Jonge Indo's in de liefde: Régina & George

Op Amsterdam Centraal sta ik bij een boekwinkel al een kwartier te wachten. ‘Het kan nog best even duren, want Indo’s zijn toch altijd te laat,’ denk ik. Régina (40) staat bij een andere boekwinkel te wachten en denkt precies hetzelfde. Als we elkaar hebben gevonden, duiken we een rustig cafeetje in en vraag ik haar het hemd van het lijf over haar en haar grote liefde George (43).

‘Voor mijn dertigste ben je van mij’
Régina heeft altijd Indische vriendjes gehad. Haar moeder altijd hoopte dat ze thuis zou komen met een Nederlandse jongen: ‘Ik wist diep van binnen altijd wel dat dat niet zou gebeuren, het Indische zit er teveel ingebakken.’ Als meisje van 15 verdiende Régina haar zakcentje bij Toko Pasar Baru in Arnhem. De eigenaar had naast de toko ook een restaurant: Surabaya. Hier werkte George. Op een donderdagavond ging Régina met haar moeder een kop koffie drinken bij Surabaya, waar George het bestek stond te poetsen. Hij kon zijn ogen niet van haar af kon houden. ‘Wie is dat?!’ informeerde hij bij een vriend van Régina die daar ook werkte. ‘Het nichtje van de bedrijfsleider,’ antwoordde hij, en Régina en George werden aan elkaar voorgesteld. Een jaar later werd de toko verkocht en omdat Régina geld wilde blijven verdienen, ging ze bij Surabaya werken. George was daar erg blij mee en zette alle zeilen bij om haar te versieren. Helaas voor George vond Régina hem totaal niet interessant. Maar hij gaf niet op: ‘Voor mijn dertigste ben je van mij!’ drukte hij haar op het hart.

In de acht jaar dat ze collega’s waren, raakten ze goed bevriend. Andere liefdes kwamen, maar gingen ook weer. En tijdens een avondje stappen in 1995 sloeg de vonk dan toch eindelijk over. Sindsdien zijn ze onafscheidelijk. Régina heeft een typisch Indisch uiterlijk, terwijl George niet voor iedereen even goed te plaatsen is, vooral vanwege zijn lengte van 1m94. Toen Régina’s nichtje hem voor het eerst zag vroeg ze verbaasd: ‘Ga je nou met een Marokkaan?’

Jonge Indo's in de Liefde Regina en George Bruiloft
De familie tijdens de bruiloft

Typisch Indische bruiloft
Op 18 september 1998 trouwde het stel. Lachend zegt Régina: ‘Precies één maand na zijn dertigste verjaardag. Had hij toch zijn zin!’ Wanneer Régina over haar bruiloft begint te vertellen straalt ze. ‘Het was een typisch Indische bruiloft. We hadden een geweldig groot Indisch buffet voor de familie en gasten van overdag en ’s avonds nog meer gasten, véél Indische hapjes en heerlijke muziek. Leden van Georges Hollandse familie bedankten mij dat ze hun kinderen mochten meenemen naar de bruiloft. Dat snap ik dus niet. Dat hoort toch?’ Trots vertelt ze dat mensen in Ede het nu nog over hun bruiloft hebben. Toen ze aan een pasgetrouwde collega vertelde dat ze 350 gasten op hun bruiloft had gehad, werd er gezegd: ‘Ja, maar jij bent Indisch!’

‘Doe niet zo Belanda!’
Volgens Régina komt het Indische in hun relatie vooral vanuit haar doordat zij meer Indisch is opgevoed met twee Indische ouders. De in Naarden geboren George heeft een Indische moeder en een Nederlandse vader. Hij is erg nuchter, terwijl Régina erg (bij)gelovig is. Niet fluiten na 12 uur, geen nagels knippen na 12 uur, geesten enzo… George heeft hier helemaal niets mee, maar uit respect voor haar zegt hij er niets over. Régina’s vader zei altijd: ‘Als ik na mijn overlijden terugkom, doe ik een lamp aan.’ Thuis heeft ze in haar openhaard een lamp met vissen staan dat ze maar een lelijk ding vindt. Maar Régina’s vader vond de lamp prachtig. Na zijn plotselinge overlijden twee jaar geleden, kwam ze op een dag thuis en toen stond die lamp aan! Régina wist meteen dat het haar vader was. ‘Hallo papa, ik doe de lamp weer uit, ok?’ George reageerde veel te nuchter naar haar zin. ‘Het kan toch ook zijn dat ik aan die lamp heb gezeten?’ Die nuchterheid irriteert Régina af en toe wel. ‘Doe niet zo Belanda,’ zegt ze dan.

‘Volgend jaar gaan we gewoon weer’
Régina sleept George ieder jaar mee naar de Tong Tong Fair in Den Haag terwijl dat van hem niet zo nodig hoeft. Als hij er weer eens is geweest, is het voor hem voor de komende drie jaar genoeg. ‘Nee hoor,’ zegt ze dan, ‘volgend jaar gaan we gewoon weer!’ Indisch koken kan George wel als de beste, hij heeft er echt gevoel voor. ‘Ik kook alleen Indisch in het weekend,’ zegt Régina, bijna een beetje beschaamd. ‘Ik echt geen tijd om doordeweeks Indisch te koken hoor!’

Jonge Indo's in de Liefde Regina en George
Régina en George

Gezelligheid
Het meest Indische wat Régina terugvindt in George is vooral het gezellige. Ze hebben een bepaalde humor samen die ze niet echt kan plaatsen. De klik is er gewoon, het gaat als vanzelf. Allebei hebben ze sowieso altijd erg weinig gehad met het ‘niet-Indische’. Toen ze nog in Ede woonden hadden ze twee verschillende Indische vriendengroepen, één met wat oudere mensen en één met jongeren. ‘Met de jongerengroep gingen we stappen en naar de kermis en met de ouderen gingen we naar pasars en soulavonden. Het was altijd zoete inval toen. Er waren zelfs vrienden die een sleutel van ons huis hadden. We hadden drie banken zodat iedereen kon zitten, of desnoods liggen als ze daar zin in hadden. Iedereen was altijd welkom!’ Ze zucht even. ‘Nu we helemaal in Haarlem wonen, mis ik dat wel hoor. Maar, de Indische vrienden die we hebben, die hebben we voor het leven!’

Indischer dan ik dacht

Een doodnormale vrijdagavond. Een avond waarop ik gewoonlijk met mijn vriendje zou chillen, of een drankje zou doen in de stad met een paar vriendinnetjes. Deze avond was anders. Ik ging namelijk uit eten met tien partners in crime van Indisch 3.0.

Toen ik aankwam bij restaurant ‘De Courant’ in Utrecht, stonden er al twee anderen te wachten. Charlie, mijn mede powerpuff girl, zoals ons groepje uit Utrecht binnenskamers wordt genoemd. Haar altijd opgewekte stem kwam me al vanaf een afstandje tegemoet. Naast haar stond Bryony, een prachtige meid die ik alleen nog maar kende van haar foto op Indisch 3.0. Geen Indonesische keuken voor ons vanavond, maar de heerlijke Italiaanse cuisine stond op het menu. Indo’s eten immers alles, toch?

Na een tijdje aan de bar te hebben gehangen, kregen we onze tafel toegewezen. Toen de avond vorderde, wisselden we af en toe van plek. We kenden elkaar immers nog niet allemaal, maar daar zou snel verandering in komen. Toen ik tegenover Willem-Jan, beter bekend als Merah, kwam te zitten, stelde hij me een vraag waar ik lang over ben blijven nadenken; ‘Merk je op dit moment dat je met alleen maar Indische mensen bent?’. Ik dacht na en keek toen naar Roosje, die naast me zat. Ik keek Merah aan en zei: ‘Nee, niet per se.’ Ik vroeg hem hoe hij erover dacht. Met een twinkeling in zijn ogen vertelde Merah dat hij het wel degelijk voelde. Een soort saamhorigheidsgevoel, een band. Bijna meteen had ik spijt van mijn antwoord. Ik dacht namelijk terug aan hoe de avond tot dan toe verlopen was, aan hoe iedereen enthousiast, maar toch bescheiden op elkaar reageerde. Hoe iedereen zich, ondanks dat we elkaar nauwelijks of niet kenden toch op zijn gemak voelde.

Toen het gesprek even stil viel en ik van mijn drankje nipte, keek ik eens om me heen. Ja, ik was vanavond op stap met alleen maar Indo’s. Voor een buitenstaander was dit waarschijnlijk niet te merken. Niet aan ieders uiterlijk is het namelijk op het eerste gezicht te zien. Ik vroeg me af wat andere mensen zouden denken als ze ons groepje zo bij elkaar zagen. Is het familie? Collega’s? Of gewoon vrienden? Ik keek nog eens om me heen. Ja, eigenlijk zijn we het alle drie.

Indo or no Indo? That's the question!

Zo ongeveer eens per maand, krijg ik dezelfde vraag. Meestal van vreemden in uitgaansgelegenheden en van mensen die nog niet zo lang in mijn kennissenkring verkeren. Heel soms zelfs door mensen die ik al een hele tijd ken. ‘Ben jij indo?’

Vaak wordt deze vraag precies zo gesteld. Bam! In your face. Zonder eromheen te draaien. Dan word ik  op mijn schouder getikt, draai ik om en krijg direct die vraag op me afgevuurd. Af en toe ook  subtieler: ‘Ehm… mag ik wat vragen? Ben jij heel toevallig, misschien een klein beetje Indisch?’ Ook veel voorkomend: ‘Wat is jouw afkomst?’ of ‘Jij bent niet Nederlands, hè?’

Als ik bevestig dat ik Indisch ben, wordt er vaak goedkeurend geglimlacht. ‘Goed gemixt’, of ‘Goed gelukt hoor!’ zijn meestal de positieve opmerkingen die ik krijg. Maar ook de opmerking: ‘Ben jij Indisch? Oh, dus je komt uit India?’ zit er regelmatig tussen..

Een opmerking die ik laatst kreeg verbaasde me echter zeer, hoewel  ik later wel om kon lachen trouwens. Ik stond achter de kassa van de  kledingwinkel waar ik werk en kwam er een jongen bij me afrekenen. ‘Hoe groot is de kans dat jij Indo bent?’ Ik antwoordde dat ik inderdaad Indisch was terwijl ik de kleding van de jongen in een tasje stopte. Toen ik de aankoop aan hem overhandigde zei hij: ‘Dan had ik graag wat meer tijd met je willen doorbrengen!

Perplex bleef ik achter. Al eerder was me in dezelfde winkel overkomen dat een bijdehante heer scandeerde: ‘Indo hè? Ik heb veel Indische vriendinnen gehad! Die hebben me toch een temperament! Nou ja, volbloed Indo dan hè? Die met dat Nederlandse erin zijn wat milder.’ Tenenkrommend…

Hoe komt het toch dat wildvreemde mensen toch vaak de moeite nemen om te vragen wat mijn afkomst is? Heb ik dan toch een typisch, misschien wel standaard dertien-in-één-dozijn Indisch uiterlijk? En wat is dat dan, een Indisch uiterlijk? Donker haar? Ja dat heb ik. Bruine ogen? Ja ook. Klein dop neusje, zoals mijn moeder het liefkozend noemt? Check. En dat ik verlegen en bescheiden reageer op de complimenterende opmerkingen van wildvreemden, heeft dat dan ook te maken met mijn Indische achtergrond? Of is het simpelweg een karaktereigenschap?

Ik weet het niet. Maar ondanks mijn bescheidenheid, geef ik altijd antwoord op de vraag ‘”Ben jij Indo?” . Dan zeg ik luid: “Ja ik ben Indisch! Dat is toch ook een beetje de trots die mijn vader me al vanaf kleins af aan heeft meegegeven, denk ik. ‘Trots zijn op je Indische afkomst, hoor!” En dat zal ik altijd blijven.

Poppie roept!

Als vriendinnetjes van mij het vroeger weleens over hun (Nederlandse) oma hadden, merkte ik dat het bij mij anders was. Soms kon ik merken dat mijn oma vroeger in Indonesië, het voor mij toen nog onbekende land, veel had meegemaakt. Vele vragen waren voor mij onbeantwoord. Nu, na haar dood zijn er nog steeds vele dingen waar ik geen weet van heb. Maar wat er precies zo anders aan haar was, en waarom dat was? Dat kon ik eigenlijk nooit onder woorden brengen.

Toen mijn Indische oma nog leefde, belde ze om de zoveel tijd even op, om te vragen hoe het met ons allemaal ging. Wanneer mijn vader dan opnam, riep hij vol enthousiasme: ‘Poppie roepttt!’ Hierna volgde gekwebbel in Maleis en Nederlands door elkaar. Wanneer ik dit hoorde, luisterde ik altijd met een glimlach op mijn gezicht mee. Wanneer ik zelf opnam als mijn oma belde, zei ze altijd: ‘Daaaagg Stéphanieeeee, hoe is het met jouuuu?’ Dat typische, oh zo herkenbare accent zal ik nooit meer vergeten. Net zoals de standaard vraag tijdens het eten: ‘Is het lekkerrrr?’ Zo cliché, maar wat vond ik het heerlijk om die ‘r’ te horen rollen.

Wanneer ik nu een ouder iemand zie van Indische afkomst, denk ik aan mijn oma. Hoe ze lachte, hoe ze danste, met haar vuistjes in de lucht en haar ogen gesloten. Hoe ze heerlijk kon genieten van haar bord met eten en dit dan ook heel langzaam opat. Haar vingers vol mooie gouden ringen, haar lange nagels, waar ik altijd vol bewondering naar keek, en haar altijd perfect zwarte haar, want grijs zijn op haar tachtigste, oh nee, dat wilde mijn oma absoluut niet.

Mijn oma woonde in een dorpje in Noord Holland. Haar huis leek net een klein rommelmarktje, of nog toepasselijker: een mini Pasar Malam. Van de gekste spullen kon ze geen afstand doen en ook dieren kregen altijd een plekje bij haar in huis. Ik daarentegen woonde in het oosten van het land. Vaak zag ik mijn oma dus niet, maar als ik haar zag, gaf het me altijd een warm gevoel van binnen. Lange gesprekken hadden we niet, maar het goedkeurende glimlachje wat ik altijd van haar kreeg, zei genoeg.

Toen mijn oma was overleden, hoorde ik van mijn tante dat ze altijd zo trots op mij was geweest. Toen ik dat hoorde, overspoelde mij opnieuw datzelfde warme, onbeschrijfelijke  gevoel wat ik altijd kreeg wanneer ik haar zag. Wat mijn oma anders maakte, blijft moeilijk te omschrijven, misschien is het enkel een gevoel. Een herkenbaar gevoel?