In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Henk Rouw

Ze zijn bij me langs geweest. Dat was wel zo netjes, in plaats van een brief. Dat de rechten binnenkort zullen komen te vervallen en of ik het goed vond om het graf te laten ruimen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen. Die beslissing moeten anderen maar nemen, wanneer ik er zelf niet meer ben. Nee, je blijft daar nog maar even rusten hoor. Al kom ik er bijna nooit meer, je bent zo altijd nog een beetje dicht bij me.Daar hebben de jaren geen vat op gekregen. De herinneringen zijn nog zo vers, het mag een wonder heten dat ik in al die jaren mijn verstand niet verloren heb.

In de bus wil Heike per se naast Egbert zitten. Maar Josien heeft de plek al ingenomen en voert ter verdediging aan: ‘Ik ben ten slotte zijn verloofde.’
Heikes borst gaat op en neer. ‘Ja, maar ik zie hem nooit meer terug.’

‘Als u hem nooit meer terug ziet, zal ik hem ook nooit meer terug zien.’

‘Je begrijpt er weer helemaal niets van!’

‘Kom nou maar hier zitten,’ zeg ik. ‘Naast mij. Met ruzie lossen we niks op.’

De bus zet zich in beweging. Egbert draait zich naar ons om. ‘Ik ben heus wel van plan om weer terug te komen, hoor. Ik zal voorzichtig zijn.’

‘Daar heb je anders de afgelopen jaren niets van laten blijken’, vaart Heike tegen hem uit. ‘Moffen pesten. Jonge vogeltjes uit nesten halen. Kleine kinderen aan het schrikken maken. Altijd vol kattenkwaad.’

Ik pak haar hand beet en knijp er in. Ze kijkt me aan. In haar ooghoeken glinstert vocht. Nurks wendt ze haar hoofd naar Josien, die zich tegen Egbert heeft aan gevleid.

Nu ze hals over kop verloofd zijn en hij ons voor langere tijd gaatverlaten – ja, nu wil ze hem helemaal voor zichzelf. Daar mag zijn moeder niet meer tussen komen. Het is een heel knap ding, Josien. Met die ronde wangen en die diep liggende ogen en roestbruine krullen. Verstand zal ze ook wel hebben. Maar een beetje respect voor zijn moeder?

Heike schiet vol. Ik leg haar hoofd tegen mijn schouder. Ze trilt over haar hele lijf. Ik vraag hem: ‘Zul je voorzichtig zijn, Egbert? Beloof je ons dat je voorzichtig zult zijn?’

‘Dat heb ik toch al gezegd?Ik beloof het jullie. Met de hand op mijn hart.’

Josien geeft geen kik. Het zal wel onwetendheid zijn, naïviteit. Ze is nog maar negentien. Wat weet zij van het leven? Maar hebben ze daar bij haar thuis dan de oorlog niet meegekregen? Daar in haar dorp moet toch ook wel het een en ander zijn gebeurd?

Egbert stoot haar aan. Even later maken haar roestbruine krullen een zwaai. ‘Ach, wat dom van me,’ zegt ze. ‘Neem me niet kwalijk. Dat ik alleen maar aan mezelf dacht. De volgende keer, zodra de bus stoptmag u wel naast uw zoon zitten, hoor.’

Maar de bus is vol en laat elke halte links liggen.

We rijden langs kapotgeschoten gebouwen de stad in en stoppen voor het treinstation, waar ook al niet veel meer van over is. Op de rails staat een tender loc met achter zich een hele serie oude personenwagons.

Er hangt hier een vette damp van kolen.En al die velekoppen. Jongens van amper twintig in uniform, aan hun voeten of heupen een plunjezak. Familie om zich heen. Ook velen met een liefje. Ik begrijp niet dat al deze jongens vertrekken. Ze moeten wel. Maar onze Egbert, die in eerste instantie was afgekeurd… Je had hem moeten zien. Kreeg geen eten meer door zijn keel. Had het gevoel dat ie zijn beste kameraad Jan Pluimers in de steek zou laten. Heike en ik keken elkaar aan. Het was goed zo. We hadden genoeg spannende tijden meegemaakt.Maar die jongen van ons, die was het er niet mee eens. Die liet zich herkeuren. En toen mocht ie gaan. Hoe vele uren ik niet met hem rond de tafel gezeten heb. Dat ie niet gaan moest.

‘Begrijp dan toch,’ zei hij, ‘ik heb vijf jaar achter mekaar in dit saaie dorp opgesloten gezeten en er viel niks te beleven, in al die vijf jaren niet. Voordat Josien en ik gaan trouwen, wil ik eerst nog wat van de wereld zien. Gun me toch die vrijheid.’

Maar waarom op deze manier? Er zijn er toch ook heel wat die liftend naar Frankrijk zijn getrokken, of naar Italië?Dat zou toch een veel beter idee zijn geweest?

Aangevoerd door een blaaskapel zijn ze door de hoofdstraten van de stad geparadeerd, nu staan ze hier weer allemaal in het gelid. Vanaf eentribune houden hoge militairen, de burgemeester en een afgevaardigde van de regeringeen toespraak. Over vaderlands’trots. Overordehandhaving en bevrijding. Over een hart onder de riem voor de achterblijvers, het thuisfront.

De blaaskapelzet het Wilhelmus in. Iedereen zingt mee. Ik kan me dat niet voorstellen. Dat al die ouders, familieledenen vriendinnen van die jongens daartoe in staat zijn.Meezingen. In plaats van meezingen, houd ik Heike stevig vast. Ze is kalm nu, ze trilt niet meer. Maar ik kan ruiken hoe ze onder haar mantelpakje zweet.

Applaus. Gejuich. Uit luidsprekers zingt Vera Lynn Till We Meet Again. Om ons heen wordt uitbundig en emotioneel afscheid genomen. Wij staan er een beetje onhandig naar te kijken. Josien en Egbert, ze glimlachen naar elkaar met schitterende ogen. Hij tilt haar op en doet een zwaai met haar in de rondte. Haar hakken scheren langs rokken en broekspijpen, vlug stappen we achteruit.

Ze zoenen als Hollywoodfilmsteren.

We generen ons een beetje, Heike en ik. Om dit van zo dichtbij mee te maken. Wang tegen wang staan ze daar op nog geen armlengte afstand.

Josien maakt zich los uit zijnliefkozing, streelt zijn uniform en geeft hem aan ons. Heike vliegt hem om de hals. Ze heeft haar gezicht tegen dat van hem aangedrukt, haar vingers klauwen zich vast in zijn uniform.

Dan laat ook zij hem los.

Hij wil me de hand schudden, begint een paar woorden te stamelen van ‘Nou, pa,’ maar ik kan het niet langer verdragen. Ik sluit hem in mijn armen, zeg: ‘Tot kijk, jongen. En denk er aan wat je ons beloofd hebt.’

De wagondeuren zijn gesloten. Uit de ramen hangen de koppen en armen van al die jongens. Overal om ons heen opgewonden stemmen. Alleen een baby op een arm huilt. Ja, en toch ook heel wat vrouwvolk.

Hoog boven ons staat Egbert in zijn neergeschoven raam. Naast hem: zijn kameraad Jan Pluimers.Egbert zwijgt en verdeelt zijn aandacht over Josien en Heike.

Dan blaast de tender loc een schelle fluittoon uit. De wagons stoten tegen elkaar aan, de jongens in hun uniformen verliezen bijna hun evenwicht. Ze lachen er om. Maar het moment is aangebroken. De wielen hebben zich in beweging gezet. De mensen om ons heen en de jongens in de wagons, zehalen hun zakdoeken tevoorschijn. Ze zwaaien er mee.

Alleen Egbert niet. Alsof hij zich op het laatste momentheeft bedacht. Stil kijkt hij mij aan.

Een duw tegen mijn ellenboog. Heike heeft zich van mij losgerukt. Ik volg haar twee stappen, terwijl ik mijn armen naar haar uitstrek en haar naam roep. Maar ze is al op de trein gesprongen. Machteloos moet ik toezien hoe mannen in uniform haar er van af trekken, haar opvangen. Als ze weer op eigen benen staat, schikt ze haar mantelpakje en hoedje.Alsof het allemaal niet heeft plaatsgevonden.

Zowat de hele familie aanwezig. Alleen Egbert niet. Egbert, die mag niet terug. Zelfs niet van de koningin. Voor niets mijn kop gebroken over al die mooie zinnen. Voor niets geschreven, die brief. Pluimers is hetzelfde overkomen, maar hem is het wel gelukt.Als je maar geld hebt. Zo zit de wereld dus in elkaar. Egbert moetdaar blijven. Terwijl er nota bene elke week een Dakota over en weer vliegt om voor die jongens post te brengen en op te halen. Had ie zo meegekund. Gratis. En sneller dan met dat schip waarmee ie vertrokken is.

Heike. Mijn Heike. Ze is mager, zo mager. De kanker heeft haar helemaal uitgeteerd. Je hebt het geweten, hè? Dat je de ziekte onder de leden had?Je wist het al toen Egbert ons zei dat ie naar Indië wilde.

Het is een miezerige dag. Echt een dag voor begrafenissen. Sinds zij is overleden, heb ik bijna geen woord meer gesproken. Ik laat geen traan, en al helemaal niet met familie om mij heen.

Josien heeft zich aan mijn zij gevoegd. Arm in arm stappen we voort. Ze vraagt of het gaat. Ik houd mijn mond. Bang dat er in plaats van woorden een hoop geschreeuw uit zal komen.

Ik had het tegen de bomen op willen schreeuwen, daar op de begraafplaats. Ka, ka, ka! Maar ik hield mij in. Bang dat daarna ook de rest zou volgen en dat ze me dan konden afvoeren naar het gesticht.