserveerd, of waren ze geholpen door iemand die het postkantoor kende?

De overvaller duwde het pistool harder tegen zijn slaap om Leon naar de kluis te bewegen. “Maak open,” blafte hij. Leon durfde niet naar hem te kijken. Hij had hem even kunnen zien, toen de man op hem afkwam. Hij had iets over zijn gezicht, een sok of een bivakmuts, hij kon het niet zeggen. Donkere kleren had hij aan, maar welke kleur? Hij wist het niet, daarvoor was het allemaal te snel gegaan. Langzaam pakte Leon de sleutelbos uit zijn broekzak. Er zaten drie sleutels aan. Hoe lang zou hij het kunnen rekken? Zou hij net doen alsof hij niet meer wist welke het was? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

“Opschieten aap, of ik schiet je door je harses.” Aap, dat had hij lang niet meer gehoord, zeker niet zo direct. Hij keek of hij Jos zag liggen. Een paar jaar geleden, had hij hem tegen de bestellers horen zeggen: “Die aap is echt een muggenzifter.” Leon, die net de bestellersruimte binnen wilde lopen, had zich stilletjes omgedraaid en was weggelopen. Niemand had hem gezien of gehoord. Laat ze maar praten, had hij gedacht. En dan die keer op een vrijdagmiddag toen ze met de bestellers op het kantoor een biertje dronken. Jos had pinda’s naar hem gegooid. “Pinda, pinda,” riep hij. De bestellers lachten hard. Leon had zich vernederd gevoeld, maar gaf geen krimp. Het was jaloezie, wist hij. Ze waren in rang elkaars gelijke en dat kon Jos moeilijk hebben. Een totok die geen Indo naast zich duldt. Zijn vader had het meegemaakt, en hijzelf ook, niet alleen toen ze net in Nederland waren, maar nog steeds. Vanuit een ooghoek zag hij twee bruine instappers onder een bureau uitsteken. Jos had zich goed verstopt.

Leon stak de sleutel in het slot en draaide hem om. De kluis werd elke week geleegd. Er lag niet meer in dan een paar duizend gulden. Waarom niet op een eerlijke manier je geld verdienen? Zelf had hij niets te klagen. Hij had een goede baan. Dione werkte ook nog drie dagen. Echt rijk waren ze niet, maar ze hadden het goed. Voor het geld hoefden ze niet veel te laten. Een huisje in Frankrijk was een wens van Dione. Een reis naar Indonesië, dat zou Leon nog willen. Als ze bleven sparen zoals nu, zou het allemaal kunnen. En dan hadden ze ook nog geld opzij gelegd, zodat Robbie en Dewi later konden gaan studeren.

Een klik en de kluis was open. De overvaller duwde hem opzij en trok de deur verder open. Leon zag nu dat hij een boodschappentas van Albert Heijn bij zich had. De man hield de tas open tegen de bovenste plank. Met een grote haal schoof hij de bundeltjes erin. Daarna begon hij aan de volgende plank. Kieskeurig was hij niet. Ook de kokertjes met dubbeltjes en stuivers gingen mee, net als documenten waar ze niets aan zouden hebben.

Leon liep langzaam achteruit. Hij was niet meer interessant voor de overvaller, dus hij kon maar beter zorgen buiten zijn bereik te komen. Zonder zijn ogen van de overvaller bij de kluis af te houden, schuifelde hij achteruit. Zou hij ook gaan liggen? Nee, hij moest kunnen getuigen. Nu kon hij de man goed bekijken. Hij was vrij lang en stevig gebouwd. Over zijn hoofd droeg hij een zwarte bivakmuts. Verder droeg de man een blauw nylon jack van Adidas, en sportschoenen van hetzelfde merk. De schoenen waren oud en vies, maar hij herkende ze meteen, Nastase. Robbie had ze ook willen hebben, maar dat mocht niet van Leon en Dione. Zolang de kinderen nog in de groei waren, kregen ze geen sportschoenen. Verder droeg de overvaller een spijkerbroek en witte sportsokken. Leon prentte het in zijn geheugen, zodat hij hem later zou kunnen herkennen. Hij probeerde zicht te krijgen op de andere overvaller, maar hij zou zich helemaal moeten omdraaien om hem te kunnen zien en dat leek hem niet verstandig. Hij stond nu bij zijn eigen bureau. Langzaam liep hij erom heen, zodat hij niet in de vluchtweg van de overvaller kwam te staan. Het was een meter of vier naar de alarmknop. Zou hij het proberen? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Met een laatste armhaal was de kluis leeg. De overvaller sprong op en rende langs Leon, alsof hij er niet stond. Hij leek een aanloop te nemen om via de balie weer over de glazen wand te springen, maar plotseling stond hij stil en draaide zich om. Hij hief zijn pistool. Leon keek nu recht in de loop. Wat ging hij doen? Leon voelde een hevige aandrang om te poepen. Drie hartslagen werden er één. Daar stond hij weer, dacht hij, net als in het kamp. Verloren gewaande gedachten teisterden zijn
hoofd. Maak je onzichtbaar, wees nederig… Hij boog zijn hoofd langzaam naar de grond, maar bleef door zijn oogharen naar de overvaller kijken. De overvaller keek niet naar hem, maar naar iets dat achter hem gebeurde. Zou hij zich omdraaien? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Op dat moment klonk er een daverende knal. Een knal die zijn schedel deed kraken. Een echo ervan dreunde door tot in zijn buikwand. Hij wilde steun zoeken op zijn bureau, maar hij kon zich niet meer bewegen. Zijn ruggenwervel voelde als een metalen staaf in zijn bovenlichaam. Zijn benen voelde hij niet meer. Het leek alsof hij zweefde. Zijn mond was droog. Hij had dorst. Hij voelde zijn hoofd. Het deed pijn. Allemachtig veel pijn.

Waar was iedereen? Help mij… HELP MIJ… Membantu saya…

De winnaars: Roanne van Voorst en Baukje Zijlstra

Amsterdamse en Arnhemse winnen Indische schrijfwedstrijd

Den Haag, 22 maart 2013

De Amsterdamse Roanne van Voorst (29 jaar) heeft de juryprijs gewonnen in schrijfwedstrijd De Indische Bladzijde, over het Indische verleden van Nederland. Baukje Zijlstra (45) uit Arnhem heeft de publieksprijs gewonnen. De wedstrijd werd georganiseerd door online Indisch platform Indisch 3.0, dat zichtbaar wil maken hoe de Indische cultuur een structurele plek heeft ingenomen in Nederland anno 2013. Van Voorst overtuigde de redactie van Indisch 3.0 en juryvoorzitter Eveline Stoel, schrijfster van de succesvolle Indische familiegeschiedenis Asta’s ogen, met haar verhaal Een e-mail vol herinneringen. Zijlstra wist 70% van de stemmen van het publiek voor zich te winnen met haar inzending Grenadine.

Boekenweek 2013
De schrijfwedstrijd Indische Bladzijde werd geïnspireerd door het thema van de huidige boekenweek: ‘Gouden tijden, zwarte bladzijden. De schrijfwedstrijd werd georganiseerd om verhalen over het Indische verleden van Nederland te verzamelen. Eveline Stoel: “De Nederlands-Indische geschiedenis sluit naadloos aan bij het Boekenweekthema en dat was te merken aan de inzendingen. Mooie herinneringen aan het tropenleven werden afgewisseld met verhalen over Hollandse soldaten die werden uitgezonden naar de politionele acties. Omdat sommige verhalen werden verteld vanuit ‘bruin’ en andere vanuit ‘blank’ perspectief, levert het totaal aan inzendingen een veelzijdige geschiedenis op.”

Winnaar juryprijs
Een e-mail vol herinneringen gaat over een grootvader, die onverwacht en ongewild wordt herinnerd aan zijn jeugd in Indië, wanneer zijn dochter op reis gaat naar Indonesië. Juryvoorzitter Eveline Stoel over het winnende verhaal: “Het befaamde ‘Indische zwijgen’ wordt raak weergegeven in dit verhaal. Tegelijkertijd toont de schrijfster een glimp van het verleden waardoor dat zwijgen is veroorzaakt. Ongetwijfeld een herkenbaar relaas voor mensen met een Indische achtergrond én voor kleinkinderen met een zwijgzame grootouder.”

Winnaar publieksprijs en extra prijs
Eveline Stoel over Grenadine van Baukje Zijlstra: “Een Hollands meisje ontdekt dat niet alleen haar Indische buren, maar ook haar eigen vader een Indische geschiedenis heeft. In feite is het een mini-geschiedenislesje. Het is een knap opgebouwd verhaal, met gouden én zwarte randjes.” Eugene Ammann heeft hiermee automatisch de extra prijs gewonnen met De patrouille.

De prijzen
Uit ruim 90 inzendingen koos de jury de winnaar van de juryprijs en extra prijs. Het publiek koos de winnaar van de publieksprijs. De verhalen van de juryprijs en publieksprijs zullen in mei te lezen zijn op www.indisch3.nl, na verwerking van feedback van Eveline Stoel én prijswinnende auteur Gustaaf Peek (Armin; Dover; Ik was Amerika). Roanne van Voorst wint naast publicatie en persoonlijke feedback op haar verhaal ook een gesigneerd Indisch boekenpakket, met boeken van onder anderen Adriaan van Dis en Alfred Birney. Baukje Zijlstra wint naast publicatie en persoonlijke feedback op haar verhaal een gesigneerde, luxe editie van Asta’s Ogen en een schrijverspakket, aangeboden door Writers Plaza. Eugene Ammann heeft een proefabonnement op Schrijven Magazine gewonnen.

Eervolle vermeldingen
Eveline Stoel koos verder nog drie eervolle vermeldingen: Nikolai Bloem, Christie Haalboom en Henk Rouw vielen die eer ten deel. Hun verhalen zullen volgende week op www.indisch3.nl te lezen zijn. De drie eervolle vermeldingen en de drie hoofdprijswinnaars ontvangen allemaal een exemplaar van Schrijven Magazine, aangeboden door Schrijven Online.

Over de schrijfwedstrijd
Indisch 3.0 is een online Indisch platform (www.indisch3.nl), opgericht door Indische jongeren van de derde generatie. De schrijfwedstrijd is mede mogelijk gemaakt door Writers Plaza, Schrijven Online en de uitgeverijen van de boeken van Adriaan van Dis en Alfred Birney, Boekoe Bangsa en Asta’s Ogen (luxe editie).

Nog één keer: schrijfwedstrijd Indische Bladzijde

Publicatie eervolle vermeldingen

Uit de 90 inzendingen voor de schrijfwedstrijd ‘Indische Bladzijde’, koos juryvoorzitter Eveline Stoel drie eervolle vermeldingen, “misschien nog wel beter dan de drie winnende verhalen!” Wij hebben genoten van die inzendingen, van Nikolai Bloem, Christie Haalboom en Henk Rouw. Daarom publiceren we die volgende week op Indisch3.nl.

Maandag komt het verhaal van Nikolai Bloem (“Verloren gewaande gedachten”), dinsdag het verhaal van Christie Haalboom (“De herinnering”) en we sluiten de reeks af met het verhaal van Henk Rouw (“Afscheid”).

De drie winnende verhalen nog eens nalezen? Kijk dan op de stempagina, waar bezoekers hun stem uitgebracht hebben voor de publieksprijs. Wij kijken met grote tevredenheid terug op onze tweede schrijfwedstrijd. We hebben van veel deelnemers gehoord dat zij, door deze wedstrijd, voor het eerst het verhaal van hun familie op zijn gaan schrijven. Wij organiseren volgend jaar weer een schrijfwedstrijd. Voor nu: blijf vooral schrijven!

Indische Bladzijde: de prijswinnaars

De definitieve uitslag

Eerder deze week sloot de poll, waarmee jij kon stemmen op de winnaar van de publieksprijs van schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Ook plaatsten we  een toelichting van juryvoorzitter Eveline Stoel. Veel is dus al bekend, maar niet wie de juryprijs en de extra prijs gewonnen hebben. Omdat we een online platform zijn, hebben we besloten de bekendmaking van deze uitslag via internet plaats te laten vinden, in een exclusief video-interview met Eveline Stoel.

Meer prijzen!

In tegenstelling tot eerdere berichten, geven we meer prijzen weg dan we hadden gedacht! De prijswinnaars Roanne van Voorst, Baukje Zijlstra en Eugene Ammann krijgen alledrie persoonlijke feedback op hun verhaal van Eveline Stoel én Gustaaf Peek, in een kroeg en op een nader te bepalen datum. De boekenpakketten en andere prijzen ontvangen zij in de loop van volgende week. Verder krijgen àlle prijswinnaars een exemplaar van Schrijven Magazine, aangeboden door Schrijven Online. Dit geldt óók voor de eervolle vermeldingen. De eervolle vermeldingen krijgen bovendien, net als de drie prijswinnaars, publicatie van hun verhaal op www.indisch3.nl. Gefeliciteerd, allemaal!

Over de schrijfwedstrijd

Schrijfwedstrijd Indische Bladzijde van Indisch 3.0 vond plaats in het kader van de Boekenweek 2013: ‘Gouden tijden, zwarte bladzijde.’ Zij is mede mogelijk gemaakt door Eveline Stoel/ Bureau Stoel, Gustaaf Peek, uitgeverij Nijgh en Van Ditmaruitgeverij Terra-Lannoo, Alfred Birney, uitgeverij Atlas Contact, Remona Poortman, WritersPlaza en SchrijvenOnline.

Over de uitslag van 'Indische Bladzijde'

Eveline Stoel kiest drie eervolle vermeldingen bij schrijfwedstrijd

Maandag was de laatste dag dat jullie konden stemmen op het verhaal dat de publieksprijs verdiende in de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde van online platform Indisch 3.0. Met 70% van de stemmen heeft Grenadine van Baukje Zijlstra deze prijs overtuigend gewonnen. Aanstaande vrijdag maken we bekend wie de andere twee prijzen gewonnen hebben. Vandaag maken we bekend hoe juryvoorzitter Eveline Stoel tot haar keuze gekomen is. En wie, verrassing, de drie eervolle vermeldingen zijn.

De drie winnende verhalen zijn:

De patrouille – E. Ammann
Een e-mail vol herinneringen – Roanne van Voorst
Grenadine – Baukje Zijlstra

Juryvoorzitter Eveline Stoel:
“Drie verhalen die je, ieder vanuit een ander vertelperspectief, dichtbij de Nederlands-Indische geschiedenis brengen. We zien de Hollandse soldaat op leeftijd, die – met de kennis van nu – terugblikt op zijn tijd in Indië. Een Indische grootvader die door zijn kleindochter wordt geconfronteerd met het weggestopte verleden. En een Hollands meisje dat ontdekt dat niet alleen haar Indische buren, maar ook haar eigen vader een Indische geschiedenis heeft. In feite zijn het drie mini-geschiedenislesjes. Knap opgebouwde verhalen, met gouden én zwarte randjes.”

Indische Bladzijde (c) Remona Poortman / Indisch 3.0 2012
Indische Bladzijde (c) Remona Poortman / Indisch 3.0 2012

Eervolle vermeldingen zijn er ook! Die gaan naar:

Afscheid – Henk Rouw
Verloren gewaande gedachten – Nikolai Bloem
De herinnering – Christie Haalboom

Juryvoorzitter Eveline Stoel:
“Deze verhalen pakten me alle drie vanaf de eerste zin. Afscheid wordt verteld vanuit het perspectief van een vader die zijn zoon naar de politionele acties in Indië ziet vertrekken. Het spannende Verloren gewaande gedachten gaat over een Indische man die tijdens een bankoverval wordt herinnerd aan zijn kampverleden. En De herinnering beschrijft een meisje dat tijdens een duik in een vijver een onthoofd hoofd ziet. Zeer goed geschreven, jammer dat we niet zes winnaars kunnen uitroepen!”

Naschrift van de redactie: we kunnen inderdaad helaas geen zes winnaars uitroepen. Maar we hebben van een van onze sponsors een extra prijs gekregen, die de winnaars en eervolle vermeldingen na aanstaande vrijdag zullen ontvangen.

Indische bladzijde: de drie winnende verhalen

Jij bepaalt de winnaar van de publieksprijs

De inzendingen voor de schrijfwedstrijd ‘Indische bladzijde’ bleven binnenkomen, ook na het sluiten van de deadline. We konden het niet over ons hart verkrijgen om die verhalen, die vaak voor het eerst en met veel schroom op papier gezet waren, buiten te sluiten. Dus die zijn ook meegenomen, wat het totaal aan ingezonden verhalen op ruim 90 heeft gebracht.

Vanwege ziekte en onvoorziene pc-problemen staan de nominaties een dag later dan gepland op onze website. Daarom verlengen we de stemperiode met een dag: jullie kunnen tot en met maandag 11 maart 2013 bepalen welk verhaal de publieksprijs wint.  Op 15 maart a.s. maken we bekend wie de publieksprijs de juryprijs en de extra prijs hebben gewonnen.Wat viel er ook alweer te winnen?

Met veel plezier presenteren we jullie hierbij de drie genomineerde verhalen. De schrijvers hiervan vallen sowieso in de prijzen. Dus: gefeliciteerd!  Om de stemming niet te beïnvloeden  bewaren we dit keer de feedback tot na de stemrondes.

De genomineerde verhalen

1. De patrouille – E. Ammann Download het verhaal

2. Een e-mail vol herinneringen – Roanne van Voorst Download het verhaal

3. Grenadine – Baukje Zijlstra Download het verhaal

Gelezen? Stem dan nu op het verhaal voor de publieksprijs.

Sorry, there are no polls available at the moment.

Deadline Schrijfwedstrijd verstreken

Meer dan 80 verhalen verteld

Vannacht om 00.01 uur is de deadline verstreken om jullie verhalen voor de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde in te sturen. Mede door de aandacht die Trouw aan onze schrijfwedstrijd besteedde in het artikel De verzwegen verhalen van ‘ons’ Indië (20/2/13), hebben wij de afgelopen dagen nog eens extra veel inzendingen ontvangen.

In totaal zijn er meer dan 80 verhalen boven komen drijven. We hebben begrepen dat veel mensen door deze schrijfwedstrijd voor het eerst hun Indische verhaal aan het ‘papier’ hebben toevertrouwd. Die doelstelling is alvast geslaagd.

De jury en de redactie zullen zich nu de ruim 80 inzendingen buigen en drie verhalen selecteren die kans maken op de juryprijs, de publieksprijs en de extra prijs. De top 3 verhalen zijn vanaf 4 maart 2013 op deze website te lezen. Vanaf dan bepalen jullie welke van deze drie verhalen de publieksprijs verdient.

Hou de website op 4 maart a.s. dus goed in de gaten en laat je lezersstem klinken! Alle inzenders: bedankt voor het insturen van jullie prachtige verhalen.

Illustratie (c) Remona Poortman / Indisch 3.0 2012
Illustratie (c) Remona Poortman / Indisch 3.0 2012

Interview met Eveline Stoel

‘Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen?’

Eveline Stoel (1971) is journalist en schrijfster van Asta’s ogen, het waargebeurde verhaal van haar Indische schoonfamilie. Asta’s ogen ging tot nog toe 50.000 keer over de toonbank en de filmrechten zijn inmiddels verkocht. In maart verschijnt een luxe, gebonden editie van het boek, aangevuld met stamboom en register. Exemplaren van deze luxe-editie zijn opgenomen in de prijzenpakketten van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde, waarvan Eveline tevens de juryvoorzitter is. Met de wedstrijd volop in gang, stel ik Eveline enkele vragen over haar motivatie om plaats te nemen als juryvoorzitter en over haar schrijverschap.

Waarom heb je toegestemd om plaats te nemen als juryvoorzitter van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde?
‘Eigenlijk houd ik niet van oordelen over het werk van anderen, maar dit initiatief steun ik graag. Hoe meer Indische verhalen worden vastgelegd, hoe beter, want het aantal mensen dat uit eigen ervaring kan vertellen, wordt natuurlijk steeds kleiner. Voor mijzelf was schrijven het perfecte excuus om de ooms en tantes van mijn Indische vriend het hemd van het lijf te vragen – wat ik daarvoor nooit durfde. Het zou mooi zijn als deze wedstrijd hetzelfde effect heeft. Ik hoop dat mensen worden aangemoedigd om hun eigen Indische geschiedenis op te schrijven, of om vragen te stellen aan familieleden van wie zij vermoeden dat ze boeiende, grappige of mooie verhalen hebben.’

Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk
Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk

Wat is voor jou het de meerwaarde van de schrijfwedstrijd?
‘Bijzonder aan deze wedstrijd is dat hij niet alleen is opengesteld voor Indische jongeren, maar ook voor oudere generaties en voor Hollanders met Indische verhalen. Dat kan een interessante kruisbestuiving opleveren. Toen ik over mijn Indische schoonfamilie schreef, begon mijn Hollandse vader opeens te vertellen over de Indische kinderen die in de jaren vijftig bij hem in de klas werden gezet, en hoe daar tegenaan werd gekeken door de ‘Hollanders’. Zulke insider-verhalen wekken geschiedenis tot leven. Ook tijdens lezingen vertellen mensen mij de bijzonderste dingen. Zoals de soldaat die werd uitgezonden tijdens de politionele acties en daar zestig jaar niet over sprak. Indische omaatjes die kokkies gewend waren, vertelden hoe ze in Nederland ineens zelf moesten koken – met Hollandse ingrediënten. En ik ontmoette keurige Hollandse vrouwen die in de jaren zestig smoorverliefd waren op Indische nozems. Geweldig. Ik denk dat het delen van álle Indische verhalen meer toekomst heeft dan alsmaar onderscheid blijven maken tussen Indo- en Belandaverhalen. Alleen door ze allemáál te vertellen, ontstaat een volledig beeld van de Nederlands-Indische geschiedenis.’

‘Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet.’

Voor Asta’s ogen heb je veel mensen geïnterviewd, hierdoor had je veel ruw materiaal om uit te putten. Hoe maakte je hierna een begin met het schrijven van het verhaal?
‘Ik vind het spannend om te schrijven zonder vastomlijnd plan, maar in je achterhoofd moet je natuurlijk ongeveer weten waar het verhaal heen gaat. Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet. Zelf ben ik begonnen met het lezen van geschiedenisboeken, zodat ik van te voren wist welke historische feiten ik wilde laten samenvallen met Asta’s verhaal. Daardoor kon ik tijdens de interviews gericht vragen stellen, wat een hoop overbodige informatie scheelt. Toen duidelijk was wat de krenten in de pap waren en waar de omslagpunten in de familiegeschiedenis zaten, heb ik die gebruikt als ‘boeien’ waar ik het verhaal omheen schreef.’

Asta's Ogen - Eveline StoelWat deed je als je vastliep tijdens het schrijven? Heb je tips om weer op gang te komen als het schrijven even niet wilt vlotten?
‘Tja, dat is een beetje een raar verhaal. Ik had tijdens het schrijven een foto van Asta op mijn bureau staan en als ik vastliep of informatie niet kon vinden, vroeg ik haar om hulp. Het begon als grapje, maar het wérkte. Zo heb ik eens urenlang gezocht naar een anekdote over de sultan van Solo die ik ergens had gelezen en in mijn boek wilde verwerken. Uiteindelijk keek ik zuchtend naar Asta, waarna ik sterk voelde dat ik een bepaald boek moest pakken. Ik sloeg het open en zag precies de pagina die ik nodig had. Sindsdien durf ik niet meer zo stellig te beweren dat goena-goena onzin is. Voor de minder bijgelovigen: ga een blokje om en laat het verhaal even los, of ga verder bij een gedeelte waarvoor je wél inspiratie hebt. Zo ben ik met Asta’s ogen begonnen bij hoofdstuk zes, als de familie aankomt in Nederland. Toen dat af was, werd direct duidelijk wat ik daarvóór en daarna moest vertellen.’

Heb je tips voor de mensen die graag een verhaal in willen sturen voor de schrijfwedstrijd, maar nog geen onderwerp hebben?
‘Kijk in familiefotoboeken, vraag naar de herkomst van Indische snuisterijen of ga samen Indisch koken met een ouder of grootouder. De kans is groot dat ze dan vanzelf beginnen te vertellen. Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen? De antwoorden op die vragen zullen je naar jouw verhaal leiden. Dan hoef je het alleen nog maar op te schrijven.’

Meer weten over de schrijfwedstrijd? Bekijk dan hier de aankondiging van Indische Bladzijde.