'Opgevangen in andijvielucht' legt verborgen Indische miljoenen bloot

Dáár is dat geld dus.

Voor het eerst is de periode van bijna 25 jaar ‘repatriëring’ uit Indonesië in één boek beschreven, en voor het eerst zijn er sporen gevonden van de verloren gewaande Indische spaartegoeden, pensioenen en internationale compensatiegelden. Met Opgevangen in andijvielucht opent Griselda Molemans definitief de postkoloniale doos van Pandora.

Vorige week presenteerde Griselda Molemans het resultaat van vijf jaar research: het boek Opgevangen in andijvielucht. Dit boek, dat mede mogelijk gemaakt is door een crowdfundingactie, maakt voor het eerst inzichtelijk dat er nog miljoenen aan Indische spaartegoeden, verzekeringsgelden en zelfs internationale compensatiegelden achter slot en grendel liggen.

De introductiefilm waarmee Griselda Molemans haar boek presenteerde. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0.
De introductiefilm waarmee Griselda Molemans haar boek presenteerde. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0.

Indische tegoeden
Verschillende media besteedden afgelopen week aandacht aan het opmerkelijke boek van de in Amerika gevestigde journaliste. Zo was er aandacht voor in de VolkskrantNRC en dit weekend ook in de Leeuwarder Courant (Bericht.) Overlappende nieuwswaarde is dat er nog voor miljoenen aan Indische tegoeden op bankrekeningen staat. Dit – schokkende –  bericht is slechts de epiloog van het lijvige boek. In een enkel nieuwsbericht is aandacht voor de andere negen hoofdstukken, waarin beschreven staat hoe de opvang van Indische repatrianten en andere ontheemden in Nederland georganiseerd en uitgevoerd werd.

Waardevol naslagwerk
Voor – Indische – Nederlanders, jong en oud, die weinig gehoord hebben over de 
repatriëring naar Nederland, en over de verschillende groepen en de opvang hier, is Opgevangen in andijvielucht een uitstekend, compleet en waardevol naslagwerk.Voor goed ingelezen insiders zal 90% van het boek bekend voorkomen. De verhalen over de (gedwongen) overkomst van de Molukse KNIL-soldaten, de komst van evacues, de emigratie naar Brazilie en Canada, maar ook de laatst exodus in de jaren ’60. Als je dit boek leest en de film Contractpensions bekijkt, heb je een volledig beeld van de ‘repatriëring’.

Als je je verdiept hebt in de postkoloniale geschiedenis, heb je je afgevraagd wat er gebeurd is met de Indonesische herstelbetalingen.

Herstelbetalingen van Indonesië
Als je je verdiept hebt in de Indische postkoloniale geschiedenis, dan ken je de verhalen uit Opgevangen in andijvielucht. En als je je verdiept hebt in deze periode, heb je je óók afgevraagd wat er gebeurd is met de verplichte herstelbetalingen van Indonesië aan Nederland. Onderdeel van deze herstelbetalingen – zoals afgesproken in de RTC-overeenkomst – waren de achterstallige pensioenen. Om deze reden oordeelde de Hoge Raad in de jaren ’50 dat de Nederlandse overheid de achterstallige salarissen en pensioenen niet hoefde te betalen. En om deze reden is de kans vrij klein dat pleiters voor de Indische Kwestie ooit hun gelijk zullen krijgen.

Griselda Molemans geeft nog een persoonlijke toelichting. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0
Griselda Molemans geeft nog een persoonlijke toelichting. Foto: Tabitha Lemon/ Indisch 3.0

Waar is het geld?
Alleen: niemand wist waar dat geld gebleven was. Volgens Silfraire Delhaye verschool de Nederlandse regering zich achter deze afspraak. Een passage uit mijn interview met hem, van vorig jaar:

Heeft een deel van de Indische kwestie niet te maken met de afspraken die gemaakt zijn bij de overdracht van het bestuur aan Indonesië? Indonesië zou de achterstallige salarissen betalen en de materiële oorlogsschade vergoeden, maar heeft dit nooit gedaan?

“De Nederlandse regering verschuilt zich daarachter.”

Insider Joty ter Kulve verzekerde mij er vorig jaar van dat Indonesië deze betalingen wel had gedaan. Waar dat geld dan gebleven was, en waarom dit nooit bij de claimers van de Indische Kwestie terecht gekomen is, kon ze me niet vertellen.

Griselda Molemans is de eerste die boven tafel heeft gekregen dat de 600 miljoen gulden aan Indonesische herstelbetalingen keurig netjes betaald zijn, in 30 jaarlijkse termijnen.

Schokkende epiloog
Voor iemand die deze kwestie al een paar jaar volgt, is de epiloog van het boek schokkend. Ten eerste stelt Molemans daar het optreden van het Indisch Platform ter discussie. Dat krijgt meerdere keren een flinke veeg uit de pan. Maar Griselda Molemans is de eerste die boven tafel heeft gekregen dat de 600 miljoen gulden aan Indonesische herstelbetalingen keurig netjes betaald zijn, in 30 jaarlijkse termijnen.

Het betreft de zogeheten Indonesische herstelbetalingen, die bij het Tractaat van Wassenaar van 7 september 1966 vastgesteld zijn. Deze betalingen zijn een compensatie voor de geleden verliezen van Nederlandse particulieren en bedrijven in Indonesië en Nieuw- Guinea door de nationalisatie van de Nederlandse bezittingen in de periode 3 december 1957 tot 15 augustus 1962. Door betaling van een bedrag van 600 miljoen gulden plus rente aan de Nederlandse overheid zijn ‘alle bestaande financiële vraagstukken volledig en definitief geregeld. (..) De inzet van de onderhandelingen betrof ‘alle financiële vorderingen […] onder andere pensioenrechten, voor zover deze vorderingen vóór 15 augustus 1962 zijn ontstaan’.  – Opgevangen in andijvielucht, p. 396/397.

En dit is niet de enige pot met geld die Griselda Molemans gevonden heeft.

In het Stikker-Yoshida Akkoord is eveneens compensatie voor de grote groep voormalige burgergeïnterneerden geregeld. Per persoon is dit een bedrag van f 415. Er is echter geen transparantie over de feitelijke uitbetaling van deze compensatie, aangezien er geen vastlegging van het aantal uitkeringen aan burgergeïnterneerden is geweest volgens de SAIP. Het totaalbedrag van 38 miljoen gulden is sowieso ontoereikend voor alle rechthebbenden. (..) Cijfermatig is de rekensom dan (14.630.000 + 21.912.000 =) f 36.542.000 , waardoor er een restbedrag van f 1.458.000 (661.611,55 euro zonder indexatie) op de balans van de Nederlandse overheid staat. Beijk noemt de getallen echter ‘niet absoluut’ en voegt er vervolgens de volgende informatie aan toe: een bedrag van 1.100.000 gulden is nog altijd niet uitgekeerd. Het gaat om een geïndexeerd bedrag van 3.070.955,55 euro. – Opgevangen in andijvielucht, p. 382/383.

In totaal presenteert Molemans maar liefst negen financiële claims die de Indische groep kan neerleggen bij de Nederlandse overheid, waaronder de in de kranten genoemde uitkeringen van verzekeringspolissen en opgeslagen goudvoorraden van de Javasche bank. Het gaat hier om miljoenen. Interessant in deze context is overigens een artikel uit 1998 in het NRC, van Louis Zweers, aan wie we vorige week aandacht besteedden. Hierin staat bevestigd dat het goud verscheept is voor de komst van de Japanners:

“Ze (de Japanners, KV) hadden de moderne westerse kunst in de ban gedaan en waren vooral gefixeerd op het verdwenen goud van de Javasche Bank. Ze zochten het goud bij de bungalows van de directie van de Javasche Bank in Buitenzorg. Ze lieten de tuinen tot zes meter diep uitgraven. Ook werd de president-directeur van de Javasche Bank, mr. G.G. van Buttingha Wichers, door de Kempeitai aan zware verhoren onderworpen. Hij stierf drie maanden na de Japanse capitulatie aan de gevolgen van zijn gevangenschap. Overigens had de Javasche Bank de goudvoorraad – waaronder ook het goud van particulieren – vlak voor het begin van de Japanse invasie uit veiligheidsoverwegingen naar Zuid-Afrika en Australie verscheept.” 

Kritiek
Op het boek is wat af te dingen. Zo had ik het prettig gevonden als Molemans in het boek met voet- of eindnoten had gewerkt, zodat je als lezer de gelegenheid hebt te bekijken op welke bronnen ze haar uitspraken baseert. Ook ontstaat een beeld van een gekleurde onderzoeker, omdat ze bij alle claims totaalbedragen noemt, behalve bij de uitkeringen (WUV, WUBO etc) die de Nederlandse overheid heeft betaald. Daarover zegt Molemans overigens dat ze geen totalen kan noemen, omdat de regering vanwege privacy-overwegingen geen inzage wil geven in de uitvoering van deze regelingen. Tot slot mis ik een overzicht, waarin ik kan zien welke bedragen uit welke ‘potjes’ zijn gekomen. Want de bedragen zijn zo talrijk en omvangrijk, dat ze je gaan duizelen.

Vastberadenheid
Maar ik weet wel dat ik onder de indruk ben van het boek en van de diepgang en vastberadenheid waarmee Griselda Molemans haar onderzoek heeft uitgevoerd. Zo heeft ze het conflict met het Nationaal Archief voor haar kiezen gehad (lees dat hier en hier) en – naar eigen zeggen – heel veel mensen boos gemaakt. Ze is zelf naar de archieven in Washington gegaan, ze heeft in de kelders van Buitenlandse Zaken gestaan en dossiers doorgespit over repatrianten en andere migranten uit Indonesie naar Nederland.

Molemans heeft met Opgevangen in andijvielucht echt iets toegevoegd aan de canon van de Indische geschiedenis: ze is de Indische miljoenen op het spoor gekomen. Djempol, Griselda. En wat betreft de claims: wordt vervolgd?

Opgevangen in andijvielucht. De opvang van ontheemden uit Indonesië in kampen en contractpensions en de financiële claims op basis van uitgebleven rechtsherstel – Griselda Molemans. Uitgeverij Quasar Books (2014). ISBN 978-0-615-95101-0. 431 pagina’s, 19,95 euro.

Opgevangen in andijvielucht is binnenkort verkrijgbaar.
Opgevangen in andijvielucht is binnenkort verkrijgbaar.

Pendek. Kleine verhalen over grootse momenten.

Indische juweeltjes in de hedendaagse literatuur

Deze week besteedt Indisch 3.0 week tijd  aan Indische boeken die we extra de moeite waard vinden. Het zijn niet boeken die recent uitgekomen zijn, het zijn – kleine – juweeltjes die meer aandacht verdienen. De auteurs van deze vier boeken geven met hun eigen geluid een eigentijdse, nieuwe kijk op de Indische gemeenschap en haar plek in de Nederlandse samenleving. Vandaag vragen we je aandacht voor Pendek, van Herman Keppy.

Herman Keppy is een doorgewinterde journalist en schrijver die door de jaren heen steeds meer van zichzelf heeft laten zien. Een van zijn oudste non-fictie werken is De laatste inlandse schepelingen (Focus, 1994), over de Molukse KNIL-soldaten die naar Nederland verscheept waren. Keppy schreef ook Flat River Flamingo (Conserve 2006), een roman. Insiders konden onlangs ook een prachtig dubbelinterview in Moesson gelezen met hem en Alfred Birney.

Keppy schrijft zichzelf weg, met een treffend gevoel voor verhaal, oog voor detail en kennis van zaken.

Van huis uit is de Molukse Keppy journalist. Dat is te merken in Pendek. Korte verhalen over Indische levens. In Pendek (Indonesisch voor kort, klein) biedt Keppy een selectie van eerder gepubliceerde korte verhalen over ‘kleine’ momenten uit het leven van Indo’s en Molukkers. Daarin schrijft Keppy zichzelf weg, met een treffend gevoel voor verhaal, oog voor detail en kennis van zaken.

Herman Keppy. Foto: tongtongfair.nl
Herman Keppy. Foto: tongtongfair.nl

Keppy geeft alle ruimte aan de persoonlijke herinneringen, gedocumenteerd en niet-gedocumenteerd, van zijn eigen familieleden en andere Indische en Molukse Nederlanders. Ik had soms, bij dit non-fictie werk, willen weten waarom hij bepaalde mensen aan het woord laat. Maar dat is bijzaak.

Het is duidelijk dat deze journalist zijn huiswerk heeft gedaan. Keppy heeft beweringen gecheckt. Soms lees je een redactionele opmerking, bijvoorbeeld bij een scheepslijst. Alleen daardoor al verdient Pendek veel waardering. Pendek is niet uit op sensatie, niet uit op het overdragen van emotie. Verhalenin Pendeke geven, door de journalistieke ondertoon, kleur aan historische gebeurtenissen uit de Indische geschiedenis .

In Pendek krijgen persoonlijke herinneringen de ruimte, met een journalistieke ondertoon.

Een bijzonder opvallend verhaal is dat over Anda Kerkhoven, een Indische verzetsheldin in Groningen. Een neef van deze Indische dame vertelt: “Mijn vader heeft niet veel over zijn zus Anda vertelt, behalve dat zij in het verzet zat in groningen en vlak voor de bevrijding door Nederlanders gefusilleerd is in opdracht van de Duitsers.” “Omdat zij erg donker was, viel zij op in Groningen en zij was kennelijk een geliefd model voor jonge kunstenaars als Johan Dijkstra en Bas Galis.” Voor de lezer die zich inmiddels afvraagt: ‘Waar heb ik die naam eerder gehoord?’ Vorig jaar maakte het Groninger museum bekend dat het drie portretten van deze verzetsheldin exposeerde.

Anda Kerkhoven, geschilderd door Sebastiaan Galis. Bron.
Anda Kerkhoven, geschilderd door Sebastiaan Galis. Bron.

Het zijn deze verhalen en meer die Herman Keppy weer onder de aandacht brengt van zijn lezers. Voor Indische jongeren geeft Keppy concrete handvatten om een beeld te krijgen bij grootse momenten in de ogenschijnlijk ‘kleine’ levens van onze ouders en voorouders.

Keppy is zijn eigen uitgeverij begonnen om dit boek mogelijk te maken. Steun hem. Het boek Pendek verdient het.

Pendek. Korte verhalen over Indische levens – Herman Keppy. Uitgeverij West, 2013. 160 pagina’s.

Pendek.
Pendek.

Indische juweeltjes: boeken met een eigentijdse kijk op de Indische gemeenschap

Vlakke meetkunde. Eerlijke gedichten over een oneerlijke tijd.

Nu iedereen bekomen is van de Nederlandse boekenweek, besteedt Indisch 3.0 deze week tijd  aan Indische boeken die we extra de moeite waard vinden. Het zijn niet boeken die recent uitgekomen zijn, het zijn – kleine – juweeltjes die meer aandacht verdienen. De auteurs van deze vier boeken geven met hun eigen geluid een eigentijdse, nieuwe kijk op de Indische gemeenschap en haar plek in de Nederlandse samenleving.

Ruth Post. Foto: Palmslag.
Ruth Post. Foto: Palmslag.

Deze week lezen jullie hier over Pendek van Herman Keppy, De gecensureerde oorlog van Louis Zweers, Vlakke meetkunde van Ruth Post en Opgevangen in Andijvielucht van Griselda Molemans, dat aanstaande vrijdag uitkomt. Het zijn vier boeken, die in genre en stijl zeer verschillen, maar inhoudelijk duidelijk een overlap hebben: ze behandelen de Japanse bezetting, de bersiap en de aankomst hier in Nederland. Eind van de week horen we graag van jullie hoe jullie aankijken tegen deze selectie.

Vlakke meetkunde geeft een toegankelijke, openhartige en eerlijke kijk achter de schermen van de Indische zwijgzaamheid.

We beginnen met Ruth Post’s Vlakke meetkundeVlakke Meetkunde is de tweede dichtbundel van deze dichteres, uit 2013. Daarin lees ik gedichten over de kamptijd, de bersiap en de tijd in Nederland. Post, die in Batavia geboren werd en de kamptijd als kind meemaakte, debuteerde in 2012 met een andere dichtbundel, ‘Tot aan de horizon’.

Ik ben geen kenner van poëzie, ik wist niet goed wat ik kon verwachten. Maar ik ben erg gecharmeerd van haar werk. Sommige gedichten zijn expliciet, andere indirect, maar elk gedicht komt binnen. Van bamboespies tot smet vrezende  Europeanen – Ruth schuwt geen enkel onderwerp. Het zijn eerlijke gedichten, die de ervaringen in oorlogstijd beschrijven vanuit het perspectief van een jong Indisch meisje. Eerlijke gedichten over een oneerlijke tijd dus.

Ruth schuwt geen enkel onderwerp.

Die kinderlijke eerlijkheid maakt Post’s gedichten kwetsbaar en invoelbaar. Ik kan me indenken dat Vlakke meetkunde voor overlevenden van deze tijd vrij confronterend is. Voor Indische jongeren, die weinig meegekregen hebben over deze periode, geeft Vlakke meetkunde een toegankelijke, openhartige en eerlijke kijk achter de schermen van de Indische zwijgzaamheid.

Een passage uit De jongens, ter illustratie.

mijn moeder staat al bij de poort

de jongens moeten weg, mijn broer is tien

ze klimmen duwend op de laadbak

ze grijzen wat

moeder heeft hem geleerd de was te doen

en hoe dat moet met naald en draad

hij krijgt vast heimwee, het is nog zo’n kind

mijn broertje

Vlakke meetkunde, Ruth Post. Uitgeverij Palmslag (2013), 56 pagina’s.

Vlakke meetkunde van Ruth Post (2013).
Vlakke meetkunde van Ruth Post (2013).

Win een gratis exemplaar van Zeevonk

Vorige maand schreef Christie Haalboom een reportage over de presentatie van Zeevonk, een roman van Josha Zwaan. Deze maand mogen we een exemplaar weggeven aan onze lezers. Je kan inzenden tot en met a.s. vrijdag (19/4).

Willem Ruys
‘Het verhaal van een jonge vrouw die door haar man gedwongen wordt met hem terug naar Holland af te reizen vanuit Nieuw Zeeland, zodat ze niet meer in de buurt van haar minnaar kan zijn. Maar ook het verhaal van het schip de Willem Ruys, die bijzonder genoeg zelf in dit boek een stem krijgt.’ Lees er meer over in Christie’s reportage.

Kiwi
Christie vertelde eerder: ‘Het boek vertelt over Freya, ze is naar Nieuw Zeeland vertrokken om te trouwen met Herman. Hoewel hij haar niet ongelukkig maakt, is de passie binnen hun relatie ver te zoeken. Dat wat ze mist, vindt ze bij haar pianoleraar. Een Kiwi, zoals haar man de Nieuw-Zeelander minachtend noemt.’

Zeevonk. Foto: Christie Haalboom
Zeevonk. Foto: Christie Haalboom

Wanhoop
‘Ik sla het boek open op een passage waar het schip aan het woord is. Willem vertelt ons over de wanhoop die hij ziet in de ogen van Herman als blijkt dat de Kiwi ook aan boord is en hij zijn vrouw in gesprek ziet met haar pianoleraar. De minnaar is boos, zoekt toenadering, maar ze wijst hem af. Herman vraagt zich af of hij er goed aan gedaan heeft zijn veel jongere vrouw te dwingen terug te gaan naar Nederland. Willem probeert Herman te kalmeren door hem zachtjes te wiegen, maar zijn pogingen lijken averechts te werken.’

Winnen
Wil jij weten hoe dit afloopt? Beantwoord dan de volgende vraag en stuur hem in met onderstaand formulier voor a.s. zaterdag.

De Willem Ruys is een van de tientallen schepen die Indische repatrianten naar Nederland heeft gebracht. Welke andere naam (of namen) heeft dit – noodlottige – schip gehad?

24/4

Naschrift van de redactie: de winnaar is bekend!

Jo van den Broek is de gelukkige en heeft een exemplaar van Zeevonk gewonnen. Tot ver na de sluitingsdatum van deze actie, ontvingen we nog inzendingen. Om teleurstellingen te voorkomen, hebben we de reactiemogelijkheid verwijderd.

Eervolle vermelding (3) – 'Afscheid'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Henk Rouw

Ze zijn bij me langs geweest. Dat was wel zo netjes, in plaats van een brief. Dat de rechten binnenkort zullen komen te vervallen en of ik het goed vond om het graf te laten ruimen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen. Die beslissing moeten anderen maar nemen, wanneer ik er zelf niet meer ben. Nee, je blijft daar nog maar even rusten hoor. Al kom ik er bijna nooit meer, je bent zo altijd nog een beetje dicht bij me.Daar hebben de jaren geen vat op gekregen. De herinneringen zijn nog zo vers, het mag een wonder heten dat ik in al die jaren mijn verstand niet verloren heb.

In de bus wil Heike per se naast Egbert zitten. Maar Josien heeft de plek al ingenomen en voert ter verdediging aan: ‘Ik ben ten slotte zijn verloofde.’
Heikes borst gaat op en neer. ‘Ja, maar ik zie hem nooit meer terug.’

‘Als u hem nooit meer terug ziet, zal ik hem ook nooit meer terug zien.’

‘Je begrijpt er weer helemaal niets van!’

‘Kom nou maar hier zitten,’ zeg ik. ‘Naast mij. Met ruzie lossen we niks op.’

De bus zet zich in beweging. Egbert draait zich naar ons om. ‘Ik ben heus wel van plan om weer terug te komen, hoor. Ik zal voorzichtig zijn.’

‘Daar heb je anders de afgelopen jaren niets van laten blijken’, vaart Heike tegen hem uit. ‘Moffen pesten. Jonge vogeltjes uit nesten halen. Kleine kinderen aan het schrikken maken. Altijd vol kattenkwaad.’

Ik pak haar hand beet en knijp er in. Ze kijkt me aan. In haar ooghoeken glinstert vocht. Nurks wendt ze haar hoofd naar Josien, die zich tegen Egbert heeft aan gevleid.

Nu ze hals over kop verloofd zijn en hij ons voor langere tijd gaatverlaten – ja, nu wil ze hem helemaal voor zichzelf. Daar mag zijn moeder niet meer tussen komen. Het is een heel knap ding, Josien. Met die ronde wangen en die diep liggende ogen en roestbruine krullen. Verstand zal ze ook wel hebben. Maar een beetje respect voor zijn moeder?

Heike schiet vol. Ik leg haar hoofd tegen mijn schouder. Ze trilt over haar hele lijf. Ik vraag hem: ‘Zul je voorzichtig zijn, Egbert? Beloof je ons dat je voorzichtig zult zijn?’

‘Dat heb ik toch al gezegd?Ik beloof het jullie. Met de hand op mijn hart.’

Josien geeft geen kik. Het zal wel onwetendheid zijn, naïviteit. Ze is nog maar negentien. Wat weet zij van het leven? Maar hebben ze daar bij haar thuis dan de oorlog niet meegekregen? Daar in haar dorp moet toch ook wel het een en ander zijn gebeurd?

Egbert stoot haar aan. Even later maken haar roestbruine krullen een zwaai. ‘Ach, wat dom van me,’ zegt ze. ‘Neem me niet kwalijk. Dat ik alleen maar aan mezelf dacht. De volgende keer, zodra de bus stoptmag u wel naast uw zoon zitten, hoor.’

Maar de bus is vol en laat elke halte links liggen.

We rijden langs kapotgeschoten gebouwen de stad in en stoppen voor het treinstation, waar ook al niet veel meer van over is. Op de rails staat een tender loc met achter zich een hele serie oude personenwagons.

Er hangt hier een vette damp van kolen.En al die velekoppen. Jongens van amper twintig in uniform, aan hun voeten of heupen een plunjezak. Familie om zich heen. Ook velen met een liefje. Ik begrijp niet dat al deze jongens vertrekken. Ze moeten wel. Maar onze Egbert, die in eerste instantie was afgekeurd… Je had hem moeten zien. Kreeg geen eten meer door zijn keel. Had het gevoel dat ie zijn beste kameraad Jan Pluimers in de steek zou laten. Heike en ik keken elkaar aan. Het was goed zo. We hadden genoeg spannende tijden meegemaakt.Maar die jongen van ons, die was het er niet mee eens. Die liet zich herkeuren. En toen mocht ie gaan. Hoe vele uren ik niet met hem rond de tafel gezeten heb. Dat ie niet gaan moest.

‘Begrijp dan toch,’ zei hij, ‘ik heb vijf jaar achter mekaar in dit saaie dorp opgesloten gezeten en er viel niks te beleven, in al die vijf jaren niet. Voordat Josien en ik gaan trouwen, wil ik eerst nog wat van de wereld zien. Gun me toch die vrijheid.’

Maar waarom op deze manier? Er zijn er toch ook heel wat die liftend naar Frankrijk zijn getrokken, of naar Italië?Dat zou toch een veel beter idee zijn geweest?

Aangevoerd door een blaaskapel zijn ze door de hoofdstraten van de stad geparadeerd, nu staan ze hier weer allemaal in het gelid. Vanaf eentribune houden hoge militairen, de burgemeester en een afgevaardigde van de regeringeen toespraak. Over vaderlands’trots. Overordehandhaving en bevrijding. Over een hart onder de riem voor de achterblijvers, het thuisfront.

De blaaskapelzet het Wilhelmus in. Iedereen zingt mee. Ik kan me dat niet voorstellen. Dat al die ouders, familieledenen vriendinnen van die jongens daartoe in staat zijn.Meezingen. In plaats van meezingen, houd ik Heike stevig vast. Ze is kalm nu, ze trilt niet meer. Maar ik kan ruiken hoe ze onder haar mantelpakje zweet.

Applaus. Gejuich. Uit luidsprekers zingt Vera Lynn Till We Meet Again. Om ons heen wordt uitbundig en emotioneel afscheid genomen. Wij staan er een beetje onhandig naar te kijken. Josien en Egbert, ze glimlachen naar elkaar met schitterende ogen. Hij tilt haar op en doet een zwaai met haar in de rondte. Haar hakken scheren langs rokken en broekspijpen, vlug stappen we achteruit.

Ze zoenen als Hollywoodfilmsteren.

We generen ons een beetje, Heike en ik. Om dit van zo dichtbij mee te maken. Wang tegen wang staan ze daar op nog geen armlengte afstand.

Josien maakt zich los uit zijnliefkozing, streelt zijn uniform en geeft hem aan ons. Heike vliegt hem om de hals. Ze heeft haar gezicht tegen dat van hem aangedrukt, haar vingers klauwen zich vast in zijn uniform.

Dan laat ook zij hem los.

Hij wil me de hand schudden, begint een paar woorden te stamelen van ‘Nou, pa,’ maar ik kan het niet langer verdragen. Ik sluit hem in mijn armen, zeg: ‘Tot kijk, jongen. En denk er aan wat je ons beloofd hebt.’

De wagondeuren zijn gesloten. Uit de ramen hangen de koppen en armen van al die jongens. Overal om ons heen opgewonden stemmen. Alleen een baby op een arm huilt. Ja, en toch ook heel wat vrouwvolk.

Hoog boven ons staat Egbert in zijn neergeschoven raam. Naast hem: zijn kameraad Jan Pluimers.Egbert zwijgt en verdeelt zijn aandacht over Josien en Heike.

Dan blaast de tender loc een schelle fluittoon uit. De wagons stoten tegen elkaar aan, de jongens in hun uniformen verliezen bijna hun evenwicht. Ze lachen er om. Maar het moment is aangebroken. De wielen hebben zich in beweging gezet. De mensen om ons heen en de jongens in de wagons, zehalen hun zakdoeken tevoorschijn. Ze zwaaien er mee.

Alleen Egbert niet. Alsof hij zich op het laatste momentheeft bedacht. Stil kijkt hij mij aan.

Een duw tegen mijn ellenboog. Heike heeft zich van mij losgerukt. Ik volg haar twee stappen, terwijl ik mijn armen naar haar uitstrek en haar naam roep. Maar ze is al op de trein gesprongen. Machteloos moet ik toezien hoe mannen in uniform haar er van af trekken, haar opvangen. Als ze weer op eigen benen staat, schikt ze haar mantelpakje en hoedje.Alsof het allemaal niet heeft plaatsgevonden.

Zowat de hele familie aanwezig. Alleen Egbert niet. Egbert, die mag niet terug. Zelfs niet van de koningin. Voor niets mijn kop gebroken over al die mooie zinnen. Voor niets geschreven, die brief. Pluimers is hetzelfde overkomen, maar hem is het wel gelukt.Als je maar geld hebt. Zo zit de wereld dus in elkaar. Egbert moetdaar blijven. Terwijl er nota bene elke week een Dakota over en weer vliegt om voor die jongens post te brengen en op te halen. Had ie zo meegekund. Gratis. En sneller dan met dat schip waarmee ie vertrokken is.

Heike. Mijn Heike. Ze is mager, zo mager. De kanker heeft haar helemaal uitgeteerd. Je hebt het geweten, hè? Dat je de ziekte onder de leden had?Je wist het al toen Egbert ons zei dat ie naar Indië wilde.

Het is een miezerige dag. Echt een dag voor begrafenissen. Sinds zij is overleden, heb ik bijna geen woord meer gesproken. Ik laat geen traan, en al helemaal niet met familie om mij heen.

Josien heeft zich aan mijn zij gevoegd. Arm in arm stappen we voort. Ze vraagt of het gaat. Ik houd mijn mond. Bang dat er in plaats van woorden een hoop geschreeuw uit zal komen.

Ik had het tegen de bomen op willen schreeuwen, daar op de begraafplaats. Ka, ka, ka! Maar ik hield mij in. Bang dat daarna ook de rest zou volgen en dat ze me dan konden afvoeren naar het gesticht.

Eervolle vermelding (2) – 'De herinnering'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Christie Haalboom

Ik ben doorweekt. Mijn lichaam schudt, van de kou. Maar ook van de shock. Ik zie mezelf staan, mijn ogen leeg, ik weiger de film die zich in mijn hoofd afspeelt te zien. Ik zou naar huis moeten gaan, om te douchen, me om te kleden, maar ik kan me niet bewegen. En dus blijf ik staan. Bibberend. Koud. Doods.

Zelfs in de schaduw drogen mijn kleren snel. Mijn jongens-kleren maken zich weer langzaam los van mijn lijf. Het zichtbare bewijs dat ik een meisje ben verdwijnt langzaam onder de blouse van mijn vader. Mijn gezicht blijft nat. Angstzweet. Mijn lijf rilt nu nog slechts lichtjes en de film in mijn hoofd begint te focussen. Ik knipper met mijn ogen en wil weer zien. Dat wat er om me heen gebeurt. Niet datgene wat ik een half uur geleden zag gebeuren.

Ik zie de boom wuiven naar de zon. De zonnestralen spelen een spel met de takken en bladeren. Het leidt me af. Ik blijf er net zo lang naar kijken tot ik alleen nog maar rode vlekken zie.

Als de zon onder gaat moet ik toch echt naar huis. Met weke benen loop ik naar de enige plek waar ik veilig ben. Hoewel dat ook te betwijfelen valt. In de verte zie ik de palmboom, die naar ons huis wijst. Maar vaders motor staat er niet tegenaan. Hopelijk kan ik ongezien naar binnen glippen. Ik wil nu even niemand spreken. Ik vertrouw mijn stem niet.

De hond van de buren blaft, ik hoor de baboe vloeken. Ik klim door het raam mijn slaapkamer binnen. Hoewel de plek vertrouwd is, voelt het niet zo. Ik kom niet tot rust. Kan nog steeds niet ademhalen. Was dit één van die momenten die je leven voorgoed veranderen? Ik dacht dat de oorlog dat al had gedaan, maar ik had het mis. Nu weet ik pas echt in wat voor wereld we leven…

Ik trek mijn pyjama van Chinese zijde aan en stap in bed. Ik kan mijn draai niet vinden en heel even voelt de gladde stof aan als het zachte water van de vijver. De herinnering trekt me het duister in. Ik val in slaap. Mijn droom begint zoals vanochtend. Omdat ik weet hoe deze dag eindigt dwing ik mezelf ergens anders te zijn in mijn droom. Ineens ben ik omringd door wit. Het is… Sneeuw? Ik heb het nog nooit in het echt gezien. Ik heb het koud en begin te bibberen. En direct sta ik weer nat onder de boom. De rode vlekken van de zon, worden vuur bollen die naast me neer vallen. Het is beangstigend, ik sta aan de grond genageld. Dan voel ik een hand op mijn schouder. Nee! Ze hebben me gevonden! Ik gil en wordt wakker en kijk in de bezorgde blik van mijn moeder.

Haar gezicht is zo onwerkelijk sereen dat ik even denk dat ik in de hemel ben. Maar langzaam besef ik dat ik rechtop in bed zit. Thuis. Mijn moeder begint zachtjes te zingen. “Terang bulan…”

Ik begin te huilen. Mama zegt dat het maar een droom was. Was het maar waar. Ze moest eens weten. Maar ik kan het haar niet vertellen. Niemand niet. Als ik er niet over praat wordt de herinnering misschien een nachtmerrie. Gaandeweg zal ik gaan geloven dat het niet is gebeurd. Dat ik het niet werkelijk heb gezien.

Mijn moeder dekt me opnieuw toe. Ik val weer in slaap. Dit keer droom ik dat ik aan het rennen ben. Ik vlucht. Buiten adem word ik wakker. De geur van pisang goreng laat me opstaan. Stilletjes ontbijt ik met mijn ouders. Mijn vader stelt voor samen te gaan wandelen. Ik stem toe. Nee zeggen, zou argwaan opwekken. En samen met hem kan me niks gebeuren.

In mijn herenkleding stappen we samen de zon in. Een buitenstaander zou zeggen: kijk, een vader met zijn zoon. Ik probeer mannelijk te lopen, het ziet er vast gek uit. Mijn vader leidt me onbewust naar die bewuste plek. Ik probeer nog een andere route te nemen, maar hij houdt van de vijver. De schoonheid van de lelies. Het grafische patroon die de lelie-bladeren vormen.

Ik loop langs de boom waarachter ik me schuil hield. Langs de plek waar ik mezelf uit het water hees. Het grafische patroon van de bladeren is verstoord, merkt mijn vader op. Zonde, zeg ik. Dat ik de oorzaak ben, laat ik achterwege. Er staan drie bankjes, mijn vader wil op de middelste plaatsnemen, maar ik trek hem naar het laatste bankje. Het stugge gras onder het middelste bankje is ruw platgetrapt. Een van de subtiele aanwijzingen naar wat gister heeft plaatsgevonden. Een stukje witte stof is achter een spijker blijven haken. Mijn vader valt het niet op. Voor hem is dit een moment om zijn zorgen even te laten varen. Twintig minuten geen oorlog. Ontspan toch, zegt hij me, mijn ongemak aanvoelend. Ik lach. Mijn lach is nep.

Ik hoor een gil en schrik. Maar mijn vader heeft niets gehoord. De herinnering dringt zich weer aan me op. Ik sta op en loop naar de waterkant. Het donkere water. Mijn schuilplek met een dak van leliebladeren. Onder water zie je meer dan je verwacht. Meer dan je wil zien… De zon laat je de stevige lelie-stelen zien. Kleine visjes die afkomen op het bloed dat uit het afgehakte hoofd stroomt dat net naast je in de vijver is geplonsd. Het bloed dat sierlijke kronkelt onder water. Grote, dode ogen vangen een lichtstraal op. Ze kijken me recht aan. Verkrachte en vermoorde ogen… Voor altijd in mijn herinnering gegrift.

Eervolle vermelding (1) – 'Verloren gewaande gedachten'

In het kader van de Boekenweek 2013 organiseerde Indisch 3.0 de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde. Van de 90 inzendingen is dit verhaal door juryvoorzitter Eveline Stoel uitgekozen als een van de drie eervolle vermeldingen.

door Nikolai Bloem

Noordwijk, 1982

Toen hij de loop van het pistool tegen zijn slaap voelde, dacht Leon: natuurlijk, neem mij maar. Het was lang geleden dat hij zo was overgeleverd aan het geweten van een ander, maar tot zijn eigen verrassing voelde het bijna vertrouwd. Hij trilde niet. Hij kon rustig ademhalen. Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Hij keek naar zijn collega’s. Kijk ze nou eens liggen, dacht hij. Als er wat te halen viel doken ze er als haantjes bovenop, maar nu het even spannend werd kropen ze als bange muisjes weg. Hans, die als leidinggevende graag de touwtjes in handen had, lag nu hulpeloos op zijn buik op de grond. De handen op het achterhoofd gevouwen. Jos zag hij niet.

Langzaam, zonder zich te bewegen, liet hij zijn blik naar de andere kant glijden. Hij keek over de bureaus in de kantoorruimte waar hij werkte, langs de hoge ramen die uitkeken over de statige huizen aan de Voorstraat en het Lindenplein, naar de loketten. Bij het rechterloket was de alarmknop, onder de balie. Hij zag Paul zitten, helemaal links, te ver van de knop vandaan. Paul was bleek en leek verstijfd van angst, niet in staat om het gevaar te trotseren en er naartoe te lopen.

Het moet moeilijk voor hem zijn, dacht Leon. Het was nog maar twee jaar geleden dat Paul bijna in zijn eentje een overval had weten te verijdelen. Toen was er één overvaller, met wat later bleek een neppistool. De overvaller had zijn pistool door de smalle opening van het veiligheidsluik heen op Paul gericht. Paul had geen moment geaarzeld en de arm van de overvaller vastgegrepen. De overvaller probeerde zijn arm los te trekken, maar Paul hing er bijna aan. Twee klanten schoten te hulp en even later kon de man aan de politie overgeleverd worden. Paul werd bejubeld als de held van de dag. Hij kwam met een foto in de Zeekant, het plaatselijke weekblad. Zou Leon vandaag de held worden? Met Paul was het daarna niet goed gegaan. Hij sliep nauwelijks, telkens weer zag hij het beeld voor zich van de overvaller die het pistool op hem richtte. Twee weken later was hij ingestort. Het had weken geduurd voordat hij weer volledig kon werken.

Nu waren er drie overvallers. De een hield de klanten onder schot, twee oudere vrouwen. De twee andere waren over de glazen wanden van de loketten gesprongen. De wanden waren ruim drie meter hoog, maar liepen niet door tot aan het plafond. Bij de laatste verbouwing van het monumentale pand was er wel op veiligheid gelet, maar niemand had er rekening mee gehouden dat iemand het in zijn hoofd zou halen om over de wanden heen te klimmen. Op ongeveer eenderde was de rand van de balie waar ze zich konden afzetten, maar dan nog was het zeker niet gemakkelijk. Leon wist niet of hij het zou kunnen. Hij was maar klein.

Een van de twee mannen was naar Jos gelopen en had hem omver geduwd. “Allemaal op de grond,” schreeuwde hij. De ander was direct op Leon afgelopen. “Kluis openmaken,” beval hij. “Jij hebt de sleutels.” Blufte hij, of wist hij echt dat Leon de financiële man was en vaak de sleutel bij zich droeg? Hadden ze hem geobserveerd, of waren ze geholpen door iemand die het postkantoor kende?

De overvaller duwde het pistool harder tegen zijn slaap om Leon naar de kluis te bewegen. “Maak open,” blafte hij. Leon durfde niet naar hem te kijken. Hij had hem even kunnen zien, toen de man op hem afkwam. Hij had iets over zijn gezicht, een sok of een bivakmuts, hij kon het niet zeggen. Donkere kleren had hij aan, maar welke kleur? Hij wist het niet, daarvoor was het allemaal te snel gegaan. Langzaam pakte Leon de sleutelbos uit zijn broekzak. Er zaten drie sleutels aan. Hoe lang zou hij het kunnen rekken? Zou hij net doen alsof hij niet meer wist welke het was? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

“Opschieten aap, of ik schiet je door je harses.” Aap, dat had hij lang niet meer gehoord, zeker niet zo direct. Hij keek of hij Jos zag liggen. Een paar jaar geleden, had hij hem tegen de bestellers horen zeggen: “Die aap is echt een muggenzifter.” Leon, die net de bestellersruimte binnen wilde lopen, had zich stilletjes omgedraaid en was weggelopen. Niemand had hem gezien of gehoord. Laat ze maar praten, had hij gedacht. En dan die keer op een vrijdagmiddag toen ze met de bestellers op het kantoor een biertje dronken. Jos had pinda’s naar hem gegooid. “Pinda, pinda,” riep hij. De bestellers lachten hard. Leon had zich vernederd gevoeld, maar gaf geen krimp. Het was jaloezie, wist hij. Ze waren in rang elkaars gelijke en dat kon Jos moeilijk hebben. Een totok die geen Indo naast zich duldt. Zijn vader had het meegemaakt, en hijzelf ook, niet alleen toen ze net in Nederland waren, maar nog steeds. Vanuit een ooghoek zag hij twee bruine instappers onder een bureau uitsteken. Jos had zich goed verstopt.

Leon stak de sleutel in het slot en draaide hem om. De kluis werd elke week geleegd. Er lag niet meer in dan een paar duizend gulden. Waarom niet op een eerlijke manier je geld verdienen? Zelf had hij niets te klagen. Hij had een goede baan. Dione werkte ook nog drie dagen. Echt rijk waren ze niet, maar ze hadden het goed. Voor het geld hoefden ze niet veel te laten. Een huisje in Frankrijk was een wens van Dione. Een reis naar Indonesië, dat zou Leon nog willen. Als ze bleven sparen zoals nu, zou het allemaal kunnen. En dan hadden ze ook nog geld opzij gelegd, zodat Robbie en Dewi later konden gaan studeren.

Een klik en de kluis was open. De overvaller duwde hem opzij en trok de deur verder open. Leon zag nu dat hij een boodschappentas van Albert Heijn bij zich had. De man hield de tas open tegen de bovenste plank. Met een grote haal schoof hij de bundeltjes erin. Daarna begon hij aan de volgende plank. Kieskeurig was hij niet. Ook de kokertjes met dubbeltjes en stuivers gingen mee, net als documenten waar ze niets aan zouden hebben.

Leon liep langzaam achteruit. Hij was niet meer interessant voor de overvaller, dus hij kon maar beter zorgen buiten zijn bereik te komen. Zonder zijn ogen van de overvaller bij de kluis af te houden, schuifelde hij achteruit. Zou hij ook gaan liggen? Nee, hij moest kunnen getuigen. Nu kon hij de man goed bekijken. Hij was vrij lang en stevig gebouwd. Over zijn hoofd droeg hij een zwarte bivakmuts. Verder droeg de man een blauw nylon jack van Adidas, en sportschoenen van hetzelfde merk. De schoenen waren oud en vies, maar hij herkende ze meteen, Nastase. Robbie had ze ook willen hebben, maar dat mocht niet van Leon en Dione. Zolang de kinderen nog in de groei waren, kregen ze geen sportschoenen. Verder droeg de overvaller een spijkerbroek en witte sportsokken. Leon prentte het in zijn geheugen, zodat hij hem later zou kunnen herkennen. Hij probeerde zicht te krijgen op de andere overvaller, maar hij zou zich helemaal moeten omdraaien om hem te kunnen zien en dat leek hem niet verstandig. Hij stond nu bij zijn eigen bureau. Langzaam liep hij erom heen, zodat hij niet in de vluchtweg van de overvaller kwam te staan. Het was een meter of vier naar de alarmknop. Zou hij het proberen? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Met een laatste armhaal was de kluis leeg. De overvaller sprong op en rende langs Leon, alsof hij er niet stond. Hij leek een aanloop te nemen om via de balie weer over de glazen wand te springen, maar plotseling stond hij stil en draaide zich om. Hij hief zijn pistool. Leon keek nu recht in de loop. Wat ging hij doen? Leon voelde een hevige aandrang om te poepen. Drie hartslagen werden er één. Daar stond hij weer, dacht hij, net als in het kamp. Verloren gewaande gedachten teisterden zijn
hoofd. Maak je onzichtbaar, wees nederig… Hij boog zijn hoofd langzaam naar de grond, maar bleef door zijn oogharen naar de overvaller kijken. De overvaller keek niet naar hem, maar naar iets dat achter hem gebeurde. Zou hij zich omdraaien? Geen gekke dingen doen, dacht hij, doe wat ze zeggen.

Op dat moment klonk er een daverende knal. Een knal die zijn schedel deed kraken. Een echo ervan dreunde door tot in zijn buikwand. Hij wilde steun zoeken op zijn bureau, maar hij kon zich niet meer bewegen. Zijn ruggenwervel voelde als een metalen staaf in zijn bovenlichaam. Zijn benen voelde hij niet meer. Het leek alsof hij zweefde. Zijn mond was droog. Hij had dorst. Hij voelde zijn hoofd. Het deed pijn. Allemachtig veel pijn.

Waar was iedereen? Help mij… HELP MIJ… Membantu saya…

Nog één keer: schrijfwedstrijd Indische Bladzijde

Publicatie eervolle vermeldingen

Uit de 90 inzendingen voor de schrijfwedstrijd ‘Indische Bladzijde’, koos juryvoorzitter Eveline Stoel drie eervolle vermeldingen, “misschien nog wel beter dan de drie winnende verhalen!” Wij hebben genoten van die inzendingen, van Nikolai Bloem, Christie Haalboom en Henk Rouw. Daarom publiceren we die volgende week op Indisch3.nl.

Maandag komt het verhaal van Nikolai Bloem (“Verloren gewaande gedachten”), dinsdag het verhaal van Christie Haalboom (“De herinnering”) en we sluiten de reeks af met het verhaal van Henk Rouw (“Afscheid”).

De drie winnende verhalen nog eens nalezen? Kijk dan op de stempagina, waar bezoekers hun stem uitgebracht hebben voor de publieksprijs. Wij kijken met grote tevredenheid terug op onze tweede schrijfwedstrijd. We hebben van veel deelnemers gehoord dat zij, door deze wedstrijd, voor het eerst het verhaal van hun familie op zijn gaan schrijven. Wij organiseren volgend jaar weer een schrijfwedstrijd. Voor nu: blijf vooral schrijven!

Indische bladzijde: de drie winnende verhalen

Jij bepaalt de winnaar van de publieksprijs

De inzendingen voor de schrijfwedstrijd ‘Indische bladzijde’ bleven binnenkomen, ook na het sluiten van de deadline. We konden het niet over ons hart verkrijgen om die verhalen, die vaak voor het eerst en met veel schroom op papier gezet waren, buiten te sluiten. Dus die zijn ook meegenomen, wat het totaal aan ingezonden verhalen op ruim 90 heeft gebracht.

Vanwege ziekte en onvoorziene pc-problemen staan de nominaties een dag later dan gepland op onze website. Daarom verlengen we de stemperiode met een dag: jullie kunnen tot en met maandag 11 maart 2013 bepalen welk verhaal de publieksprijs wint.  Op 15 maart a.s. maken we bekend wie de publieksprijs de juryprijs en de extra prijs hebben gewonnen.Wat viel er ook alweer te winnen?

Met veel plezier presenteren we jullie hierbij de drie genomineerde verhalen. De schrijvers hiervan vallen sowieso in de prijzen. Dus: gefeliciteerd!  Om de stemming niet te beïnvloeden  bewaren we dit keer de feedback tot na de stemrondes.

De genomineerde verhalen

1. De patrouille – E. Ammann Download het verhaal

2. Een e-mail vol herinneringen – Roanne van Voorst Download het verhaal

3. Grenadine – Baukje Zijlstra Download het verhaal

Gelezen? Stem dan nu op het verhaal voor de publieksprijs.

Sorry, there are no polls available at the moment.

Recensie: Een meisje van honderd

Een hartverwarmend verhaal dat doet verlangen naar een ongekend land

Tijdens het lezen van de eerste pagina van Marion Bloems roman Een meisje van honderd bevind ik me als stille getuige in het Nederlands-Indië van 1906. Ik kijk mee over de schouders van hoofdpersoon Moemie en andere personages die in dit verhaal een bijdrage leveren aan 100 jaar familiegeschiedenis. Met het lezen van dit boek hoop ik het gemis van nooit (of half) vertelde verhalen op te vullen.

Helderziende gave
Het verhaal begint met een aangrijpende gebeurtenis; de rituele zelfmoord van de koninklijke familie op Bali waarbij Moemie als baby van nog geen jaar haar familie kwijtraakt. Nadat een Nederlandse soldaat ontdekt dat ze nog leeft, komt Moemie in Semarang (Java) terecht. Steeds op een andere plek, eerst bij een weduwe met kind, daarna in een klooster. Al snel wordt duidelijk dat Moemie een gave heeft. Ze kan praten met geesten van overledenen, in visioenen of dromen, wat haar uiteindelijk bij het gezin van weduwe Van Maldegem brengt. Dit gezin neemt Moemie in huis om de geesten in huis te verjagen. Ook willen mensen Moemie’s advies omdat zij toekomstbeelden ziet. Zo kan zij zien of een echtgenoot trouw is, een familielid is overleden of welk noodlot iemand te wachten staat. Haar helderziendheid beperkt zich niet alleen tot persoonlijke adviezen of contact met individuen. Ook heeft ze visioenen van de Balinese vulkaan Merapi die zal uitbarsten en zelfs van de Twin Towers ramp.

Oorlogs- en bersiaptijd
In een groot deel van het boek wordt een beeld geschetst van Nederlands-Indië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, de bersiaptijd en de politionele acties. Marion Bloem heeft die periodes pijnlijk goed weergegeven. Bijvoorbeeld in de passages waarin Moemie slachtoffers van het geweld ziet, tijdens haar werk als verpleegster, of in een van haar visioenen: ‘Ze wordt een van vele slachtoffers die zich tegen die overmacht niet kunnen verdedigen. Ze vallen haar van alle kanten met scherpe voorwerpen aan. De gezichten van de aanvallers kenmerken zich niet door afkomst, maar door haat, en de behoefte om te doden.’

Marion Bloem © Ivan Wolffers
Marion Bloem © Ivan Wolffers

Familie
Naast de geschiedenis van Moemie, krijgen we ook inzicht in de levens van de nakomelingen van het pleeggezin waarin zij is opgegroeid. Het perspectief wordt om het hoofdstuk afgewisseld, wat de spanning flink opbouwt. In een hoofdstuk over pleegnichtje Charlotte leer je iets over een gek geworden tante. In een later hoofdstuk waar het perspectief bij Moemie ligt, wordt pas duidelijk hoe dat is gekomen. Op deze manier prikkelt Bloem mijn nieuwsgierigheid. Het boek leg ik het liefst niet meer weg. Ik wil er snel doorheen om meer te weten te komen, en tegelijkertijd hoop ik dat er geen eind aan het verhaal komt.

Kleurrijke beschrijvingen
Bloems kleurrijke beschrijvingen spreken sterk tot de verbeelding.  Ze neemt de lezer mee op reis door de tijd en laat de ontwikkelingen van Nederlands-Indië naar het hedendaagse Indonesië zien. Soms heeft ze een sfeer zo krachtig neergezet dat die bijna beklemmend is. Daarnaast worden veel herkenbare, gezellige momenten van een hechte familie beschreven, waarbij pianomuziek bijna hoorbaar is vanaf de pagina’s. Een meisje van honderd brengt een land dat ik niet kende, hartverwarmend dichtbij.

Voor wie?
Dit boek is vooral een aanrader voor degenen die weinig tot niets weten van hun familieverhalen. Marion Bloem zet een goed tijdsbeeld neer en zorgt voor net wat meer bewustwording van het Indische verleden. Soms is dat hard en confronterend, maar belangrijk als je geïnteresseerd bent in je roots. Na het lezen van dit boek begrijp ik het zwijgen van de eerste generatie veel beter.

Een meisje van honderd. Marion Bloem. De Arbeiderspers. Utrecht, 2012. 19,95 euro.