Filmmiddag maakt Indische spagaat zichtbaar
January 12, 2009 by: Indisch 3.0
Den Haag/Amsterdam, 12 januari 2009
door Kirsten Vos en Ed Caffin
Zondag 11 januari beleefden vier Pathé-theaters in Nederland een ware Indische invasie. Ruim 1.500 Indische Nederlanders bezochten in Rotterdam, Den Haag, Groningen en Amsterdam de filmvertoningen van Het jaar 2602 en Contractpensions – Djangan Loepah. Amsterdam en Den Haag waren zelfs helemaal uitverkocht. Diezelfde dag maakten niet alleen de films, maar ook de bezoekers pijnlijk duidelijk dat de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan.
Na wat vertraging, waarin de spekkoek en koffie niet aan te slepen waren, ging het programma van start. Dankzij de gezamenlijke actie van Darah Ketiga, Nederlands-Indië hyves en Indisch 3.0 was de derde generatie Indische Nederlanders in Amsterdam met bijna 100 jongeren goed vertegenwoordigd. Ruim op tijd zaten we klaar voor de première van Het jaar 2602, na een inleiding van onder meer Jan van der Dussen (stichting Verfilming Japanse Burgerkampen) en Peter Neep (stichting het Gebaar).
De film Het jaar 2602 bestond uit een serie interviews, afgewisseld met ‘home-videos’ uit de tempo doeloe tijd. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertelden op indringende wijze op het grote doek over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd. Bijzonder was dat ieder van hen het leven in het kamp door kinderogen gezien had, en zich vaak pas later realiseerde hoe erg, pijnlijk of vervreemdend hun ervaringen waren geweest. De gebeurtenissen in het kamp waren niet realistisch, dachten zij als kinderen: het was niet écht, buiten het kamp zou alles weer normaal worden. Zo was een van de geinterviewden door de Japanners als kind van zijn vader gescheiden. Hij besefte pas ruim veertig jaar later, staande bij het graf van zijn vader, dat hij hem echt nooit meer terug zou zien. Al die jaren had hij gehoopt dat zijn vader op een dag terug zou komen.
Ondanks dat de film een belangrijk, en tot nu toe onderbelicht deel van het Nederlandse oorlogsverleden vastgelegd heeft, waren de reacties na afloop wisselend. Dit had te maken met de afkomst van de geinterviewden en het verhaal dat zij vertelden. De hoofdrolspelers in 2602 waren namelijk overwegend totoks (volbloed Nederlanders). Er waren twee Indo-Europeanen (gemengde afkomst) bij, maar die waren voor Nederlanders nauwelijks als zodanig te herkennen. Daarnaast vertelden deze twee niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesië, of de rol die Indo-Europeanen speelden in de kampen. De regisseurs zijn nog niet beschikbaar geweest voor commentaar op deze keuze.
Een film over ervaringen van Indische Nederlanders in het Jappenkamp lijkt pijnlijk incompleet wanneer slechts een deel van die ervaringen wordt belicht. Hoewel beide groepen voor een deel dezelfde ervaringen hebben gehad, waren er ook belangrijke verschillen. De Indische groep uit 2602 heeft terecht eindelijk erkenning gekregen voor hun oorlogservaringen, het wachten is op de – blijkbaar echt – andere groep van Indo-Europeanen. Hopelijk helpt deze scheidslijn in elk geval om de Nederlands-Indische oorlogservaringen te kunnen vertellen aan het Nederlandse publiek.
In de tweede documentaire Contractpensions – Djangan Loepah!, die in 2008 in première ging, vertelt regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal van de overwegend Indo-Europese repatrianten die hun eerste tijd in Nederland in contractpensions doorbrachten. De verhalen over de soms pijnlijke en vaak bizarre ervaringen van de Indische Nederlanders die na aankomst in Nederland in tijdelijke contractpensions terechtkwamen, rolden zich uit over de aanwezigen. Ook hier zorgden de uitspraken van het bonte gezelschap dat in de film aan het woord kwam weer voor grote hilariteit, op andere momenten voor grote verontwaardiging en ontroering. De film van Hetty Naaijkens, die inhoudelijk overigens perfect aansloot op Het jaar 2602, was daarom een prachtige afsluiting van een opvallend Indische middag in een koud Amsterdam.
Ondanks dat het begrijpelijk is dat vele bioscoopbezoekers in Amsterdam wellicht overmand waren door emoties na het zien van 2602, was het bevreemded om te zien dat een groot deel van de 800 aanwezigen in Amsterdam na de pauze niet meer terugkwam om naar Contractpensions te kijken. Door dit vertrek werd, waarschijnlijk niet eens opzettelijk, duidelijk dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De totoks, de ‘witte’ repatrianten, hadden namelijk nauwelijks in contractpensions hoeven wonen: het was niet hun verhaal dat na de pauze verteld werd, maar dat van de ‘bruine’ repatrianten. Het is het bijna onwerkelijk om te zien dat, 60 jaar na de soevereiniteitsoverdracht, deze Indische spagaat onbewust nog steeds aanwezig is.



Kristallen Film voor CONTRACTPENSIONS – DJANGAN LOEPAH!
De documentaire CONTRACTPENSIONS – DJANGAN LOEPAH! van Hetty Naaijkens – Retel Helmrich heeft 10.000 bioscoopbezoekers getrokken en wordt daarom bekroond met de Kristallen Film. CONTRACTPENSIONS – DJANGAN LOEPAH! is de eerste Nederlandse documentaire die dit jaar de status van Kristallen film heeft bereikt.
CONTRACTPENSIONS – DJANGAN LOEPAH! ging tijdens het 28e Nederlands Film Festival (2008) in première. De prijs zal zondag 1 november a.s. in Concordia Kunst & Cultuur te Enschede aansluitend aan de voorstelling (aanvang 14.00 uur) uitgereikt worden door Herman de Wit, programmeur van het Nederlands Film Festival, aan regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich. De film wordt gedistribueerd door Cinema Delicatessen. Na FOREVER is CONTRACTPENSIONS – DJANGAN LOEPAH! de tweede Kristallen Film voor deze distributiemaatschappij.
Sinds de introductie van de Kristallen Film in 2005 is deze filmtrofee zeven keer eerder uitgereikt: aan de makers van STAND VAN DE MAAN en ZIELEN VAN NAPELS in 2005, BUDDHA’S LOST CHILDREN en FOREVER in 2006, 4 ELEMENTS en GOUD in 2007 en EL OLVIDO in 2008.
Het Nederlands Film Festival en het Nederlands Fonds voor de Film introduceerden de Kristallen Film in april 2005 in aanvulling op de sinds 2001 bestaande prijscategorieën Gouden Film en Platina Film. De Gouden Film, Platina Film en Diamanten Film worden toegekend wanneer voor een Nederlandse film tijdens de roulatie respectievelijk 100.000, 400.000 en 1.000.000 bioscoopkaartjes zijn verkocht. De Gouden, Platina en Diamanten Film kunnen worden toegekend aan speelfilms en aan documentaires. De Kristallen Film wordt exclusief toegekend aan documentaires.
Ik zag de film 2602 .
De kritiek dat er te weinig indo in de film was, is terecht.
Ik zag niemand waarvan ik redelijk zeker kon zeggen op het uiterlijk afgaand .. die is indo.
Ik zag 4 of 5 mensen die mogelijk indo zouden kunnen zijn, but then again…toon me 20 beelden van willekeurige Nederlanders en dan zeg ik ook van 4 mensen : mogelijk indo..
1 uur en 35 minuten is te lang voor een documentaire over zo’n zwaar onderwerp… 3 kwartier vind ik meestal al lang genoeg…
maar verder is het een goede zaak dat de film gemaakt is en getoond wordt…
Nederland weet veel te weinig van al die Nederlanders die toen aan de andere kant van de wereld probeerden te overleven
Mooi gesproken en neergezet Peter van den Broek, zeker niet gepast om de film op 15 augustus uit te zenden beter dan jangan lupa of ver van fam.
VOORGESCHIEDENIS 2602
De film Het jaar 2602 bestaat uit een serie interviews met Nederlanders die de Japanse bezetting in interneringskampen hebben doorgebracht. De vraaggesprekken worden afgewisseld met ‘amateurfilmpjes uit de vooroorlogse tijd, enkele Japanse propogandaopnamens en beelden van Indonesische nationalisten. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertellen in de film over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd.
Ik heb kritiek op de wijze waarop de Indo-Europese Nederlanders (Indo’s) in beeld worden gebracht, ze zijn niet als zodanig te herkennen en hun specifieke plaats in de Japanse bezetting wordt niet vertoond; zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesie of de rol die Indo’s- speelden zowel in de Indische maatschappij als in het kamp. Ze zijn op deze wijze onzichtbaar- ofwel hun bestaan wordt niet gekend. Op deze wijze wordt geen recht gedaan aan de plaats die hen in de Indische maar ook Nederlandse geschiedenis rechtmatig toekomt, zij vormden in de oorlogstijd de meerderheid der Nederlanders in Indie. Ik eis danook rechtzetting binnen het kader van de filmvertoning.
De Stichting Verfilming Japanese Burgerkampen 1942 1945, (Stichting) werpt mij tegen dat ik de film niet gezien heb en mijn oordeel anders zal uitvallen na het zien van de film. Daar kunnen zullen ze meer dan gelijk in krijgen.
Bij mijn eerstvolgende bezoek aan Nederland heb ik op het Tong-Tong festival de filmvoorstelling bezocht. Het is zonder twijfel een indrukwekkende en mooie film. Aan het eind van de film vroeg ik mijn buurvrouw of één der geinterviewden wel een Indo is, want ik kon in de gehele film hoegenaamd geen Indo ontdekken. Volgens de Stichting wordt de Indo-europese Minderheid (3 Indo’s) wel getoond maar wordt geen gesproken of geschreven uitleg aan gegeven. De (h)erkenning van de Indo’s wordt ook bemoeilijkt daar de filmmakers de veronderstelde Indo’s helemaal geen informatie laat geven over hun uitzonderlijke positie zowel in Indie als in de kampen.
Er worden tevens beelden getoond van een Indonesische Nationalist en of Pemoeda’s die allerlei bedreigende dingen over de “Endloesung” van Nederlanders zeggen. Ze zouden bij wijze van spreken als saté aan de getoonde bamboesperen geregen worden. Opmerkelijk is dat de Pemoeda’s hun dreigementen pas na de oorlog, in de Bersiaptijd ten uitvoer brengen Waarom de Pemoeda’s ten tonele wordt gevoerd, zij hadden toch in de Japanse kampen niks te maken, is uit de kontekt van de film niet te halen. Het lijkt alsof een Feindbild in de film wordt ingevoerd. Hier wreekt zich het feit dat de beelden in de fim niet in hun historisch kontekt worden geplaatst, dat er geen uitleg wordt gegeven terwijl de Stichting juist dat gebrek aan uitleg als een sterk punt van de film aangeeft, een beetje uitleg na meer dan 65 jaar lijkt mij wel nodig.
De Stichting zegt zelf op haar website dat de binnenkampers, dus de in het beeld gebrachte vnl blanke Nederlanders konden na de oorlog nog bescherming zoeken in de kampen. De buitenkampers, de bruine meerderheid der Nederlanders daarentegen, hadden al in de oorlog wel het wrange genoegen gesmaakt om met de Pemoeda’s veelal gewelddadig kennis te maken maar zij zijn als bruine meerderheid voor de Stichting irrelevant. . Ik vind dat de Pemoedabeelden moedwillig uit hun historisch verband worden gehaald, de beelden zijn suggestief maar volledig misplaats.
Na afloop van de film keek ik rond in de zaal en ik schat dat tussen de 10 tot 15% van de aanwezigen uit Indo’s bestaat. Alhoewel de film op het Tong-Tongfestival wordt getoond, dé plaats van samenkomst voor de Indo’s in Nederland , blijft een grote mate van belangstelling der Indo’s uit, bij andere voorstellingne in het Theater was er toch een meer gemengd (sic) publiek. Ik kan me niet voorstellen dat alle aanwezige Indo’s op die Zaterdag de film al hadden gezien. iK verklaar de afwezigheid van Indo’s dat zij zich niet herkennen in de film en dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De film heeft er niets aan gedaan deze tweedeling te verminderen, het is wel een gemiste kans, in tegendeel, ze heeft de tweedeling alleen maar aangescherpt. En de Stichting heeft niets gedaam om uitleg te geven bij de film zelve, zelfs niet op het Tong-Tong Festival.
De film zal op 15 Augustus op de televisie vertoond worden, de dag dat niet alleen de bevrijding van Nederlands Indie maar de gehele oorlog in Nederlands Indie wordt herdacht. Deze herdenking geldt voor niemand uitgezonderd, voor de gehele Indische gemeenschap zowel Indo-Europese als Europese Nederlanders, binnenkampers als buiten kampers. Het is een dag van verzoening met het oorlogsverleden
Daarom vind ik het onbestaanbaar en ongepast dat de film 2602 op die dag wordt uitgezonden. Het is een gotspé Ik vind dat de film, door het onzichtbaar maken van de Indo’s in de kampen een halve waarheid vertoont, dat de keerzijde is van de halve leugen. De Stichting beweert dat “deze film staat recht overeind als een monument voor Nederlandse ervaringen in één van de situaties van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië”. Een koloniaal monument zeker.
Wat zei die mevrouw toch na afloop van de filmvoorstelling: “eindelijk herkenning en erkenning”; slegs vir totoks.
VOORGESCHIEDENIS 2602
De film Het jaar 2602 bestaat uit een serie interviews met Nederlanders die de Japanse bezetting in interneringskampen hebben doorgebracht. De vraaggesprekken worden afgewisseld met ‘amateurfilmpjes uit de vooroorlogse tijd, enkele Japanse propogandaopnamens en beelden van Indonesische nationalisten. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertellen in de film over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd.
Ik heb kritiek op de wijze waarop de Indo-Europese Nederlanders (Indo’s) in beeld worden gebracht, ze zijn niet als zodanig te herkennen en hun specifieke plaats in de Japanse bezetting wordt niet vertoond; zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesie of de rol die Indo’s- speelden zowel in de Indische maatschappij als in het kamp. Ze zijn op deze wijze onzichtbaar- ofwel hun bestaan wordt niet gekend. Op deze wijze wordt geen recht gedaan aan de plaats die hen in de Indische maar ook Nederlandse geschiedenis rechtmatig toekomt, zij vormden in de oorlogstijd de meerderheid der Nederlanders in Indie. Ik eis danook rechtzetting binnen het kader van de filmvertoning.
De Stichting Verfilming Japanese Burgerkampen 1942 1945, 3, (Stchting) werpt mij tegen dat ik de film niet gezien heb en mijn oordeel anders zal uitvallen na het zien van de film. Daar kunnen zullen ze meer dan gelijk in krijgen.
Bij mijn eerstvolgende bezoek aan Nederland heb ik op het Tong-Tong festival de filmvoorstelling bezocht. Het is zonder twijfel een indrukwekkende en mooie film. Aan het eind van de film vroeg ik mijn buurvrouw of één der geinterviewden wel een Indo is, want ik kon in de gehele film hoegenaamd geen Indo ontdekken. Volgens de Stichting wordt de Indo-europese Minderheid (3 Indo’s) wel getoond maar wordt geen gesproken of geschreven uitleg aan gegeven. De (h)erkenning van de Indo’s wordt ook bemoeilijkt daar de filmmakers de veronderstelde Indo’s helemaal geen informatie laat geven over hun uitzonderlijke positie zowel in Indie als in de kampen.
Er worden tevens beelden getoond van een Indonesische Nationalist en of Pemoeda’s die allerlei bedreigende dingen over de “Endloesung” van Nederlanders zeggen. Ze zouden bij wijze van spreken als saté aan de getoonde bamboesperen geregen worden. Opmerkelijk is dat de Pemoeda’s hun dreigementen pas na de oorlog, in de Bersiaptijd ten uitvoer brengen Waarom de Pemoeda’s ten tonele wordt gevoerd, zij hadden toch in de Japanse kampen niks te maken, is uit de kontekt van de film niet te halen. Het lijkt alsof een Feindbild in de film wordt ingevoerd. Hier wreekt zich het feit dat de beelden in de fim niet in hun historisch kontekt worden geplaatst, dat er geen uitleg wordt gegeven terwijl de Stichting juist dat gebrek aan uitleg als een sterk punt van de film aangeeft, een beetje uitleg na meer dan 65 jaar lijkt mij wel nodig.
De Stichting zegt zelf op haar website dat de binnenkampers, dus de in het beeld gebrachte vnl blanke Nederlanders konden na de oorlog nog bescherming zoeken in de kampen. De buitenkampers, de bruine meerderheid der Nederlanders daarentegen, hadden al in de oorlog wel het wrange genoegen gesmaakt om met de Pemoeda’s veelal gewelddadig kennis te maken maar zij zijn als bruine meerderheid voor de Stichting irrelevant. . Ik vind dat de Pemoedabeelden moedwillig uit hun historisch verband worden gehaald, de beelden zijn suggestief maar volledig misplaats.
Na afloop van de film keek ik rond in de zaal en ik schat dat tussen de 10 tot 15% van de aanwezigen uit Indo’s bestaat. Alhoewel de film op het Tong-Tongfestival wordt getoond, dé plaats van samenkomst voor de Indo’s in Nederland , blijft een grote mate van belangstelling der Indo’s uit, bij andere voorstellingne in het Theater was er toch een meer gemengd (sic) publiek. Ik kan me niet voorstellen dat alle aanwezige Indo’s op die Zaterdag de film al hadden gezien. iK verklaar de afwezigheid van Indo’s dat zij zich niet herkennen in de film en dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De film heeft er niets aan gedaan deze tweedeling te verminderen, het is wel een gemiste kans, in tegendeel, ze heeft de tweedeling alleen maar aangescherpt. En de Stichting heeft niets gedaam om uitleg te geven bij de film zelve, zelfs niet op het Tong-Tong Festival.
De film zal op 15 Augustus op de televisie vertoond worden, de dag dat niet alleen de bevrijding van Nederlands Indie maar de gehele oorlog in Nederlands Indie wordt herdacht. Deze herdenking geldt voor niemand uitgezonderd, voor de gehele Indische gemeenschap zowel Indo-Europese als Europese Nederlanders, binnenkampers als buiten kampers. Het is een dag van verzoening met het oorlogsverleden
Daarom vind ik het onbestaanbaar en ongepast dat de film 2602 op die dag wordt uitgezonden. Het is een gotspé Ik vind dat de film, door het onzichtbaar maken van de Indo’s in de kampen een halve waarheid vertoont, dat de keerzijde is van de halve leugen. De Stichting beweert dat “deze film staat recht overeind als een monument voor Nederlandse ervaringen in één van de situaties van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië”. Een koloniaal monument zeker.
Wat zei die mevrouw toch na afloop van de filmvoorstelling: “eindelijk herkenning en erkenning”; slegs vir totoks.
De film Contractpensions Djangan Loepah! is in maart te zien : 15 en 18 maart Maastricht, 14, 17, 18, 21 maart in Breda, zondagochtenden in Tilburg
Is het nog mogelijk om de film
´ Contractpensions ´ergens te zien ?
Bedankt voor Uw reactie.
“Mijn vraag blijft heb je de niet recente publicaties en de recente publicaties gelezen en hou je recente ontwikkelingen en (archief) mogelijkheden bij? Al dan niet in het niet meer ‘armetierige’ voormalig RvO: NIOD en haar Indisch archief? Ik dacht het niet! “
Dat klopt, maar aangezien ik mag aannemen gezien je vraagstelling dat jij dat wel doet dan vraag ik me af waarom je dan niet een simpel antwoord kan geven.
“Voor zover ik kan nagaan geeft van Velden geen bron(nen). Jou”kennende’zou het wel eens anders kunnen zijn? Wel publiceerde ze op pagina 149: “[…] de ongeveer 240.000 Nederlanders […]” en publiceerde ze op pagina 444 het aantal Indo-Europeanen op Java: “Op Java woonden ruim 100.000 Indo-Europeanen […]”
Ik weet ook niet waar Van Velden deze cijfers vandaan heeft. We kunnen hierover speculeren, maar ik vind ook haar cijfers dubieus. Voor alle duidelijkheid: er is geen enkele bron, c.q. standaard werk heilig. Maar het feit dat we (nog) geen verklaring voor haar cijfermateriaal hebben diskwalificeert m.i. haar dissertatie niet.
“ Een suggestie: een middagje NIOD. Ik haal je evt. op per auto (evt. van een NS station in een straal van 50 km van de Bergsche Maas). Misschien kunnen we Peter en/of I4E (Blv) en/of Esther meevragen voor een aanzet tot een vanouds ‘vriendschappelijke Indische sfeer.’”
Lijkt me een goed idee. Het zal echter niet op korte termijn kunnen aangezien ik een nogal drukke baan en een druk gezinsleven heb. Maar het is een serieuze optie.
“Noot Een voorbeeld van een, volgens mij, terechte bemerking ivm ‘(on)nauwkeurigheid’ op de wijze van werken van D. van Velden. Op pagina 70 publiceerde ze in 1963. “Imamura werd vrij gesproken door de militaire rechtbank te Batavia.”
Brain Daizen Victoria (2003) veertig jaar later! “[…] he (Imamura, MECR) was subsequently tried as a war criminal and found guilty of having failed to prevent the maltreatment of Asian forced labourers under his command. Sentenced to ten years imprisonment […]”
Noot H. Meijer en anderen geven wel bronnen. Deze bronnen lijken me te raadplegen (na afspraak) bij NIOD.”
Ik denk dat je er naast zit. Van Velden heeft het over de militaire rechtbank te Bataviad die Imamura beoordeelde voor zijn activiteiten in Indië. Hij werd echter veroordeeld door een Australische rechtbank te Rabaul tot tien jaar gevangenis. Dat zijn twee verschillende zaken. Overigens ben ik van mening dat als we dezelfde maatstaven aanlegden voor ons koloniaal beleid en voor zoiets als de Vietnam oorlog dat ook de generaals Van Daalen, Van Heutsz en Westmoreland als oorlogsmisdadigers veroordeeld hadden moeten worden.
Beste Harry.
Je mag ons het volgende meegeven: “Ik ben nog steeds van mening dat concrete cijfers niet geven zijn ondanks verwijzingen naar recente publicaties.”
Mijn vraag blijft heb je de niet recente publicaties en de recente publicaties gelezen en hou je recente ontwikkelingen en (archief) mogelijkheden bij? Al dan niet in het niet meer ‘armetierige’ voormalig RvO: NIOD en haar Indisch archief? Ik dacht het niet!
I. Niet recente publicatie: ‘Nauwkeurigheid.’ We beginnen opnieuw Harry!
We gaan allereerst terug naar een geijkt, zuiver Euro-c.q. Neerlandocentrisch perspectief als uitgangspunt nemende dissertatie: De Japanse burgerkampen van D van Velden. Ze publiceerde op pagina 70 cijfers. (Cijfers die Harry ons allen ‘bewust’ onthouden heeft! Maar daar hebben we het nu niet meer over.)
“Daarbij stond hij (luitenant-generaal Imamura Hitoshi – 1886-1968, MECR) (noot) bij een internering voor de praktische moeilijkheid, dat hij ruim 70.000 geallieerde burgers (volbloed Europeanen, MECR) (1) moest onderbrengen of, indien hij de Indo-Europeanen wilde meerekenen, 200.000 à 250.000 personen.”
Voor zover ik kan nagaan geeft van Velden geen bron(nen). Jou”kennende’zou het wel eens anders kunnen zijn? Wel publiceerde ze op pagina 149: “[…] de ongeveer 240.000 Nederlanders […]” en publiceerde ze op pagina 444 het aantal Indo-Europeanen op Java: “Op Java woonden ruim 100.000 Indo-Europeanen […]”
II. Een mogelijke oplossing en definitieve ‘Indische’ afsluiting?
O ja. Bedankt dat je de deur die reeds half geopend was, mede hielp verder te openen. Een mogelijke oplossing in onze context of een komen tot een mogelijke verandering van mening blijft levendig. Een suggestie: een middagje NIOD. Ik haal je evt. op per auto (evt. van een NS station in een straal van 50 km van de Bergsche Maas). Misschien kunnen we Peter en/of I4E (Blv) en/of Esther meevragen voor een aanzet tot een vanouds ‘vriendschappelijke Indische sfeer.’
Noot Een voorbeeld van een, volgens mij, terechte bemerking ivm ‘(on)nauwkeurigheid’ op de wijze van werken van D. van Velden. Op pagina 70 publiceerde ze in 1963. “Imamura werd vrij gesproken door de militaire rechtbank te Batavia.”
Brain Daizen Victoria (2003) veertig jaar later! “[…] he (Imamura, MECR) was subsequently tried as a war criminal and found guilty of having failed to prevent the maltreatment of Asian forced labourers under his command. Sentenced to ten years imprisonment […]”
Noot H. Meijer en anderen geven wel bronnen. Deze bronnen lijken me te raadplegen (na afspraak) bij NIOD.
1 “Dat waren dus alle geallieerde volbloed Europeanen en Amerikanen, die op Java woonden, want dat waren er ongeveer zo veel.”( van Velden, pagina 72)
Nog een terzijde:
Ik heb het al eerder aangestipt maar nu dringt de ironie van deze discussie nog krachtiger tot me door: Het Nederlands Indisch beleid dat i.t.t. Engeland geen etnische registratie bij hield waar het de nationaliteit betreft, en daarmee te kennen geeft geen onderscheid in Nederlanderschap te maken in een tijd dat onderscheid naar klasse, sociale positie en etniciteit een gegeven was, staat nu in 21st eeuw, waar onderscheid naar huidskleur ‘simply not done’ is, in contrast met mensen die min of meer stellen dat een onderscheid naar vermeende etniciteit hun recht is. Het is bijna Kafka.
V.I. Conclusie: De eigentijdse tegenstelling(en MECR) van K. Vos en E. Vos (moet natuurljk zijn: E. Caffin MECR) is ook door D. van Velden beschreven.
Martin weet op overtuigende wijze en met bronnenmateriaal aan te tonen dat er Indo-Europeanen, mensen van gemengd Europees-inheemse=Indie/Indonesie afkomst) in Nederlands Indië woonden en leefden. Hij geeft sterke argumenten dat er in de kolonie tegenstellingen bestonden tussen deze mensen van gemengde afkomst en de blanke Europese bevolkingsgroep. Tevens toont hij aan dat er velen door de perfide Jap werden geïnterneerd. Tot zover al de open deuren die Martin zo voortreffelijk weet in te trappen.
Wat enige verbazing wekt is dat hij een belangrijke bron, te weten de dissertatie van Van Velden eerst afkraakte, om het nu als bron van gedetailleerde overzichten aan te voeren. Een curieuze opmerking is wel “”?Toch wel redelijk? nauwkeurig, voor een proefschrift uit 1963”. Alsof proefschriften in die tijd niet nauwkeurig waren. Dat zal hem zeker niet in dank worden afgenomen in de academische wereld. (Ga ik er even vanuit dat hij serieus wordt genomen) Ik kan in ieder geval één tegenwerping verzinnen: men schreef tenminste nog goed en duidelijk Nederlands in die tijd. En dan bedoel ik niet de d-t fouten, kromme zinsbouw en verkeerd woordgebruik die algemeen zijn hedentendage.
Het is jammer dat Martin aan de gesloten deuren voorbij gaat. Waarschijnlijk heeft hij niets om ze te openen. Maar een poging van zijn kant zou interessant geweest kunnen zijn. En dan heb ik het over het belangrijkste discussiepunt: waarom de Indo Europeaan of Indische Nederlander persé als dusdanig in de film “Het jaar 2602” vertegenwoordigd zou moeten zijn. Maar ook interessante punten als: wie of wat waren die Indo Europeanen? Of welke Indo Europeanen?
Hoewel hij het niet zo stelt en waarschijnlijk in alle toonaarden zal ontkennen, maakt Martin in ieder geval duidelijk dat de dissertatie van Van Velden nog steeds als standaardwerk voor de geschiedenis van de Japanse burgerkampen gezien mag worden. Het is alleen jammer dat hij geen aandacht heeft besteed aan het proces en de omstandigheden waarin dit alles kon plaats vinden. Waarschijnlijk omdat hij dát nog niet heeft gelezen. Wie weet komt dat nog.
Rest nog steeds een deur: de discussie over hoeveel Indo Europeanen er nu eigenlijk in Nederlands Indië vlak voor de Japanse inval waren. Ik ben nog steeds van mening dat concrete cijfers niet geven zijn ondanks verwijzingen naar recente publicaties. Ik ben pas overtuigd als men kan aantonen dat er een registratie bestaat van Indo Europeanen als dusdanig voor de hele kolonie. En die is er volgens mij niet. Schattingen zijn onvoldoende omdat: 1. de bronnen niet betrouwbaar zijn 2. men geen duidelijke definitie heeft van wie men als Indo Europeaan wil aanmerken.
Ik heb het vermoeden dat nr.2 nogal een heikel punt is. Het kan namelijk een aantal gekoesterde mythes onderuit halen. Ook het door mij opgeworpen punt betreffende m.i. archaïsche terminologie totok-indo wordt waarschijnlijk om dezelfde reden zorgvuldig vermeden.
I. Niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo-Europeanen.?
Harry Sihan Says 11 februari 2009 at 1:35 pm: ’Onnodig te zeggen dat ze (D. van Velden MECR) niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo Europeanen.’
Perspectieven, eigentijdse ontwikkelingen, cijfermateriaal etc. met betrekking tot de geïnterneerde Indo-Europese groep kunnen we vinden in vele publicaties na 1963. En we kunnen cijfers van grote groepen Indo-Europeanen reeds in 1963 vinden.
I.I. Inleiding.
Mijn slotbijdrage aan het onderwerp van onze discussie: de Indo-Europeanen in en buiten de kampen begint met een aanwijzing! “Door allerlei oorzaken werd steeds een soms vrij groot aantal Indo-Europeanen met de volbloed Europeanen en Amerikanen medegeïnterneerde.”( D.van de Velden, pagina 434)
I.I.I. D. van Velden heeft ‘soms’ wel grote groepen Indo-Europeanen gevonden.
Lijst der kampen. (D.van de Velden, pagina 519)
Van de Velden merkt ondermeer op, ik lees dit op pagina 519, dat ze uit een diversiteit aan bronnen: ze noemt zeven bronnen meestal niets vond: “Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden.”
Ze schrijft verder ondermeer dat in deze Lijst der kampen, niet zijn opgenomen zogenaamde landbouwkampen voor Indo-Europeanen: “evenmin als de landbouwkampen voor Indo-Europeanen en voor armlastigen.”
Op vele plaatsen in haar proefschrift kunnen we juist wel vinden een ‘bruin-wit” tegenstelling.
Harry heeft zijn eigen mening hierover: “In de dissertatie is een “bruin-wit” tegenstelling ook niet aan de orde.” Wederom afkomstig van Harry. Hij blijft inderdaad vertoeven in het schemergebied van zijn eigen humorloze kribbe en stal gevuld met de door hemzelf gecreëerde flauwiteiten en oude dingen die allang voorbij zijn of anders in elkaar steken. En relativeren schijnt hem ook te ontbreken Een blijvende positie. (Van mij mag hij doorgaan.)
Wat heeft D. van Velden naast het meestal niet vinden, ‘soms’ dan wel gevonden is onze vraag? Het antwoord is het volgende en lijkt schokkend. D. van Velden heeft ‘soms’ wel grote groepen Indo-Europeanen gevonden.
Dit schrijft ze en geeft ze ons mee. ‘Toch wel redelijk’ nauwkeurig, voor een proefschrift uit 1963, op pagina 519 tot en met pagina 544 en elders. Haar cijfers komen juist wel – voor zover D. van Velden deze cijfers soms vond – ”van de kolonie als geheel” kunnen we uit haar schrijven, bronnenonderzoek en bronnenvermelding begrijpen
I.V. Lijst der kampen. (D.van de Velden, pagina 519)
529 M.V. gebouw ongeveer 500 m. + vr. + ki., werkers, Indo-Europeanen (Sumatra, MECR).
532 Kramat III ongeveer 3400 vr. en k., deel uit Kramat II, nonnen, Indo-Eur.
533 Gedongbadak II ongeveer 1000 vrouwen + kinderen (veel Indo-Europeanen)
535 Gudang Garam vr. + ki. Uit stad en omgeving (Indo-Eur.)
535 Todanstraat vr. + k. uit stad en omgeving (meest Indo-Eur.)
538 Benteng II Indo-Eur. jonge mannen
542 Prafiririvier ongeveer 500 Indo-Eur. en Indon. M. + vr. + ki. van N.-Nieuw-Guinea
542 Hatam ongeveer 500 Indo-Europ. en Indon.m. + + ki. uit N.-Nieuw-Guinea.
Op pagina 443 kunnen we door D. van Velden geschreven lezen dat in het vrouwenkamp Padang-Bangkinang zich in december 1944 bevonden:
376 Indo-Belanda meisjes tot 16 jaar;
304 Indo-Belanda jongens tot 16 jaar;
4 Indo-Engelse meisjes tot 16 jaar;
1 Indo-Engels jongen tot 16 jaar;
2 Indo-Duitse meisjes tot 16 jaar;
4 Indo-Duitse jongens tot 16 jaar;
Tevens waren er aanwezig 17 jongens en meisjes die genoteerd werden als Surinaams, Indonesisch en Ambonnees, evenens tot 16 jaar.
Zelfs onze zuiderburen komen op deze lijst voor: 2 Indo-Belgische vrouwen boven de 16 jaar.
Ze komt elders met nog meer aanwijzingen:
- “[…] omdat talrijke Indo-Europese mannen in de loop der bezetting toch werden opgepakt en in de gevangenis of in een interneringskamp werden opgesloten, daar de Japanners hen niet vertrouwden.”(D. van Velden, 1985, 439).
- “De Indo-Europese ambtenaren uit de hogere rangen waren in geheel Nederlands-Indië trouwens onmiddellijk met hun andere Nederlandse collega’s geïnterneerd en werden niet losgelaten.”( D. van Velden, 439).
- “Duizenden Indo-Europese mannen bevonden zich bovendien in krijgsgevangenschap, daar zij, anders dan de Euasians op Malakka, dienstplichtig waren geweest.” (439)
V. Nog meer cijfers.
Een aanbeveling blijft: recente onderzoeken en publicaties lezen.
Bijvoorbeeld: ‘De geschiedenis van de Indische Nederlanders’, bestaande uit drie delen. In Indië geworteld, over de periode 1920-1960. Eerder verschenen De oude Indische wereld, door Ulbe Bosma en Remco Raben, en De uittocht uit Indië van Wim Willems.
V.I. Conclusie: De eigentijdse tegenstelling van K. Vos en E. Vos is ook door D. van Velden beschreven.
Kristen Vos en Ed Caffin met hun schrijven over eigentijdse tegenstellingen “de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan” vinden een eerdere, naoorlogse bevestiging van de genoemde tegenstellingen bij D. van Velden e.a. . We kunnen concluderen dat D. van Velden e.a. cijfers geven over grote groepen Indo-Europeanen. Hoewel D. van Velden die cijfers meestal niet vond. Door o.a. te interpreteren hebben we ontdekt: soms wel! Zelfs meer cijfers van Indo-Europeanen, dan we in eerste instantie zouden vermoeden.
Mijn slotbijdrage eindigt: vergelijkbare cijfers door D. van Velden ons aangereikt en meestal meer en ook andere bronnen, vinden we bij vele andere auteurs en publicaties. Tot slot: velen vulden het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep aan.
Een terzijde:
Wat me opvalt in discussie zoals deze met mensen die de “Indische” kant menen te moeten vertegenwoordigen, dat zodra de logica van het argument hen geen zinnig weerwoord meer biedt, hetzij door het gebrek aan kennis, hetzij door de klaarblijkelijke beperkingen waar zij in hun intellectuele vermogens op stuiten, men over gaat tot de zgn karaktermoord. Dat wil zeggen dat men probeert de opponent, of, in het geval van een rechtzaak, de getuige als persoon zwart te maken. Men hoopt hiermee te bereiken dat onwelvallige getuigenis aldus ontkracht wordt. Moreel en ethisch verwerpelijk, natuurlijk. Gelukkig is het wel zo dat het voor de goede verstaander meer zegt over degene die zo’n karaktermoord onderneemt dan het iets zegt over de aangevallene of zijn verklaringen.
Toegegeven, in een scherp debat of discussie is de scheidslijn heel dun tussen de aanval op het argument en degene die hem poneert. Maar de scheidslijn is er wel. Als iemand onzin debiteert dan is het legitiem dat te benoemen en proberen dat aan te tonen, dan wel aannemelijk te maken. Maar het gaat dan te ver om iemand onzinnig te noemen. Afgezien de vraag of hij dat wel of niet is. In wat ik voor het gemak “Indische” discussies noemt ziet men dat die scheidslijn heel snel verdwijnt. En dat is vooral hierom jammer; mensen die dat doen worden niet meer serieus genomen, ook als ze wel iets feitelijks te melden hebben.
Blz. 519, 3e druk, 1977.
“Voor kampen buiten het bezette gebied is veel ontleend aan de verslagen van de gedelegeerden der beschermende mogendheden of het International e Comité van het Rode Kruis te Genève. Voor kampen binnen het bezette gebied zijn ze in enkele gevallen ontleend aan deze verslagen, soms aan Japanse gegevens, doch meestal aan bewaard gebleven kamparchieven en particuliere bronnen. Voor Java zijn deze gegevens schaars.”
Waar heb ik gezwendeld?
“Onnodig te zeggen dat ze niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo Europeanen.
(Harry je leutert maar door! Zie mijn verwijzingen naar van Velden over inderdaad Het onderwerp van onze discussie: de Indo-Europeanen in en buiten de kampen. MECR)”
Is dat zo? Ze heeft cijfers van Indo Europeanen in de kampen die onvolledig en tot op zekere hoogte onbetrouwbaar zijn, maar geen cijfers van de kolonie als geheel. Hetgeen het uitgangspunt is. We praten over de concreetheid van de cijfers.
“Een definitie van het laatste is in het kader van haar proefschrift irrelevant. (Het onderwerp van onze discussie Harry! …de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan. MECR)”
In samenhang lezen, Martin! Dit is een reactie op een bericht van V.d. Broek van 11 februari:
“Ik heb nog steeds niet begrepen van Harry Sihan welke wetenschappelijke methodes ( definitie van Indo-Europees, hoe heeft zij geteld en wanneer e.d.)”
Haar proefschrift gaat niet over Indo-Europeanen persé en een definitie is voor haar dus irrelevant dan wel vanzelfsprekend in de context van de koloniale samenleving. In de dissertatie is een “bruin-wit” tegenstelling ook niet aan de orde. V.d. Broek impliceert dat het wel zou moeten, wat evidente onzin is. Onze discussie gaat in eerste instantie over de “hardheid” van de cijfers. Totnutoe heb ik alleen maar schattingen en aannames gezien. Dat is niet “hard”. Daar hoort ook bij wie wordt er wel tot Indo-Europeanen gerekend en wie niet. Ik kom tot de conclusie dat een sluitende definitie daarvoor niet te geven is.
“Het is een gegeven dat er ‘mestiezen’ groep bestond, als is het maar vanwege het feit dat de Japanners ze geduid hebben. (geduid? Harry! MECR) “
Snap ik niet. Leg eens uit. Of begrijp je het het werkwoord “duiden” niet?
“Harry, harde cijfers?
En wel in: ‘De geschiedenis van de Indische Nederlanders’, bestaande uit drie delen. In Indië geworteld, over de periode 1920-1960. Eerder verschenen De oude Indische wereld, door Ulbe Bosma en Remco Raben, en De uittocht uit Indië van Wim Willems. “
Leg eens uit Martin. Welk authentieke, onbetwiste register of document hebben ze voor deze harde cijferg gebruikt? Voor alle duidelijkheid, “aannemend dat”, “kunnen we stellen,,,” enz. gelden niet voor harde cijfers. Ook schattingen zijn geen harde cijfers.
Nogmaals terugkerend naar de oorspronkelijke discussie:
De opdracht gevers tot het maken van de film “Het jaar 2602” zeggen op hun website:
“Als eerste concrete project wil de stichting een gedramatiseerde documentaire laten produceren gebaseerd op verhalen van meer dan 20 ooggetuigen die de oorlog en de kampen als kind beleefden.
Deze dienen als uitgangspunt te dienen voor de gedramatiseerde documentaire, die cineast en historicus André van der Hout onder leiding van Nadadja Kemper van Holland Harbour Productions BV wil realiseren.(…)”
en
“(…)Gezien de hoofddoelstelling van de stichting – het levend houden van ‘vergeten’ verhalen over de Japanse burgerkampen –(…)
Het kernwoord is m.i. “verhalen” dat sluit per definitie “volledigheid” uit. M.a.w. het is niet hun bedoeling om een historisch verantwoord overzicht te geven van de burgerkampen, de kampbevolking en de processen die tot die kampen hebben geleid en die zich in die kampen evolueerden. Ook het feit dat men meer dan 20 ooggetuigen heeft geselecteerd sluit enige pretentie, zo die er al was, in die richting uit.
Het verwijt van Kirsten Vos en Ed Caffin: “Een film over ervaringen van Indische Nederlanders in het Jappenkamp lijkt pijnlijk incompleet wanneer slechts een deel van die ervaringen wordt belicht.” is dan ook niet terecht.
De zinsnede: “ (…)Daarnaast vertelden deze twee [Indische Nederlanders – HS] niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesië, of de rol die Indo-Europeanen speelden in de kampen.(…)” suggereert dat ze dat hadden moeten doen. Ze gaan daarmee zonder meer van uit dat het feit dat men Indische Nederlander is men dan ook iets over een vermeende rol van Indo-Europeanen in de kampen te melden had. Al is het maar vanwege het simpele gegeven dat men die ervaringen wellicht niet heeft.
Het vertegenwoordigd laten zijn van Indo-Europeanen c.q. Indische Nederlanders in die geschiedenis kent vele haken en ogen. De vooronderstelling is dat die groep homogeen en makkelijk te duiden was in de koloniale samenleving. Men gaat er van uit dat etniciteit voldoende bepalend is. Het probleem met dat uitgangspunt is dat er geen etnische registratie was in Nederlands Indië en dat sociale positie en opleiding het etnische onderscheid overvleugelen. Anders gezegd, de laatste factoren zorgden voor scheidslijnen ook bij de Indo-Europeanen onderling.
Een vertegenwoordiging van Indo-Europeanen in die geschiedenis stuit aldus op het probleem van de definitie. Want welke Indo-Europeaan wordt er vertegenwoordigd? De in Delft opgeleide ing Meijer of Pak Kromo uit de kampong? Die twee voelden zich beslist niet met elkaar verbonden. Zo geloof ik niet dat iemand als Frans Leidelmeijer zich verbonden voelt met Aage M. hoewel ze dezelfde etnische achtergrond delen. Zo zullen de Indische Nederlanders die zich vrijwillig meldden voor internering geen verbondenheid voelen met Dahler of Deetje Heijligers, de kempeitai informante.
Kortom, etniciteit als uitgangspunt voor het beschrijven van die geschiedenis is een hachelijke, zo niet heilloze weg. Dat gesteld hebbende wil ik niet zeggen dat die geschiedenis niet geschreven moet worden. Dat verdient ze wel maar dan binnen een duidelijk afgebakend kader en met duidelijk gedefinieerde begrippen. Daar leent deze documentaire zoals beschreven zich niet voor. En zoals Mas Rob als opperde, een dergelijke geschiedschrijving zou voorbij moeten gaan aan de etnische gevoeligheden van een koloniale, maar vooral verleden tijd.
Beste Harry.
Sorry Harry.
Ik was onvolledig. Je bent naast een zwendelaar ook een door mij eerder vermelde tovenaar. Eigenlijk een soort van dukun, passend in onze gezamenlijke Indische cultuur, geschiedenis van (ver) voor de grote ‘oversteek’ (voor mij 1953) en (ver) daarna.
Goed weekend gewenst.
Bijna tijd voor een Leffe Triple, Jammer dat je niet aan de Bergsche Maas woont. Anders hadden we het, aldaar, over het invullen van het woord goës kunnen hebben.
Harry Sihan Says 11 februari 2009 at 1:35 pm:
’Onnodig te zeggen dat ze (D. van Velden MECR) niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo Europeanen.’
Kristen Vos en Ed Caffin:”[…] de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan.”
Voor mij, met lange of korte tenen, mag een ieder onbewijsbare (geloof)overtuigingen, indrukken, egodocumenten en zelfs eigen gecreëerde flauwiteiten die hij beter vindt dan die van anderen poneren.
Een voorbeeld door een zwendelaar gepresenteerd, niet aan de Bersche Maas, echter elders vertoevend:
Harry Sihan Says: 11 februari 2009 at 1:35 pm
Ik zou zeggen lees de verantwoording van haar werk als je het echt wilt weten. Zij geeft aan dat haar telling van de kampbevolking niet volledig is en zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verslagen van het Rode Kruis. (Gelieve pag. 519 te lezen Harry,je bent wederom selectief actief en je zwendelt er maar op los MECR) Onnodig te zeggen dat ze niet of nauwelijks cijfers heeft van Indo Europeanen. (Harry je leutert maar door! Zie mijn verwijzingen naar van Velden over inderdaad Het onderwerp van onze discussie: de Indo-Europeanen in en buiten de kampen. MECR) Een definitie van het laatste is in het kader van haar proefschrift irrelevant. (Het onderwerp van onze discussie Harry! …de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan. MECR) Het is een gegeven dat er ‘mestiezen’ groep bestond, als is het maar vanwege het feit dat de Japanners ze geduid hebben. (geduid? Harry! MECR) Een oorspronkelijk onbetwiste registratie is – ik herhaal – een register waarvan de authenticiteit vast dat, dan wel niet in twijfel kan worden getrokken waarin staat dat wbepaalde personen van Indo Europese afkomst zijn, wat men verstaat onder “Indo-Europees”, genoemde personen geteld kunnen worden en die betrekking heeft op alle Indo Europese personen in Nederlands Indië. M.a.w. harde cijfers.
Harry, harde cijfers?
En wel in: ‘De geschiedenis van de Indische Nederlanders’, bestaande uit drie delen. In Indië geworteld, over de periode 1920-1960. Eerder verschenen De oude Indische wereld, door Ulbe Bosma en Remco Raben, en De uittocht uit Indië van Wim Willems.
Het blijft somber weer aan de Bergsche Maas.
“”Harry je gaat willens en weten voorbij aan dat het gehele door mij gepresenteerde stuk : Lijst der Kampen (D.van de Velden, 1985, pagina 519) (1) bijna letterlijk door mij is overgeschreven. Met verwijzing naar pagina 519! Zelfs de ‘kop’: Lijst der kampen.
Met enkele aanvullingen en vragen over in 1963:
Ik geef toe dit geheel verkeerd te hebben gelezen. Waarvoor excuses. Ik kan slechts aanvoeren dat de redactie, opmaak en samenstelling van het bericht onduidelijk en uitermate verwarrend zijn. Zo zou ik b.v. willen weten wat het doel is van dit citaat. Het is zaak dat je duidelijk aangeef wat en hoe je een citaat gebruikt. Zo ook het gebruik van jaartallen. Als een boek in 1963 is geschreven moet dat duidelijk zijn. Je komt met lijsten en getallen en ik vraag me af wat je daarmee wil zeggen. Voor de rest blijf ik bij mijn verhaal tot dat ik een goed tegenargument zie.
En Martin als je iemand een zwendelaar noemt ga je uit van kwade trouw. Dat zal je eerst aan moeten tonen. Gelukkig heb ik nogal korte tenen. Het maakt me echter twee dingen duidelijk: 1. projectie (moet je als psycholoog aanspreken): 2. je begint je het persoonlijk aan te trekken. Maar dat zal het inodcentrische zijn, denk ik. Flauw misschien, maar niet minder waar.
Overigens, ben ik nooit in Bergsche Maas geweest en was ook niet van plan daar naar toe te gaan, laat staan er te blijven.
Beste Martin,
In 1987 werd de toenmalige politiechef van Seoul door de BBC geïnterviewed naar aanleiding van de dood van een student tijdens een hardhandig verhoor. Dit was aanleiding voor grootscheepse rellen in Zuidkorea waaraan, naast de studenten, ook arbeiders mee deden. De interviewer vroeg de politiechef naar het gebruik van marteling en de laatste ontkende in alle toonaarden dat er van marteling sprake was. Door consequent door te vragen en d.m.v. een ontonkoombare logica kwam men op het punt waar de chef werd geconfronteerd met de definitie: het pijn doen van mensen om antwoorden te krijgen=martelen. Toen zweeg hij. Hij zei niet dat het zo was maar hield slechts zijn mond. Hij was in dat opzicht slimmer dan jij: hij wist dat er geen antwoord meer mogelijk was anders dan waar de redenering hem heeft gebracht. Hij vluchtte in ieder geval niet in een variant van het welles-nietes spelletje, zoals jij dat nu doet. Over flauw gesproken.
Je kan er tien maal van Goor of wie dan ook bijhalen, ik heb genoegzaam aangetoond dat je onvolledig en buiten de context citeert zodat je citaten nietszeggends zijn. Het feit dat je niet reageerde telkens als ik je betrapte op een fout citaat betekent dat je, net als bovengenoemde politiechef, geen antwoord had en je in feite mijn gelijk erkende.
In plaats van op mijn stellingen en argumenten in te gaan, kom je met verkeerde citaten en als ik dat aantoon, begin je over flauwiteiten, schemergebieden en egodocumenten. De laatste waarvan je nooit hebt aangetoond dat men ze niet als bronnen zou kunnen gebruiken. Als ik middels (goede) citaten en argumentatie aan toon dat: 1. ego documenten bruikbaar en soms noodzakelijk zijn voor historisch onderzoek 2. Van Velden, i.t.t. jouw mantra ten aanzien van het gebruik van dagboeken e.d. voor haar dissertatie, niet uitsluitend die zgn. ego documenten heeft gebruik, vlucht je in een wazig verhaal gelardeerd met moeilijk woorden waarvan je de “indruk” geeft ze zelf nauwelijks te begrijpen.
Sja, Lee Hsiu-lung had gelijk: obscurity is a symptom of incompetence. Oftewel, als je het niet simpel uit kan leggen, weet je niet waar je het over hebt. Waarvan akte.
Beste Harry.
Voor mij mag een ieder onbewijsbare (geloof)overtuigingen, indrukken, egodocumenten en zelfs eigen gecreëerde flauwiteiten die hij beter vindt dan die van anderen poneren.
Een voorbeeld door een zwendelaar gepresenteerd op: 21 februari 2009 at 12:21 am
“Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden (in 1963? ook zouden ze niet allemaal meer bij de Japanse capitulatie meer bestaan MECR)????????.
Voor Java zijn (1963? MECR) de gegevens zeer schaars????gelieve verder het gehele boek van D. van Velden en H. Meijer te lezen. (1) Ik suggereer niets!”
Harry je gaat willens en weten voorbij aan dat het gehele door mij gepresenteerde stuk : Lijst der Kampen (D.van de Velden, 1985, pagina 519) (1) bijna letterlijk door mij is overgeschreven. Met verwijzing naar pagina 519! Zelfs de ‘kop’: Lijst der kampen.
Met enkele aanvullingen en vragen over in 1963:
(in 1963? ook zouden ze niet allemaal meer bij de Japanse capitulatie meer bestaan MECR) en (1963? MECR)
door mij (MECR) er tussen geplaatst. Met name jij, Harry weet dat met 1963, De eerste druk van D. van Velden bedoeld wordt en dat ik refereer aan het – in het jaar 1963 en de jaren daarvoor – ‘armieterige’ van het RvO.
Ik vraag (- ‘gelieve’ – naar aan leiding wat op pagina 519 door van Velden geschreven wordt verder te lezen) …………….. gelieve verder het gehele boek van D. van Velden (1) en H. Meijer te lezen. Ik suggereer niets!
Ik verwijs nadrukkelijk naar pagina 519 (1) en voor de andere relevante informatie naar de andere pagina’s. Die wederom niet 100% letterlijk zijn overgenomen. En daarom ook niet : “…” of ‘…’.
Indien teksten geheel letterlijk zijn overgeschreven hanteer ik consequent: “…” of ‘…’.
De vraag blijft aan jou. Zwendelen. Waarom? En elke keer weer?
Mijn antwoord is. Het lijkt mij niet overdreven, niet alleen gezien je laatste oppervlakkige reactie (21 februari 2009 at 12.21), dat je vertoeven in het schemergebied van je eigen kribbe en stal gevuld met de door jezelf gecreëerde flauwiteiten en oude dingen die allang voorbij zijn of anders in elkaar steken een blijvende is.
Van mij mag je doorgaan. Al dan niet aan de Bergsche Maas.
1. 19 februari 2009 at 11:48 pm
Lijst der kampen. (D.van de Velden, 1985, pagina 519)
Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden (in 1963? ook zouden ze niet allemaal meer bij de Japanse capitulatie meer bestaan MECR)…………………….
Voor Java zijn (1963? MECR) de gegevens zeer schaars…………gelieve verder het gehele boek van D. van Velden en H. Meijer te lezen. (1) Ik suggereer niets!
Wel constateer ik dat Van Velden op Java nog meer Indo-Europese kinderen weet te ‘noteren’ in de kampen:
(535) Gudang Garam vr. + ki. Uit stad en omgeving (Indo-Eur.)
(535) Todanstraat vr. + k. uit stad en omgeving (meest Indo-Eur.)
(533) Gedongbadak II ongeveer 1000 vrouwen + kinderen (veel Indo-Europeanen)
(532) Kramat III ongeveer 3400 vr. en k., deel uit Kramat II, nonnen, Indo-Eur.
(538) Benteng II Indo-Eur. jonge mannen
Opmerkelijk (539) Werfstraat 1 ongeveer 250 Joodse en Iraaks vr. + ki.
D. van de Velden geeft een eerder door mij gegeven lijst met o.a. kinderen, op pagina 443.
Hier kunnen we met D. van Velden constateren dat in het vrouwenkamp Padang-Bangkinang zich in december 1944 bevonden:
376 Indo-Belanda meisjes tot 16 jaar;
304 Indo-Belanda jongens tot 16 jaar;
4 Indo-Engelse meisjes tot 16 jaar;
1 Indo-Engels jongen tot 16 jaar;
2 Indo-Duitse meisjes tot 16 jaar;
4 Indo-Duitse jongens tot 16 jaar;
Tevens waren er aanwezig 17 jongens en meisjes die genoteerd werden als Surinaams, Indonesisch en Ambonnees, evenens tot 16 jaar.
Zelfs onze zuiderburen komen op deze lijst voor: 2 Indo-Belgische vrouwen boven de 16 jaar.
Beste Harry.
Voor mij mag een ieder onbewijsbare (geloofs)overtuigingen, indrukken, egodocumenten en zelfs eigen gecreëerde flauwiteiten die hij beter vindt dan die van anderen poneren.
Er is reeds tweemaal door me gemeld d atJ. van Goor (1987) het daarom nadrukkelijk heeft over indruk als hij er een standaardwerk bijhaalt: D. van Velden ‘[…]heeft de indruk […]’, in zijn hoofdstuk VIII over De Kampen. Een goed verstaander…………
In de Oudheid (zelfs heden ten dage, bijvoorbeeld door jou) traden tal van figuren zoals geheimzinnige lieden, wetenschappers, profeten, ‘eenvoudige’ lieden etc. op die beweerden namens of met ‘de macht van het niet te begrijpen door anderen’ te kunnen spreken. Als aanduiding van zulke lieden kwam het woord goës in omloop dat in feite ‘tovenaar’ betekent, maar later de veelzeggende bijklank van ‘zwendelaar’ heeft gekregen.
Mijn pogen is gericht te blijven in de context van ‘over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd’ door Kristen Vos en Ed Caffin. Het prikkelend terug gaan naar ‘over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep.’ En naar de specifieke taal van de Indische Nederlander (Indo en totok). Ik bezig me met iets van een antwoord. En lees daarvoor naast oud materiaal, ook de laatste publicaties. Het lijkt mij niet overdreven, niet alleen gezien je laatste oppervlakkige reactie (21 februari 2009 at 12.21), dat je vertoeven in het schemergebied van je eigen kribbe en stal gevuld met de door jezelf gecreëerde flauwiteiten en oude dingen die allang voorbij zijn of anders in elkaar steken een blijvende is. Van mij mag je doorgaan.
Hoewel? Perspectieven, eigentijdse ontwikkelingen, cijfermateriaal etc. met betrekking tot de geïnterneerde Indo-Europese groep kun je, net als anderen, vinden in 2009!
Uit Jan Bouwer’s “Het vermoorde land”:
Dinsdag, 17 maart (1942 – HS)
(…)
De Militaire Politie van het K.N.I.L., die nog steeds in funktie is om te helpen bij de handhaving van rust en orde, is vol lof over de Japanse officieren, die bijzonder gevreesd zijn bij hun manschappen. Een Japanse officier schoot zaterdagavond j.l. drie Japanse soldaten neer, die op de openbare weg drie Nederlandse meisjes wilden aanranden. De lijken van de soldaten moesten als afschrikwekkend voorbeeld een dag op straat blijven liggen.(…)
“Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden (in 1963? ook zouden ze niet allemaal meer bij de Japanse capitulatie meer bestaan MECR)????????.
Voor Java zijn (1963? MECR) de gegevens zeer schaars????gelieve verder het gehele boek van D. van Velden en H. Meijer te lezen. (1) Ik suggereer niets!”
Wel constateer ik dat Van Velden op Java nog meer Indo-Europese kinderen weet te ?noteren? in de kampen:
Martin, je vergeet p.519 te constateren. Waarin Van Velden zelf schrijft dat gedetailleerde aantallen meestal niet te vinden zijn. Dat gaat vooraf aan haar overzicht van de kampen waar je al die getallen uit citeert.
Als je schrijft:
“Indo-Europese kinderen en nog meer ‘verrassingskinderen’ in de Japanse interneringskampen door D. van Velden in: De Japanse burgerkampen (1985).”
en vervolgens citeer je getallen uit de lijst die specifiek horen bij dat ene vrouwenkamp, dan suggereer je dat die getallen voor alle kampen gelden. Bovendien zet je 1985 achter de titel van het boek zodat je de suggestie wekt, dat het boek in 1985 is geschreven. Zoals je zelf al hebt aangegeven stamt haar dissertatie uit 1963. Het is een basisfout die je punten zou kosten als eerstejaars en je kop als doctoraal student. Althans in Leiden bij de oude professor Vos.
Ik zou je aan willen raden om het boek Van Velden goed (nadruk op goed) te lezen en met name haar verantwoording waarin ze de kaders aangeeft van haar studie.
Esther Jacobs:
“ Jij zelf hebt dus de oorlog niet meegemaakt…..
tja dan begrijp ik helemaal je argumenten niet die als n rode draad door alles wat je schrijft schittert…
Met één rats over de tafel veeg je steeds alle argumenten weg die over negatieve ervaringen gaan maar die ’schriftelijk’ of door ‘onderzoeken’ niet of niet geheel aan te tonen zijn…”
Jij ook niet. Dus met welk gezag spreek je? Niemand, en ik dus ook niet, ontkent dat de generatie van mijn ouders, die de oorlog en de daarop volgende periode als jong volwassenen hebben meegemaakt, veel moeilijkheden en ellende hebben doostaan. Dat is een gegeven en hier niet het onderwerp van de discussie. De onderzoekster, Van Velden, heeft als volwassene het vrouwenkamp Tjideng onder de beruchte Sonei ervaren. Het lijkt me dat ze heel goed wist wat negatieve ervaringen zijn.
Natuurlijk was die koloniale samenleving “tot op het bot stands- en rasbewust”. Dat was de hele toenmalige westerse samenleving en haar invloedssfeer. Echo’s daarvan merken we tot op de dag van vandaag. Zelfs in deze discussie. Zie onderstaand citaat:
“Mijn grootouders zijn Totoks + Indonesiers gemengd,
maakt van mijn ouders indos, dus ik ook indo…
Ik ben indo, voel me indo/indisch, maar voel me ook Totok(nederlands) en indonesies(mijn lieve lieve lieve oma (rip) is indonesisch)… als iemand naar mijn rootsgevoelens/familyband/bloedlijn etc etc zou vragen tja dan zijn die 3dubbel haha jep Indo-Nederlands-Indonesisch)”
Over mythologisering gesproken. Zoals Mas Rob al aangaf, indeling naar etniciteit is een menselijke constructie, en een gekunstelde op de koop toe. De indeling totok-indo-inlander hoort thuis in de koloniale context van Nederlands Indië en de tijdgeest van de 19e en 20st eeuw. Die koloniale context is niet meer en de termen hebben hun oorspronkelijke functie verloren. Voor de anthropoloog interessant om te observeren hoe die termen nu worden ingevuld en een bijna religieuze lading krijgen. Indisch-zijn als sekte.
Tjalie Robinson was een Indo pursang maar zijn wereld was stervende toen hij hier naartoe kwam en bestond niet meer toen hij overleed. De Indische wereld die hij beschreef kende ik alleen van verhalen van mijn ooms en de herinnering aan geuren en geluiden uit mijn jeugd. Indie was een vervagende herinnering toen ik opgroeide. Ik herkende veel in de verhalen van Tjalie omdat ik dingen die hij beschreef in mijn familie kring terugzag. Maar die generatie is ook niet meer en daarmee wat resteerde van de Indische cultuur.Whatever that might have been. Over 20 jaar zullen de verhalen van Tjalie onbegrijpelijk zijn.
Het is grappig om het citaat van Tjalie Robinson te lezen:
`De lesboekjes maakten ons vertrouwd met het leven van de heikneuters en stratemakers, [...] maar wij wisten zo goed als niets van de mensen om ons heen.’
En dan iemand te horen beweren dat door zijn of haar afkomst, hij of zij in twee werelden vertoeft. Tussen twee culturen, hoor je ook wel. Weer een mythe ontkracht.
“Alvorens je, in het algemeen, aan een Japans dagblad, een gewoon (beurs)bericht of dagboek of kampverslag, of ander egodocument kunt beginnen zou je volgens dr. C. Scharschmidt bijna drieduizend begriptekens moeten leren.”
Als ik die zin letterlijk neem zeg je dat een Japans dagblad of een gewoon (beurs)bericht een egodocument is. Het zou me niet verbazen als je het ook zo bedoelde. Overigens klopt het niet dat men 3000 kanji of karakters moet kennen om een Japanse krant of beursbericht te kunnen lezen. Dat is (weer) een mythe. Drieduizend is ongeveer academisch niveau en een krant kan niet van alleen academici bestaan. Overigens is het lezen van kanji, Chinese karakters die het Japans in haar schrift heeft geadopteerd, niet het moeilijkste van het lezen van Japanse teksten. Het moeilijkste van het Japans zijn specifieke termen en uitdrukkingen, zoals het door de kempeitai gebruikte ‘kikosaku’. Zelfs Japanners hebben er moeite mee als ze niet bekend zijn met de omgeving waarin die termen worden gebruikt. Lastig zijn ook de in het Japans weergegeven buitenlandse namen. Hoe ik dat weet? Ik studeerde Japans en Koreaans in Leiden.
Wat ik overigens niet begrijp is dat je de dissertatie Van Velden neerzet als een onbetrouwbare bron terwijl je kwistig met cijfers uit diezelfde dissertatie strooit als zijnde in brons gegoten.
Als scepticus zet ik een aantal vraagtekens bij het verhaal van B. Kirchof. Ten eerste: hij was “als kind in een interneringskamp” (ik denk dan: welk kamp?) die van Japanse soldaten te horen kreeg dat hij als Nederlander “op moest sodmieteren” en zo hup, het kamp in moest. De vraag is: verstond hij als kind Japans? Ik weet uit andere bronnen, Rookmaker b.v. die je ongetwijfeld een onbetrouwbare egodocument zult noemen, dat de gewone Japanse soldaten vaak niet de meest ontwikkelde personen waren. Ze spraken geen Engels, dus Nederlands al helemaal niet. Het verhaal van verkrachten en het afhakken van hoofden waar kinderen bij zijn staat zo haaks op gegevens uit diverse bronnen dat – in combinatie met het kind-zijn – het niet erg geloofwaardig is. In de documentaire The Colour of War is er de getuigenis van een vrouw uit Guam, dacht ik. Zij verteIde hoe mensen werden weggevoerd in de jungle en daar werden vermoord. Dat strookt met de verklaringen van de kempei en andere soldaten, dat executies o.h.a. op afgelegen plekken werden uitgevoerd. Dit lijkt me een schoolvoorbeeld van “false memory”. Net zo lang een verhaal horen dat je je het eigen maakt. Herhaling. weet je nog? Op dat gebied zijn erg veel interessante ontdekkingen gedaan. Dat moet je als psycholoog zeker aanspreken. En je ziet de mythe a.h.w. ontstaan.
Beste Esther.
Van de afkorting KNIL hebben ze Koninklijk Nederlands Indonesisch Leger gemaakt. Mijn vader en al mijn ooms (gelukkig hebben enkelen het overleefd, inclusief mijn vader) moesten hun Aziatisch militaire pensioen en achterstallige salarissen ophalen: bij het Indonesische leger. Geld hebben ze dus nooit gezien. Mariniers dacht ik wel?
Helaas zijn ze nu allen gestorven. Daarom ga ik wel eens ter rade bij anderen.
I. Bart Kirchof (1925) met een bruin kleurtje (dit is zijn eigen typering), zijn moeder was Indische.
NRC laat weleens een Indo-Europeaan aan het woord over de periode 1942 -1945. Bijvoorbeeld B. Kirchof , die als kind in een interneringskamp terechtkwam. Zijn vader was een KNIL-man, zijn moeder omschrijft hij als Indische. Kirchof is geboren en getogen in Indië. Hij haalde in 2000 herinneringen op en mocht als Indo-Europeaans kind van Japanse soldaten het volgende vernemen: `jullie Nederlanders moeten opsodemieteren, het kamp in met jullie!’.
De periode 1942 – 1945 in Indië blijkt in Nederland altijd erg onderbelicht gebleven terwijl, deze periode niet alleen voor Indo-Europeanen een uiterst schokkende ervaring was. B. Kirchof laat zijn licht schijnen.
“Het doel was om ons kapot te maken. Ik ben tot op het bot vernederd. We kregen bullepees- en bamboeslagen, moesten werken en werden uitgemergeld. Ik heb mensen gezien wier hoofd werd afgehakt en vrouwen die door vier, vijf mannen werden verkracht en daarna van binnen met bamboestokken werden kapotgemaakt.”
II. Herinneringen van Betty Roos, een Joods Indische Nederlander
Met de titel van haar boek ‘Bonsai-kinderen’(1995) wilde Betty Roos (een Joods Indische Nederlander, en als kind in Japanse kampen) tot uitdrukking brengen dat er bij kinderen en later volwassenen zoals zij, onvoldoende groeimogelijkheden waren te vinden. Echter ze bleef zoeken naar zingeving. Met Indische humor en pijn omschreef ze het proces.
Ze zag (lange tijd) onvoldoende groeimogelijkheden net als bij bonsaiboompjes, die zo gesnoeid worden dat ze wel konden blijven leven.
Buiten de Indische gemeenschap is het gebruik maken van mantra’s of al dan niet stille krachten opdoen niet zo bekend. Het zou geïnterpreteerd kunnen worden als een belangrijk deel van tantrisme dat reeds eeuwen beoefend werd in onze Indische samenleving. Vertaald in de praktijk van de kampen: een opzettelijk en veelbetekende bedoeling en zingeving. Om al dan niet spirituele en/of seksuele einddoelen te verwerven.
Op vele wijzen hebben vele Indo’s en totoks en elk op hun eigen wijze als ‘beoefenaar’ van de tantra (bijvoorbeeld buitenechtelijke seks) zich verheven boven de gangbare sociale regels
III. Iedere keer weer.
Wordt het Indisch Nederlands taalgebruik, zoals bij het negatief of ‘wat anders’ interpreteren van bijvoorbeeld mantra met het ‘onfrisse en lauwe’ Hollandse badwater weggegooid.
Het minst slecht nieuws is dat de Europese (oorlogs)pensioenen!, de komende vijf jaren zouden worden bevroren.
En dat autofabrikant Saab bijna failliet is.
De Japanse beurs blijft maar zakken, afgelopen vannacht weer bijna 2%.
Terug. Niet naar het grote doek. Wel terug naar ‘over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd’ door Kristen Vos en Ed Caffin en terug naar ‘over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep ’ en naar de specifieke taal van de Indische Nederlander (Indo en totok). Niet ingewikkeld dus.
I. Interpreteren en ‘begrijpend lezen.’
Alvorens je, in het algemeen, aan een Japans dagblad, een gewoon (beurs)bericht of dagboek of kampverslag, of ander egodocument kunt beginnen zou je volgens dr. C. Scharschmidt bijna drieduizend begriptekens moeten leren. De lacune van het niet kunnen lezen van in Japan uitgekomen werken over de kampen kon door van Velden niet worden aangevuld. Schrijft ze zelf. Wel wist ze haar weg te vinden in een armetierig tot stond stand gekomen Indisch archief van het RVO. Armetierig? Archivaris Rolf Utermöhlen van het Niod, vertelt het ons zelf in 2009!
II. Blunders en zogenaamd ‘meeleven.’
Heel lang geleden, toen ik studeerde viel me regelmatig wat op. Ik herhaal ze hier en geef daarbij, twee voorbeelden die tot blunders kunnen leiden.
Ten eerste.Bij het doorlezen van vele gepubliceerde en ongepubliceerde kampverslagen, nodig voor het samenstellen van D. van Veldens boek ‘De Japanse Burgerkampen’, merkte van Velden het volgende. ‘Terwijl ik de rest snel doornam, werd mijn aandacht steeds vastgehouden door het verslag over het einde. Zo uitvoerig en intens als het beschreven was, zo uitvoerig en intens leefde ik iedere keer weer mee.’
Ten tweede. Met name over Indo-Europese buitenkamp-vrouwen en buitenkamp-meisjes en oudere jongens: niet-geïnterneerde burgers hangt van Velden zich, met haar ‘hanteren’ en ‘meeleven’ wel erg op aan het Indonesisch-Nederlands Woordenboek van W.J.S. Poerwadarminta en A. Teeuw. Tevens laat ze hen ‘haar’ wonderen (wonderen? Ik citeer hier Van Velden ) verrichten: buitenkamp.
III Een soort taal, die we specifiek ‘Indisch’ kunnen noemen.
Zonder één woord Maleis erbij. Omdat ‘hij alleen dáár gesproken en…begrepen werd, en één die zeer lang bleef voortbestaan.’ In het algemeen wordt door Joop van den Berg in zijn ‘Soebatten, sarongs en Sinjo’s (1990) geschreven:
‘Ieder kind dat in de jaren dertig in het oude Indië op de lagere school heeft gezeten, had later in Holland de grootste moeite om zijn klasgenoten duidelijk te maken dat een vlakgommetje gewoon een ‘stiefje’ was, en dat ontdekt worden bij het afkijken gewoon ‘bepèkt’ heette, en dat je nooit een overhemd droeg, maar een bloes.’
IV. Onderzoek.
Joop onderzocht, in tegenstelling tot vele zogenaamde ‘egodocumentverbruikers’ en ‘egodocumente verwerkers’ (in hun literatuur en publicaties over de periode 1942-1945), wel de exotische woordenschat van de eigentijdse taalgebruiker.
Ik volg hem met ‘een momentopname van de schat aan Indismen wordt pas echt boeiend als wij die in de historische context plaatsen’ en ik vul aan met: en zouden onderzoeken in de context van de Japanse interneringskampen en de zogenaamde egodocumenten en de Indo-Europeanen.
Iedere keer weer.
Is het Indisch Nederlands taalgebruik , ook in de zogenaamde egodocumenten, niet met het ‘ónfrisse en lauwe’ Hollands badwater weggegooid? Evenzo de meer dan dertigduizend Indo-Europeanen, inclusief kinderen, in de Japanse interneringskampen?
sorry eigenlijk 5dubbel:
een van mijn overgrootouders was Duits en
de oma van mijn vader was italiaans…
tja wordt ingewikkeld hé…
toevoeging:
als ik teruglees 3 ‘bevolkingsgroepen’…..
er heerste een hiërarchische structuur van boven naar onder:
Totoks
Indos
Indonesiers
…
zo ontstonden ‘bevolkingsgroepen’
(mijn persoonlijke toelichting:
Mijn grootouders zijn Totoks + Indonesiers gemengd,
maakt van mijn ouders indos, dus ik ook indo…
Ik ben indo, voel me indo/indisch, maar voel me ook Totok(nederlands) en indonesies(mijn lieve lieve lieve oma (rip) is indonesisch)… als iemand naar mijn rootsgevoelens/familyband/bloedlijn etc etc zou vragen tja dan zijn die 3dubbel haha jep Indo-Nederlands-Indonesisch)
[quote Harry Sihan]
Ik heb de oorlog niet meegemaakt en jij ook niet.
Ik ga alleen niet zeuren over erkenning.
Ik zorg dat ik die krijg om wie ik ben en niet vanwege mijn etnische achtergrond. Enne, als je van mening bent dat ik geen integere argumenten gebruik of niet duidelijk ben dan verneem ik graag waar die argumenten aan integriteit ontbreken of niet duidelijk zijn.
[einde quote Harry Sihan]
Jij zelf hebt dus de oorlog niet meegemaakt…..
tja dan begrijp ik helemaal je argumenten niet die als n rode draad door alles wat je schrijft schittert…
Met één rats over de tafel veeg je steeds alle argumenten weg die over negatieve ervaringen gaan maar die ’schriftelijk’ of door ‘onderzoeken’ niet of niet geheel aan te tonen zijn…
Van mijn vader en zijn familie zijn hun papieren geheel verloren gegaan in die tijd… Tja dan heeft mijn vader en zijn family en dus hun negatieve ervaringen niet bestaan…of zoals je laat blijken niet noemenswaardig…..ehhh wetenschappelijk aantoonbaar…..
(Met behulp van family en kennissen die nog wat te zeggen hadden daar, verkregen zij nog op tijd de juiste (nieuwe) identiteispapieren om te gaan naar NL….)
[quote Harry Sihan]
zeuren over erkenning
Ik zorg dat ik die krijg om wie ik ben
[einde quote Harry Sihan]
Elk mensje in deze wereld,
elke bevolking in deze wereld verdient het dat hun historie op de juiste manier getoond wordt!
Beschreven of Verfilmd…..
Als je een historisch stukje wilt plaatsen geldt dat voor Ned-Indie dus dat er over minstens 3 bevolkingsgroepen wordt beschreven:
Totoks-Indo’s-Indonesiers…
Daardoor ontstaat erkenning…
erkenning…wat is er mis mee…zo krijgen al deze mensen erkenning ‘om wie ze zijn’…
Daarvoor hoeven zij zelf niet ‘te zorgen’…
Beste Harry.
Opmerkelijk Ik dezelfde ervaringen als jij. En als psycholoog (1e graads) zeur ik niet, net als Esther niet zeurt. Zelfs niet over erkenning! We hebben geen mening over jou! En we vertellen je niets! Wel laat ik weleens wat aan je weten. Bawah sini, (breng hier) mintah itoe, (ik vraag dat) laat ik genoeglijk achter in je tot een ‘ongebalanceerde en tot mythologische proportie’ gegroeide kribbe en stal.
O, ja dezelfde ervaringen. Ik mag je graag citeren: ‘Ik heb alle verhalen gehoord. Ik ken het contractpension persoonlijk en groeide op in een dorp in de jaren vijftig. Daar waren wij een van de weinigen met een afwijkende huidskleur.’
Toch niet in Brabant aan de Bergsche Maas?
Op 16 januari schrijft Roos:
Ik zei het al eerder, prof. Mr. B.V. A. Röling wist het al, meer dan dertig jaar geleden dat je door indrukken eindeloos te herhalen, een mythe laat ontstaan die een eigen leven gaat leiden.
En ergens heeft hij gelijk. En hij kan het weten. Het is dezelfde techniek die hij zelf gebruikt: hij herhaalt voortdurend dat Van Velden voor haar dissertatie zich geheel op wat hij met “ ego-documenten” aanduidt, heeft verlaten. Dat ego documenten niet goed zijn. Alles wat het tegendeel aantoont negeert hij consequent en als een mantra herhaalt hij dat Van Velden alles uit ego documenten heeft gehaald. En als hij geen antwoord heeft op argumenten herhaalt hij de termen mythe, simple verklaringen en marktkraam. Voer voor psychologen, denk ik dan maar.
Laat ik duidelijk en simpel zijn: ik heb nooit gezegd dat er geen mensen van gemengde afkomst waren in Nederlands Indië. Of men ze nu Indo Europeanen, Indische Nederlanders of halfbloeden noemt. Kan ik ook niet beweren, mijn ouders behoorden tot die groep. Ik beweer ook niet dat die groep niet herkenbaar was in Nederlands Indië, noch ontken ik dat ze het zwaar hebben gehad. Kan ik ook niet want ik heb de naweeën aan den lijve ondervonden. Niet in de vorm van al die modieuze psychologische prietpraat. Van de zwijgende Indo, oorlogstrauma’s en wat dies meer zij. Maar praktisch, je weg vinden als een vreemdeling in een vreemd land, een bestaan opbouwen.
Ik stel dat men niet met zekerheid kan zeggen hoeveel er waren. Ik stel ook dat het geen homogene groep was. Tot nu toe heb ik alleen over “nieuwe inzichten” wat betreft deze materie, maar niemand is in staat geweest om die inzichten concreet en simpel (!) hier weer te geven. Dat betekent of die inzichten zijn zo onduidelijk dat ze niet samen te vatten zijn, of niemand hier hebben ze goed begrepen en/of zijn in staat ze samen te vatten. Ik denk dat het een combinatie van beiden is.
Esther Jacobs:
“mja miss behoor jij tot de ‘lucky ones’ die op zachtaardige manier de oorlog zijn doorkomen en niet geloven dat er veel meer dingen afspeelden…..
Ik heb de oorlog niet meegemaakt en jij ook niet. Mijn vader was krijgsgevangene en werkte in Thailand aan de beruchte spoorweg. Kan dat niet bepaald “lucky” noemen. Mijn grootvader maakte kennis met de kikosaku (executie d.m.v. onthoofding) van de kempeitai na een paar verhoorsessies. Een oom vocht in Thailand als guerilla en een andere oom diende bij Westerling na de oorlog. Ik heb alle verhalen gehoord. Ik ken het contractpension persoonlijk en groeide op in een dorp in de jaren vijftig. Daar waren wij een van de weinigen met een afwijkende huidskleur. Dus ga mij niets vertellen over “lucky ones”. Daar waren er heel weinig van in mijn familie. Ik ga alleen niet zeuren over erkenning. Ik zorg dat ik die krijg om wie ik ben en niet vanwege mijn etnische achtergrond. Enne, als je van mening bent dat ik geen integere argumenten gebruik of niet duidelijk ben dan verneem ik graag waar die argumenten aan integriteit ontbreken of niet duidelijk zijn.
‘De lesboekjes maakten ons vertrouwd met het leven van de heikneuters en stratemakers.’
Lijst der kampen. (D.van de Velden, 1985, pagina 519)
Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden (in 1963? ook zouden ze niet allemaal meer bij de Japanse capitulatie meer bestaan MECR)…………………….
Voor Java zijn (1963? MECR) de gegevens zeer schaars…………gelieve verder het gehele boek van D. van Velden en H. Meijer te lezen. (1) Ik suggereer niets!
Wel constateer ik dat Van Velden op Java nog meer Indo-Europese kinderen weet te ‘noteren’ in de kampen:
(535) Gudang Garam vr. + ki. Uit stad en omgeving (Indo-Eur.)
(535) Todanstraat vr. + k. uit stad en omgeving (meest Indo-Eur.)
(533) Gedongbadak II ongeveer 1000 vrouwen + kinderen (veel Indo-Europeanen)
(532) Kramat III ongeveer 3400 vr. en k., deel uit Kramat II, nonnen, Indo-Eur.
(538) Benteng II Indo-Eur. jonge mannen
Opmerkelijk (539) Werfstraat 1 ongeveer 250 Joodse en Iraaks vr. + ki.
D. van de Velden geeft een eerder door mij gegeven lijst met o.a. kinderen, op pagina 443.
Hier kunnen we met D. van Velden constateren dat in het vrouwenkamp Padang-Bangkinang zich in december 1944 bevonden:
376 Indo-Belanda meisjes tot 16 jaar;
304 Indo-Belanda jongens tot 16 jaar;
4 Indo-Engelse meisjes tot 16 jaar;
1 Indo-Engels jongen tot 16 jaar;
2 Indo-Duitse meisjes tot 16 jaar;
4 Indo-Duitse jongens tot 16 jaar;
Tevens waren er aanwezig 17 jongens en meisjes die genoteerd werden als Surinaams, Indonesisch en Ambonnees, evenens tot 16 jaar.
Zelfs onze zuiderburen komen op deze lijst voor: 2 Indo-Belgische vrouwen boven de 16 jaar.
1 We hebben kunnen constateren dat vooral de ‘stemming’ waarin iemand schrijft, soms een sombere of melancholieke of weleens eenkennig en selectief, de ‘wetenschappelijke’ betrouwbaarheid aan kan tasten.
We hebben mogen opmerken dat de lotgevallen en de geschiedenis van de Indo-Europeanen in de Nederlands-Indische samenleving nauwelijks aan bod kwamen in HJ 2602.
Hoewel de lotgevallen en de geschiedenis van de Indo-Europeanen weliswaar recent, op wetenschappelijk verantwoorde wijze zijn beschreven.
En wel in ‘De geschiedenis van de Indische Nederlanders’, bestaande uit drie delen. In Indië geworteld, over de periode 1920-1960. Eerder verschenen De oude Indische wereld, door Ulbe Bosma en Remco Raben, en De uittocht uit Indië van Wim Willems.
Volgens o.a. Doeko Bosscher, hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen was de Nederlands-Indische samenleving tot op het bot stands- en rasbewust. (2009)
Tjalie Robinson had een hekel aan de zogenoemde `grote vorming’ van de Indo-Europeanen die op gezag van de kleine groep blanke gezagsdragers zich moesten verdiepen in typisch Nederlandse aangelegenheden. T. Robinson: `De lesboekjes maakten ons vertrouwd met het leven van de heikneuters en stratemakers, [...] maar wij wisten zo goed als niets van de mensen om ons heen.’
Vergelijkbaar met de door mij eerder geschetste ‘omgekeerde’ ervaringen van H.S. Haasse.
We hebben gezien bij o.a H. Meijer (2004) (noot) dat stands- en rasbewust zijn ook in de kampen doorwerkte. Oude stukken en indrukken, hebben we, mede door de ruimte, tijd en vaak ‘de onzinnigheden er om heen’, summier de revue laten passeren en ‘getoetst’ en ‘herkauwd’ om er een ‘coherent geheel’ van te maken. We zouden ons kunnen baseren op historische, ‘wetenschappelijk onverdachte’ feiten.
Middels ‘recent’ bovenvermeld materiaal hebben we de ontbrekende schakel: de lotgevallen en het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep door Kristen Vos en Ed Caffin in hun artikel genoemd, in kaart gebracht.
We hebben gevonden een andere ‘historische werkelijkheid’: completer!
Noot Op boeiende en meeslepende wijze kunnen we ervaren hoe H. Meijer aantoont dat de Indo-Europese gemeenschap in elke fase van de Indonesische geschiedenis vergeefs leek te strijden. Echter we hebben ze wel zien overleven. Tegen het koloniale gezag werden activiteiten ontwikkeld. Een koloniaal gezag dat uiteindelijk betrekkelijk blind was voor deze groep. In en buiten de Japanse interneringskampen zijn we ze tegengekomen: zelfs zeer nabij via Esther Jacobs en vele anderen. ‘In Indië geworteld is voor mij en vele anderen te beschouwen als een meer dan gerechtvaardigd eerherstel.
ps ook nog bij mijn vader het gevaar van de Rebellen:…
Tja het is hem maar inderdaad denk ik 1x overkomen, ik zal hem nog ns vragen of miss meer is geweest…ahum…
‘n insluip van een rebel, met een hele grote mes, sabel geloof ik…de rebel had zwarte doeken om zijn hoofd om uiteraard onherkenbaar te blijven, met indringende ogen keek hij mijn vader(knulletje) aan, mijn vader angstig terug wist niet wat hem ging overkomen, de rebel richtte de sabel omhoog om zo naar beneden te h…..
Maar toen…de babuh(schrijf ik t goed, kindermeisje indonesisch) greep mijn vader, waarop de rebel schreewde en wees naar mijn vader indo indo, nee gilde de babuh, mijn kind…..mijn kind….
Zijn leven werd ‘gespaard’ door de redding van zijn babuh…..
…zal mijn vader dit als enige mee hebben gemaakt…
in ieder geval wel dat hij t kan navertellen…..
(…..pfoe pfoe pfoe… tja heel wat boeken worden hier toegelicht…
… als ik ooit in de gelegenheid ben ga ik zeker ‘proberen’ wat van deze boeken te lezen….)
Mja…
[quote Harry Sihan]
Ik begin de zgn Indocentrische geschiedschrijving te begrijpen: men stelt eerst vast wat de gewenste “historische werkelijkheid” moet zijn en vervolgens formuleert men zijn argumenten in het kader van die “werkelijkheid”. Door gebruikmaking van “highly selective” citaten geeft men die aldus geconstrueerde werkelijkheid de schijn van een wetenschappelijke status mee. Sja, ik denk dat ik me maar aan de reguliere manier van waarheidsvinding hou: zeer kritisch omgaan met de bronnen. Ook met Van Velden. Maar dan wel gebaseerd op goede en duidelijke argumenten en op een integer manier.
[einde quote Harry Sihan]
mmm duidelijk argumenten…? integer…?
(…Tussen al die teksten door maar dan door al die teksten draaien mijn ogen helemaal scheel…..)
Al de nare ervaringen die het daglicht…de nacht ook niet kunnen verdragen…gewoon totaal genegeerd…..en zeker niet gezien als traumatisch en zeker niet vergelijk met andere oorlogen….
Maar
wel ervaringen érkennen, het lijkt wel in ‘t zonnetje gezet die als ‘normaal’ mogen worden gezien in oorlogstijd…
oké tja in 1 geval heb je zeker gelijk:
De ervaringen van mijn moeder:
*haar vader knilsoldaat(indo) in krijgsgevangenschap (birma)
samen met haar moeder(indonesisch)en zusje en family,
gevlucht naar de bergen en daar redelijk veilig
de oorlog doorgebracht beetje honger hier en daar etc etc….
Maar ja dan de ervaringen van mijn vader…
*Vader(indo) meegenomen door jappen, niet meer terug
*2 oudere broers 13 – 15 jaar afgemaakt door de jappen
*Moeder(indonesisch) schuilen met 3 kleine kinderen in de kampung…
zijn Moeder en broertje/zusje 3-5jaar
zijn dingen overkomen door de jappen, lijfelijk…
ik ga deze dingen hier niet noemen…
zijn moeder keer op keer, zijn broertje/zusje niet overleefd….
Zal dan mijn vader den enigste zijn met deze ervaringen….
Denk het toch niet Harry…
er zullen er veel meer zijn…dat de meesten ervoor kiezen om daar niet meer over te praten…wil niet zeggen dat ze niet gebeurt zijn…
Maar nog erger dat deze dingen gewoon genegeerd worden door je, dat begrijp ik niet…
mja miss behoor jij tot de ‘lucky ones’ die op zachtaardige manier de oorlog zijn doorkomen en niet geloven dat er veel meer dingen afspeelden…..
mja
Harry geeft wederom zijn simpele verklaringen op zijn welbekende ‘integere’ roepen vanuit zijn marktkraam manier.
“Archivaris Rolf Utermöhlen van het Niod vertelde op humoristische wijze (Op 22 januari jl. MECR) hoe armetierig in de jaren zeventig zo’n Indisch archief eigenlijk tot stond stand kwam. Niets dan kaartenbakken en als er weer een nieuw medewerker in dienst kwam bij, wat toen nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heette, begon die weer op geheel eigen wijze een eigen systeem van documentatie op te zetten zonder voort te borduren op de archiefopbouw van de voorganger.”
J. van Goor (1987) heeft het daarom nadrukkelijk over indruk als hij er een standaardwerk bijhaalt: D. van Velden ‘[…]heeft de indruk […]’, in zijn hoofdstuk VIII over De Kampen.
Het ging er destijds in de zeventiger jaren en daarvoor, ook dus bij het zoeken naar bronnen door D. van Velden en haar ‘Japanse burgerkampen’, nogal primitief aan toe daar bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
Alweer bijna 45 jaar geleden, werd de richting aan gegeven van verwarring en vertekening en wij mogen het hier wederom aantreffen. Dat je door indrukken en interpretaties van o.a. van Velden eindeloos te herhalen, een mythe laat ontstaan die een eigen leven gingen leiden. De mythe is ontrafeld en inmiddels door recent materiaal gecorrigeerd. We hebben de ontbrekende schakel: de lotgevallen en het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep door Kristen Vos en Ed Caffin in bovenstaand artikel genoemd, in kaart gebracht.
Op 10 februari 2009 at 11:39 pm schreef Martin E.C. Roos:
“D. van de Velden heeft subjectieve weergaven van de werkelijkheid van Japanse burgerkampen verwerkt in haar proefschrift. Op basis van egodocumenten.”
Om vervolgens de vraag te stellen:
“ Zou enkel op basis van egodocumenten uit sommige Japanse burgerkampen, historische werkelijkheid met betrekking tot alle Japanse kampen op Java en de Buitengewesten kunnen worden gereconstrueerd?”
Op blz. 6 in haar verantwoording schreef Dr. Van Velden:
Bij de samenstelling van deze studie moest veel tegenstrijdigs tegen elkaar afgewogen worden. Uit ieder verslag en dagboek bleek sterd de persoonlijkheid van de schrijver of schrijfster. Er waren er, die zeiden het steeds best te hebben gehad en anderen, wie geen gruwelverhaal sterk genoeg was en nog wat bij verzonnen, of een gebeurtenis, die éénmaal plaats vond, voorstelden als dagelijks wederkerend.
Dit staat haaks op wat Roos suggereert in zijn bericht van 6 februari, namelijk dat Van Velden zonder enig kritiek of onderscheid de dagboeken in haar dissertatie verwerkt zou hebben. Bovendien krijgt de door Roos op 17 februari geciteerde zin in haar juiste samenhang een andere betekenis die – hoe verbazingwekkend – wederom het tegenovergestelde aangeeft dan Roos suggereert. Waar Van Velden zegt een voorbehoud te maken ten aanzien van de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de dagboeken, doet Roos voorkomen met de door hem zelf genoemde “als-het-in-je-kraam-past” methode alsof Van Velden de inhoud van die dagboeken klakkeloos heeft overgenomen. Het is tekenend dat ik van het gebruiken van die methode werd beschuldigd. Zoals de waard is, verdenkt hij zijn gasten, luidt een oud Nederlands spreekwoord.
Ik wil Roos wijzen op blz. 7 waar Van Velden schrijft:
Men moet deze “kampboeken”veel kritischer beoordelen dan ongepubliceerde dagboeken, omdat bij het publiceren de auteurs bewust bij de lezers een bepaalde indruk van het kampleven en kmapgebeurtenissen wilden wekken. (…)
En verder.
Het summum van verdraaiing vind ik wel zijn citaat dat betrekking heeft op “de ene blunder na de andere” begaan. Van Velden refereert met deze woorden aan de kampleiding en kampbewakers. Hij geeft weliswaar wijselijk aan dat dat uit de context is geciteerd maar deze woorden van Velden op deze manier gebruiken is gaat wel heel erg ver over de schreef. Dit heet misleiding.
’Who wants yesterday’s papers(…)’ is de vraag. Wel iedere integere onderzoeker die ook maar een knip voor zijn neus waard is, is het antwoord. Het zijn namelijk “yesterday’s papers” die “yesterday’s” perceptie weergeven en dát is een belangrijk aspect van ieder historisch onderzoek. Het vormt een essentieel onderdeel van de context waarin gebeurtenissen hebben plaats gevonden.
Nog een voorbeeld van buiten de context citeren:
18 februari 2009 at 12:00 pm
Conclusie, ook van D. van Velden!
Vrij groot aantal Indo-Europeanen mede-geinterneerd.
“Door allerlei oorzaken werd steeds een soms vrij groot aantal Indo-Europeanen met de volbloed Europeanen en Amerikanen mede-geinterneerd.”(434)
Roos vergat de inleiding mee te nemen:
De Japanners hebben van het begin af de burgers onderscheiden in twee groepen: A. de volbloed Europeanen en Amerikanen en B. de mensen van gemengd Europees-Aziatisch of Amerikaans-Aziatisch bloed. De Japanse politiek ten opzichte van deze groepen was geheel verschillend. Het was nl. hun bedoeling uitsluitend de eerste groep in kampen op te sluiten. Door allerlei oorzaken … etc.
Vervolgens liet Roos voor het gemak de daarna volgende zin achterwege, toch niet onbelangrijk, te citeren:
Bevonden ze zich eenmaal in de kampen, dan werd er daar geen onderscheid meer gemaakt tussen hen en de anderen. Slechts de Japanner deed dit een enkele maal door de Indo-Europeanen op te roepen en soms vrij te laten.
Op 18 februari 2009 at 12:56 pm schreef Roos:
“Indo-Europese kinderen en nog meer ‘verrassingskinderen’ in de Japanse interneringskampen door D. van Velden in: De Japanse burgerkampen (1985).”
Om vervolgens een gedetailleerde opsomming te geven van de bevolking van een enkele kamp, te weten het vrouwenkamp Padang-Bangkinang. Hij doet echter voorkomen alsof Van Velden hiermee een dergelijke gedetailleerde weergave voor alle kampen heeft gegeven.
Van Velden echter, zegt zelf over dit soort statistiek:
Blz.519: ter inleiding van een overzicht van de kampen:
“Gedetailleerde getallen zijn meestal niet te vinden, ook niet bij de Rode Kruis Verenigingen of andere oficiële instanties. Voor kampen buiten het bezette gebied is veel ontleend aan de verslagen van de gedelegeerden der beschermende mogendheden of het Internationaal Comité van het Rode Kruis te Genève.”
Nu zal Roos de laatsten ongetwijfeld ego documenten noemen, maar goed…
Wederom citeert Roos buiten context en niet volledig, want het citaat hoort in de volgende context:
Blz. 442
“In Nederlands-Indië, waar dus geen duidelijke scheiding bestond tussen volbloed Nederlanders en Indo-Europeanen, werden zeer veel van de laatsten tegelijk met de overige geallieerde burgers geïnterneerd, omdat ze zich tezamen met de anderen meldden (sic). In sommige plaatsen werd hun gezegd, dat ze thuis konden blijven, zoals in Batavia en Bandung, elders werden ze allen geïnterneerd, zelfs alle Indonesische vrouwen, die met Hollandse mannen waren getrouwd. In Bandung en andere plaatsen op Java konden daarentegen alle pursang Nederlanders, die in Nederlands-Indië waren geboren aanvankelijk van internering vrij gesteld worden.”
Dit geeft het inconsistente karakter van het Japanse interneringsbeleid weer. De lijst waar Roos zijn gegevens in het citaat uit putte werd door Van Velden als noot 1 op blz 443 aangegeven als:
“Opgave nationaliteiten vrouwenkamp Padang-Bangkirang volgens door de Japanners voorgeschreven indeling in december 1944”.
Gezien het dynamische en wisselvallige karakter van het Japanse interneringsbeleid in het verloop van de bezetting is de datum belangrijk. Het geeft aan dat die opgave op dat tijdstip gold.
Voorts valt er op blz. 443-444 te lezen:
“Internering hing af van de lokale Japanse autoriteiten. Dezen lieten later een enkele maal Indo-Europeanen weer vrij en stuurden hen na de Japanse capitulatie o.a. op Java in groten getale overhaast uit de kampen, omdat hun internering, zoals ze zeiden, tegen de richtlijnen van de regering te Tokyo was geweest.”
Roos schreef op 18 februari 2009 at 5:37 pm:
“Brain Daizen Vicoria een Senior Lecturer (en Zenmeester) aan The Centre for Asian Studies, in Australië aan de Universiteit van Adelaide spreekt, schrijft en leest wel vloeiend Japans. Over hoofdstuk 15 van D. van Velden: Verantwoordelijkheden der Japanse autoriteiten (1) weet hij ons, actueel middels twee publicaties, anders te informeren.”
Hij vermeldt hier niet wat en welke publicaties noch geeft hij aan hoe het een en ander zich verhoudt tot het onderwerp. Overigens is Victoria niet geheel omstreden zo staat er in het abstract van “Critical Comments on Brian Victoria’s “Engaged Buddhism: A Skeleton in the Closet?” van Koichi Miyata van de Soka University in Tokyo:
“In this response, Koichi Miyata argues that Victoria’s claims rest on the highly selective use of quotes, and ignore key interpretative issues associated with Japanese imperial fascism and its underlying belief structures.”
Met name “the highly selective use of quotes” doet me aan iemand denken.
Ik begin de zgn Indocentrische geschiedschrijving te begrijpen: men stelt eerst vast wat de gewenste “historische werkelijkheid” moet zijn en vervolgens formuleert men zijn argumenten in het kader van die “werkelijkheid”. Door gebruikmaking van “highly selective” citaten geeft men die aldus geconstrueerde werkelijkheid de schijn van een wetenschappelijke status mee. Sja, ik denk dat ik me maar aan de reguliere manier van waarheidsvinding hou: zeer kritisch omgaan met de bronnen. Ook met Van Velden. Maar dan wel gebaseerd op goede en duidelijke argumenten en op een integer manier.
Beste Peter.
‘Kampongkippen’, ‘roetmoppen’, ‘morianen’ en ‘bruine Indische mensen’.
Ruim twintig jaar terug stond de laatste typering gewoon vermeld in onze integratie-literatuur, een voorbeeld: De Minderheden van Peter Schumacher (1987 Van Gennip Amsterdam, pagina 13).
We duiken verder in onze geschiedenis en verlaten Nederlands grondgebied. C. Snouck Hurgronje, voormalig adviseur voor buitenlandse zaken van de Nederlandse overheid, (zijn specialisatie:‘bruine zaken’ in al haar verschijningen), laat in zijn boek Mekka (2007, de oorspronkelijke uitgave verscheen in 1889) vele beschrijvingen van gekleurde vrouwen de revue passeren. Lubbers en Harry van Bommel lijken door zijn gedrag beïnvloed te zijn, bij hun recente buitenlandse avonturen. Lees, beknopt, mee. Hoe Hurgronje amusant en scherpzinnig ons het gekleurd zijn meegeeft.
Er zijn drie soorten vrouwen beschikbaar op locatie Mekka. Op de eerste plaats zijn er de willige negerinnen, uitsluitend om de seksuele lusten op bot te vieren. Hij noemt als tweede soort: ‘de dochters’, zijn de geboren Mekkaansen en kunnen als tegenpool beschouwt worden. Met de derde groep had hij zelf ‘intense’ fysieke ervaring: de Ethiopische vrouw. De laatste gaf hem entree tot de geheimzinnige wereld van de moslimvrouw in Mekka.
In 1885, op 19 maart, verstuurde Hurgronje, oorspronkelijk een Brabander, een van zijn twintig Mekkaanse brieven aan P.N. van der Chijs in Jeddah (viceconsul van Holland, consul van Zweden en filiaalhouder van de Ned. Stoomv. Mij. ‘Ocean’ in Jeddah): ‘Mij gaat het voortdurend goed en evenzeer mijn ‘familie’, die gelukkig geene der onaangename eigenaardigheden vertoont waarvan men haar ras wel beticht. Een feit is het, dat de fijne proevers hier aan de goede Abess. (Ethiopië!) meisjes boven de dochters der menschen de voorkeur schenken, tot groote ergernis van laatstgenoemden.’
We zien in recente wetenschappelijke brochures, bijvoorbeeld van prof. dr. P.S. van Koningsveld, activiteiten die bruin eigenlijk niet kan trekken. We mogen ruim 8.000 niet-arabische-moslims-Indo’s en ruim 200 Molukse moslims ontmoeten in zijn tweede herziene druk van De Islam.( De Ploeg, 1988). In de derde druk (1996) zijn beide bruine groepen verdwenen!
Aanvulling: een goed verstaander heeft……….
(en actueel in Nederland de laatste dragers van een beschaving van buitenstaanders)
Déjà vu.
De prachtige blanke katholieke sociale leer en norm en de katholieke diversiteitpolitiek kleedde als het ware het Nederlandse staatsburgerschap uit van de merendeels katholieke en protestante, 350.000 Indische Nederlanders (inclusief ongeveer 10.000 niet-arabische-Indomoslims). Vrij naar Armand: “En een van hen ben ik.”
Het kreeg na de tweede wereldoorlog gestalte in een symbolische uitsluiting uit de Nederlandse natie in combinatie met fysieke en juridische praktijken van uitsluiting. Uit en buiten het Nederlands grondgebied.
Het kwam, soms vergeten, tot een verenging van de definitie van de Nederlandse natie langs etnische lijnen. Opvattingen over de kleur van de huid en het haar van de Indische Nederlanders (Indo’s) en de Molukkers (soms enkel retorisch ingezet, vaak voor waar aangenomen) bepaalden of men werd uitgesloten in Nederland. Met name katholieke politici beschouwden de voornoemde Indische Nederlanders (Indo-Europeanen) die de Nederlandse nationaliteit hadden behouden, katholiek of protestant waren en juridisch gezien een deel waren van de Nederlandse natiestaat, vooral als vreemden, wier toekomst buiten Nederland lag. Voor de ongeveer 100.000 blanke Indische Nederlanders (totoks) zagen met name de katholieke politici wel een toekomst in Nederland weggelegd.
In de beleidsdiscours en publicaties (zie o.a. NIDI 2003) zijn de Indische Nederlanders van de eerste en tweede generatie niet opgenomen in de categorie van de zogenaamde ‘echte Nederlanders’. De classificatie luidt: ‘Westers allochtoon.’
Dat het katholicisme volledig samenging met de Nederlandse rechtsorde kreeg in de vijftiger jaren van de vorige eeuw een gezicht door de katholieke minister Van Thiel (KVP, in 2009: het huidige CDA) van Maatschappelijk Werk. Vanuit zijn katholicisme en diversiteitpolitiek kunnen we uit Kamerstukken de uitlatingen van minister Van Thiel (KVP: het huidige CDA) van Maatschappelijk Werk weergeven:
“De regering heeft de overtuiging, dat de belangen van het overgrote deel van de in Indonesië (het grootste moslimland ter wereld, MECR) geboren en getogen personen van Nederlandse nationaliteit het beste zijn gediend met een voortgezet verblijf in Indonesië. [………….] De ervaring heeft echter geleerd, dat de overkomst naar Nederland voor de Indische Nederlander, zowel voor ouderen als jongeren vaak een ontworteling betekent, die onherstelbaar is.”
Vanaf 1942 en het kreeg in daaropvolgende jaren werkelijk gestalte, werden in Indonesië en in Nederland de laatste dragers van een beschaving van buitenstaanders, opgesloten in internering kampen en zogenaamde kolonies of achtervolgd en vernederd in een ‘buitenkampsituatie’, afgemaakt, verbannen en in Nederland niet toegelaten. Terwijl hun materiële zaken (o.a achterstallige salarissen etc.), conform de regelingen getroffen, tijdens de Ronde Tafel Conferentie, met de soevereiniteitsoverdracht in 1949 aan Indonesië werden overgedragen. Alle rechten en plichten van Nederlands-Indië als zelfstandig rechtspersoon waren aldus overgegaan op de nieuwe republiek Indonesië. Het overheidsbeleid tegen de zogenaamde christen Indo’s en christen ‘maatschappelijke Nederlanders’, de honderdduizenden direct betrokkenen, zouden we, tot einde zestiger jaren van de vorige eeuw, als uiterst restrictief kunnen benoemen. En tot nu, 2009, uiterst curieus! Zelfs op film!(HJ 2602)
Déjà vu. Meer dan een halve eeuw is het alweer geleden dat in de Tweede Kamer een discussie werd gevoerd over ‘ethnic othering’ en heldere standpunten werden geformuleerd. De term verwijst naar het feit dat Nederlandse politici Indische Nederlanders ( met name het gekleurde gedeelte) als ‘andere Nederlanders‘ beschouwden. Zowel binnen als buiten de Kamer. We lezen in Handelingen II 1951/1952 het standpunt van het Kamerlid Schilthuis (PvdA). Dit lid van de PvdA had vragen over of ‘velen’ van de zich in ons land bevindende gerepatrieerden uit Indonesië’ ( Indo’s of Euro-aziaten, MECR) niet ‘minder geschikt zijn voor emigratie naar de min of meer klassiek geworden bestemmingslanden’ maar, – hij formuleerde zijn standpunt aldus – ‘geknipt zijn voor emigratie naar tropische gebieden en voor wie daarin een uitkomst zou liggen.’ Het idee voor vertrek of vlucht of emigratie uit Nederland of Indonesië van ‘in Indonesië gewortelden naar Suriname’ kwam in 1951, tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van Uniezaken en Overzeese Rijksdelen eveneens ter sprake.
We kunnen in de Handelingen uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw, vele discriminerende en racistische standpunten en uitspraken terugvinden over ons: Indo-Europeanen, landgenoten ‘van gemengde bloede’ van Kamerleden zoals bijvoorbeeld van de christelijke partijen: Meijerink (ARP)
Tot kamerbrede verontwaardiging of optreden door de voorzitter van de Tweede Kamer kwam het niet. De discussie in de Nederlandse geschiedenis, lijkt me voorbij te gaan aan het volgende.
Goedwillende totoks en andere blanken en misleidde Indo’s blijven zich verstoppen. Dat zegt anno 2009, alles over diversiteitpolitiek en afwikkeling van zaken met betrekking tot de eerste en grootste allochtonengroep in Nederland.
Bij het zoeken naar bronnen door D. van Velden voor haar ‘Japanse burgerkampen’, ging het nogal primitief aan toe daar bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RvO).
D. van Velden baseert zich o.a. op het RvO uit de eind vijftiger en begin zestiger jaren van de vorige eeuw (wat toen nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heette), noteren we op pagina 433. Ik ben even bij Rick op zijn site gaan kijken hoe er destijds (we spreken hier over de zeventiger jaren) nogal primitief aan toe ging daar bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
Ik citeer Rick: “Archivaris Rolf Utermöhlen van het Niod vertelde op humoristische wijze (Op 22 januari jl. MECR) hoe armetierig in de jaren zeventig zo’n Indisch archief eigenlijk tot stond stand kwam. Niets dan kaartenbakken en als er weer een nieuw medewerker in dienst kwam bij, wat toen nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heette, begon die weer op geheel eigen wijze een eigen systeem van documentatie op te zetten zonder voort te borduren op de archiefopbouw van de voorganger.”
Kortom: het ging er destijds in de zeventiger jaren en daarvoor, ook dus bij het zoeken naar bronnen door D. van Velden en haar ‘Japanse burgerkampen’, nogal primitief aan toe daar bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.
Interessant om te melden is van Veldens verklaring op pagina 7. “Omdat ik geen Japans ken, was het mij onmogelijk in Japan uitgekomen werken over de gevangenkampen te lezen. Deze lacune kon niet worden aangevuld, daar deze werken niet vertaald zijn.”
Brain Daizen Vicoria een Senior Lecturer (en Zenmeester) aan The Centre for Asian Studies, in Australië aan de Universiteit van Adelaide spreekt, schrijft en leest wel vloeiend Japans. Over hoofdstuk 15 van D. van Velden: Verantwoordelijkheden der Japanse autoriteiten (1) weet hij ons, actueel middels twee publicaties, anders te informeren.
1 Ook over vele andere relevante ‘Indo-zaken’ en burgerkampen en Indië en cijfermateriaal blijkt steeds weer, nieuwe gegevens aan de oppervlakte te komen.
Door blanken werden vaak uitingen van onverholen antipathie en racisme jegens de meer of minder bruin gekleurde medegeïnterneerden in de kampen gebezigd.
Totok en bankier A. Franfurther kennen we via de herinneringsliteratuur die o.a. H. Meijer (2004) recent heeft bestudeerd. (Terwijl ik, actueel, de beurskoers van bank ING zie neerdalen op haar laagste notering ooit!) Opgeschreven in zijn ’In klinkende munt. Herinnering van een bankier’ (1961) merken we op hoe Frankfurther zelf en zijn andere blanke ‘medekampers’ als nieuwkomers in het Tjimahikamp met wantrouwen door de daar bivakerende Indo-Europese gevangen werden bejegend.
Veelvuldig is opgetekend dat door blanken, uitingen van onverholen antipathie en racisme jegens de meer of minder bruin gekleurde medegeïnterneerden werden gebezigd. (1) Vaak weigerden totoks met Indo’s in een barak te verblijven. Ook werd er vaak denigrerend door totoks over Indo’s gesproken in ‘bekakt Rotterdams’ of in onvervalst Fries: ‘kampongkippen’, ‘roetmoppen’, ‘morianen’
1 Uit de berekening die J. van Goor (1987) en D. van de Velden (van Velden introduceerde voor mij de Indo-Belg) maakt, zou op te maken kunnen worden dat er meer dan dertigduizend gemengbloedigen of Indo-Europeanen in de kampen geteld kunnen worden
Ik ben bezig een aanklacht tegen de Stichting te schrijven want de Vz heeft in een interview in het Ref. Dagblad over de “BRUINERE” Indische Nederlander. Kinderen kunnen dat tegen elkaar zeggen maar dat volwassenen dat doen, heb ik sinds de lagere school niet meer meegemaakt. Zelfs in Italie doen ze dat niet, natuurlijk behalve onze nano-MP Berlusconi, hij noemt Obama, die bruinverbrande President. Hij lult wel meer uit zijn nek, zoook die Vz, schijnt Prof. te zijn.
Indo-Europese kinderen en nog meer ‘verrassingskinderen’ in de Japanse interneringskampen door D. van Velden in: De Japanse burgerkampen (1985).
- “[…] omdat talrijke Indo-Europese mannen in de loop der bezetting toch werden opgepakt en in de gevangenis of in een interneringskamp werden opgesloten, daar de Japanners hen niet vertrouwden.”(D. van Velden, 1985, 439).
- “De Indo-Europese ambtenaren uit de hogere rangen waren in geheel Nederlands-Indië trouwens onmiddellijk met hun andere Nederlandse collega’s geïnterneerd en werden niet losgelaten.”( D. van Velden, 439).
- “Duizenden Indo-Europese mannen bevonden zich bovendien in krijgsgevangenschap, daar zij, anders dan de Euasians op Malakka, dienstplichtig waren geweest.” (439)
D. van de Velden geeft een lijst met o.a. kinderen, op pagina 443.
Met D. van Velden kunnen we constateren dat in het vrouwenkamp Padang-Bangkinang zich in december 1944 bevonden:
376 Indo-Belanda meisjes tot 16 jaar;
304 Indo-Belanda jongens tot 16 jaar;
4 Indo-Engelse meisjes tot 16 jaar;
1 Indo-Engels jongen tot 16 jaar;
2 Indo-Duitse meisjes tot 16 jaar;
4 Indo-Duitse jongens tot 16 jaar;
Tevens waren er aanwezig 17 jongens en meisjes die genoteerd werden als Surinaams, Indonesisch en Ambonnees, evenens tot 16 jaar.
Zelfs onze zuiderburen komen op deze lijst voor: 2 Indo-Belgische vrouwen boven de 16 jaar.
Conclusie, ook van D. van Velden!
Vrij groot aantal Indo-Europeanen mede-geinterneerd.
“Door allerlei oorzaken werd steeds een soms vrij groot aantal Indo-Europeanen met de volbloed Europeanen en Amerikanen mede-geinterneerd.”(434)
een juiste constatering dus in 2009: ’In 1944 en 1945 werden ook nog tienduizenden Indo-Europeanen (‘Indische Nederlanders) in kampen geïnterneerd.’(1)
1 Bron: De koloniale relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië. Examenkatern VWO. Nijgh Versluys. 2006.
Indo-Europeanen en D. van Velden.
Inderdaad blijkt D. van Velden op pagina 30 omtrent haar beschrijving over ‘de Indo-Europeanen’ (1985) reeds in haar grote valkuil te vallen die door recente wetenschappelijke publicaties: o.a. de door mij boven vermelde publicaties, zijn gevuld met vaste grond.’Who wants yesterdays papers, nobody in the world’ zongen de Stones reeds in de zestiger jaren van de vorige eeuw.
Mijn, nu wel geheel onbeschadigd en volledig exemplaar (vierde druk, 1985, E 26,75 incl. verzendkosten, via Marktplaats) is volgens van Velden geheel gelijk aan de twee vorige.
Opmerkelijk is dat er bevestingen, van door mij eerder gemelde informatie, wordt gegeven door D. van Velden zelf. Op pagina 6 begint ze: ‘Uit ieder verslag en dagboek bleek sterk de persoonlijkheid van de schrijver of schrijfster.’
Ze geeft voor mij, heel nadrukkelijk als auteur de inhoud van haar proefschrift (inclusief schrijvers van verslag en dagboek), weer, in haar eigen woorden op pagina 8 , weliswaar niet in mijn bedoelde context. “Zelfs in de gunstige gevallen begaan ze ( schrijvers van verslag en dagboek, inclusief D. van Velden dus, MECR) daarom de ene blunder na de ander.”
D. van Velden schrijft overigens zelf dat Indo-Europeanen geïnterneerd in de Japanse kampen waren. (470)
Indo-Europeanen.
Niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, weten in de context van HJ 2602, Kristen Vos en Ed Caffin ons in hun artikel te melden.
Opmerkelijk: Indo-Europeanen.
Op onze middelbare scholen wordt de laatste jaren het volgende onderwezen:’In 1944 en 1945 werden ook nog tienduizenden Indo-Europeanen (‘Indische Nederlanders in kampen geïnterneerd.’ (1)
Ik heb al eerder aandacht gevestigd op het recente, grote (wetenschappelijk) literatuur aanbod met betrekking tot de terminologie rond en over de mensen afkomstig uit Indië/Indonesië.
De tot een ‘ongebalanceerde en tot mythologische proportie’ gegroeide kribbe en stal van onzinnigheden omtrent ‘de Indische groep’, eerder door mij gesignaleerd, wordt echter steeds voller.
Bron: De koloniale relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië. Examenkatern VWO. Nijgh Versluys. 2006.
In deze “discussie” – meer een verzameling van al dan niet opzettelijke miscommunicatie en misinterpretatie dan een uitwisseling van standpunten – is er eigenlijk maar één verstandig en redelijk bericht, namelijk die van Mas Rob van 12 februari jl. Hij raakt de kern van het verhaal: het verschil tussen totok en Indo die alleen bestond in de realiteit van de koloniale samenleving. Die koloniale samenleving bestaat niet meer en intussen is ook de wereld veranderd.
Ik vind het opvallend, ironisch misschien, om zoiets te lezen als
“Er waren twee Indo-Europeanen (gemengde afkomst) bij, maar die waren voor Nederlanders nauwelijks als zodanig te herkennen.”
Ironisch, als je , net als ik en waarschijnlijk velen van mijn generatie, zich nog het tegengestelde kan herinneren; het streven om vooral niet als Indo te worden herkend.
Over mythevorming gesproken: men gaat uit van dé Indo-Europeaan of dé Indische Nederlander, maar die heeft nooit bestaan. Er waren grote verschillen en scheidslijnen onderling zodat de term Indo-Europeanen een soort van verzamelterm is. Het enige wat hen bond waren de Aziatische genen die men, indien mogelijk, zoveel mogelijk negeerde.
Martin, ik heb de man niet “aangehaald”. Het is niet mijn gewoonte om mannen aan te halen, zeker niet als ze ongewassen zijn. Maar misschien bedoel je dat ik zijn woorden heb weergegeven. Dat kan het ook niet zijn omdat er geen touw aan vast te knopen was en ik – al zou ik het willen – zijn woorden niet kan weergeven. Ongetwijfeld zal jij met je psychiatrische achtergrond er wel chocola van hebben kunnen maken. Hij zou voor jou een perfecte gesprekspartner zijn geweest; hij reageerde ook nergens op en als hij dat deed dan was het niet te volgen. Opmerkelijk dat Peter contact met hem – als het dezelfde persoon is – kreeg. Mijn ex-schoonzuster, die een zeer ervaren psychiatrische verpleegkundige is, lukte het in ieder geval niet. “Bekakt Rotterdams” vind ik ook intrigerend. Ben toch reuze benieuwd hoe dat klinkt. ‘Bekakt’ kan ik voorstellen en Rotterdams ken ik door en door; de combinatie lijkt me uiterst bijzonder.
“ Interpretatiemogelijkheden” is een intrigerende term t.a.v. het observeren van personen. Het zegt wel het een en ander over jou. Interpreteren, invullen van personen. Maar de combinatie met “mogelijkheid” is eigenaardig. De man was er elke dag te zien. Mogelijkheden zat om hem te observeren. Interpreteren van mensen doe ik meestal niet. Ik neem ze over het algemeen zoals ze zijn.